CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - bijlage 4 Onderbouwing Nieuwendijk 117 incl bijlagen v2

Gemeenteraad 4 april 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Veegplan XIV16.571 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Afbeelding 13: PMWP Gezondheid

Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft de planlocatie geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de planlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Waterschap Aa en Maas is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterbeheer is gericht op het duurzaam beheren van het watersysteem, waarbij uitgegaan wordt van een watersysteembenadering. In het waterbeheerplan ‘Werken met water voor nu en later’ beschrijft Waterschap Aa en Maas de hoofdlijnen van haar beleid. Het huidige waterbeheerplan beschrijft de plannen voor de periode 2016 – 2021. De missie van het waterschap is: ‘Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten’. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Aa en Maas.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

De planlocatie is gesitueerd direct naast een A-watergang, zie onderstaande afbeelding.

28 van 53

Afbeelding 14: Uitsnede legger waterschap Aa en Maas

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt water van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt in de bestaande situatie door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op de sloot die evenwijdig loopt aan de Nieuwendijk (zie onderstaande afbeelding). In de bestaande situatie vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater.

Afbeelding 15: Afvoer niet verontreinigd hemelwater

29 van 53

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Er zal in de beoogde situatie nauwelijks een wijziging plaatsvinden met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie. Het hemelwater dat valt op de nieuw te bouwen loods zal ook via de B-watergang aan de voorkant van het huis worden afgevoerd. Tevens wordt de oppervlakte aan bebouwing kleiner in de beoogde situatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

4.2.4. Gemeentelijk rioleringsplan 2021 – 2025

Op 6 november 2020 is het gemeentelijk rioleringsplan van de gemeente Someren gepubliceerd. In het gemeentelijk rioleringsplan 2021 – 2025 (GRP) staat beschreven dat de perceeleigenaar in beginsel moet zorgen voor het verwerken van het hemelwater dat op de projectlocatie valt. Dit moet volgens de trits vasthouden – bergen - afvoeren. Op de planlocatie wordt 237,5m2 aan bebouwing herbouwd. Conform het rioleringsplan moet er per m2 eerst 30 liter water kunnen worden vastgehouden. Er moet dus een retentievoorziening van 0,03m3/m2 x 237.5m2 = 7,13m3 worden gerealiseerd. Deze retentie mag niet dieper komen te liggen dan de gemiddelde hoogste grondwaterstand, zie Afbeelding 16.

Afbeelding 16: Uitsnede GHG kaart

Op de planlocatie zal een retentievoorziening gerealiseerd worden die minimaal 7,13m3 kan vasthouden. Er zal niet dieper dan 60 centimeter worden gegraven en de oppervlakte van de retentie zal circa 12m2 worden. De exacte locatie van de retentievoorziening moet nog bepaald worden. Uitganspunt is dat gerekend moet worden met een k-waarde van 1,0 meter per 24 uur zodat deze inhoud weer beschikbaar is en dat de buffer boven de GHG moet worden gerealiseerd. Aangezien de oppervlakte van de retentie 12m2 is, kan ook het water infiltreren in de grond op een gebied van 12m2. Omdat gerekend moet worden met een k-waarde van 1, zou er per 24 uur 12m3 kunnen infiltreren in de grond (12m2 x 1 meter). Echter is er maar 60 centimeter van de boven de GHG. Dit houdt in dat er maar 0,6m x 12m2 = 7,2m2 kan infiltreren per 24 uur. Dit is meer dan de benodigde inhoud van 7,13m3. De beoogde situatie is dus niet in strijd met het gemeentelijk rioleringsplan.

30 van 53

4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 14. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

31 van 53

Afbeelding 17: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Weerter en Budelbergen & Ringselven, Groote Peel en Strabrechtse Heide & Beuven. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Andere provincies nakijken. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Weerter en Budelbergen & Ringselven, dat op een afstand van circa 3,1 kilometer ligt. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Dit is zeker het geval indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een verschilberekening

32 van 53

gemaakt waarin de vervoersbewegingen ten behoeve van de bedrijfsmatige opslag in de beoogde situatie zijn ingevoerd. Dit betreft volgens de CROW-toekomstbestendig parkeren een verkeersgeneratie van 5,7 per 100m2 bebouwd vloeroppervlak per gemiddelde weekdag. Worstcasescenario is uitgegaan van 365 weekdagen per jaar. Volgens de CROW-toekomstbestendig parkeren bestaan de vervoersbewegingen voor 5% uit zware vervoersbewegingen. Op basis van een ligging ten opzichte van de N266 is ervan uitgegaan dat 70% van alle vervoersbewegingen in oostelijke richting plaatsvindt. Alle vervoersbewegingen zijn ingevoerd tot het moment dat deze zijn opgenomen in het ‘heersende verkeersbeeld’. Om deze reden is een afstand van 200 meter op de openbare weg opgenomen in de berekening.

De verdeling van de vervoersbewegingen is als volgt: 5,7 verkeersgeneratie x 365 dagen x 3,4 keer 100m2 vloeroppervlak = 7.074 vervoersbewegingen Licht: 7074 vervoersbewegingen x 95% = 6.720 lichte vervoersbewegingen Zwaar: 7074 vervoersbewegingen x 95% = 354 zware vervoersbewegingen Westelijk licht: 30% x 6.720 = 2.016 vervoersbewegingen Westelijk zwaar: 30% x 354 = 106 vervoersbewegingen Oostelijk licht: 70% x 6.720 = 4.704 vervoersbewegingen Oostelijk zwaar: 70% x 354 = 248 vervoersbewegingen Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in Bijlage 2, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht. Ook voor de bouwfase van onderhavig initiatief is een AERIUS berekening gemaakt. Deze berekening inclusief de toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlage. Ook uit deze berekening blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Weerter en Budelbergen & Ringselven leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

33 van 53

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Nieuwendijk 117, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het beoogde bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeelding.

34 van 53

Afbeelding 18: Uitsnede effectenindicator soorten Het initiatief betreft het slopen van een bestaande loods en het terugbouwen van een nieuwe loods. De effectenindicator kan slechts een indicatie geven van de aanwezige beschermde soorten. Om zekerheid te creëren dat er geen beschermde soorten worden gedood, verwond of verwijderd dient er een quickscan te worden uitgevoerd. De quickscan wordt uitgevoerd ten tijde van de sloopmelding/omgevingsvergunning bouw. Hiervoor wordt gekozen omdat de sloop en nieuwbouw niet op korte termijn kan plaatsvinden. Hierdoor zouden beschermde soorten zich nog kunnen vestigen tussen de uitgevoerde quickscan en de echte sloop van de bebouwing. Om uit te sluiten dat er dan geen beschermde soorten zijn, dient enkele maanden voor de sloop een quickscan te worden uitgevoerd.

In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat er een quickscan dient te worden uitgevoerd voor het slopen van de loods. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk.

35 van 53

4.4. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich meebrengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Het initiatief bestaat uit het toevoegen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’. De bestaande woning wordt niet verbouwd, vergroot of verplaatst. Er wordt geen nieuw gebouw of nieuwe locatie gerealiseerd waar mensen langer dan 2 uur zullen verblijven. Het bijgebouw is geen verblijfsplaats. Dit betreft een gebouw waar inpandige statische opslag plaatsvindt. Bovenstaande redenatie sluit niet uit dat er bodemverontreiniging is op de planlocatie.

Om meer duidelijkheid te krijgen is via het bodemloket een rapport aangevraagd. Hieruit blijkt dat bij het bodemloket geen informatie beschikbaar is over een eventuele sanering op deze locatie. Het rapport van het bodemloket is toegevoegd in Bijlage 5. Tevens valt op de luchtfoto van 2007 te zien dat de loods en de woning al gerealiseerd waren, zie Afbeelding 19. Initiatiefnemer heeft nooit bodembedreigende activiteiten uitgevoerd op de planlocatie. Echter is de bestaande schuur voorzien van een asbesthoudend dak. Dit dak is maar aan één kant voorzien van een dakgoot. Bij de sloopmelding zal een asbestinventarisatierapport moeten worden gemaakt. Hierbij zal de bodem worden meegenomen.

Afbeelding 19: luchtfoto 2007

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.5. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

36 van 53

4.5.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 16. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. De weg Nieuwendijk is door de provincie Noord-Brabant aangeduid als weg met redelijk hoge waarde. Het is relevant om dit te benoemen. Doordat de aanpassingen die gepaard gaan met de beoogde ontwikkeling voornamelijk in het achtererf plaatsvinden, worden de cultuurhistorische waarde van de weg niet verstoord. Het aanzicht op de woning zal niet veranderen.

Afbeelding 20: Uitsnede kaart Iov stedelijke ontwikkeling en erfgoed

4.5.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan Op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ zijn de archeologische verwachtingen en waarden voor het buitengebied (deelgebied 2) van Someren weergeven. Voor locatie Nieuwendijk 117 zijn geen archeologische waarden bekend. Ook zullen er geen bodemingrepen (gaan) plaatsvinden op ongeroerde gronden. Een archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. 4.6. Landschappelijke inpassing In paragraaf 3.1.3 is onder het kopje kwaliteitsverbetering gemotiveerd dat de beoogde ontwikkeling onder een categorie 3 ontwikkeling valt. Hierdoor dient de planlocatie landschappelijk ingepast te worden en dient er een kwaliteitsberekening te worden gemaakt voor de normering in euro’s voor de landschappelijke inpassing.

Ook is in de wijzigingsbevoegdheid (artikel 18.7.1 onder i) opgenomen dat ter plaatse van de planlocatie de ruimtelijke kwaliteit in combinatie met een landschappelijke inpassing dient te worden geborgd, dit wordt gedaan in de regels en middels de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ op de verbeelding. In Bijlage 3 is het landschappelijk inpassingsplan toegevoegd en in Bijlage 4 is de kwaliteitsberekening toegevoegd. Met de beoogde landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij het rechtlijnige landschap in de omgeving. Ook worden de bestaande groenstructuren en het bestaande karakter van het door de landschappelijke inpassing in het gebied versterkt. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan weergeven.

37 van 53

Afbeelding 21: Uitsnede landschappelijk inpassingsplan

4.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid).

38 van 53

De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de directe omgeving vindt veel functiemenging plaats. Tevens is er verstoring door verkeer derhalve de inrichting aan een doorgaande weg is gelegen. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een gemengd gebied. Een bedrijf dat voorziet in statische opslag behoort tot milieucategorie 2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in een rustig gemengd gebied, is de richtafstand 30 meter. De dichtstbijzijnde woning van derden, de Nieuwendijk 120, bevindt zich op een afstand van ca. 62 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel aan de Nieuwendijk 117. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.8. Geur

4.8.1. Individuele hinder

De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. In afbeelding 18 is de achtergrondbelasting te zien ter plaatse van de planlocatie. Hieruit blijkt dat de achtergrondbelasting goed (3-7 ouE/m3) is. De beoogde situatie zal niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie in het kader van het aspect geur. Gezien het voorgaande en de grote afstanden ten opzichte de woning aan de Nieuwendijk 117 van omliggende veehouderijen kan er geconcludeerd worden dat een onderzoek omgekeerde werking geur veehouderijen niet noodzakelijk is voor onderhavig initiatief.

Afbeelding 22: Achtergrondkaart geur ODBN

4.9. Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.

39 van 53

Onderzoek of voldaan wordt aan de grenswaarden kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Voor het beoogde bedrijf dat voorziet in het aanbieden van statische opslag dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving.

Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW- toekomstbestendig parkeren. Voor een bedrijf in de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’, dat ligt in het buitengebied, wordt een verkeersgeneratie van 3,9-5,7 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voorgeschreven. De bedrijfsbebouwing heeft in de beoogde situatie een omvang van circa 340 m2. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 5,7 x 340m2 / 100m2 = 20 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Conform de CROW heeft een arbeids- en bezoekersextensief een aandeel vrachtverkeer van 5%. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is, zie afbeelding 19. Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de Nieuwendijk 117 plaats.

De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.

40 van 53

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

20

Aandeel vrachtverkeer

5,0%

NO2 in μg/m3

0,02

3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 23: NIBM-tool

4.9.1. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de blootstelling van de mens aan NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor het jaargemiddelde. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10 PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 16,48 μg/m3, voor PM2,5 9,51 μg/m3 en voor NO2 10,43 μg/m3.

Afbeelding 24: GCN-kaart fijnstof (PM10)

41 van 53

Afbeelding 25: Uitsnede GCN kaart fijnstof (PM2,5)

Afbeelding 26: GCN-kaart stikstofdioxide (NO2)

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.10. Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Met betrekking tot spoorweglawaai wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht, aangezien de locatie niet is gelegen ter plaatse van een geluidszone van een spoorweg. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient voor nieuwe geluidsgevoelige objecten aangetoond worden dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Een recreatief bedrijf wordt niet aangemerkt als geluidsgevoelig waardoor een onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk wordt geacht. Met betrekking tot het industrielawaai dient bij de realisatie van nieuwe geluidsrelevante activiteiten, zoals extra aan- en afvoerbewegingen van auto’s, beoordeeld te worden of dit nadelige effecten kan hebben op omliggende gevoelige objecten. In paragraaf 4.7 van onderhavige toelichting is gemotiveerd dat het bedrijf op voldoende afstand ligt van geluidgevoelige objecten.

42 van 53

4.11. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor. Het initiatief heeft een toename van maximaal 5,7 vervoersbewegingen per gemiddelde weekdag. De planlocatie ligt aan de Nieuwendijk 117, Een verharde weg die is gelegen tussen Someren-Heide en Someren-Eind. De weg wordt ontsloten door Kerkendijk in zuidwestelijke richting en door de Sluisstraat in noordoostelijke richting. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen. In paragraaf 3.2.2 is getoetst aan artikel 18.7.1. Onder d van deze toetsing is beredeneerd dat de planlocatie is voorzien van voldoende parkeergelegenheid. De planlocatie is tevens voorzien van voldoende verharding. Hierdoor is het mogelijk om op de planlocatie te draaien en voldoende ruimte om te laden en te lossen. In de planlocatie zijn 5 parkeervakken nodig. De afmetingen van de parkeervakken zijn als volgt.

Haaks inparkeren: - lengte parkeervak 5 meter + 6 meter ruimte om haaks in te rijden - Breedte parkeervak 2,5 meter Langs inparkeren: - Lengte parkeervak 6 meter - Breedte parkeervak 2,5 meter Zoals op de tekening weergeven zijn er 2 parkeervakken voor aan de weg waarin langs kan worden ingeparkeerd. Op de planlocatie zijn ook 3 vakken ingetekend waarin haaks kan worden ingeparkeerd. Tevens is aangegeven op de tekening dat er voldoende ruimte is om te laden, lossen en te keren.

Afbeelding 27: Parkeergelegenheid

Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.

43 van 53

4.12. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute. In het kader van de externe veiligheid is een standaardadvies vanuit de VRBZO opgevraagd. Deze is toegevoegd in Bijlage 6.

4.12.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.

Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. 4.13.2 Toetsing aan beleid

44 van 53

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Afbeelding 28: Risicokaart

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten het toevoegen van de een aanduiding ‘wonen plus’ op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de Vaartdijk 5 en is in bezit van een bovengrondse propaantank. Er is een veiligheidsafstand van 10 meter opgenomen. De inrichting aan de Vaartdijk 5 is gelegen op circa 1.350 meter van de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de rijkswegen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ is in de nabijheid (circa 560 ten westen) een dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. Voor de leiding is geen risicoafstand opgenomen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. 4.13. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 28). Bij het slopen en bouwen van de loods, wordt er een KLIC-melding gemaakt om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.

45 van 53

4.14. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a.

gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Nieuwendijk 130. op een afstand van circa 114 meter. Dit betreft een geitenhouderij. De afstand tussen de woning aan de Nieuwendijk 117 en de veehouderij aan de Nieuwendijk 130 wordt niet kleiner met de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling levert dus geen verslechtering op ten opzichte van de bestaande situatie. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd. Iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.

4.14.1. Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden

Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; - Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.

De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine

46 van 53

is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen aan de Groenstraat 32, betreft een varkenshouderij en stoot jaarlijks 172 kg aan fijnstof uit. In het kader van het endotoxinekader 2.0 dient er een afstand te worden gehouden van 77 meter. De veehouderij ligt op circa 320 meter van de planlocatie. Er wordt dus voldaan aan de afstanden zoals gesteld in het endotoxine toetsingskader. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gelegen aan de Nieuwendijk 117 op een afstand van circa 450 meter. Conform het endotoxinekader 2.0 dient er een afstand van 218 meter te worden gehouden (1265 kg fijnstof). Er wordt dus voldaan aan de afstanden uit het endotoxine toetsingskader 2.0 Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd.

Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling.

Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen. Binnen een straal van twee kilometer van de planlocatie zijn twee geitenhouderijen gelegen. Zie Afbeelding 29. Het dichtstbijzijnde bedrijf (Nieuwendijk 114) ligt op een afstand van circa 175 meter van de planlocatie. Voor de bestaande woning verandert er niets ten opzichte van de geitenhouderijen in de omgeving. Afstanden tot geitenhouderijen worden niet kleiner. Er wordt ook geen nieuwe woning gerealiseerd met het beoogde initiatief. De beoogde ontwikkeling leidt dus niet tot een verslechtering van de bestaande situatie.

Daarnaast zijn er andere woningen gelegen op kleinere afstand van de omliggende geitenhouderijen.

47 van 53

Afbeelding 29: Ligging geitenhouderijen

48 van 53

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: -

Enkelbestemming: ‘Wonen’ Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – stalderingsgebied’

Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. De volgende wijzigingen hebben plaatsgevonden ten opzichte van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ van de gemeente Someren: - Het bestemmingsvlak is vergroot zodat alle bebouwing binnen het bestemmingsvlak valt - Ter plaatse van het bestemmingsvlak is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’ toegevoegd 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.

49 van 53

Gezien het feit dat dit postzegelplan wordt meegenomen in het Veegplan XIV van de gemeente Someren, zijn alleen de van toepassing zijnde bestemmingsregels uitgewerkt. De overige regels dienen in het kader van het veegplan opgesteld te worden door de gemeente. Daarom is voor de inleidende, algemene en overgangs- en slotregels verwezen naar het moederplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de algemene gebruiksregels. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Er is ook voor de sloop van de overtollige bebouwing een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen.

50 van 53

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Nieuwendijk 117 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan). Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en zal er een omgevingsdialoog plaatsvinden.

6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Aa en Maas en provincie Noord-Brabant. Initiatiefnemer is in het kader van de omgevingsdialoog langs geweest bij de naaste buren. Ze heeft de beoogde ontwikkeling uitgelegd. Omdat er fysiek weinig zal veranderen waren de reacties positief. Ze heeft gesproken met de direct naast- en tegenover gelegen buren. Ook is er gesproken met de eigenaar van het naastgelegen bedrijf met bedrijfswoning. De eigenaar van deze woning is elders woonachtig. Omdat de eigenaar van deze woning wel belangen zou kunnen hebben bij de ontwikkeling is ook gesproken met de eigenaar van deze woning.

6.2.2. Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien eenieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

51 van 53

7. Bijlagen

Bijlage 1: Plattegrondtekening beoogde loods (incl. overkappingen) Bijlage 2: AERIUS berekening vervoersbewegingen Bijlage 3: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 4: Kwaliteitsberekening landschappelijke inpassing Bijlage 5: Rapport bodemloket Bijlage 6: Standaardadvies veiligheid Bijlage 7: Toelichting invoergegevens AERIUS bouwfase Bijlage 8: AERIUS berekening bouwfase

52 van 53

53 van 53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13889428/2