CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Kuilerstraat 12-12A

Gemeenteraad 4 april 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kuilerstraat 12 en 12A16.388 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Mocht het agrarisch bedrijf op Kuilerstraat ong. in de toekomst wederom rundvee willen gaan houden, dan zal rekening gehouden moeten worden met vaste afstanden:  Afstand emissiepunt dierenverblijf - gevel bedrijfswoning Kuilerstraat 12: 50 meter. Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

19

Afstand gevel dierenverblijf - gevel bedrijfswoning Kuilerstraat 12: 25 meter.

Omdat de bestaande bedrijfswoning aan de Kuilerstraat 12 al dichterbij ligt dan 50 meter, moet bij een toekomstige aanvraag voor een rundveehouderij (hoewel niet realistisch, maar planologisch wel mogelijk) rekening gehouden worden met de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van de bestaande bedrijfswoning. Dit is tevens zo als de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ op de locatie Kuilerstraat 12-12a blijft zoals die is. De bedrijfswoning op Kuilerstraat 12 is dus bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden op de locatie Kuilerstraat ong., zowel bij de huidige bestemming als bij de nieuwe bestemming. Het herbestemmen van de locatie Kuilerstraat 12-12a levert dus niet meer beperkingen op voor het bedrijf aan de Kuilerstraat ong. dan nu al het geval is. Aan de gevel-gevel-afstand wordt nu al voldaan. Binnen 200 meter van de bedrijfswoning ligt verder nog een viertal (agrarische) bedrijfslocaties:  Een varkenshouderij aan de Kuilerstraat 7: een varkensbedrijf is volgens de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 4.1 met een richtafstand van 200 meter bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en 100 meter bij ‘gemengd gebied’. Bepalend hierbij is de geur. Aan de richtafstand wordt voldaan. De afstand tussen het bestemmingsvlak ‘Recreatie’ en het bouwvlak van de varkenshouderij bedraagt circa 230 meter.

 Een paardenhouderij aan de Kuilerstraat 16: een paardenhouderij is volgens de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en 30 meter bij ‘gemengd gebied’. Bepalend hierbij is de geur. Aan de richtafstand wordt voldaan. De afstand tussen het bestemmingsvlak ‘Recreatie’ en het bouwvlak van de paardenhouderij bedraagt circa 55 meter.  Een kleinschalig vleesverwerkingsbedrijf (250 m2) aan de Kuilerstraat 15: De VNG-brochure kent geen richtafstanden voor een dergelijk kleinschalig bedrijf. Om die reden is aansluiting gezocht bij de richtafstanden die worden aanbevolen bij activiteiten die daarmee een raakvlak hebben. De activiteit die het dichtst in de buurt komt is een vleeswaren- en vleesconservenfabriek: p.p. > 200 m2 en ≤ 1.000 m2. Volgens de VNG-brochure is deze functie ingedeeld in milieucategorie 3 met een richtafstand van 50 meter bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en 30 meter bij ‘gemengd gebied’. Bepalend hierbij is het geluid. Aan de richtafstand wordt voldaan. De afstand tussen het bestemmingsvlak ‘Recreatie’ en de bestemming ‘Bedrijf’ bedraagt circa 52 meter.  Agrarisch bouwvlak met veehouderijbestemming aan de Kuilerstraat 17: planologisch gezien heeft deze locatie een veehouderijbestemming. Op de locatie is echter geen veehouderij (meer) aanwezig.

De afstand tussen het bestemmingsvlak ‘Recreatie’ en het bouwvlak van deze locatie bedraagt circa 75 meter. Het is onwaarschijnlijk dat er op deze locatie veehouderijactiviteiten plaats gaan vinden in de toekomst. Mocht dit wel het geval zijn, dan is de woning bij het bedrijf op Kuilerstraat 15 het meest beperkend voor de ontwikkeling van dit bedrijf. Aangezien er één agrarisch bedrijf in de omgeving aanwezig is met een vergunning om dieren te houden met een geuremissiefactor, is dit bedrijf specifiek beschouwd. Zie hiervoor de paragraaf geur (4.6). Ad 3: Een kampeerterrein is volgens de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het maatgevende milieuaspect voor deze afstand is geluid. Binnen 50 meter van de camperplaats liggen geen gevoelige objecten. Aan deze richtafstand wordt dus voldaan. De VNG-brochure kent geen richtafstanden voor een groepsaccommodatie. Om die reden is aansluiting gezocht bij de richtafstanden die worden aanbevolen bij activiteiten die daarmee een raakvlak hebben. De activiteit die het dichtst in de buurt komt is een hotel of pension. Volgens de VNG-brochure zijn deze functies ingedeeld in milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. Binnen 10 meter van de groepsaccommodatie liggen geen gevoelige objecten. Aan deze richtafstand wordt dus voldaan.

De conclusie luidt dat de gevoelige functies in de omgeving van de locatie Kuilerstraat 12-12a op dusdanige afstand liggen, dat zij geen hinder zullen ondervinden van het recreatiebedrijf. Conclusie Uit deze analyse blijkt dat de gevoelige functies in de omgeving van de locatie Kuilerstraat 12-12a op dusdanige afstand liggen, dat zij geen hinder zullen ondervinden van het recreatiebedrijf. Andersom ondervindt het recreatiebedrijf geen hinder van de (agrarische) bedrijven in de omgeving en belemmert het recreatiebedrijf deze bedrijven ook niet in hun ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a. Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

20

4.3

Geluid

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer, maar ook aan industriële activiteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen weer voor de hoogst acceptabele geluidbelasting en minimale geluidwering bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties. Wegverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten getoetst te worden aan de geluidbelasting vanaf omliggende zoneplichtige wegen. In dit geval is geen sprake van een nieuw geluidgevoelig object. De bedrijfswoning blijft immers als zodanig in gebruik en het recreatiebedrijf is niet geluidgevoelig op grond van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Industrielawaai Uit paragraaf 4.2 blijkt dat de nieuwe recreatieve activiteiten op voldoende afstand van geluidgevoelige functies liggen. Aan de richtafstanden voor geluid wordt voldaan. Tevens worden in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Het aspect industrielawaai legt dan ook geen beperkingen op aan de ontwikkeling. Goede ruimtelijke ordening Vanuit het ruimtelijk spoor geldt daarnaast dat er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening.

Nu er sprake is van voldoende afstand tussen het plangebied en gevoelige functies en er in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige functies worden gerealiseerd kan ervan uit worden gegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geluid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

4.4

Luchtkwaliteit

Wet Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.  Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Een plan kan effect hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. In dit geval is er in de nieuwe situatie geen sprake van uitstoot van fijnstof (PM10 en PM2,5). Wel moet de emissie van stikstof (NO x) door verkeersbewegingen worden beschouwd. Het plan aan de Kuilerstraat 12-12a valt niet binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM. Dit betekent dat op een andere manier gemotiveerd moet worden dat het project voldoet aan het 3% criterium.

In dit geval wordt er van uitgegaan dat:  de verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf (akkerbouwbedrijf) vervallen;  de verkeersbewegingen van de reeds vergunde camperplaats blijven bestaan;  de verkeersbewegingen van de bedrijfswoning blijven bestaan;  er verkeersbewegingen ten behoeve van de groepsaccommodatie bijkomen. Ten gevolge van het plan wordt geen extra verkeer gegenereerd. Per saldo is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen, zie ook paragraaf 4.12. De conclusie is dan ook dat sprake is van een NIBMproject. Het plan heeft dus geen effect op de luchtkwaliteit in de omgeving. Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

21

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

4.5

Bodem

In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). Het akkerbouwbedrijf op de locatie Kuilerstraat 12-12a wordt beëindigd. De agrarische bedrijfsbestemming wordt omgezet naar een recreatiebestemming. Om inzicht te krijgen in de bodemgesteldheid op de locatie is een verkennend bodemonderzoek verricht door Archimil B.V. De rapportage d.d. 15 augustus 2022, is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de conclusies. 1. De slakken- en asfalthoudende bodemlaag ter plaatse van de oprit (boring 107: 0,20-0,35 m-mv) is licht verontreinigd met minerale olie. 2. De grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) ter hoogte van de bovengrondse tank is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. 3. De meest verdachte grondmonsters uit de onderlaag (0,85-1,6 m-mv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. 4. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, minerale olie en xylenen. 5. De hypothese plaatselijk verdacht dient ter plaatse van de bovengrondse dieseltank te worden aangehouden op basis van de onderzoeksresultaten. 6.

De hypothese niet-verdachte locatie kan voor de ondergrond worden aangenomen en dient voor de bovengrond formeel te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij het volgende op: 1. Ons inziens behoeven er, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan de beoogde bestemmingswijziging van de onderzochte locatie. 2. Ter plaatse van de bovengrondse dieseltank is de eindsituatie afdoende vastgelegd. De voormalige activiteiten lijken niet geleid te hebben tot een significante verontreiniging van de bodem. 3. De lichte verontreiniging met minerale olie in de bovengrond van boring 107 vormt geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek conform de Circulaire Bodemsanering [8]. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar. 4. Gelet op de aangetroffen concentraties in het grondwater wordt het uitvoeren van een nader onderzoek naar de herkomst volgens de Circulaire Interventiewaarden Bodemsanering niet noodzakelijk geacht. Aangezien direct contact met het grondwater niet te verwachten is blijft het risico uit oogpunt van volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt. 5.

Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit. In het verkennend bodemonderzoek wordt ingegaan op de potentieel bodembedreigende activiteiten. Het gaat om een lekbak met opslag van afgewerkte olie, motorolie en een dieseltank. In het rapport van het bodemonderzoek is op pagina 13 aangegeven dat ter plaatse van de bovengrondse dieseltank (= locatie lekbak) de eindsituatie afdoende is vastgelegd. Het onderzoek kan dus tevens beschouwd worden als eindsituatie bodemonderzoek en kan straks bij het milieudeel (melding Activiteitenbesluit voor verandering van de inrichting) gebruikt worden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

22

4.6

Geur

Wet geurhinder en veehouderij en gemeentelijk geurbeleid De Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv), in werking getreden op 1 januari 2007, schept het beoordelingskader voor geurhinder als gevolg van tot veehouderij behorende dierenverblijven. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Nederland is opgesplitst in concentratie- en niet-concentratie gebieden. In deze gebieden wordt weer onderscheid gemaakt tussen objecten die liggen binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. De locatie Kuilerstraat 12-12a ligt in een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom. Het aspect geur wordt uitgedrukt als geurconcentratie in Europese odour units per kubieke meter lucht (OUe/m3). De geuremissiefactoren per diersoort zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De Wgv kent twee methoden voor de beoordeling van de geur van een veehouderij:  Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Rgv een geuremissiefactor is opgenomen, moeten voldoen aan de wettelijke geurnorm.  Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, moeten voldoen aan de vereiste minimale afstand. Volgens de Wgv moet aan de in de volgende tabel vermelde normen/afstanden worden voldaan. Tabel 4.6.1: Normen/afstanden volgens de Wgv. Categorie geurgevoelig object

Wettelijke geurnorm (OUe/m3) buiten concentratiegebied

Wettelijke geurnorm (OUe/m3) binnen concentratiegebied

Binnen bebouwde kom

2

3

Buiten bebouwde kom

8

14

Categorie geurgevoelig object

Wettelijke vaste afstand (m)

Wettelijke vaste afstand (m)

Binnen bebouwde kom

100

100

Buiten bebouwde kom

50

50

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. Een aanvraag om een omgevingsvergunning milieu van een veehouderij wordt getoetst aan in de wet vastgelegde standaardwaarden voor maximale voorgrondbelasting. De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om middels een gebiedsvisie, binnen bepaalde marges, af te wijken van de in de wet genoemde geurnormen en/of vaste afstanden. Door de gemeenteraad van de gemeente Someren is op 29 september 2010 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. Deze verordening stelt een norm van 14 OUe/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het plangebied van dit bestemmingsplan. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wvg kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De Wvg heeft als input gediend voor de ‘Handleiding geurhinder en veehouderij’ om de zogenaamde ‘omgekeerde werking’ in het kader van een ‘goed woon- en leefklimaat’ te kunnen bepalen/berekenen. Bij de totstandkoming van (nieuwe) geurgevoelige objecten is er dus sprake van een indirecte werking van de Wgv. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.

Naast een geurverordening is op 29 september 2010 ook een geurgebiedsvisie door de gemeenteraad vastgesteld. Met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is in de geurgebiedsvisie een norm voor de achtergrondbelasting geur in het buitengebied opgenomen van 20,0 OUe/m³. In de ‘Evaluatie geurgebiedsvisie gemeente Someren 2017’ is geconcludeerd dat deze waarde de omzetting van voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen vaak tegenhoudt. Om het herbestemmen tot burgerwoning mogelijk te maken heeft de gemeenteraad besloten om de normen voor de cumulatieve achtergrond geurbelasting in de gebiedsvisie aan te passen. De raad heeft vervolgens besloten de te hanteren norm voor de achtergrondbelasting op te hogen naar 28,0 OUe/m³. Bij de herbestemming van agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoning geldt dus deze norm bij de toetsing van het woon- en leefklimaat. Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

23

In het evaluatierapport zijn geen normen voor de voorgrondbelasting opgenomen. De gemeenteraad heeft dan ook geen normen voor de voorgrondbelasting geur vastgesteld als het gaat om de beoordeling van het woonen leefklimaat. Beoordeling ontwikkeling Bij besluitvorming omtrent de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:  Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad (belangen veehouderij en derden)?  Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd (belang geurgevoelig object)? Voorliggend bestemmingsplan maakt de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie mogelijk, waarbij een nieuwe groepsaccommodatie wordt toegestaan en de agrarische bedrijfswoning wordt omgezet naar een recreatieve bedrijfswoning. De camperplaats blijft ongewijzigd. Indien geen sprake is van langdurig verblijf in een gebouw is geen sprake van een geurgevoelig object in de zin van de Wgv. De gasten die in de groepsaccommodatie verblijven, verblijven daar voor korte tijd. Om langdurig verblijf op zowel de camperplaats als in de groepsaccommodatie uit te sluiten is in de regels van het bestemmingsplan een bepaling opgenomen, die inhoudt dat het gebruik van de camperplaats en groepsaccommodatie meer dan 3 aaneengesloten weken door dezelfde personen wordt aangemerkt als strijdig gebruik.

Tevens is in dezelfde regel bepaald dat tussen het einde van de verblijfsrecreatieve periode van 3 aaneengesloten weken en de aanvang van een nieuwe verblijfsrecreatieve periode van niet meer dan 3 aaneengesloten weken ten minste 7 dagen dient te zitten. Met deze regeling is verzekerd dat de camperplaats en groepsaccommodatie geen geurgevoelige objecten betreffen (zie ook (AbRS 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1431). De bedrijfswoning betreft wel een geurgevoelig object, in dit geval een reeds bestaand geurgevoelig object. Invloed ontwikkeling op omliggende veehouderijen Op de locatie Kuilerstraat 12-12a is, als het agrarisch bedrijf is gestopt, sprake van een voormalige agrarische bedrijfswoning (geurgevoelig object dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij). De bescherming van deze woning tegen geur is afwijkend geregeld als een omliggende veehouderij wil ontwikkelen/uitbreiden. Dit staat los van de bestemming die de woning heeft. Als er geurberekeningen gemaakt worden bij vergunningverlening van omliggende veehouderijen (op grond van de Wgv), dan hoeft de woning op Kuilerstraat 12 niet meegenomen te worden als geurgevoelig object. Wel moet voldaan worden aan vaste afstanden.

Voor woningen behorende bij (voormalige) veehouderijen (of ruimte voor ruimte woningen) gelegen buiten de bebouwde kom geldt op basis van artikel 3 lid 2 van de Wvg een vaste afstand van minimaal 50 meter tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object. Als onderdeel van het project wordt de omgevingsvergunning voor het houden van dieren op de locatie Kuilerstraat 12-12a en Kuilerstraat ong. ingetrokken. De locatie beschikt (nog) over een milieuvergunning voor 160 melkkoeien en 110 stuks jongvee. Er wordt echter geen rundvee meer gehouden. Er wordt er een melding Activiteitenbesluit ingediend voor de recreatieve activiteiten op de locatie Kuilerstraat 12-12a en de akkerbouwactiviteiten op de locatie Kuilerstraat ong.. Woon- en leefklimaat De herbestemming van de agrarische bedrijfswoning naar een recreatieve bedrijfswoning betreft een planologische verandering. Om die reden moet aangetoond worden dat ter plaatse van de bedrijfswoning sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Om een uitspraak te doen over het woon- en leefklimaat op de locatie Kuilerstraat 12-12a zijn geurberekeningen gemaakt. Op de volgende afbeelding zijn de toetspunten weergegeven.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

24

Figuur 4.6.1: Toetspunten bedrijfswoning voor geurberekeningen.

Zoals hiervoor reeds aangegeven geldt bij de herbestemming van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning een norm voor de achtergrondbelasting van 28,0 OUe/m³. Het beleid van de gemeente Someren gaat dus uit van een maximaal hinderpercentage voor woningen in het buitengebied van 25%. Specifiek gemeentelijk beleid voor de beoordeling van het ‘woon- en leefklimaat’ bij de herbestemming van een agrarische bedrijfswoning naar een recreatieve bedrijfswoning is er niet. De norm van 28,0 OUe/m 3 wordt echter wel als leidraad gebruikt. Een maximaal hinderpercentage van 25% komt overeen met een voorgrondbelasting van maximaal 14 OUe/m 3. Ook deze norm wordt als leidraad gebruikt bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning. Binnen een straal van 2 kilometer rond het plangebied zijn diverse veehouderijbedrijven gevestigd. Alle veehouderijbedrijven binnen 2 kilometer samen zijn bepalend voor de achtergrondbelasting op de bedrijfswoning. De achtergrondbelasting op de hoekpunten van de woning is berekend middels V-Stacks Gebied 2020. De invoergegevens en berekeningsresultaten zijn bijgevoegd als bijlage 4 bij deze toelichting.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

25

Uit de berekening blijkt dat de achtergrondbelasting geur ter plaatse van de bedrijfswoning ligt tussen de 19,77 en 20,85 OUe/m³. Dit is ruim onder de gemeentelijke norm van 28,0 OUe/m³, die geldt voor de herbestemming van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Gezien de korte afstand van de bedrijfswoning tot het de veehouderij aan de Kuilerstraat 7, dient ook gekeken te worden naar de voorgrondbelasting van die veehouderij. De voorgrondbelasting is immers maatgevend voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat, als die minstens de helft is van de achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting op de hoekpunten van de woning is berekend middels V-Stacks Vergunningen 2020. De invoergegevens en berekeningsresultaten zijn bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting. Er is sprake van een overbelaste situatie op de woning aan Kuilerstraat 11. Die woning ligt dichter bij de veehouderij aan de Kuilerstraat 7 dan de bedrijfswoning op Kuilerstraat 12. Daarom mag voor het berekenen van de voorgrondbelasting worden uitgegaan van de vergunde situatie van de veehouderij. Uit de berekening blijkt dat de voorgrondbelasting geur ter plaatse van de bedrijfswoning ligt tussen de 16,9 en 17,9 OUe/m³. In dit geval is de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting en daarmee bepalend voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat.

Het percentage geurgehinderden bij een achtergrondbelasting geur van 28 OUe/m³ komt conform de Handreiking Wgv overeen met het percentage geurgehinderden bij een voorgrondbelasting van 14,0 OUe/m³. Bij de toetsing van plannen gebruikt de gemeente Someren dit dan ook als leidraad. Aan de gewenste voorgrondbelasting van 14,0 OUe/m 3 ter plaatse van de bedrijfswoning wordt niet voldaan. De voorgrondbelasting geur ter plaatse van de bedrijfswoning is in dit geval echter wel acceptabel om een aantal redenen: o Er is sprake van een bestaande woning. In de nieuwe situatie gaat het om dezelfde bewoners. Zij exploiteren nu het agrarisch bedrijf en in de nieuwe situatie het recreatieve bedrijf. o De gebruiksmogelijkheden van de woning worden niet verruimd. In de woning mag nu uitsluitend iemand wonen die binding heeft met het agrarisch bedrijf ter plaatse en straks alleen iemand die binding heeft met het recreatief bedrijf ter plaatse. Het type bedrijf verandert wel. o De herbestemming van de agrarische bedrijfswoning naar een recreatieve bedrijfswoning leidt, voor wat betreft het aspect geur, niet tot een verandering in het woon en leefklimaat ter plaatse, zie ook de uitspraak van de Raad van State van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:156). o Op de locatie was voorheen een rundveehouderij aanwezig. Die is inmiddels beëindigd.

De in een recreatieve bedrijfswoning om te zetten agrarische bedrijfswoning betreft een voormalige bedrijfswoning van een veehouderij. Gesteld kan worden dat een dergelijke woning wat betreft het woon- en leefklimaat meer hinder mag ondervinden van een agrarisch bedrijf dat in de nabijheid is gelegen dan een ‘reguliere’ woning. De ontstaansgeschiedenis van de locatie rechtvaardigt het heersende woon- en leefklimaat. Het is niet voor niets dat de bescherming van deze woning bij vergunningverlening afwijkend is geregeld (op grond van de Wgv geen toets aan de voorgrondbelasting nodig, alleen toetsen aan vaste afstanden). o In de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij’ is bepaald dat er in een concentratiegebied bij een voorgrondbelasting van 14,0 - 18,0 OUe/m³ sprake is van een percentage geurgehinderden van 25% 30%. Ook is bepaald dat bij een percentage geurgehinderden van 25% - 30% sprake is van een ‘slecht’ woon- en leefklimaat. Een ‘slecht’ woon- en leefklimaat is in dit geval aanvaardbaar, omdat de voorgrondbelasting ruim onder de maximale waarde blijft die op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, van de Wgv bij gemeentelijke geurverordening mag worden vastgesteld binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom (respectievelijk 35,0 OUe/m³). Zie ook de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1761).

o De IOV legt beperkingen op aan de uitbreiding van veehouderijen. Een uitbreiding van een veehouderij (toename van de oppervlakte dierenverblijven) is alleen toegestaan indien onder meer is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied in de toekomst enkel kan verbeteren. De conclusie luidt dat ter plaatse van de bedrijfswoning op Kuilerstraat 12 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

26

4.7

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege:  het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen);  het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen);  het gebruik van luchthavens;  het gebruik van windturbines. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor deze ontwikkeling.

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

27

Plangebied Uit de risicokaart van de Atlas Leefomgeving en het geldende bestemmingsplan blijkt dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn, waarvan een risicocontour over het plangebied ligt. Tevens zijn er geen buisleidingen, wegen, spoorwegen en vaarwegen in de omgeving aanwezig, waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, met een risicocontour over het plangebied. De dichtstbijzijnde buisleiding betreft een ondergrondse aardgasleiding (nummer A585) op circa 380 meter van het plangebied. In de omgeving is derhalve ook geen sprake van een plaatsgebonden risico en/of groepsrisico. Ook wordt voldaan aan de veiligheidsafstanden uit overige wet- en regelgeving. In dit geval kan worden voldaan aan de voorwaarden. Het aspect externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor het plan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

4.8

Kabels en leidingen

Uit de risicokaart van de Atlas Leefomgeving en het geldende bestemmingsplan blijkt dat er in en in de directe omgeving van het plangebied geen kabels en leidingen liggen die planologische bescherming behoeven. Geconcludeerd kan worden dat er geen kabels en leidingen zijn die een belemmering vormen voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

4.9

Water

Bij elk ruimtelijk plan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat bij een toename van verharding voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voorheen. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Het plan betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie. Er is geen sprake van een toename van het verhard oppervlak, aangezien het plan een functiewijziging binnen bestaande bebouwing betreft. Er is sprake van een hydrologisch neutraal plan. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het watersysteem. Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van de hoeveelheid afvalwater die wordt afgevoerd. Het ‘Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025 geeft daarover het volgende aan: “Voor het lozen van afvalwater van bedrijven in het buitengebied hanteert de gemeente Someren aanvullende voorwaarden op het activiteitenbesluit.

Elk bedrijf mag een aansluiting hebben op de drukriolering met een afvoer van maximaal 0,5 m³ per uur afvalwater en een maximum van 1,5 m³ per dag. Bij een aanbod groter dan 0,5 m³ per uur dient het afvalwater op eigen terrein te worden gebufferd. Wanneer dit niet doelmatig is, wordt gekeken naar de mogelijkheid om tot een maatwerkovereenkomst te komen, waarbij het uitgangspunt is dat de meerkosten voor rekening van de perceeleigenaar zijn.” Om te toetsen of aan het beleid kan worden voldaan is een inschatting gemaakt van de hoeveelheid afvalwater die geloosd gaat worden. De afvalwaterstromen kunnen onderverdeeld worden in drie stromen: 1. de bedrijfswoning (in de bestaande situatie al aanwezig); 2. de camperplaats (afstortpunt), inclusief bijbehorende toiletten en douches in het gebouw van de groepsaccommodatie (in de bestaande situatie al aanwezig); 3. de groepsaccommodatie: 4 verblijven (nieuw).

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

28

Ad 1: Het gemiddeld waterverbruik van een gemiddeld gezin / huishouden is 285,42 liter per dag 1. Dit is dan ook uitgangspunt voor de bedrijfswoning. Ad 2: De meeste campers hebben een schoonwatertank van 100 tot 120 liter 2. Dit water wordt gebruikt voor koken en afwassen, wassen, douchen en het doorspoelen van het toilet. 100 liter is doorgaans voldoende voor twee dagen voor twee personen, die allebei kort douchen. De hoeveelheid afvalwater verandert niet substantieel als gebruik gemaakt wordt van de centrale douches/toiletten (in plaats van de voorzieningen in de camper). Camperaars zijn immers gewend om zuinig om te gaan met water. Hooguit wordt dan iets langer gedouched. Uitgangspunt is dan ook een waterverbruik van 120 liter per 2 dagen, oftewel 60 liter per camper per dag.  Aantal standplaatsen: 12  Gemiddelde bezetting: 6 campers  Waterverbruik: 6 x 60 liter per dag = 360 liter per dag Ad 3: Het gemiddeld waterverbruik van een gemiddeld gezin / huishouden is 285,42 liter per dag.  Aantal groepsverblijven: 4  Gemiddelde bezetting: 2 groepsverblijven  Gasten zijn lang niet de hele dag aanwezig op de locatie, maar vooral aan het begin en eind van de dag. Er is water nodig voor het douchen, beperkt toiletgebruik (ook deels op andere locaties), koken, afwassen en drinken.  Uitgangspunt: 75% waterverbruik t.o.v. ‘regulier wonen’.

 Waterverbruik: 2 x 285,42 liter per dag x 75% = 428,13 liter per dag Het totale waterverbruik op de locatie per dag is 285,42 + 360 + 428,13 liter = 1.073,55 liter. Hiervan wordt een klein deel geconsumeerd. De rest belandt als afvalwater in het riool. Er zal dus circa 1,0 m 3 afvalwater per dag afkomstig zijn van de locatie. Dit is verspreid over de dag. Het aanbod is niet groter dan 0,5 m 3 per uur en 1,5 m3 per dag. Er wordt voldaan aan het beleid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:  De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.  Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Het archeologisch beleid van de gemeente Someren is opgenomen in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. Op basis van een analyse van landschappelijke, bodemkundige en archeologische informatie is een vlakdekkende beleidskaart van archeologische waarden en verwachtingen opgesteld. Op de archeologische beleidskaart is de locatie Kuilerstraat 12-12a aangeduid als ‘categorie 6 - gebied met een lage archeologische verwachting’. In het vigerend bestemmingsplan is dan ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen.

1 https://www.drinkwaterplatform.nl/themas/waterbesparing/cijfers-waterverbruik 2 https://www.nkc.nl/advies/de-camper/water-en-sanitair/watergebruik-in-de-camper

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

29

Figuur 4.10.1: Uitsnede Archeologische Beleidskaart Someren. De locatie Kuilerstraat 12-12a is aangeduid met een zwarte ster.

Cultuurhistorie Binnen het plangebied Kuilerstraat 12-12a zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel liggen in de directe omgeving enkele elementen die een relatief oude cultuurhistorie kennen en het landschap mede hebben gevormd. Deze cultuurhistorische landschapselementen zijn weergegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant. Grenzend aan het plangebied bevinden zich twee elementen met een hoge tot redelijk hoge waardering:  De laanbeplanting langs de Kuilerstraat is aangemerkt als historisch groen met een redelijk hoge waarde.  Daarnaast is de Kuilerstraat een historisch-geografische lijn met een hoge cultuurhistorische waarde. Het plan voor de groepsaccommodatie heeft geen invloed op deze cultuurhistorische elementen.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

30

Figuur 4.10.2: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW), herziening 2016 (bron: provincie Noord-Brabant).

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

4.11

Natuur

Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden dient getoetst te worden op relevantie en effect van een 20-tal storingsfactoren, te weten stikstofdepositie en 19 overige effecten (geluid, licht, etc.). Dit dient te gebeuren voor het projecteffect en bij bestemmingsplannen ook voor het planeffect. Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

31

Voor de locatie Kuilerstraat 12-12a geldt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Strabrechtse Heide & Beuven, op circa 2,8 km afstand ligt. Hierdoor zijn gezien de aard, de omvang, het effectbereik en de afstand, significant negatieve effecten door de 19 overige effecten op voorhand uit te sluiten. Significant negatieve effecten door stikstofdepositie zijn in principe nooit op voorhand uit te sluiten vanwege de overbelaste situatie in Nederland. Op dit moment is er voor de Kuilerstraat 12-12a nog een omgevingsvergunning aanwezig van 14 april 2003 voor het houden van melkkoeien en vrouwelijk jongvee. De vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is op 2 februari 2021 ingetrokken. In de beoogde situatie worden er binnen de inrichting geen dieren meer gehouden. Als onderdeel van het project wordt de omgevingsvergunning voor het houden van dieren ingetrokken. Er wordt er een melding Activiteitenbesluit ingediend voor de recreatieve activiteiten op de locatie Kuilerstraat 12-12a en de akkerbouwactiviteiten op de locatie Kuilerstraat ong.. In de nieuwe situatie is sprake van minder verkeersbewegingen als gevolg van de groepsaccommodatie, dan in de bestaande situatie als gevolg van het gedeelte van het akkerbouwbedrijf op de locatie Kuilerstraat 12-12a. Zie hiervoor de motivatie in paragraaf 4.12. (verkeer en parkeren).

Met de ontwikkeling wordt de belasting op Natura 2000-gebieden verlaagd. De ontwikkeling komt derhalve ten gunste van de gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming. Een Aeriusberekening kan daarmee achterwege blijven. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Binnen het plangebied worden geen houtopstanden gekapt die vanuit de Wet natuurbescherming bescherming behoeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Bij het initiatief is geen sprake van sloop van bebouwing, bouwwerkzaamheden op niet-bebouwde gronden of van het verwijderen van beplanting. Er vinden uitsluitend inpandige bouwwerkzaamheden plaats, waarbij de buitenschil van het gebouw intact blijft. Het is onwaarschijnlijk dat als gevolg van het plan leefgebied van beschermde flora en fauna verloren gaat. Het uitvoeren van een onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen zijn voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

4.12

Verkeer en parkeren

Op dit moment bestaan de verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf aan de Kuilerstraat 12-12a uit:  de verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf (akkerbouwbedrijf);  de verkeersbewegingen van de camperplaats (neventak);  de verkeersbewegingen van de bedrijfswoning. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling verdwijnen de verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf in zijn geheel. Het betreft zowel vrachtverkeer als personenauto’s. In de nieuwe situatie komen er verkeersbewegingen van de groepsaccommodatie bij. De verkeersbewegingen van de camperplaats en de bedrijfswoning blijven onveranderd. De groepsaccommodatie bestaat uit vier verblijven. Deze verblijven zijn het best te vergelijken met een huisje in een bungalowpark. Conform de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ moet qua verkeersgeneratie rekening gehouden worden met een toename van 2,6 tot 2,8 verkeersbewegingen per bungalow. In totaal gaat het dus om een toename van 11,2 verkeersbewegingen per dag. Een akkerbouwbedrijf wordt conform de publicatie beschouwd als een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf met een bijbehorende verkeersgeneratie van 3,9 tot 5,7 verkeersbewegingen per 100 m 2 bvo. De huidige akkerbouwloods is ruim 800 m 2, waarvan een gedeelte (ca. 75 m2) in gebruik is ten behoeve van de camperplaats.

Het aantal verkeersbewegingen dat vervalt bedraagt circa 725 m 2 x 5,7 = 41,3 verkeersbewegingen per dag. Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

32

Dit is een stuk meer dan het aantal verkeersbewegingen dat erbij komt als gevolg van de groepsaccommodatie. Het initiatief zal geen negatieve consequenties met zich meebrengen voor de verkeerssituatie ter plaatse. De bestaande ontsluiting tot het perceel blijft gehandhaafd. Parkeren vindt nu en in de toekomst plaats op eigen terrein. Bij het plan voor de camperplaats is rekening gehouden met de meest recente parkeerkencijfers van het CROW. Conform deze cijfers geldt voor een camping een parkeerkencijfer van minimaal 1,1 en maximaal 1,3 parkeerplaatsen per standplaats. Op de locatie Kuilerstraat 12-12a zijn 15 parkeerplaatsen bij de camperplaats aanwezig. De ervaring leert echter dat de parkeerplaatsen nauwelijks worden gebruikt. Dit komt doordat bezoekers die met een camper komen geen auto bij zich hebben. De aanwezige parkeerplaatsen worden in de praktijk alleen gebruikt door bezoekers. Het hiervoor genoemde parkeerkencijfer is geschikt om te hanteren voor een camping met tenten of caravans, waarbij de bezoekers een auto bij zich hebben die geparkeerd moet worden. Het parkeerkencijfer past niet bij een camperplaats. De overmaat aan parkeerplaatsen die nu aanwezig is, kan ingezet worden ten behoeve van de groepsaccommodatie.

Conform de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is de parkeernorm minimaal 2,0 en maximaal 2,2 parkeerplaatsen per bungalow. In totaal zijn dus 9 parkeerplaatsen nodig voor de groepsaccommodatie. Van de 15 aanwezige parkeerplaatsen kunnen, gezien de voorgaande motivatie, gemakkelijk 9 parkeerplaatsen voor de nieuwe functie gebruikt worden. Bovendien zijn er in de nieuwe situatie geen parkeervoorzieningen voor het akkerbouwbedrijf meer nodig. Conform de publicatie is de parkeernorm voor een akkerbouwbedrijf (arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf) minimaal 0,8 en maximaal 1,3 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van maximaal 725 m2 x 1,3 = 9,4 parkeerplaatsen. De nieuwe parkeerbehoefte en de te vervallen parkeerbehoefte heffen elkaar dus op. Het is dus niet nodig om extra parkeervoorzieningen op de locatie te realiseren. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen zijn voor de herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a.

4.13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Algemeen In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties moet een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden gemaakt. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. In de praktijk betekent dat in de toelichting bij het ruimtelijk plan een paragraaf 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt opgenomen. Beoordeling In dit geval is voorliggende toelichting onderdeel van een bestemmingsplan, dat voorziet in het beëindigen van een agrarisch bedrijf en de voortzetting van een recreatiebedrijf.

Een bestemmingsplan is een kaderstellend plan. Dit bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor de oprichting van activiteiten die genoemd worden in onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Het plan valt binnen categorie D.10 van het Besluit m.e.r.: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van c. vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen en d. permanente kampeer- en caravanterreinen’. De drempelwaarden zijn als volgt: 1. 250.000 bezoekers of meer per jaar; 2. een oppervlakte van 25 hectare of meer; 3. 100 ligplaatsen of meer of; 4. een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied; De mogelijkheden die het plan biedt liggen ruim onder bovenstaande drempelwaardes. Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

33

Het initiatief valt dus niet onder het Besluit m.e.r.. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Voorliggende toelichting kan tevens beschouwd worden als een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is gedaan aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Hierna wordt kort op deze criteria ingegaan. 1. De kenmerken van het project: Het project voor de herbestemming van de agrarische bedrijfslocatie aan de Kuilerstraat 12-12a betreft een kleinschalig plan. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat op de locatie zelf en in de omgeving. 2. De plaats van het project: De locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken, waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten. 3. De kenmerken van de potentiële effecten: De milieuthema’s zijn getoetst in voorgaande paragrafen. Voor alle milieuthema’s geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. De ontwikkeling heeft geen effect op de algehele milieubelasting en de leefomgeving. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten vanwege het plan kunnen worden uitgesloten. De wijze van bestemmen zorgt ervoor dat nadelige milieugevolgen worden voorkomen.

Het opstellen van een plan-m.e.r. is dan ook niet noodzakelijk.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

34

5

Juridische planopzet

5.1

Planstukken

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en voorliggende toelichting.

5.2

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd. Tevens is aangesloten op de systematiek die de gemeente Someren hanteert voor de bestemmingen, zoals opgenomen in het plangebied.

5.3

Toelichting op de regels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:  Inleidende regels.  Bestemmingsregels.  Algemene regels.  Overgangs- en slotregels. Voor het vormgeven van de regels is aansluiting gezocht bij de nieuwe bestemmingsplannen voor de verschillende deelgebieden in het buitengebied van Someren. Waar mogelijk zijn de regels uit dit plan ongewijzigd overgenomen.

5.3.1

Inleidende regels

In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. Daar waar begrippen zijn gedefinieerd in het Bro of de SVBP2012 zijn deze overgenomen. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, etc..

5.3.2

Bestemmingsregels

Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ en ‘Recreatie’. De bestemmingsregelingen begint, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. De bouwregels worden gevolgd door specifieke gebruiksregels. Ook zijn afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik opgenomen, evenals wijzigingsbevoegdheden. In de beschrijving van de beoogde situatie in paragraaf 2.4 is de achtergrond van de wijze van bestemmen nader toegelicht, evenals de wijziging ten opzichte van de huidige juridisch-planologische regeling.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

35

5.3.3

Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, voor het gehele plangebied. Artikel 5: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 6: Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal algemene bouwregels opgenomen. Artikel 7: Algemene aanduidingsregels In dit artikel is een aantal algemene aanduidingsregels opgenomen die gelden ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'. Artikel 11: Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van een aantal in het plan opgenomen regels. Artikel 12: Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om het plan te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 13: Overige regels In dit artikel is een aantal overige regels opgenomen met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen, ruimtelijke kwaliteit, waarborgen van belangen van derden en aanwezige waarden en parkeren.

5.3.4

Overgangs- en slotregels

In de overgangsregels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

36

6

Economische uitvoerbaarheid

In de Grondexploitatiewet (Grexwet) is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemers van het plan. De herbestemming van de locatie Kuilerstraat 12-12a betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer, die eigenaar van de betreffende gronden is, fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemers. Er wordt dan ook een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemers en de gemeente Someren. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst worden ook afspraken over planschade opgenomen, evenals afspraken over de landschappelijke inpassing.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

37

7

Overleg en procedure

7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De bestemmingswijziging vindt plaats op een perceel dat eigendom is van initiatiefnemer. Het plan heeft geen negatieve milieugevolgen en zal niet voor overlast zorgen voor omliggende bedrijven of woningen. Derhalve mag worden aangenomen dat tegen onderhavig plan geen overwegende bezwaren bestaan. De initiatiefnemers hebben de omwonenden geïnformeerd over het plan.

7.2

Vooroverleg

Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’ is overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betrokken overheidsdiensten en instanties. Er is een vooroverlegreactie ontvangen van Waterschap De Dommel. Op verzoek van het waterschap zijn twee bepalingen in de regels aangepast.

7.3

Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’ heeft de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 17 november 2023 tot en met 28 december 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan op 4 april 2024 vastgesteld.

Bestemmingsplan ‘Kuilerstraat 12-12a, Someren’

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13889307/1