Toelichting - bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Boerenkamplaan 71
Tekst van het document
Het realiseren van een geluidscherm is in onderhavige situatie tevens financieel niet doelmatig. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Daarnaast is toepassing van deze maatregel financieel eveneens niet doelmatig.
Crijns Rentmeesters bv
29
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
Indien voor de woning een hogere waarde dient te worden aangevraagd, dient tevens te worden voldaan aan de aanvullende voorwaarden uit het geluidbeleid van de gemeente Someren. Aan één van de vastgestelde subcriteria wordt allereerst voldaan aangezien in onderhavige situatie sprake is van de realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning. Daarnaast is het aannemelijk dat de woning zal beschikken over een geluidluwe oostgevel. Wanneer ten minste 50% van het aantal verblijfsruimten of 50% van het oppervlak van het verblijfsgebied en de tot de woning behorende buitenruimte aan de geluidluwe oostzijde wordt gerealiseerd, wordt voldaan aan alle aanvullende voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Indien de woning tussen 43 en 82 meter uit de wegas van de Boerenkamplaan wordt gesitueerd en derhalve sprake is van een procedure hogere waarde, is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Indien de nieuwe woning op een afstand van minimaal 82 meter tot de wegas van de Boerenkamplaan wordt gesitueerd, wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.” Ten behoeve van de ontwikkeling zal een ontheffing hogere grenswaarden worden aangevraagd.
Crijns Rentmeesters bv
30
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Inleiding
Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).
5.3.2
Uitstoot van schadelijke stoffen
De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Plannen die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit hoeven niet afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Dat staat in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn regels gesteld. In dit Besluit is aangegeven wanneer sprake is van een NIBM bijdrage. Een project is niet in betekenende mate als de bijdrage van het project maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2) is. In de praktijk vertaalt dit naar een jaargemiddelde bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeft geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Binnen het projectgebied wordt 1 nieuwe woning mogelijk gemaakt. Derhalve kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip ‘niet in betekende mate’ valt en in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar is.
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.3.3
Blootstelling aan verontreiniging
5.3.3.1
Inleiding
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide.
5.3.3.2
Fijnstof
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM 10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Ter plaatse van het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM 10 van 19 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving). De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving). De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof geen bezwaar is.
5.3.3.3
Stikstofdioxide
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Ter plaatse van het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 16 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving). Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.
5.4.2
Risico’s
Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
5.4.3
Beleidskader
5.4.3.1
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
5.4.3.2
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.4.3.3
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
5.4.4
Beoordeling projectgebied
5.4.4.1
Bedrijven
Het projectgebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid.
5.4.4.2
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de gemeente Someren zijn de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. Het projectgebied ligt op een afstand van circa 820 meter van de N266 en circa 6 kilometer van de A67 en de N612. Plaatsgebonden risico In het Bevt wordt voor het plaatsgebonden risico van een weg een veiligheidszone gehanteerd. Dit is een zone langs een weg waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan. De veiligheids-zone wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrensd door de maximale 106/jaar contour. Ten aanzien van de A67 dient ter plaatse van het projectgebied een veiligheidsafstand van 29 meter te worden aangehouden. Het projectgebied ligt buiten deze veiligheidszone. Voor de provinciale wegen N266 en N612 gelden geen veiligheidsafstanden. Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het gehele projectgebied ligt buiten 200 meter van de A67.
Ook ligt het groepsrisico van de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 ruim beneden de oriëntatiewaarde. Invloedsgebied Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien het projectgebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van de A67. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor de A67 zijn dit vloeibare toxische stoffen (LT1, LT2 en LT3). De A67 kent dan ook een invloedsgebied van 4.000 meter. Het projectgebied is dan ook buiten het invloedsgebied van de A67 gelegen.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
Vervoer over het water Het projectgebied is gelegen op een afstand van circa 820 meter van de Zuid-Willemsvaart. De Zuid-Willemsvaart is in het Basisnet Water gekenmerkt als een groene route. Dit betekent dat het gevaar van vervoer van gevaarlijke stoffen over het Zuid-Willemsvaart dermate klein is dat er geen PR-contouren aanwezig zijn en dat het GR buiten beschouwing gelaten kan worden. Buisleidingen Circa 850 meter ten oosten van het projectgebied is een buisleiding gelegen (hogedruk aardgastransportleiding). Deze aardgasleiding Z-540-01 heeft een diameter van 368 mm en een gasdruk van maximaal 40,0 bar. Plaatsgebonden risico Ten aanzien van de ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan een belemmerde strook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Buiten deze belemmeringenstrook is geen plaatsgebonden risico (10-6/jaar) aanwezig. De buisleiding vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico De aardgasleiding Z-540-01 heeft een invloedsgebied (1% letaal) van 180 meter. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied (1% letaal) van de aardgasleiding.
5.4.4.3
Hoogspanningslijnen
Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Aan de zuidoostzijde van de gemeente Someren, parallel aan de gemeentegrens met Asten, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van circa 850 kilometer van het projectgebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.
5.4.4.4
Brandveiligheid
De bereikbaarheid op eigen terrein is geregeld in het Bouwbesluit 2012, artikel 6.37. In paragraaf 2.3, is aangegeven aan welke minimale eisen de openbare weg moet voldoen, om deze voor hulpverleningsvoertuigen toegankelijk te maken. Op een aantal punten wijken deze eisen af van het Bouwbesluit 2012. Deze afwijkende eisen mogen overgenomen worden voor de bereikbaarheid op eigen terrein, mits opgenomen in een gemeentelijke verordening. De bouwverordening is hiervoor het geëigende middel. Voor de breedte van verbindingswegen mag 4 meter aangehouden worden (i.p.v. de 4,5 meter, zoals gesteld in het Bouwbesluit 2012, artikel 6.37 derde lid). Dit is de breedte van een opstelplaats voor een tankautospuit en haakarmbak. In artikel 6.38 van het Bouwbesluit 2012, wordt de breedte van de opstelplaats op eigen terrein namelijk gelijk gesteld aan de breedte van een verbindingsweg, zoals bedoeld in artikel 6.37. De breedte van de verharding mag op 3 meter gesteld worden (i.p.v. de 3,25 meter, zoals gesteld in het Bouwbesluit 2012, artikel 6.37 derde lid). Deze eis is overgenomen uit de handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid
2012
van
Brandweer
Nederland.
Het
maximale
gewicht
van
een
hulpverleningsvoertuig is voor de openbare weg gesteld op 30 ton. Deze eis is hoger dan de 14,6 ton zoals benoemd in het Bouwbesluit 2012, artikel 6.37 derde lid. Dit is het gewicht van het zwaarste brandweervoertuig op dit moment. Een hoogwerker heeft een gewicht van 25 ton. Indien op eigen terrein alleen een tankautospuit opgesteld moet kunnen worden, kan volstaan worden met een verbindingsweg die is toegerust op een gewicht van 14,6 ton. Indien ook andere voertuigen op
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
het terrein opgesteld moeten kunnen worden voor een adequate blussing, moet het gewicht van het betreffende voertuig aangehouden worden. In de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de aanleg van de inrit, zal worden getoetst of aan de vereisten wordt voldaan.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.5
Agrarische bedrijvigheid
5.5.1
Inleiding
Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -
Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.
5.5.2
Geurverordening gemeente Someren
De Wet geurhinder en veehouderij biedt middels artikel 6 de mogelijkheid aan gemeenten om bij verordening, binnen gestelde marges, afwijkende normen vast te stellen. Door de gemeenteraad van de gemeente Someren is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. De ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij 2010’ stelt een norm van 14 oue/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het projectgebied. Tevens heeft de gemeenteraad vastgesteld dat er sprake dient te zijn van een achtergrondbelasting van maximaal 20 oue/m³ voor het buitengebied. Voor een voormalig agrarische bedrijfswoning geldt een maximum achtergrondbelasting van 28 oue/m³.
5.5.3
Veehouderijen in omgeving
In de omgeving van het projectgebied zijn diversen veehouderijen gelegen. De veehouderij met de grootste geuremissie op de kortste afstand betreft de veehouderij aan Heikomstraat 16 te Someren. Navolgend is de milieuvergunning van deze veehouderij weergegeven.
Figuur 12: Actueel vergunde situatie Heikomstraat 16 (BVB-Brabant)
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.5.4
Woon- en leefklimaat
5.5.4.1
Inleiding
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het projectgebied inzichtelijk gemaakt.
5.5.4.2
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. De veehouderij aan Heikomstraat 16 is in dit geval de dominante veehouderij. Met behulp van het programma V-Stacks Vergunning is de voorgrondbelasting van deze veehouderij op het projectgebied in een worstcasescenario berekend. De resultaten van de berekening zijn navolgend weergegeven: Berekende ruwheid: 0,33 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: BronID
X-coord.
Heikomstraat 16
178 407
Y-coord. 375 503
EP
Gem.geb.
EP
EP
Uittr.
E-
Hoogte
hoogte
Diam.
snelh.
Aanvraag
6,0
6,0
0,50
4,00
37 396
Geurgevoelige locaties: GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Boerenkamplaan 71
178 651
375 562
Geurbelasting 6,2
Navolgende tabel geeft de relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’. Voorgrondbelasting
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
≤1
<5
Zeer goed
1-3
5 - 10
Goed
4-6
10 - 15
Redelijk goed
7-9
15 - 20
Matig
10 - 13
20 - 25
Tamelijk slecht
14 - 18
25 - 30
Slecht
19 - 24
30 - 35
Zeer slecht
≥ 25
35 - 40
Extreem slecht
Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van het projectgebied sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat.
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.5.4.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat weergeeft. Achtergrondbelasting
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
≤3
<5
Zeer goed
3–7
5 - 10
Goed
7 – 13
10 - 15
Redelijk goed
13 – 20
15 - 20
Matig
20 – 28
20 - 25
Tamelijk slecht
28 - 38
25 - 30
Slecht
38 -50
30 - 35
Zeer slecht
≥ 50
35 - 40
Extreem slecht
Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de achtergrondbelasting (peildatum februari 2021) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het projectgebied met een zwarte cirkel is aangeduid.
Figuur 13: Achtergrondbelasting ter plaatse van het projectgebied
Ter plaatse van het projectgebied is in het kader van de achtergrondbelasting sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat met een achtergrondbelasting van 7-13 oue/m³.
5.5.4.4
Conclusie
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting is in dit geval bepalend voor het woon- en leefklimaat. Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
leefklimaat. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van het woon- en leefklimaat dan ook geen bezwaar.
5.5.5
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven
De beoogde ontwikkeling mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen de beoogde Ruimte voor Ruimte woning en de omliggende veehouderijen zijn reeds burgerwoningen gelegen die de veehouderijen belemmeren. Derhalve worden middels de beoogde ontwikkeling de omliggende veehouderijen niet belemmert in hun ontwikkelingsmogelijkheden.
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.6
Gezondheid
5.6.1
Endotoxine
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Deze
notitie
haakt
in
op
de
lopende
ontwikkeling
van
het
landelijke
endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinekaart waarop het projectgebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 14: Endotoxinecontouren in de omgeving van Boerenkamplaan 71
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
Het
projectgebied
is
niet
gelegen
binnen
de
contouren
van
omliggende
intensieve
veehouderijbedrijven, onder andere zijnde vier pluimveehouderijen binnen één kilometer van het projectgebied. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar.
5.6.2
Geitenhouderijen
Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Op circa 1,7 kilometer ten westen van het projectgebied worden geiten gehouden op de locatie Kerkendijk 38. Navolgend wordt de actueel vergunde situatie van deze veehouderij weergegeven.
Figuur 15: Actueel vergunde situatie (bron: BVB)
Op de locatie Kerkendijk 38 worden slechts 4 geiten gehouden. Gemeente Someren mag een eigen afweging maken over de mogelijkheid tot het planologisch toestaan van nieuwe gevoelige objecten binnen de invloedsfeer van geitenhouderijen. Het projectgebied is thans in gebruik voor burgerbewoning met bijgebouwen. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt binnen de bestaande woonbestemming een extra woning toegestaan. Een dergelijke ontwikkeling op een afstand van 1,7 kilometer tot 4 geiten levert geen gevaren op voor de volksgezondheid. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van geitenhouderijen dan ook geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1
Inleiding
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.
5.7.2
Niet-agrarische bedrijvigheid in omgeving projectgebied
In de omgeving van het projectgebied is één niet-agrarisch bedrijf gelegen. Dit betreft de locatie Boerenkamplaan 69, waar een agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij, is toegestaan. Agrarische bedrijven, niet zijnde veehouderijbedrijven, vallen in milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. De situatie ten aanzien van de bestaande woning aan Boerenkamplaan 71 wijzigt niet. Dit is een bestaande situatie. De perceelsgrens van de Ruimte voor Ruimte woning is op 24 meter van de agrarische bedrijfslocatie gelegen. De Ruimte voor Ruimte woning dient op een afstand van minimaal 8 meter tot de zijdelingse perceelsgrenzen te worden opgericht. Dat betekent dat er altijd sprake zal zijn van een afstand van minimaal 32 meter tussen het agrarische bedrijf en de Ruimte voor Ruimte woning. Bedrijvigheid in de omgeving van het projectgebied vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7.3
Niet-agrarische bedrijvigheid binnen projectgebied
Er wordt geen bedrijvigheid binnen het projectgebied beoogd. De beoogde ontwikkeling is in het kader van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.8
Natuur en ecologie
5.8.1
Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
5.8.2
Gebiedsbescherming
5.8.2.1
Inleiding
In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Het meest dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het natuurgebied ‘Strabrechtse Heide en Beuven’. Dit Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 5 kilometer meter ten noordwesten van het projectgebied. De Strabrechtse Heide bestaat grotendeels uit glooiend dekzandlandschap, met daarnaast een deel stuifzandlandschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van droge stukken met heide (deels op voormalig stuifzand), kleine stuifzanden en laagtes met natte heide en vennen. In het oosten van het gebied ligt het Beuven, het grootste ven van Nederland.
De omringende bossen van het gebied bestaan vooral uit grove dennen. Aan de noordwestkant van het gebied ligt het beekdal van de Kleine Dommel, met alluviale bossen, wilgenstruweel, moerasruigten en vochtige schraallanden. Het gebied Strabrechtse Heide & Beuven is primair als Habitatrichtlijngebied begrensd vanwege de aanwezigheid van de navolgende habitattypen: 2310: Psammofiele heide met Struikhei (Calluna) en Stekelbrem (Genista);
3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Noord-Atlantische zandvlakten met oeverkruidvegetatie (Littorelletalia uniflorae);
3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Oeverkruidorde (Littorelletalia uniflorae) en/of Dwergbiezen-klasse (Isoëto-Nanojuncetea).
Daarnaast is het gebied aangemeld voor de volgende habitattypen en -soorten: 2330: Open grasland met Buntgras en Struisgrassoorten (Corynephorusen Agrostis-soorten) op landduinen;
4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei (Erica tetralix);
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
91E0: Alluviale bossen met Zwarte els (Alnus glutinosa) en Es (Fraxinus excelsior) (AlnoPadion, Alnion incanae, Salicion albae);
1831: Drijvende waterweegbree.
Vanuit de Vogelrichtlijn is het gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ voor drie soorten nietbroedvogels aangewezen als beschermd gebied, te weten: A021: Roerdomp;
A022: Woudaap;
A127: Kraanvogel.
Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting.
5.8.2.2
Potentiële externe effecten, niet zijnde stikstof
Gezien de afstand van het projectgebied tot het Natura 2000-gebied zal er geen sprake zijn van oppervlakteverlies,
verontreiniging,
optische
verstoringen,
geluids-
en
lichtverstoring
of
mechanische effecten op het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’.
5.8.2.3
Stikstof
In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Met Aerius Calculator wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000gebieden als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling berekend. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met Aerius Calculator een Aerius-berekening uitgevoerd. De berekening met bijbehorende memo d.d. 2 november 2021 is als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Navolgend is de conclusie uit de memo weergegeven: “De berekende emissie NOx in de gebruiksfase bedraagt circa 1 kg NOx/jaar. In de gebruiksfase komt als gevolg van het verkeer ook een kleine hoeveelheid aan ammoniak (NH3) vrij.
Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende emissie in de gebruiksfase leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar. Ook op de eigen rekenpunten wordt de waarde 0,00 mol/ha/jaar berekend, zoals te zien in bijlage 2. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en is het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
Crijns Rentmeesters bv
45
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
Een passende beoordeling of vergunningsplicht Wet natuurbescherming is derhalve niet aan orde.”
5.8.3
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage behorende bij dit onderzoek d.d. 27 september 2021 met rapportnummer 2134 is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
Navolgend zijn de samenvatting en conclusie uit deze rapportage weergegeven: “BESCHERMDE SOORTEN Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels cat. 1-4 jaarrond beschermde nesten in bomen en bebouwing aanwezig. Het plangebied ligt binnen het functionele leefgebied van de steenuil op 90 meter afstand van de nestlocatie. Het te bebouwen grasveld vormt geen essentieel foerageergebied voor de steenuil. In de omgeving zijn voldoende alternatieven Uit de cat. 5 beschermde verblijfplaatsen zijn geen nesten in bomen aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overtreding van art. 3.1 lid 2,4 en 5 van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Overige vogelrichtlijnsoorten Het plangebied vormt geschikt foerageergebied en nestgelegenheid voor een aantal algemene vogelrichtlijnsoorten. Met de beoogde ontwikkeling worden enkele coniferen een fijnspar gekapt. Met de landschappelijke inpassing in het nieuwe plan met inheems groen zullen nest- en foerageergelegenheid voor algemene vogelrichtlijnsoorten met éénmalig nest worden versterkt ten opzichte van de huidige situatie. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Vleermuizen: vliegroutes en foerageergebied Vaste vliegroutes voor vleermuizen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Het plangebied vormt foerageergebied van redelijke kwaliteit. De landschappelijke inpassing in de nieuwe situatie zal leiden tot versterking van de jachtgelegenheid voor vleermuizen.
Crijns Rentmeesters bv
46
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
Vleermuizen: verblijfplaatsen In de bomen binnen het plangebied zijn geen potenties voor vleermuisverblijfplaatsen aanwezig. Door de constructie, de gebruikte materialen en de huidige staat van de te slopen stallen en schuren, kunnen vleermuisverblijfplaatsen redelijkerwijs worden uitgesloten. Negatieve effecten worden niet verwacht. Nationaal beschermde / Andere soorten art. 3.3 Wnb Op basis van het veldbezoek kan het voorkomen van landzoogdieren met jaarrond beschermde verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Binnen het plangebied en directe omgeving worden verder geen beschermde soorten verwacht die op de lijsten staan van de Habitatrichtlijn of de ‘Andere soorten’, (provinciaal beschermde soorten) door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor een aantal landzoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Negatieve effecten zijn niet aan de orde. Vrijgestelde soorten Er worden enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals egel, bruine kikker, gewone pad en enkele algemene spits- en woelmuizen. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht (zie blz. 11) is altijd van kracht. BESCHERMDE GEBIEDEN Natura 2000- gebied Stikstofdepositie Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ca.
3,8 kilometer van het plangebied. Naar verwachting zal in de nieuwe situatie geen sprake zijn van emissies boven de gestelde grenswaarden van de nieuwe woning in de gebruiksfase. Door het uitvoeren van een Aerius berekening kan dit aantoonbaar worden vastgesteld. Natura 2000- overige effecten (licht, geluid, trillingen) Gezien de ligging van het plangebied, de omvang, het effectbereik en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied zijn negatieve overige effecten uit te sluiten. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in of in de directe omgeving van een NNB- gebied. Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van aantasting van ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van NNB-gebieden. Houtopstanden Met de beoogde ontwikkeling worden enkele volwassen coniferen en een fijnspar verwijderd. De bomen vallen niet onder art. 4.2 van de Wet natuurbescherming en staan niet vermeld op de lijst van beschermwaardige bomen van de gemeente Someren. Een vergunning aanvragen is niet nodig.
Crijns Rentmeesters bv
47
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
EINDCONCLUSIE: De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de oprichting van één Ruimte voor Ruimte woning aan de Boerenkamplaan 71 in Someren.
De voorzorgsmaatregelen voor ‘Vogels algemeen’ dienen te worden opgevolgd.”
De beoogde ontwikkeling is in het kader van ‘soortenbescherming’ geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
48
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.9
Archeologie
5.9.1
Inleiding
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet betreft één integrale wet die betrekking heeft op archeologie (op het land en onder water), museale objecten, musea en monumenten. Het uitgangspunt van de Erfgoedwet is een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed. Voor wat betreft de archeologie staat hierin het verdrag van Malta (Valetta) en de uitwerking hiervan in de voormalige Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) centraal. Met de invoering van de Wamz in 2007 hebben gemeenten veel meer bevoegdheden gekregen inzake beheer en behoud van archeologische (rijks)monumenten en overige archeologische (verwachtings)waarden, deze bevoegdheden zijn in de Erfgoedwet behouden. Om een goede uitvoering te geven aan deze bevoegdheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden hebben de meeste gemeenten archeologiebeleid ontwikkeld.
5.9.2
Gemeentelijk archeologiebeleid
De gemeente Someren heeft in het kader van de Wamz een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur en dergelijke, en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Hierna is een uitsnede van deze beleidskaart weergegeven waarop de ligging van het projectgebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 16: Uitsnede Archeologiekaart gemeente Someren
Het projectgebied is op de ‘Archeologiekaart van Someren’ aangeduid als een locatie in een categorie 3 gebied; gebieden van hoge archeologische waarde. De vrijstellingsdrempel bij deze categorie gebieden is een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 m.
Crijns Rentmeesters bv
49
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.9.3
Archeologisch onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek d.d. 20 december 2021 met rapportnummer 21140 is als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Navolgend is het selectieadvies uit de rapportage weergegeven: “Hoewel de podzolbodem is verstoord heeft het plangebied een hoge verwachting om vanaf 0,3 m –mv resten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd aan te treffen. Op grond daarvan adviseert KSP Archeologie een archeologisch vervolgonderzoek. Op het moment zijn alleen de plannen voor de nieuwbouw van de woning concreet. Mochten er in de toekomst opstallen worden gebouwd dan dient ook daar een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. KSP Archeologie adviseert een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid.
In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd.” Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zal een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd.
Crijns Rentmeesters bv
50
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.10
Cultuurhistorie
Het ruimtelijk erfgoed binnen de provincie Noord-Brabant wordt weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Het projectgebied is op de CHW aangeduid als ‘Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang)’. De betreffende regio betreft ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Aan het projectgebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden toegekend. De te slopen bebouwing kent geen cultuurhistorische waarde. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding.
Crijns Rentmeesters bv
51
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.11
Water
5.11.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het projectgebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.
5.11.2
Beleidskader
5.11.2.1
Keur waterschap Aa en Maas 2021
Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van het projectgebied is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2021’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het projectgebied is niet in een Keurgebied gelegen.
5.11.2.2
Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt of er sprake is van afkoppelen. Deze uitgangspunten zijn op 26 maart 2021 geactualiseerd onder de titel ‘Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt staan de waterschappen onderstaande voorkeursvolgorde voor, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1.
hergebruik
2.
vasthouden / infiltreren
3.
bergen en afvoeren
4.
afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect)
5.
afvoeren naar de riolering
Crijns Rentmeesters bv
52
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
De waterschappen vragen aan initiatiefnemers deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Omdat niet alle plannen een door het waterschap goedgekeurd waterparagraaf hebben, ziet het waterschap de noodzaak een grens te benoemen. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen of afgekoppeld verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine
plannen.
Hoewel
er
relatief
veel
kleine
plannen
zijn
veroorzaken
deze
op
deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Het gaat dan om plannen met een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m² tot en met 10.000 m². Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³).
5.11.2.3
VGRP Someren 2021-2025
In het ‘verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025’ (vGRP 2021-2025) is voor een periode van vijf jaar het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Someren vastgelegd. Algemeen uitgangspunt qua waterbeleid is dat de verbeteringen en optimalisaties die de afgelopen jaren in de riolerings- en waterbergingszorg zijn ingezet, worden doorgezet in de komende planperiode. De gemeente Someren wil daarbij op de meest doelmatige manier invulling geven aan het beheer en onderhoud. Ook in Someren is de landelijke trend zichtbaar dat bewoners en bedrijven voor- en achtertuinen (steeds meer) verharden. Hierdoor wordt extra verhard oppervlak op de riolering aangesloten, waardoor afkoppelinspanningen van de gemeente deels te niet worden gedaan. De gemeente heeft dan ook de ambitie om bewoners en bedrijven te stimuleren het regenwater zoveel mogelijk op eigen perceel vast te houden. Naast dat dit het hydraulisch functioneren van de riolering ten goede komt draagt het o.a. bij aan het bestrijden van verdroging, ondersteunen van biodiversiteit en het tegengaan van hittestress. Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld, waarbij de gemeente alleen voorziet in een vuilwaterhuisaansluiting. De gemeente houdt hierbij de trits vasthouden – bergen – afvoeren aan. Ter voorkoming van overlast en schade
Crijns Rentmeesters bv
53
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
op particulier terrein en uit oogpunt van doelmatigheid vertaalt de gemeente een redelijke inspanning van particulieren als volgt: Bij her-, ver- en nieuwbouw moet tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Vanuit waterbelang, i.v.m. zichtbaarheid, bij voorkeur door bufferen op het oppervlak (vijver, wadi of lagergelegen grond) waarna het water kan infiltreren. Ondergrondse buffering en infiltratie is, mits goed aangelegd en onderhouden, een goed alternatief als bovengrondse buffering niet gewenst is. Uitgangspunt is dat een buffer gerekend met een k-waarde van 1,0 m¹ per dag binnen 24 uur weer beschikbaar is. Een particuliere infiltratievoorziening mag uitsluitend op maaiveldniveau (zichtbaar) een overstort hebben naar openbaar gebied. Waar infiltreren aantoonbaar niet mogelijk is, mag het water vanuit een buffer vertraagd afgevoerd worden naar de openbare ruimte.
5.11.3
Hemelwaterafvoer na herontwikkeling
5.11.3.1
Bestaande verharding
Er is in de huidige situatie binnen het projectgebied een woonhuis aanwezig met daarbij 593 m² aan vergunde dan wel overgangsrechtelijk beschermde bijgebouwen. Daarnaast zijn 183 m² illegaal opgerichte bijgebouwen aanwezig. Als gevolg van de boogde ontwikkeling zal 343 m² legale en 145 m² illegale bebouwing worden gesloopt. Ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning is in de huidige situatie reeds 377 m² bebouwing en circa 310 m² erfverharding aanwezig. Het hemelwater dat valt op de bestaande bebouwing die gesloopt gaat worden, is afgekoppeld en vloeit uit over het maaiveld, alwaar het infiltreert.
5.11.3.2
Benodigde infiltratiecapaciteit
Binnen het projectgebied wordt één extra woning beoogd. Deze ontwikkeling heeft een toekomstig verhard oppervlak van circa 550 m² tot gevolg, bestaande uit 150 m² hoofdgebouw, 250 m² bijgebouwen en 150 m² erfverharding rondom de woning. Hemelwater dat valt op de erfverharding zal afvloeien naar de omliggende gronden. Resteert een dakoppervlakte van 400 m². Voor het projectgebied dient bij een verwacht verhard oppervlak van 400 m² zorggedragen te worden voor (400 x 0,06) = 24 m³ aan berging ten behoeve van regenwater. Binnen de kavel van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning is thans sprake van 377 m² bebouwing en circa 310 m² erfverharding. Per saldo is dus sprake van een afname van het verharde oppervlak met 137 m².
Crijns Rentmeesters bv
54
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
5.11.3.3
Locatie Ruimte voor Ruimte woning
Navolgende figuur geeft met een oranje lijn de minimale afstand van de woning tot de weg weer.
Figuur 17: Luchtfoto projectgebied (2 april 2021)
Uit bovenstaande figuur blijkt dat de woning ongeveer ter plaatse van het huidige bijgebouwen en verharding wordt opgericht.
5.11.3.4
Bodem en grondwater
Het projectgebied bestaat uit eerdgronden; voedselrijk en vochtig tot droog. De maaiveldhoogte ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa NAP +26 meter. Het projectgebied is deels laag gelegen ten opzichte van de omgeving. Navolgende figuur geeft het verloop van het maaiveld en een hoogteprofiel van het projectgebied weer.
Figuur 18: Maaiveldhoogte en hoogteprofiel projectlocatie
Crijns Rentmeesters bv
55
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
Gezien de deels relatief lage ligging van het projectgebied ten opzichte van de omgeving, verdient de ontwatering binnen het plangebied extra aandacht. In deze fase van de ontwikkeling bestaat er nog geen duidelijkheid over het bouwpeil en maaiveldpeilen. Die zal verder uitgewerkt worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Wel is bekend dat de woning wat verder naar achteren zal worden gerealiseerd en dus op het hogere gedeelte van het perceel, waar nu ook al sprake is van bebouwing en erfverharding. Het lage gedeelte van het perceel aan de voorzijde blijft onbebouwd en wordt in gebruik genomen als tuin. Ter plaatse van het lagere gedeelte aan de achterzijde van het perceel zal de infiltratie van het hemelwater plaatsvinden. De GHG ter plaatse van het projectgebied bedraagt 80-100 cm-mv. Navolgende figuur geeft de GHG ter plaatse van het projectgebied weer, waarbij het projectgebied met een rood vlak is aangeduid.
Figuur 19: GHG projectgebied
5.11.3.5
Huidige bergingscapaciteit
Het perceel waar de Ruimte voor Ruimte woning wordt beoogd, is laag gelegen ten opzichte van de omgeving en heeft daarmee een hemelwater bergende functie waarvan de gemeente Someren heeft aangegeven deze niet kwijt te willen. Aan de voorzijde van het perceel kan in de huidige situatie 350 m² hemelwater opgevangen worden onder 26,72 m boven NAP. Aan de achterzijde van het perceel kan in de huidige situatie 296 m³ hemelwater opgevangen worden onder 26,67 m boven NAP.
5.11.3.6
Hemelwaterafvoer
In de nieuwe situatie zal het hemelwater dat valt op de daken van de nieuwe woning en bijgebouw(en) worden afgekoppeld en worden geïnfiltreerd op eigen terrein. Dit wordt bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratie transportriool. Dit infiltratieriool dient boven de GHG te worden aangelegd. Vanuit dit transportriool zal het hemelwater worden afgevoerd naar een bergingsvoorziening. Deze bergingsvoorziening zal aan de achterzijde van het perceel gelegen zijn, op het lager gelegen gedeelte achter de beoogde kavel. Ook de bergingsvoorziening zal boven de GHG worden
Crijns Rentmeesters bv
56
Ruimtelijke onderbouwing - Boerenkamplaan 71 - gemeente Someren
gerealiseerd. De locatie biedt hiervoor meer dan voldoende ruimte. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van het achtergelegen perceel. Op het achtergelegen perceel vindt over een oppervlakte van circa 870 m² landschappelijke inpassing van de locatie plaats in de vorm van een boomweide met aan de achterzijde een bomenrij. Een mogelijke uitwerking van de hemelwaterberging zou kunnen zijn dat binnen de boomweide een poel wordt gerealiseerd met een oppervlakte van 45 m². Deze poel kan met een diepte van 70 cm en rekening houdend met een talud circa 24 m³ hemelwater bergen. Deze poel kan voorzien worden van een noodoverlaat richting een zaksloot. Deze zaksloot kan parallel aan de bomenrij die op het perceel achter het projectgebied aangeplant wordt, gerealiseerd worden. De zaksloot krijgt dan een lengte van circa 45 meter. Met een diepte van 70 cm en een breedte van 1,5 meter kan deze sloot ruim 23 m³ water bergen. Op deze manier wordt ingespeeld op extreme situaties. Aangezien de woning op het hogere gedeelte binnen het projectgebied gerealiseerd wordt en de bergingsvoorzieningen in het lagere gedeelte en het projectgebied lager gelegen is dan de gronden in de omgeving, wordt zowel binnen als buiten het projectgebied geen wateroverlast verwacht.
Bovendien is ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning in de huidige situatie reeds 377 m² bebouwing en circa 310 m² erfverharding aanwezig. De beoogde ontwikkeling heeft een toekomstig verhard oppervlak van circa 550 m² tot gevolg. Per saldo is dus sprake van een afname van het verharde oppervlak met 137 m². In de regels van het bestemmingsplan waarvan onderhavige ruimtelijke onderbouwing onderdeel uitmaakt, zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen betreffende het realiseren en in stand houden van een hemelwaterbergingsvoorziening.
5.11.3.7
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
5.11.3.8
Toekomstige bergingscapaciteit
Het perceel waar de Ruimte voor Ruimte woning wordt beoogd, heeft een hemelwater bergende functie waarvan de gemeente Someren heeft aangegeven deze niet kwijt te willen. Het perceel heeft thans een bergingscapaciteit van Op het perceel kan in de huidige situatie 646 m³ hemelwater geborgen worden. Aan de voorzijde van het perceel kan in de huidige situatie 350 m² hemelwater opgevangen worden onder 26,72 m boven NAP. Aan de achterzijde van het perceel kan in de huidige situatie 296 m³ hemelwater opgevangen worden onder 26,67 m boven NAP.