Toelichting bestemmingsplan Michelslaan 14
Tekst van het document
De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3% is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm).
Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op het plangebied zal het aantal voertuigbewegingen toenemen. Deze bevatten een weekdaggemiddelde van tien bewegingen. Per dag zullen vijf lichte voertuigen, vier middelzware en één zware voertuigen van en naar het plangebied komen.
28
Afbeelding 7.NIBM-tool
Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2017) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op 17,2 μg/m³ en de PM2,5 op 8 μg/m³, zie afbeelding 8 en 9 Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 10μg/m³, zie afbeelding 10 In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.
29
Afbeelding 8. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10)
Afbeelding 9. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5)
30
Afbeelding 10. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NO2)
4.5.
Gezondheid
Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Binnen gemeente Someren worden ruimtelijke ontwikkelingen tevens getoetst aan het endotoxine toetsingskader. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit.
Dit betekent concreet dat voor de ontwikkeling aan Michelslaan 14 bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m. hun endotoxines-uitstoot. In de omgeving zijn enkele varkenshouderijen en een pluimveehouderij gelegen welke endotoxine uitstoten. Dit betreft de varkenshouderijen aan Michelslaan 11A en 21A en de pluimveehouderij aan Michelslaan 17. Daarnaast zijn er twee paardenhouderijen 31
gevestigd aan Michelslaan 8-10 en Michelslaan 11 waar niet endotoxine gerelateerde dieren worden gehouden. Locatie
Michelslaan 11A Michelslaan 17 Michelslaan 21A
Veehouderijen met endotoxine-uitstoot Functie PM10 kg/jaar Minimale afstanden tot plangebied (m) Varkenshouderij 48 1 Pluimveehouderij 4395 402 Varkenshouderij 153 70
Tabel 6. Uitwerking bedrijven met endotoxine-uitstoot
Feitelijke afstand tot plangebied (m) 127 363 421
Afbeelding 11. Uitsnede VGO- en Endotoxine contouren 2021, gemeente Someren
Zoals in tabel 3 en afbeelding 11 wordt aangegeven, wordt voldaan aan de minimale afstanden voor de locaties Michelslaan 11A en 21A. Er wordt niet voldaan aan de minimale afstand voor de locatie Michelslaan 17. Echter levert de voorgenomen ontwikkeling geen extra belemmeringen op voor de pluimveehouderij omdat de beoogde ontwikkeling een afwaartse beweging van de pluimveehouderij maakt. Hierdoor wordt de overschrijding niet groter en ontstaat er geen nieuwe overschrijding. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat geitenhouderijen de grootste bron voor endotoxine uitstoot zijn en dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Niet onomstotelijk is aangetoond dat de verhoging van het aantal gevallen van longontsteking een direct gevolg is van de aanwezigheid van geitenhouderij bedrijven, echter is het vanuit het voorzorgsprincipe wenselijk om hieraan te toetsen. In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied zijn 32
geen geitenhouderijen gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. De dichtstbijzijnde geitenhouderij (Nieuwendijk 114) is gelegen op een afstand van 2.590 meter. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6.
Geluid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient er, op basis van de Wet geluidhinder (Wgh), onderzocht te worden of er sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven ten opzichte van geluidsgevoelige objecten. De onderhavige ontwikkeling maakt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk. Het bedrijf kan echter wel geluidhinder veroorzaken voor andere geluidsgevoelige objecten. Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor het aspect geluid conform de handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’, zie paragraaf 4.2. Vandaar dat een nader akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Voor het volledige akoestisch onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3. De conclusie uit dit onderzoek is alsvolgt: “Er is aan M & A Omgeving opdracht verleend voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek voor een bedrijf gespecialiseerd in ontwikkelen van speciaalmachines aan de Michelslaan 14 te Someren. De initiatiefnemer wil de bedrijfsgebouwen graag uitbreiden in verband met de groei van zijn bedrijf. Ook wil hij de huidige woning vergroten. Voor de uitbreiding van de beoogde gebouwen is een vergroting nodig van het bouwvlak. Om de ontwikkeling mogelijk te makendient het bestemmingsplan te worden herzien. Het akoestisch onderzoek is in het kader van een ruimtelijke procedure.
Directe hinder Uit de berekeningsresultaten blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde streefwaarden in het kader van ruimtelijke ordening (R.O.). Verder blijkt, dat ook overal wordt voldaan aan de milieunormering. Indirecte hinder De voorkeursgrenswaarde voor de indirecte hinder wordt nergens overschreden.” Op basis van het akoestisch onderzoek blijkt dat met de geplande bedrijfsvoering geen overschrijding van de geluidsnormen plaatsvindt. Betreffende spoorweglawaai en industrielawaai is te stellen dat dit geen belemmeringen oplevert. Zo ligt het spoor op ±3 kilometer afstand van het plangebied. Het plangebied is daarnaast niet gelegen in een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Hierdoor zijn er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de beoogde activiteiten op het plangebied. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.7.
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires:
33
• • • • • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen.
Afbeelding 12. Uitsnede risicokaart
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het dichtstbijzijnde risico-object betreft de inrichting gelegen aan Michelslaan 17. Op deze locatie is een bovengrondse propaantank aanwezig met een invloedsgebied van 320 meter, deze ligt niet over het plangebied. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) In de directe omgeving van het plangebied zijn geen rijkswegen, provinciale wegen of vaarwegen gelegen die een beperking vormen ten aanzien van de externe veiligheid.
34
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) De dichtstbijzijnde buisleidingen zijn aardgasbuisleidingen van de Gasunie (A-521 en A585). De buisleidingen zijn gelegen op een afstand van circa 0,9 kilometer. De buisleidingen hebben geen PR 10-6 contour die een beperking vormen ten aanzien van de externe veiligheid. Bluswater en Bereikbaarheid De ontwikkeling valt in het bluswaterscenario 30 (lichte industrie in het buitengebied) wat concreet betekent: 60 m3/uur bluswater aanwezig binnen 3 minuten na aankomst van het eerste blusvoertuig (A-water) en daarbovenop nog eens 90 m3/uur bluswater aanwezig binnen 15 minuten (B-water). Het A-water kan geleverd worden door de reeds aanwezige brandkraan, het B-water is niet aanwezig. Er dient een bluswatervoorziening gemaakt te worden op eigen terrein van minimaal 90 m3/uur. Daarnaast dient de toegangsweg tot de loods minimaal 4,5 meter breed zijn. Bij de realisatie van het beoogde bedrijfsgebouwen zal een bluswatervoorziening worden gerealiseerd en zal de toegangsweg minimaal 4,5 meter breed worden. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.8.
Cultuurhistorie en archeologie
4.8.1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd.
Afbeelding 13. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant
4.8.2. Archeologie
35
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: •
De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.
•
Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.
De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Archeologie binnen het bestemmingplan buitengebied 2013 is gebaseerd op het archeologiebeleid van gemeente Someren. Op de archeologische verwachtingswaarde is te zien dat ter plaatse van Michelslaan 14 sprake is van een lage archeologische verwachting (categorie 6). In gebieden met de aanduiding categorie 6 is geen onderzoeksplicht in zake archeologie.
Afbeelding 14. Uitsnede gemeentelijke archeologische waardenkaart
4.9.
Flora en Fauna
4.9.1. Gebiedsbescherming De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant
36
verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten noorden van de initiatieflocatie is het Natura2000 gebied Strabrechtse Heide en Beuven gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 3,5 kilometer. Beoordeeld moet worden of de wijziging van het bestemmingsplan significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. In dit kader is een stikstofberekening gemaakt met het rekenprogramma Aerius. Hieruit blijkt dat er geen depositie plaatsvindt op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. De uitkomsten van deze berekening zijn bijgevoegd in bijlage 4. Daarnaast wordt het plangebied Michelslaan 14 landschappelijk ingepast, ze bijlage 5. 4.9.2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • •
•
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Hiervoor is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 6 voor de gehele quickscan. Uit deze quickscan volgen de volgende conclusies en aanbevelingen: “Soorten Vogelrichtlijn Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten zoals de huismus, gierzwaluw, steen- en kerkuil, door de afwezigheid van mogelijke nestlocaties. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden, wordt niet nodig geacht door het ontbreken van verblijfplaatsen/ nesten in de direct omgeving.
37
Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Door de aanwezigheid nestkasten in aangrenzende bomen is de aanwezigheid van vogels met niet jaarrond beschermde nesten aannemelijk. Nestkasten mogen buiten het broedseizoen, wanneer eventuele jonge vogels uitgevlogen zijn, verhangen worden. Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus).
Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Algemene broedvogels Het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bomen, hagen en struiken welke aanwezig zijn binnen- en nabij het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels, door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten, zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Soorten Habitatrichtlijn Vleermuizen Overige habitatrichtlijnsoorten De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht.
Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten/ mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt, welke negatieve effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Het plangebied is potentieel geschikt voor nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Gelderland een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zo veel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Aanbevelingen/ natuur-inclusief bouwen Door niet alleen te kijken naar ‘wat er niet is’, is het juist belangrijk om te kijken naar mogelijkheden voor flora en fauna voor en na de bouw van de aanbouw op de kavel. Er
38
zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe) soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen. Zo kun je denken aan het ophangen van nestkasten voor onder andere huismussen, maar ook voor mezen en andere soorten is van alles te verkrijgen. Om vleermuizen een mogelijkheid te bieden zich te vestigen/ in stand te houden in het gebied kunnen vleermuiskasten opgehangen worden tegen, of ingebouwd worden in de gevel van de woning of tegen de bomen in de aangrenzende tuin. Er zijn speciale vleermuiskasten te koop via internet: www.vivarapro.nl / www.waveka.nl welke onderdak kunnen bieden aan de diverse soorten vleermuizen. - Vleermuiskast inbouw type: IB VL 06 (Vivarapro) - Vleermuiskast opbouw type: 1FTH-zwart (Waveka) - Huismus inbouw type: NK MU 07 (Vivarapro) - Huismus opbouw type: NK MU 08 (Vivarapro \ Alles wat hierboven benoemd wordt, is geen verplichting of iets wat opgelegd wordt, maar dit zou voor de vogels en vleermuizen in het gebied een welkome verandering zijn en voor ons als mens een kleine moeite. Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanvullend flora en faunaonderzoek nodig voorafgaand aan de geplande werkzaamheden.” Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.10.
Landschappelijke inpassing
Voor de landschappelijke inpassing in de omgeving van het plangebied is landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Met het landschappelijke inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering. In afbeelding 15 is het beplantingsplan weergegeven, voor het volledige landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 5.
Afbeelding 15. Landschappelijk inpassingsplan
39
4.11.
Waterparagraaf
4.11.1.
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie RO 2014 en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: • • •
Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten heeft op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2015-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: • • • •
Voldoende water voor mens, plant en dier; Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie hen geeft. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Het beleid van het PMWP is vertaald in de IOV. Waterschap De Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het vigerende Waterbeheerplan 2022-2027 schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn. Het waterschap de Dommel wil in 2050 een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dit wil zeggen een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving en zorgt voor een goede waterkwaliteit. In de planperiode 2022-2027 wordt er gestart met de watertransitie. Naast een veranderende manier van werken wordt er uitgegaan van drie sterk richtinggevende principes: • • 40
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan;
•
Wat schoon is moet schoon blijven. 4.11.2.
Inleiding watertoets
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen worden bij alle waterhuishoudkundige relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren en anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moeten houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden ongedaan gemaakt of beperkt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheergebied van Waterschap De Dommel. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de overlastproblematiek en de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) ter plaatse van het plangebied is gemiddeld gezien gelegen tussen de 60 - 80 centimeter beneden maaiveld. Het plangebied bevindt zich op een relatief hoge en droge locatie gebaseerd op de AHN en de GHG, zie afbeeldingen 16 en 17. Hierdoor is de overlastproblematiek van water op het plangebied gering.
Afbeelding 16. Uitsnede kaart Actuee l hoogtebestand Nederland
41
Afbeelding 17. Uitsnede kaart Gemiddelde hoogste grondwaterstand
Hydrologisch neutraal ontwikkelen Bij nieuwe ontwikkelingen dient de hydrologische situatie minimaal gelijk te blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) niet verlaagd worden. Op het plangebied zal hydrologisch neutraal worden ontwikkeld.
Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Het waterschap streeft ernaar om verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Dit aspect wordt dan ook meegenomen in de watertoets. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streven is het afvoeren van het vuile water via de riolering en binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer’ Onderdeel van de watertoets is het omgaan met het schone hemelwater. De afwegingsstappen dienen te zijn: hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer. Deze afwegingsstappen zijn afgeleid van de trits vasthouden – bergen – afvoeren. Vanwege het relatief kleinschalige initiatief zal op het plangebied geen sprake zijn van hergebruik van hemelwater. Het hemelwater zal worden opgevangen en vervolgens geïnfiltreerd worden in eigen bodem. Meervoudig ruimtegebruik en water als kans Water wordt bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als probleem. Het kan echter ook meerwaarde bieden voor een plan, door bijvoorbeeld gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Daarnaast kan het verlies aan ruimte gecompenseerd worden door meervoudig ruimtegebruik; een ruimte voor twee of meer doeleinden gebruiken. Er wordt ruimte gevonden voor de wateropvang binnen het plangebied.
Binnen het plangebied is geen sprake van meervoudig ruimtegebruik. Waterschapsbelangen Er zijn ‘waterschapsbelangen’ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a) ruimteclaims voor waterberging; b) ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ’s en beekherstel; c) aanwezigheid en ligging watersysteem; d) aanwezigheid en ligging waterkeringen; e) aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims t.b.v. de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. 42
Het plangebied grenst niet aan gronden met een ruimteclaim voor waterberging, natte ecologische zones en/ of beekherstel. Gedurende de ruimtelijke procedure wordt het waterschap op de hoogte gesteld van de beoogde ontwikkelingen. 4.11.3.
Waterparagraaf
Voor het afvoeren van hemelwater heeft Waterschap De Dommel regels opgesteld omtrent het afvoeren van hemelwater. De grote van de infiltratievoorziening is aan de hand van deze regels berekend. Verhard oppervlak In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe met 705m2 aan erfverharding en 826m2 aan bebouwing. Gescheiden houden van water en schoon hemelwater Het huishoudelijk afvalwater zal op de bestaande drukriolering worden geloosd. Het schoon hemelwater infiltreert in de eigen bodem. Hydrologisch neutraal bouwen Betreffende bodemstructuren genieten geen specifieke bescherming en in het kader van hydrologisch neutraal bouwen zijn ter plaatse voldoende mogelijkheden tot infiltratie van hemelwater. In de beoogde situatie wordt een uitbreiding van 1.531m2 voorzien, daarnaast zal de huidige infiltratievoorziening worden gedempt. Hierdoor zal het hemelwater (60 mm) van het volledige verhard oppervlak van 2.241m 2 geïnfiltreerd dienen te worden in een infiltratievoorziening. Om de benodigde compensatie (in m3) te berekenen wordt de volgende formule toegepast. Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). Op de kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft de gevoeligheidsfactor weer.
Voor het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1, waardoor de benodigde compensatie 2.241 m2 * 1 * 0,06m =134 m3 groot moet zijn. De infiltratiewadi op het plangebied zal 240 m2 groot worden. De infiltratiewadi wordt achter in het perceel gerealiseerd, hier is de gemiddelde hoogste grondwaterstand GHG 60-80 cm. De maximale capaciteit van de infiltratiewadi is 240m 2 * 0,6 m = 144 m3. Daarnaast zal er hemelwater kunnen infiltreren in omliggende gronden. Op het plangebied is sprake van dekzandvlakte, waarbij de grond geen belemmeringen geeft voor infiltratie van hemelwater. Hiermee wordt voldaan aan de eisen voor het bergen van hemelwater. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het plangebied zal, net als in de huidige situatie, worden afgevoerd via het gemeentelijke rioleringsstelstel. In de beoogde situatie zal er geen bedrijfsafvalwater ontstaan. Conclusie Door te voorzien in een infiltratievoorziening op eigen bodem van het hemelwater is het plan per saldo hydrologisch neutraal.
4.12.
Mobiliteit en parkeren
Het plangebied is gelegen aan Michelslaan 14. De locatie wordt ontsloten richting Someren via de Kerkendijk. Parkeren zal daarnaast geschieden op eigen terrein waardoor de omgeving hier geen negatief effect van kunnen ondervinden. Het aantal verkeersbewegingen nemen toe, echter de Kerkendijk is een bovenlokale verbindingsweg tussen Someren en Maarheeze. Het aantal verkeersbewegingen is 43
beperkt en daarmee vanuit verkeersoptiek passend voor de locatie. Voor het veranderen van de inrit zal als de ruimtelijke procedure is doorlopen. Een aanvraag worden gedaan waarbij wordt aangesloten bij het inrittenbeleid van gemeente Someren.
44
5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1.
Economische haalbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Someren heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. 5.2.1. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving.
5.3.
Procedure
Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.8 Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerp-bestemmingsplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen wordt het bestemmingsplan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.\
45
5.4.
Vooroverleg en inzage
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In het kader van het bestuurlijk vooroverleg is het voorontwerp bestemmingsplan bij waterschap de Dommel aangemeld. In het vooroverleg is gevraagd om nadere details bij uitwerking van de hemelwaterinfiltratievoorziening van de omgevingsvergunning. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning zal rekening worden gehouden met in het bestemmingsplan opgenomen voorschriften. In het kader van het bestuurlijk vooroverleg is het voorontwerp bestemmingsplan bij provincie Noord-Brabant aangemeld. Vanuit de provincie Noord-Brabant zijn de volgende aandachtspunten op het planvoornemen gekomen: “Bestaande niet-agrarische functie in landelijk gebied Artikel 3.71 van de IOV bevat bepalingen die betrekking hebben op niet-agrarische functies in landelijk gebied. In dit artikel wordt o.a. bepaalt dat onder voorwaarden een bestemmingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een niet-agrarische functie.
Dit artikel is ook uitgewerkt in onderhavig bestemmingsplan. Ten aanzien van deze uitwerking merken wij het onderstaande op. Het plan voorziet in een uitbreiding van een bestaand bedrijf in de technische sector, gevestigd sinds 2008. Het bedrijf is gespecialiseerd in de ontwikkeling (engineering) en bouw van speciaal-machines binnen verschillende sectoren. Het bedrijf is onder andere werkzaam voor de industriële sector (75%), medische sector (15%) als voor de agrarische sector (10%). Het is een categorie 3.1 bedrijf, dat dus niet per definitie gelieerd is aan de agrarische sector in de directe omgeving. Het is de bedoeling het bestaande bedrijf uit te breiden middels een loods op de achterzijde (noordzijde) van het perceel. Uit de planstukken blijkt dat het om een grote uitbreiding gaat van circa 1200 m2. Gelet op de forse uitbreiding van de bedrijfsbestemming moet de vraag gesteld worden of hier sprake is van een “redelijke” uitbreiding. Onderzocht dient te worden of een bedrijf van deze aard en omvang nog in het buitengebied thuishoort of verplaatst dient te worden naar een bedrijventerrein. Een dergelijke verplaatsing wordt in het plan niet overwogen. Nu is er dus voor gekozen om artikel 3.71 van de IOV uit te werken.
Op basis van dit artikel kunnen dus bestaande niet agrarische functies in landelijk gebied uitbreiden indien sprake is van een redelijke uitbreiding en als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied. Als onderbouwing van dit laatste is in de plantoelichting onderstaande alinea opgenomen; Op de locatie worden op dit moment reeds activiteiten uit milieucategorie 3.1 toegestaan. Tenslotte zijn er in de omgeving reeds meerdere (niet-)agrarische bedrijven gevestigd waarbij activiteiten uit milieucategorie 3.1, 3.2 of 4.1 worden uitgevoerd en/of bedrijven met een groot bouwvlak. Hierdoor sluit de beoogde ontwikkeling aan bij de activiteiten en functies in de omgeving. Het laatste strookt echter niet met hetgeen in de gemeentelijke structuurvisie 2028 over dit gebied is opgenomen. In deze visie is ook onderstaande alinea opgenomen; In het gebied zijn veel en grootschalige agrarische bedrijven aanwezig. Door de hier aanwezige open gebieden zijn de bedrijven op grote afstand zichtbaar. Het gebied wordt gekenmerkt door een uitgesproken landbouwgebied met agrarische en agrarisch 46
verwante bedrijven. Het plangebied is aangeduid als jonge heideontginningen en landbouw concentratiegebied. In de structuurvisie is opgenomen dat het buitengebied van Someren ondanks grote veranderingen gekenmerkt blijft door intensief landbouwkundig gebruikt. De dynamiek in de agrarische sector is groot. Enerzijds vergroten agrariërs hun bedrijf om te voldoen aan de eisen die worden gesteld vanuit economisch vlak of wetgeving. Anderzijds stoppen veel agrariërs of worden de bedrijfsactiviteiten verbreed. Grootschalige en middelgrote omschakelingen naar industriële en niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten worden ongewenst bevonden. Met name uit de laatste zin blijkt dat deze bedrijfsuitbreiding op gespannen voet staat met de ontwikkelingsrichting van het gebied. Dit is dan ook de reden dat wij adviseren de mogelijkheden van verplaatsing toch uitgebreider te verkennen dan nu is gedaan. Los van het bovenstaande maken wij nog de volgende opmerking ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap zoals deze is uitgewerkt in dit voorontwerp. De structuurvisie is het richtinggevende beleidsdocument waarin duidelijk wordt welk ruimtelijk beleid de gemeente Someren nastreeft. De structuurvisie is in april 2013 vastgesteld. Door de snelle opvolging van economische en maatschappelijke ontwikkelingen heeft er een evaluatie van de structuurvisie plaatsgevonden.
Hieruit is de beleidsnota: ‘Niet-agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing’ opgesteld. In deze nota is in paragraaf 5.2.1 ‘Bestaande, positief bestemde bedrijven’ het volgende opgenomen: “Op dit moment zijn de uitbreidingsmogelijkheden van deze bedrijven gemaximaliseerd in zowel oppervlakte (maximaal 1.500 m2) als milieucategorie (maximaal 3.1). Vasthouden aan dit beleid leidt ertoe dat verschillende bedrijven in ons buitengebied op hun plek niet meer kunnen uitbreiden. Omdat er geen grond op het bedrijventerrein beschikbaar is, geven we binnen onze gemeentegrenzen met het huidige beleid geen ruimte aan deze bedrijven. Dit is een ongewenste situatie: we willen niemand uit onze gemeente wegjagen. Daarom geven we meer uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande, positief bestemde bedrijven (zowel agrarisch verwant als de niet-agrarische bedrijven). Hoewel per locatie een beoordeling zal moeten plaatsvinden, vinden we bedrijven in de milieucategorie van 4 en hoger niet passend in het buitengebied. Let op: dit betekent niet dat op iedere locatie uitbreiding naar een bedrijf in de milieucategorie 3.2 mogelijk is. Per locatie zal beoordeeld moeten worden of een bedrijf in een dergelijke milieucategorie passend en wenselijk is.
Dit doen we onder meer door te toetsen of: • zich in de omgeving kwetsbare (woon)objecten bevinden die uitbreiding in de weg staan; • de uitbreiding waterhuishoudkundig aanvaardbaar is; • de uitbreiding verkeerskundig aanvaardbaar is; • de uitbreiding gepaard kan gaan met een voldoende verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, bijvoorbeeld door landschappelijke inpassing. Daar verbinden we, naast de voorwaarden die de Verordening ruimte stelt, de voorwaarde aan dat de ontwikkeling bijdraagt aan onze doelstelling zoals verwoord in hoofdstuk 3 en uitgewerkt in paragraaf 5.1 van deze nota. In de meeste gevallen betekent dit dat, in ruil voor ontwikkeling, er sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen moet plaatsvinden of hebben plaatsgevonden door middel van de sloopbank. Op die manier voorkomen we dat uitbreiding in het buitengebied financieel (substantieel) aantrekkelijker wordt dan verplaatsing naar het bedrijventerrein.” De initiatiefnemer is voornemens zijn bedrijf te ontwikkelen binnen de gemeente Someren en heeft het plangebied in eigendom. De gemeente Someren wil bestaande, positief bestemde bedrijven behouden voor de gemeente zoals beschreven in de beleidsnota: ‘Niet-agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering 47
van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing’. Gezien dat de initiatiefnemer het plangebied al in eigendom heeft en dat het beleid mogelijkheden bied om de gewenste bedrijfsontwikkeling mogelijk te maken. Heeft de initiatiefnemer er voor gekozen het planvoornemen nader uit te werken in het voorliggende bestemmingsplan. Kwaliteitsverbetering van het landschap Het uitgangspunt van kwaliteitsverbetering van het landschap betekent onder meer dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Dit principe is opgenomen in artikel 3.9 van de IOV. Vastgesteld wordt dat op basis van de gemeentelijke LIR is bepaald dat de beoogde ontwikkeling een categorie 3 ontwikkeling betreft waarvoor een berekening is opgesteld. Uit de berekening blijkt dat ten behoeve van de waardestijging minimaal €93.310,40 geïnvesteerd dient te worden in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Voor deze vereiste kwaliteitsverbetering wordt voorzien in een landschappelijke inpassing en een storting in het gemeentelijke BIO-fonds. Er wordt voor €11.280,72 geïnvesteerd in de landschappelijk inpassingsplan waarvan de realisatie en instandhouding is geborgd in planregel 4.4.2.. Daarnaast zal er €82.029,68 worden gestort in het gemeentelijke BIOfonds waarvoor ook een anterieure overeenkomst is gesloten.
Met deze uitwerking van de kwaliteitsverbetering kunnen wij instemmen maar in het verlengde daarvan merken nog het volgende op. In planregel 4.4.2. wordt verwezen naar bijlage 1 bij de planregels. Deze landschappelijke inpassing zal dan ook als bijlage 1 bij de planregels bij het ontwerp moeten worden opgenomen. Op pagina 8 van de toelichting is een luchtfoto opgenomen van het plangebied. Deze luchtfoto wekt de indruk dat het deel van het plangebied waar de landschappelijke inpassing wordt voorzien in gebruik is als crossterrein of iets dergelijks. Wij vragen ons af of dit gebruik kan worden gecombineerd met de realisatie en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing. Naar aanleiding van deze opmerkingen zijn paragraaf 3.4.1 en 3.4.2 aangepast en is de opmerking verwerkt. Het landschappelijke inpassingsplan zal worden opgenomen in bijlage 2 bij de planregels. Daarnaast is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels voor de realisatie en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan met betrekking tot het gebruik van het plangebied. Een ander gebruik dan beschreven is in de planregels is niet toegestaan. Terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan Het ontwerpbestemmingsplan ‘Michelslaan 14, Someren’ heeft met ingang van 22 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen.
Tijdens de termijn van terinzagelegging kon iedereen een zienswijze indienen over het ontwerpbestemmingsplan. Er is binnen de gestelde termijn geen zienswijze binnengekomen. Ambtshalve wijzigingen De provincie Noord-Brabant verzocht de verwijzing voor borging landschappelijk inpassing naar bijlage 1 bij de planregels te wijzigen naar bijlage 2 bij de planregels. De opmerking is verwerkt. Het waterschap De Dommel verzocht om de dubbelbestemming WaterstaatWaterbergingsgebied op de verbeelding en in de planregels artikel 5 te verwijderen. De dubbelbestemming Waterstaat-Waterbergingsgebied op de verbeelding en in de planregels artikel 5 verwijderd.
48
Vaststelling wijzigingsplan Het bestemmingsplan ‘Michelslaan 14, Someren’ en daarbij behorende ondergrond en bijlage zijn op .. februari 2024 door gemeenteraad van de gemeente Someren vastgesteld.
49
Bijlagen
50
Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl
Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl
Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl
Roba Advies Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl
51