CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - bijlage 4 Onderbouwing Nieuwendijk 117 incl bijlagen v2

Gemeenteraad 4 april 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Veegplan XIV16.571 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Bestemmingsplan

Nieuwendijk 117 Someren

Colofon

Gemeente:

Someren

Projectlocatie:

Nieuwendijk 117 te Someren

Datum:

28-06-2021 27-12-2021 16-01-2023 22-02-2024

IMRO-Code:

NL.IMRO.0847.BP02021013-VS01

Opgesteld door:

Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl

Projectnummer:

17184.006/MLe

2 van 53

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 5

1.3.

Procedure ....................................................................................................... 6

1.4.

Leeswijzer ....................................................................................................... 7

2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 8

2.2.

Beoogde situatie .............................................................................................. 9

3. Beleidskader................................................................................................... 12 3.1.

Rijksbeleid...................................................................................................... 12

3.1.1. 3.1.2. 3.2.

Provinciaal beleid ............................................................................................ 12

3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.

Ladder duurzame verstedelijking ............................................................... 12 Nationale omgevingsvisie .......................................................................... 12 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 13 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 13 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 14

Gemeentelijk beleid......................................................................................... 19

3.3.1. 3.3.2. 3.3.3.

Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren 2022 ......................................... 19 Structuurvisie ........................................................................................... 19 Bestemmingsplan ..................................................................................... 20

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 26 4.1.

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 26

4.2.

Waterhuishouding ........................................................................................... 26

4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.2.4. 4.3.

Waterrelevant beleid................................................................................. 26 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 28 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 30 Gemeentelijk rioleringsplan 2021 – 2025 .................................................... 30

Natuur ........................................................................................................... 31

4.3.1. 4.3.2.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 31 Wet natuurbescherming ............................................................................ 32

4.4.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 36

4.5.

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 36

4.5.1. 4.5.2.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 37 Archeologie .............................................................................................. 37

4.6.

Landschappelijke inpassing .............................................................................. 37

4.7.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 38

4.8.

Geur .............................................................................................................. 39

3 van 53

4.8.1. 4.9.

Individuele hinder .................................................................................... 39

Luchtkwaliteit ................................................................................................. 39

4.9.1.

Woon- en leefklimaat ................................................................................ 41

4.10.

Geluid ......................................................................................................... 42

4.11.

Verkeer en parkeren .................................................................................... 43

4.12.

Externe veiligheid ........................................................................................ 44

4.12.1.

Regelgeving ............................................................................................. 44

4.13.

Technische infrastructuur ............................................................................. 45

4.14.

Volksgezondheid .......................................................................................... 46

4.14.1.

Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden................................... 46

5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 49 5.1.

Juridische achtergrond .................................................................................... 49

5.2.

Toelichting verbeelding.................................................................................... 49

5.3.

Toelichting regels............................................................................................ 49

6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 51 6.1.

Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 51

6.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 51

6.2.1. 6.2.2.

Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 51 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 51

7. Bijlagen .......................................................................................................... 52

4 van 53

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Initiatiefnemer is woonachtig aan de Nieuwendijk 117 te Someren. De locatie beschikt over een bebouwd oppervlak van circa 710m2. Hiervan bestaat circa 270m2 uit de woning en circa 390m2 uit bedrijfsmatig gebruikte bijgebouwen. De overige 50m2 bestaat uit een overkapping met glazen schuifwanden. De bijgebouwen van circa 340m2 en 50m2 worden gebruikt ten behoeve van bedrijfsmatige opslag. Conform het bestemmingsplan is een maximum van 100m2 aan bijgebouwen toegestaan. De bestaande situatie, met 390m2 aan bijgebouwen in gebruik voor bedrijfsmatige opslag, is een historisch ontstane situatie. Deze situatie is in strijd met het bestemmingsplan. Ter plaatse van functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - wonen plus’ is 350m2 aan bedrijfsmatige bijgebouwen toegestaan. Initiatiefnemer is voornemens om het bestemmingsplan te wijzigen door deze functieaanduiding toe te voegen ter plaatse van de Nieuwendijk 117. In het vigerende bestemmingsplan is hiervoor een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Tevens is initiatiefnemer voornemens om het bijgebouw van 340m2 te slopen en te herbouwen met een oppervlakte van 237,5m2.

Wanneer de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’ is toegevoegd ter plaatse van het bestemmingsvlak en het bijgebouw wordt herbouwd met een oppervlakte van 237,5m2, wordt er niet meer in strijd gehandeld met het bestemmingsplan. Echter ligt de bebouwing in de beoogde situatie (net als in de bestaande situatie) nog steeds buiten het bestemmingsvlak. Daarom wordt het bestemmingsvlak vergroot. Hiervoor is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen, derhalve wordt er een partiële herziening van het bestemmingsplan voorbereid. 1.2. Geldend planologisch regime Op de planlocatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ van de gemeente Someren vigerend. De regels van het plan ‘Parapluplan NAF-beleid Someren’ zijn ook van toepassing op de planlocatie. De planlocatie is gelegen ter plaatse van de enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding het bestemmingsplan weergeven. Op het plangebied zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing: -

Enkelbestemming: ‘Wonen’ Enkelbestemming: ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van waarde – visueel waardevol; openheid’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – stalderingsgebied’

5 van 53

Afbeelding 1: Uitsnede ruimtelijke plannen ‘Buitengebied Deelgebied 2’ van de gemeente Someren

Conform het bestemmingsplan is een maximum van 100m2 aan bijgebouwen toegestaan. In de huidige situatie is circa 440m2 aan bijgebouw aanwezig. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’ is het toegestaan om over 350m2 aan bijgebouwen te beschikken. De planlocatie beschikt over meer dan 350m2 aan bijgebouwen en is niet gelegen ter plaatse van deze functieaanduiding. Hierdoor handelt de huidige situatie in strijd met het bestemmingsplan. Middels dit bestemmingsplan wordt functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’ toegevoegd ter plaatse van de planlocatie en wordt het oppervlakte bijgebouwen verkleind. 1.3. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.

Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan eenieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd.

6 van 53

1.4. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.

7 van 53

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Het plangebied, blauw omkaderd in afbeelding 2, is gelegen aan de Nieuwendijk 117 te Someren ter plaatse van het kadastrale perceel sectie G, nummers 2931 en 3343. De planlocatie ligt op circa 800 meter ten oosten van de kern van Someren-Heide en op circa 1,5 kilometer ten zuidwesten van de kern van Someren-eind, zie afbeelding 3. De directe omgeving wordt gekenmerkt door veel agrarische bedrijvigheid. Onder andere de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Maatschappelijk’, ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’, ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ en ‘Wonen’ zijn gelegen in de directe omgeving. Aan de zuidwestelijke rand van het plangebied is een A-watergang gelegen. De aanwezige bebouwing op de planlocatie bestaat uit een woning (270m2), een loods t.b.v. opslag (340m2), een bijgebouw (50m2) en een overkapping (50m2). De totale oppervlakte aan bebouwing bedraagt circa 710m2. De loods wordt nu gebruikt voor de opslag van het bedrijf Steel Garden. Initiatiefnemer, tevens eigenaar van Steel Garden, slaat goederen van Steel Garden op in de bijgebouwen.

Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied

8 van 53

Afbeelding 3: Ligging planlocatie

2.2. Beoogde situatie In de huidige situatie is er meer dan 100m2 aan bijgebouw aanwezig op de planlocatie. Dit is niet toegestaan volgens het bestemmingsplan. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’ is het toegestaan om een oppervlakte van 350m2 aan bijgebouwen bedrijfsmatig in gebruik te hebben. Doordat de locatie over meer dan 350m2 aan bijgebouwen beschikt en niet gelegen is ter plaatse van de eerder genoemde aanduiding, wordt er in strijd gehandeld met het bestemmingsplan. Ook ligt een gedeelte van de bebouwing buiten het bestemmingsvlak dat is aangeduid als ‘Wonen’. Met de beoogde ontwikkeling wordt het oppervlakte bijgebouw verkleind en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’ toegevoegd op de planlocatie. Ook zal het bestemmingsvlak aangeduid als ‘Wonen’ worden vergroot. Hierdoor zal de planlocatie niet meer in strijd zijn met het bestemmingsplan. De functies van de gebouwen zullen niet wijzigen. Dit in tegenstelling tot de omvang van het bouwvlak. Het grootste deel van de bijgebouwen en de volledige overkapping zijn buiten het bouwvlak gesitueerd. De loods heeft vanuit de historische situatie nooit in het bouwvlak gelegen. Met dit bestemmingsplan wordt het bestemmingsvlak vergroot zodat alle bebouwing binnen het bestemmingsvlak komt te liggen.

Fysiek zijn er maar twee verschillen ten opzichte van de huidige situatie. Het eerste verschil betreft het slopen van de loods (340m2) gepaard met het terugbouwen van een nieuwe loods (237,5m2). Het tweede verschil betreft de landschappelijke inpassing. Gepaard met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie zorgvuldig landschappelijk ingepast. In Afbeelding 4 is de landschappelijke inpassing weergeven en in Afbeelding 5 is een plattegrond van de beoogde loods (incl. overkappingen weergeven). De volledige tekening van de loods is toegevoegd in Bijlage 1.

9 van 53

Afbeelding 4: Beoogde situatie

10 van 53

Afbeelding 5: Plattegrond beoogde loods (incl. overkappingen)

De nieuwbouw zal gaan voldoen aan de standaard bouwregels zoals opgenomen in artikel 18.2.3 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied – Deelgebied 2’

11 van 53

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het Rijksbeleid, het provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid

3.1.1. Ladder duurzame verstedelijking

In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. In het Bro wordt een stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd:

‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’ Het initiatief betreft geen stedelijke ontwikkeling omdat het geen ruimtelijke ontwikkeling betreft voor een van bovengenoemde omschrijvingen. Voor wonen geldt namelijk dat pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is wanneer in de woningbouwlocatie 12 woningen worden gerealiseerd. Er worden met de beoogde ontwikkeling geen woningen gerealiseerd. Toepassing van de ladder is daarom niet nodig.

3.1.2. Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld en in werking getreden. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI stelt daarbij een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wil men werken aan de volgende prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Verder heeft men in de Uitvoeringsagenda Nationale Omgevingsvisie 2021-2024 een aantal voorlopige NOVI-gebieden geselecteerd. Het Rijk is van plan om hier samen met de regio, met een focus op de brede ruimtelijke-fysieke opgaven: - Een extra impuls te geven aan grote transities, passend bij NOVI-prioriteiten; en - Een extra steun te geven aan de aanpak van grote, integrale fysieke opgaven, die essentieel zijn voor Nederland. Eén van de aangewezen NOVI-gebieden betreft ‘De Peel’; het gaat hierbij om de grote transitie van het landelijk gebied. De intensieve veehouderij in De Peel en omgeving is van een omvang die zijn gelijke niet kent in de wereld.

Tegelijk stelt dit het Rijk voor enorme opgaven ten aanzien van milieu en leefomgevingskwaliteit onder andere door stikstof en is transitie nodig naar meer duurzaamheid, versterking van de natuur, de leefbaarheid, een goede bereikbaarheid, het dierenwelzijn en de gezondheid voor alle inwoners van oostelijk Noord-Brabant en Noord- en Midden-Limburg. Voorliggend project is gelegen nabij het NOVI-gebied ‘De Peel’. Het project betreft echter geen transitie of opgave zoals bedoeld in de geschetste opgave voor dit gebied. De leefbaarheid zal verbeteren; en de natuur zal versterkt worden (door uitvoering van een landschappelijk inpassingsplan, zoals opgenomen in Bijlage 3). Voorliggend project zal dus geen belemmering zijn voor de uitvoering van de opgave in dit NOVI-gebied. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

12 van 53

3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:

‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030. Er wordt door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.2.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie afbeelding 5, ligt de planlocatie in het accentgebied agrarische ontwikkeling. Het gebied betreft een jonge ontginning met een modern en grootschalig landschap waarin de intensieve veehouderij en de glastuinbouwsector een sterke positie hebben. Binnen het accentgebied agrarische ontwikkeling geldt het beleid zoals beschreven in de paragraaf 2.2.1 ‘Perspectief gemengd landelijk gebied’ van de structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014.

13 van 53

In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat voor de locatie het perspectief gemengde landelijk gebied geldt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt. De planlocatie is dus onderdeel van een multifunctioneel gebied. Er vinden in de omgeving kleinschalige stedelijke functies, waterfuncties, natuur en recreatie plaats. Het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.

Afbeelding 6: Uitsnede structurenkaart

3.2.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.

Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie afbeelding 6.

14 van 53

Afbeelding 7: Uitsnede hoofdstuk 3 kaartviewer Iov

De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen - 3.52 aanvullende regels stalderen - 3.68 wonen in landelijk gebied - 3.73 vestiging niet agrarische functie in landelijk gebied Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst. Het plangebied bevat ook regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. In zowel de huidige als de beoogde situatie is er geen sprake van een veehouderij. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel.

3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. In de huidige situatie is niet alle bebouwing binnen het bouwvlak gesitueerd. Met de ontwikkeling wordt ook het bouwvlak vergroot.

15 van 53

Het bouwvlak wordt op zo’n manier vergroot dat alle bebouwing in de beoogde situatie binnen het bouwvlak komt te liggen. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.

Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de beoogde ontwikkeling te combineren met een goede landschappelijke inpassing en bebouwing te slopen. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Someren is ‘Landschapsinvesteringsregeling gemeente Someren 2018’ van toepassing.

Hierin is de beoogde ontwikkeling niet specifiek genoemd. Worstcasescenario wordt ervan uitgegaan dat de ontwikkeling een categorie 3 ontwikkeling betreft. Met de ontwikkeling wordt het bouwvlak vergroot. Dit is niet opgenomen in categorie 1 of 2. Categorie 3 houdt het volgende in: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro’s (op basis van normbedragen). In Bijlage 4 is een berekening toegevoegd die de basisinspanning in euro’s uitdrukt. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing, evenals de sloop van de overtollige bebouwing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov.

16 van 53

Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; De woning binnen het plangebied is bestaand.

b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. De woning ter plaatse van het plangebied is voor bewoning bestemd.

Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; Onderstaand wordt getoetst aan artikel 3.73 van de Iov.

b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt.

De bestaande loods (340m2) wordt gesloopt en op dezelfde locatie wordt een kleinere loods (237,5m2) teruggebouwd.

Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

Een primair doel van de omgeving is om de veelal sectorale visies met elkaar te verbinden en om ze in onderlinge samenhang tot uitvoering te brengen. De (reeds bestaande) activiteit bestaat uit aanbieden van een voorziening voor opslag. Bedrijven en mensen in de omgeving kunnen spullen opslaan in de bebouwing aan de Nieuwendijk 117. Op deze manier draagt de beoogde ontwikkeling bij aan de verbinding tussen verschillende sectoren in de omgeving. Verder zijn er enkele zeer waardevolle open gebieden waar ook weinig tot geen bebouwing aanwezig is in de omgeving. Binnen deze gebieden is het behoud van de openheid en het versterken van de laan- en erfbeplanting gewenst. De ontwikkeling gaat gepaard met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Daarnaast wordt een oud gebouw gesloopt en wordt een nieuw (tevens kleiner) gebouw gerealiseerd. Hierdoor valt te concluderen dat de vestiging van de functie en de activiteit passend zijn in de omgeving en zijn ontwikkelingsrichting.

2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

Een bestaand gebouw wordt gesloopt en er komt een kleiner gebouw voor in de plaats. De bedrijvigheid is al bestaand maar wordt door middel van dit bestemmingsplan gelegaliseerd.

3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

De ontwikkeling draagt bij aan de omgevingskwaliteit door de sloop van overtollige bebouwing en het realiseren van een kleiner gebouw dan bestaand. Dit nieuwe gebouw wordt gebruikt voor opslag. Doordat het gebouw in gebruik is, wordt er ook voor gezorgd dat het gebouw tot op zekere hoogte functioneel blijft. Ook wordt de planlocatie landschappelijk ingepast. Daarnaast wordt er overtollige bebouwing gesloopt.

17 van 53

b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;

Er vindt met de beoogde ontwikkeling geen splitsing plaats van het bouwperceel.

c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;

De huidige loods van 340m2 wordt gesloopt. En er komt een loods van 237,5m2 terug.

d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking.

De vestiging heeft geen betrekking op zowel een kantoor met baliefunctie, lawaaisport als mestbewerking.

Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; De beoogde ontwikkeling is van kleine omvang. Dit is passend binnen de omgeving.

b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

Volgens het bestemmingsplan wordt onder ‘Wonen plus’ verstaan:

het door een van de bewoners aan huis uitoefenen van een bedrijfsmatige activiteit met maximaal milieucategorie 2 zoals bepaald op basis van de Brochure bedrijven en milieuzonering, niet zijnde detailhandel of erotische dienstverlening, die door zijn beperkte omvang en beperkte ruimtelijke uitstraling met behoud van de woonfunctie in een woning met de daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend. Hieronder wordt ook verstaan het uitoefenen van een bedrijf waarbij de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in hoofdzaak elders op locatie plaatsvinden terwijl aan huis de organisatorische activiteiten en activiteiten zoals opslag van materialen en stalling van voertuigen plaatsvinden. Door toevoeging van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’ wordt de (reeds bestaande) activiteit, het opslaan van materialen in een bijgebouw aan huis, passend als gebruiksactiviteit voor het gebouw.

c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

De opslag en stalling vindt plaats in het nieuw te realiseren bijgebouw.

d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

De ontwikkeling zal verplaatsen indien deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;

De bedrijvigheid is van kleinschalige omvang en is passend in de gemengde omgeving. De bedrijvigheid is bestaand en de omvang van het bedrijf is passend gebleken in de omgeving.

b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; Er is geen sprake van een detailhandelsvoorziening.

c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

18 van 53

Er is geen sprake van een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een bestemmingplan. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in het gemeentelijk Beeldkwaliteitsplan, de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.

3.3.1. Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren 2022

In het zuiden van de gemeente liggen de jongere heideontginningen. Dit landschap is het meest recent ontgonnen van alle Somerense landschappen. De kenmerken van de jongere heideontginningen zijn de regelmatige en rechtlijnige patronen binnen relatief grootschalige gebieden met verre zichten. Conform het beeldkwaliteitsplan zijn de ruimtes XL. Dit houdt in dat er minimaal 20 hectare aan open ruimte aanwezig is. Er wordt naar gestreefd om deze open ruimte te behouden. Met de beoogde ontwikkeling zal een bestaande loods worden gesloopt en wordt er een kleinere loods teruggebouwd. Dit zal geen negatieve effecten hebben op de openheid van het gebied. Indien toch bebouwing wordt toegestaan in de jongere heideontginningen, dan dient dit zoveel mogelijk binnen bestaande linten te worden gerealiseerd. Verder worden binnen de jongere heideontginningen percelen veelal begeleid door bosjes, boomgaarden, houtsingels of struweelhagen. Met de beoogde landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij deze richtlijn. De beoogde ontwikkeling sluit dus aan bij het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren 2022.

Afbeelding 8: Uitsnede kaart streefbeeld Beeldkwaliteitsplan Someren 2022

3.3.2. Structuurvisie

Op 24 april 2013 is de structuurvisie Someren 2028 vastgesteld. De planlocatie is volgens deze structuurvisie gelegen ter plaatse van de aanduiding jonge heideontginningen en kwaliteitsverbetering bebouwinglinten of bebouwingsclusters buiten bebouwde kom. Het primaire doel van de structuurvisie 2028 is om deze veelal sectorale visies met elkaar te verbinden en om ze in onderlinge samenhang tot uitvoering te brengen. Volgens de structuurvisie is het van belang om de landschappelijke waarden en de natuur zoveel mogelijk te behouden en waar mogelijk te versterken. Met het initiatief gaat een zorgvuldige landschappelijke inpassing gepaard en wordt er een nieuw gebouw gerealiseerd waar nu oude bebouwing staat. Omdat er in de praktijk niets zal veranderen op het landschappelijk inpassen en

19 van 53

het slopen en terugbouwen van de loods na, valt uit te sluiten dat de beoogde ontwikkeling in strijd is met de structuurvisie.

Afbeelding 9 Uitsnede illustratie structurenkaart

3.3.3. Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied deelgebied 2’ van de gemeente Someren geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: ‘Wonen’ - Enkelbestemming: ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ - Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van waarde – visueel waardevol; openheid’ - Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’ - Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – stalderingsgebied’

Afbeelding 10: Uitsnede ruimtelijke plannen

In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de voorgenomen ontwikkeling mogelijk wordt

20 van 53

gemaakt (art. 18.7.1). Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn onderstaande voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden worden in deze paragraaf nader toegelicht.

18.7 Wijzigingsbevoegdheid 18.7.1 Wijzigingsbevoegdheid voor ‘wonen plus’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ‘Wonen’ de functieaanduiding ‘wonen plus’ toevoegen ten behoeve van de vestiging van een kleinschalig bedrijf in de milieucategorieën 1 of 2, of aantoonbaar daarmee gelijk te stellen qua aard en invloed, zoals genoemd in de Brochure bedrijven en milieuzonering, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hierbij moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden: a. de bedrijfsactiviteit moet plaatsvinden binnen de maximaal toegestane oppervlakte bebouwing;

De bedrijfsactiviteit bedraagt het voorzien in bedrijfsmatige opslag. Hiervoor zijn gebouwen in gebruik met een oppervlakte van bij elkaar 390m2. Dit valt niet binnen de maximaal toegestane bebouwing van 350m2. Doordat de loods van 340m2 wordt gesloopt en een loods van 237,5m2 wordt teruggebouwd, bestaat het oppervlak in de beoogde situatie voor het bedrijfsmatig opslaan van goederen 237,5m2 + 50m2 = 287,5m2. De overige bebouwing, de woning (250m2) en de overkapping (50m2), zijn niet in gebruik voor het bieden van bedrijfsmatige opslag. De overkapping is wel een bijgebouw. De totale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 237,5m2 + 50m2 + 50m2 = 337,5m2 wat eveneens onder de 350m2 blijft.

b. de maximaal toegestane oppervlakte voor de bedrijfsmatig te gebruiken bijgebouwen is 350 m², met dien verstande dat de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 18.3.2 (sloopbonusregeling) moeten worden toegepast; Er wordt gebruikgemaakt van de landschapsinvesteringsregeling. De meters worden aangekocht door gebruik te maken van de LIR welke is toegevoegd in Bijlage 3.

c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en agrarische bedrijven. Dit is nader toegelicht in hoofdstuk 4 (o.a. onder paragraaf 4.8) van onderhavige toelichting.

d. parkeren, laden en lossen vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;

Conform de CROW-toekomstbestendig parkeren dienen er voor een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied maximaal 1,3 parkeerplaatsen te zijn per 100m2 bebouwd vloeroppervlak. Het bedrijf beschikt over 337,5m2 bebouwd vloeroppervlak. Dit houdt in dat er 5 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn binnen de planlocatie. In onderstaande afbeelding zijn 4 parkeerplaatsen te zien. Echter is er niet voldoende ruimte om in te sturen op deze parkeerplaatsen. Daarom is er achter de poort, zoals zichtbaar op onderstaande afbeelding, is ook nog voldoende verharding aanwezig voor het parkeren van enkele auto’s. In paragraaf 4.11 is beschreven waar de auto’s kunnen worden geparkeerd. Daarnaast zouden de voertuigen ook inpandig in de loods kunnen worden geparkeerd. De parkeervoorzieningen zijn alle gesitueerd binnen het bestemmingsvlak.

21 van 53

Afbeelding 11: Parkeergelegenheid Nieuwendijk 117

e. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; Zie de toelichting onder paragraaf 4.11.

f.

reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding;

Reclameaanduidingen zullen beperkt blijven tot een bescheiden naamsaanduiding. Tot op heden is er geen reclameaanduiding aanwezig.

g. buitenopslag is niet toegestaan;

Opslag zal inpandig plaatsvinden.

h. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen, of gelet op de aard en omvang van het wijzigingsplan is door middel van noodzakelijk (milieu)onderzoek aangetoond dat het plan uitvoerbaar is;

In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting is beredeneerd dat er geen planologische of milieuhygiënische belemmeringen gepaard gaan met de beoogde ontwikkeling.

i.

de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2; Onderstaand wordt getoetst aan artikel 34.2.

j.

ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - vervolgfuncties uitgesloten’ is dit artikel niet van toepassing. De functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – vervolgfuncties uitgesloten’ is niet van toepassing op de planlocatie.

18.3.2 Afwijken ten behoeve van oppervlakte bijgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 18.2.3a, 18.2.3b en 18.2.3c voor het toestaan van een uitbreiding van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen tot maximaal 350 m². Hierbij gelden ten minste de volgende voorwaarden: a. per m² uitbreiding dient telkens minimaal het aantal m² zoals opgenomen in onderstaande tabel te worden gesloopt. De landschapsindeling is gebaseerd op het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011. De te slopen bebouwing dient legaal opgericht te zijn of krachtens overgangsrecht te zijn toegelaten;

22 van 53

Er vindt geen uitbreiding in gebouwen plaats.

b. de oppervlakte te slopen bebouwing op de locatie waar bebouwing wordt gesloopt kan slechts één keer worden ingezet voor de toepassing van deze regeling; De extra meters worden aangekocht via de landschapsinvesteringsregeling, zie Bijlage 3.

c. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd;

De ontwikkelingsmogelijkheden van de in de omgeving aanwezige bedrijvigheid wordt met de beoogde situatie niet belemmerd. De woning ter plaatse van het plangebied is al een gevoelig object, dit verandert niet.

d. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;

Er vinden in de praktijk weinig wijzigingen plaats. Op de loods (340m2) na blijft alle bebouwing behouden. Er zal een loods (237,5m2) worden teruggebouwd. De woning en overige bijgebouwen zullen niet wijzigen.

e. de sloop van overtollige bebouwing is duurzaam verzekerd;

De sloop van de bestaande loods wordt duurzaam verzekerd. Alle materialen die vrijkomen bij de sloop van het gebouw zal worden afgevoerd via erkende bedrijven.

f.

de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

Onderstaand is getoetst aan artikel 34.2.

34.2 Waarborgen ruimtelijke kwaliteit 34.2.1 Algemeen a. Een ruimtelijke ontwikkeling draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving en in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: 1. alle gronden binnen het plangebied zijn mede bestemd voor landschapsopbouw in de vorm van een landschappelijke inpassing en voor het behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden; De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met landschappelijke inpassing. Dit draagt bij aan het behoud, herstel en versterking van de waterhuishoudkundige waarden.

2. nieuwe ontwikkelingen zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot een onevenredige aantasting van natuur- en landschapswaarden, cultuurhistorische en aardkundige waarden;

De beoogde situatie is (op het slopen en terugbouwen van de loods en de landschappelijke inpassing na) al gerealiseerd. Hierdoor zal het realiseren van de beoogde situatie niet leiden tot een verslechtering van natuur- en landschapswaarden en cultuur- en aardkundige waarden.

3. de landschappelijke inpassing moet in een redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van de desbetreffende ontwikkeling.

23 van 53

In paragraaf 4.6 van onderhavige toelichting wordt dieper ingegaan op het landschappelijk inpassingsplan. Het landschappelijk inpassingsplan is ook bijgevoegd in Bijlage 3. Dit plan staat in redelijke verhouding tot de aard van de betreffende ontwikkeling.

b. Alle ontwikkelingen die op basis van de Landschapsinvesteringsregeling gemeente Someren als categorie 2 of 3 ontwikkeling zijn aan te merken, moeten vergezeld gaan van een eigen landschappelijk inpassingsplan, dat is gebaseerd op het algemene inspiratiedocument Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011. Er is een landschappelijk inpassingsplan toegevoegd in Bijlage 3. Dit is gebaseerd op het algemene inspiratiedocument Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011.

c. In afwijking op sub b zijn ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - vestigingsgebied glastuinbouw’ geen ontwerprichtlijnen opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011 en worden de volgende richtlijnen gehanteerd: 1. de landschappelijke inpassing dient te bestaan uit inheemse, gebiedseigen soorten met een afschermende werking die lichtvervuiling voor de omgeving en schaduwwerking voor de kassen voorkomt; en 2. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Vlasakkers’ dient de landschappelijke inpassing ingericht te worden en in stand te worden gehouden voor zover deze aansluit op de te ontwikkelen locatie; of 3. aan de randen van het vestigingsgebied glastuinbouw, niet aangeduid met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Vlasakkers’, dient de landschappelijke inpassing een gemiddelde breedte van 7 m¹ te hebben voor zover deze aansluit op de te ontwikkelen locatie. Er is geen aanduiding ‘overige zone - vestigingsgebied glastuinbouw’ van toepassing op de planlocatie.

34.2.2 Principe zorgvuldig ruimtegebruik Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, als bedoeld in 34.2.1a, houdt in ieder geval in dat: a. in geval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat eerst gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing;

Alleen de bestaande loods wordt gesloopt en wordt opnieuw teruggebouwd (met een kleinere oppervlakte) op dezelfde locatie. De huidige loods is verouderd en dient vervangen te worden. De stalen vakwerkspanten zijn verouderd en doordat dit vakwerkspanten zijn is er een zeer minimale doorrijhoogte. Ook is de betonnen vloer verouderd en is deze volledig aan het afbrokkelen. Daarnaast zijn de muren niet geïsoleerd waardoor het vochtig is binnen. Kortom, doordat het gebouw verouderd is, kan er geen gebruik worden gemaakt van de bestaande bebouwing. Het slopen van de huidige loods en het realiseren van een nieuwe loods zal naast een verkleining van de oppervlakte bebouwing ook leiden tot een mooier aanzicht.

b. uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden;

Het bouwvlak wordt in de beoogde situatie vergroot. Echter verandert het bestaande ruimtebeslag nauwelijks. Er vindt een kleine daling plaats in het oppervlakte bijgebouwen doordat de huidige loods wordt gesloopt en er een kleinere loods wordt teruggebouwd. De bestaande bebouwing ligt voor een deel buiten het bouwvlak. Door het bouwvlak te vergroten wordt het bestaande ruimtebeslag ook binnen het bouwvlak gesitueerd.

c. uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag dient aansluitend aan de bestaande bebouwing plaats te vinden in het kader van concentratie van bebouwing en zuinig ruimtegebruik. Het ruimtebeslag breidt niet uit.

Bovenstaand is getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 18.7.1 en achtereenvolgens aan de afwijkingsbevoegdheid in artikel 18.3.2 en de voorwaarden van artikel 34.2 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ van de gemeente Someren. Uit bovenstaande toetsing blijkt dat het

24 van 53

beoogde initiatief voldoet aan de eisen zoals gesteld in de wijzigingsbevoegdheid en de afwijkingsbevoegdheid. Derhalve kan het initiatief op basis van het bestemmingsplan doorgang vinden. Echter wordt het bestemmingsvlak vergroot. Dit is niet toegestaan volgens het bestemmingsplan. Hiervoor is ook geen wijzigings- of afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Daarom wordt er een herziening van het bestemmingsplan voorbereid.

25 van 53

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen mogelijk significant effect heeft op Natura-2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen de C- of D lijst van het Besluit m.e.r. Er is daarom geen sprake van een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. In overeenstemming met artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer dient een besluit op een MER-beoordeling genomen te worden in het stadium voorafgaand aan de inzagetermijn van het ontwerpbesluit. Dit maakt het mogelijk dat het college in één vergadering besluit over de MERbeoordeling en de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Beide zaken liggen dan tegelijk ter inzage. Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en/of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Het college kan gelijktijdig met het nemen van een besluit op het ontwerpbestemmingsplan een besluit nemen op de vormvrije MERbeoordeling. 4.2.

Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan

26 van 53

de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.1.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie, zie ook onderstaande afbeelding. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden.

Afbeelding 12: Werkingsgebieden grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging

De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plant en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in afbeelding 11 heeft de planlocatie in het PMWP de waterhuishoudkundige functie gemengd landelijk gebied ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen.

Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke

27 van 53

ordening en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13889428/2