Toelichting bestemmingsplan Boerenkamplaan 65 65a 65b
Tekst van het document
Onderhavig initiatief is daarbij kleinschalig van aard en draagt geen noemenswaardige bijdrage aan eventueel cultuurhistorische waarden. De doorgaande weg waaraan de planlocatie is gelegen is aangewezen als historische lijn van redelijk hoge waarde. Ten zuiden van het planvoornemen is een cultuurhistorische waardevolle kapel gelegen en ten noorden een cultuurhistorisch waardevolle boerderij. Het initiatief vormt geen belemmering voor deze cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De ontwikkeling doet hierdoor geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden in de omgeving.
Pagina 30 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant
4.4 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beleid gemeente Someren Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in de Nota Archeologiebeleid gemeente Someren met daarin een archeologische verwachtingskaart van de gemeente. In de nota wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. Beoordeling De planlocatie is op de ‘Archeologiekaart van Someren’ aangeduid als een locatie in een categorie 3 gebied. Dit zijn gebieden van een hoge archeologische waarde. Het betreft de gebouwde omgeving
Pagina 31 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
(kernen) op basis van een kaartbeeld rond 1900. Voor deze gebieden geldt een onderzoeksplicht indien er sprake is van een bodemverstoring van meer dan 40 centimeter diep over een oppervlakte van meer dan 250 m². Aangezien beide eisen worden overschreden met de oprichting van de nieuwe woning ter plaatse is ter plaatse een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. Middels het archeologisch vooronderzoek uitgevoerd op 24 november 2020 door Transect is vastgesteld dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft, derhalve wordt geadviseerd geen dubbelbestemming archeologie op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan. Dit betekent dat ook wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de toekomstige bouwwerkzaamheden. Conclusie Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een ruimte-voor-ruimte woning waarbij bodemingrepen en nieuwbouwwerkzaamheden plaatsvinden. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de aantasting van archeologische waarden niet van toepassing is op het planvoornemen. Wel wordt geadviseerd om vrijwilligers van de heemkundekring te laten meekijken tijdens de graafwerkzaamheden. Dit advies zal worden ingewilligd door initiatiefnemer. 4.5 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur.
De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 – 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.
Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Bij het verkrijgen van de bouwtitel die wordt gebruikt bij het realiseren van een Ruimte-voor-ruimte woning zijn in totaal 3.500 kg aan fosfaatrechten ingeleverd waardoor een aanzienlijke natuur- en milieuwinst is behaald door stikstofreductie dat het dierlijk vee met zich meedraagt. Daarnaast is in de bijlage een AERIUS-berekening toegevoegd voor de gebruiksfase, bestaande uit: - Verkeersbewegingen bewoners Boerenkamplaan 65 - Verkeersbewegingen bewoners Boerenkamplaan 65a - Verkeersbewegingen bewoners Boerenkamplaan 65b
Pagina 32 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
En een AERIUS-berekening voor de aanlegfase. Voor de aanlegfase worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen), zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers) en mobiele werktuigen (zoals verreikers, heftrucks en hijskranen). Voor wat betreft de aanlegfase is in dit onderzoek uitgegaan van 365 werkdagen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat voor het project in totaal 1460 lichte verkeerbewegingen (personenauto van de uitvoerder welke elke dag het project betreedt en 3 werkbusjes van het personeel/onderaannemers per dag), 104 middelzwaar vrachtverkeerbewegingen (2 bodediensten per week en ten behoeve van levering EPS bekisting, steigerwerk, kozijnen, etc.) en 104 zwaar vrachtverkeerbewegingen (wapening, vloeren, gevelstenen, etc.) nodig zijn. Ten aanzien van de mobiele bronnen is uitgegaan van de inzet van onderstaande werktuigen. Werktuig
Bouwjr.
Brandstof
Vermogen (kW)
Lastfactor
Draaiuren (per jaar)
Betonstorters Mobiele kraan Graafmachine Verreiker Hijskraan
2019 2020 2020 2020 2019
Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel
200 125 60 70 200
15 40 50 25 25
24 24 24 100 24
5 km.
6,3 km.
Natura 2000 gebieden in de omgeving
Conclusie Het planvoornemen heeft een stikstofuitstoot op omliggende Natura2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jr, zoals blijkt uit een Aerius berekeningen in bijlage 2. De ontwikkeling van een Ruimte-voorruimte woning heeft met zekerheid geen mogelijke effecten op een Natura-2000 gebied.
Pagina 33 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
4.6 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.
Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door het planvoornemen moet een bijgebouw worden gesloopt en wordt een woning gebouwd op agrarische grond. Hieronder zijn foto’s van de agrarische grond (planlocatie woning) en te slopen bijgebouw weergeven.
Planlocatie woning
Pagina 34 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Planlocatie woning
Te slopen bijgebouw
Te slopen bijgebouw (binnenzijde)
Pagina 35 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Te slopen bijgebouw (binnenzijde)
Te slopen bijgebouw (buitenzijde) Het bijgebouw wordt gebruikt als stalling en berging van privégoederen. De bebouwing is in zeer goede staat en strak afgewerkt. De bebouwing is geïsoleerd. De spouwmuur is niet toegankelijk. Door middel van de Effectenindicator Soorten van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op www.synbiosys.alterra.nl is gekeken of de sloop van de bebouwing een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten en planten. De Effectenindicator van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit maakt daarbij gebruik van de meest actuele gegevens van de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). Conclusie Flora- en Faunascan De resultaten van deze scan zijn opgenomen in onderstaande afbeelding, waarbij het plangebied en de omgeving zijn meegenomnen. Uit de scan volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van de Wet Natuurbescherming door het planinitiatief onwaarschijnlijk is.
Pagina 36 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Om aan de zorgplicht te voldoen is op 11 december 2020 de bebouwing geïnspecteerd op de aanwezigheid van ecologische waarden op het gebied van flora- en fauna. Hierbij is in het bijzonder gelet op de aanwezigheid van (broed)vogels en zoogdieren (vleermuizen). Overige soorten zoals ongewervelden, amfibieën, vissen, reptielen of beschermende flora zijn inpandig en op het agrarisch perceel niet te verwachten. Alle ruimtes waren goed visueel te inspecteren. Het gebouw is uitgevoerd met een dichte spouw. Vleermuizen Het plangebied is beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Daarnaast speelt het type gebouw en gebruikte bouwmaterialen een belangrijke rol. Gebouwen dienen specifieke eigenschappen te hebben om als een geschikte verblijfplaats te dienen voor vleermuizen. Hierbij is het belangrijk dat de temperatuur in de holte stabiel blijft. Vaak zijn oude gebouwen die voorzien zijn van een spouwmuur, van waaruit veel warmte lekt, het meest geschikt. Gebouwen die echter al langer leeg staan, zijn door de onstabiele temperaturen en tochtige omstandigheden totaal ongeschikt als (winter)verblijfplaats voor vleermuizen.
De omgeving is beoordeeld op het aanbod van geschikt foerageergebied en potentieel belangrijke vliegroutes. Hieronder vallen onder andere bomenrijen en (natte) weilanden of bosgebieden.
Pagina 37 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Tijdens het terreinbezoek zijn geen sporen van vleermuizen waargenomen. De gebouwen zijn onderzocht op verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen activiteiten van vleermuizen waargenomen. De vleermuizen hebben behoefte aan een spouwmuur, waaruit warmte lekt. De af te breken gebouwen vallen daar niet onder. Er is geen warmte in de gebouwen die naar buiten kan lekken. Daarnaast is sprake van een strak afgewerkt gebouw zonder holten. Naast het feit dat de gebouwen niet geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen, is het tevens niet aannemelijk dat vleermuizen het plangebied als jachtgebied gebruiken. Uilen Vogels met een vaste verblijfplaats, zoals de steenuil en de kerkuil, zijn jaarrond beschermd. Uilen nestelen in een holle boom, op de grond of in gebouwen. De kerkuil gebruikt bij voorkeur boomholten, ruïnes, schuren en bijgebouwen als nestruimte. De te slopen bebouwing is nauwkeurig beoordeeld op hun geschiktheid voor en de aanwezigheid van verblijfplaatsen van uilen. Er zijn geen sporen (bijv. braakballen en ontlasting) gevonden, welke duiden op de aanwezigheid van een uil binnen een gebouw. Ondanks het feit dat er in de gebouwen geen verblijfplaats van uilen is aangetroffen, is het niet uit te sluiten dat uilen het plangebied als jachtgebied gebruiken. Zoogdieren Tijdens het terreinbezoek is nauwkeurig gekeken naar de aanwezigheid van zoogdieren.
Bij de te slopen bebouwing zijn sporen van algemene soorten (muizen) aangetroffen. Binnen de plangebieden zijn geen beschermde soorten waargenomen. Vogels Binnen de bedrijfsgebouwen zijn geen sporen of nesten van beschermde vogelsoorten waargenomen. Conclusie Er is sprake van een klein oppervlakte sloop, waarbij de omliggende groenstructuren intact blijven. Zowel uit de Effectenindicator soorten van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) alsmede uit visuele waarnemingen blijkt niet dat sprake is van de aanwezigheid van belangrijke nest- en/of verblijfplaatsen voor bedreigde soorten. Tevens is geen sprake van een habitat waar dergelijke soorten verwacht mogen worden. Het voortbestaan van individuele kwetsbare soorten, of kwetsbaar habitat, wordt door het voornemen niet bedreigt. Mogelijke effecten hebben geen directe of indirecte gevolgen op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en plantsoorten. Lokaal zullen niet specifiek beschermde diersoorten (muizen, konijnen, vogels) uit het plangebied trekken, op zoek naar een vervangende biotoop. Voor eventuele aanwezige soorten is in de omgeving voldoende vervangende biotoop aanwezig. Het voorliggend initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor flora en fauna, er is geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming.
Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg. Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ en de Wet Natuurbescherming staat het planvoornemen niet in de weg. 4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:
Pagina 38 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
• • •
de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).
Beoordeling Voor de locatie is aanvullend akoestisch onderzoek aangaande wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd aan de bijlage. Het geluidniveau op de gevels voldoet voor de Boerenkamplaan niet aan voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt ter hoogte van de voor- en zijgevels overschreden. OP de verbeelding wordt derhalve een functieaanduiding opgenomen die verwijst naar de voorwaardelijke verplichting in de planregels waarbij alleen toegestaan wordt een woning te bouwen, te gebruiken en in stand te houden onder de voorwaardelijke verplichting dat: 1. een karakteristieke gevelwering (Ga;k) wordt toegepast zodat te allen tijde aan de binnenwaarde van 33 dB wordt voldaan; 2. bij de woningindeling ten minste voldoende verblijfsruimte(n) aan de zijde van de geluidsluwe gevel gelegen dienen te zijn. Dit geldt voor ten minste 50% van het aantal verblijfsruimten of 50% van het oppervlakte van het verblijfsgebied; 3. de maatregelen zoals genoemd in sub a en b in stand worden gehouden. Tevens wordt een specifieke bouwaanduiding opgenomen voor de dove gevels. Door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting en aanduidingen ten behoeve van het realiseren van een dove gevel en het waarborgen van een goede binnenwaarde, is een goed woonen leefklimaat in de woning gewaarborgd.
Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.8.1 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het planinitiatief omvat het realiseren van een gevoelig object, zijnde een ruimte-voor-ruimte woning. In de omgeving zijn vier relevante bedrijven gelegen in het kader van bedrijven en milieuzonering, zijnde: - Boerenkamplaan 46-48 (agrarisch loonbedrijf) - Boerenkamplaan 69 (agrarisch bedrijf, niet veehouderij, planologisch gezien kan hier echter een paardenhouderij mogelijk zijn)
Pagina 39 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
-
Boerenkamplaan 59 (varkenshouderij, 3 volwassen paarden en 1 opfokpaard) Heikomstraat 2 (paardenhouderij)
Op basis van de VNG-handreiking is op voornoemde locaties ruimtelijk gezien maximaal sprake van een milieucategorie 3.1 activiteit. Ruimtelijk gezien is op Heikomstraat 2, Boerenkamplaan 69 en Boerenkamplaan 59 (behoudens de varkens, welke worden behandeld in paragraaf 4.8. 2) in een worst-case situatie een paardenhouderij toegestaan. De worst-case afstand die hier bij hoort is 50 meter ten aanzien van het aspect geur. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.8.2. Gezien de nabijheid van de doorgaande weg Boerenkamplaan en de diversiteit aan bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied is sprake van een ‘gemengd gebied’. De richtafstand behorende bij milieucategorie 3.1 en bij het agrarisch loonbedrijf op Boerenkamplaan 46-48 mag derhalve worden verlaagd met één afstandstrap naar 30 meter. Ten aanzien van het geluidsaspect voor de beoogde ruimte-voor-ruimtewoning zal de in- en uitrit van het loonbedrijf het meest bepalend zijn. De in- en uitrit van het loonbedrijf is gelegen op circa 30 meter afstand van de beoogde woning. Daarbij wordt de beoogde woning uitgevoerd met dove gevels aan de zijde van het loonbedrijf en is de relatief drukke Boerenkamplaan gelegen tussen de woning en het loonbedrijf. Overmatige geluidshinder afkomstig van het loonbedrijf is op de beoogde afstand derhalve niet te verwachten.
Naast de vaste afstand op grond van de VNG-handreiking is tevens bij het realiseren van de ruimtevoor-ruimtekavel naast het loonbedrijf (tussen Boerenkamplaan 44 en 46) medio 2017 (Veegplan V, gemeente Someren) onderzoek gedaan naar de geluidsuitstraling van het loonbedrijf. Hierbij is aangetoond dat op 10 meter afstand van het perceel van het loonbedrijf voldaan kan worden aan de geluidsnormen. Hierdoor is met zekerheid te stellen dat ook ten aanzien van de beoogde woning in het planvoornemen, op circa 30 meter afstand van de in- en uitrit van het loonbedrijf, voldaan kan worden aan de geluidsnormen. Ook met het aspect geur dient in dit kader rekening gehouden te worden. De minimum afstand voor loonbedrijven op het gebied van geur bedraagt 10 meter. Dit betekent dat een minimumafstand van 10 meter tot de perceelgrens met het loonbedrijf in acht genomen zal worden. Het aspect Bedrijven en Milieuzonering biedt geen belemmeringen voor de oprichting van de beoogde Ruimte-voor-ruimte woning ter plaatse van de planlocatie.
Pagina 40 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Agrarisch loonbedrijf (cat. 3.1)
Paardenhouderij met statische opslag (cat. 3.1)
Agrarisch bedrijf (niet veehouderij) (cat. 3.1) Omliggende bedrijven 4.8.2 Wet geurhinder en veehouderij Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit.
De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot
Pagina 41 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 2: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
Belangen omliggende veehouderijen De bestemmingswijziging mag de reguliere bedrijfsvoering van de omliggende veehouderijen niet schaden, c.q. het juridisch-planologisch toegestane gebruik niet belemmeren. Tussen de omliggende veehouderijbedrijven en de planlocatie zijn reeds burgerwoningen van derden gelegen. Hierdoor worden de veehouderijbedrijven eerder beperkt in hun ontwikkeling dan door het planvoornemen. Beoordeling Het planvoornemen schaadt de belangen van omliggende veehouderijen niet. Woningen van derden zijn immers korter gelegen tot de veehouderijbedrijven. Achtergrond geurbelasting De huidige achtergrondbelasting veroorzaakt door alle omliggende veehouderijen is in beeld gebracht in onderstaande afbeelding. In onderstaande figuur is deze achtergrondbelasting weergegeven. Uit de afbeelding blijkt dat ter plaatse van de planlocatie een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat heerst conform de achtergrondbelasting.
Pagina 42 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Breestraat 12 Boerenkamplaan 59
Voorgrond geurbelasting Veehouderijbedrijven met dieren zonder geuremissiefactoren Op basis van onderstaande uitsnede van de veehouderijbedrijvenkaart van Noord-Brabant is vast te stellen dat binnen 50 meter van de planlocatie geen bouwvlak van een veehouderijbedrijf is gelegen. Hierdoor is de voorgrondbelasting ten aanzien van veehouderijbedrijven met dieren zonder geuremissiefactoren aanvaardbaar.
50 meter contour rondom planlocatie
Pagina 43 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Veehouderijbedrijven met dieren mét geuremissiefactoren Op basis van de kaart met de achtergrondbelasting is waar te nemen dat de veehouderijbedrijven op Breestraat 12 (56.589 Ou/s) en Boerenkamplaan 59 (16.594 Ou/s) het meest dominant zijn voor de planontwikkeling. Navolgend is de geurhinderberekening van de voorgrondbelasting van de twee agrarische bedrijven weergegeven vanaf de dichtstbijzijnde hoek van het agrarisch bouwvlak (worst-case) ten opzichte van de hoeken van het beoogde bouwvlak in het plangebied. Berekende ruwheid: 0,38 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Breestraat 12
178 378
375 898
5,0
5,0
0,50
4,00
56 589
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 2 3 4 5
GGLID Boerenkamplaan NO Boerenkamplaan ZO Boerenkamplaan ZW Boerenkamplaan NW
Xcoordinaat 178 649 178 655 178 581 178 577
Ycoordinaat 375 828 375 808 375 792 375 821
Geurnorm 14,0 14,0 14,0 14,0
Geurbelasting 6,7 6,4 8,8 10,2
Berekende ruwheid: 0,36 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Boerenkamplaan 59
178 606
375 953
5,0
5,0
0,50
4,00
16 594
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 2 3 4 5
GGLID Boerenkamplaan NO Boerenkamplaan ZO Boerenkamplaan ZW Boerenkamplaan NW
Xcoordinaat 178 649 178 655 178 581 178 577
Ycoordinaat 375 828 375 808 375 792 375 821
Geurnorm 14,0 14,0 14,0 14,0
Geurbelasting 5,3 4,2 4,1 5,2
Beoordeling Uit de berekening van de voorgrondbelasting blijkt een geurbelasting van maximaal 10,2 odourunits. Dit betreft echter de meest noordwestelijke hoek van het bouwvlak en is niet ter plaatse van de woning. De norm van 14 odourunits wordt niet overschreden. Derhalve is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat de omliggende veehouderijen niet worden geschaad in hun belangen als er op de planlocatie een ruimte-voor-ruimtekavel gerealiseerd wordt. Uit de voorgaande beoordeling blijkt dat aan de gestelde normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt voldaan. Er is tevens geen sprake van belemmeringen voor het initiatief in het kader van bedrijven en milieuzonering.
Pagina 44 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
4.9 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen (2006) van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
Uitsnede Risicokaart provincie Noord-Brabant. Bron: Risicokaart.nl
Beoordeling Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van een risicobron, het betreft enkel de realisatie van één Ruimte-voor-ruimte woning. Daarnaast is de locatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, niet gelegen in de nabijheid van een invloedsgebied van een risicobron en/of
Pagina 45 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
transportroute. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden. 4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Effect op de luchtkwaliteit (NIBM) Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.
Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie.
Pagina 46 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: - woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; - kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. In onderhavig geval is sprake van woningbouw aangezien één nieuwe woning wordt gerealiseerd. Uitgaande van het 3% criterium is binnen het plangebied daarmee geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
4.10.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 μg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 μg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 μg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.
Pagina 47 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 19-20 μg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 μg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is gezien aan de grenswaarde kan worden voldaan. 4.11 Gezondheid Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond.
Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de
Pagina 48 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. Gemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Beoordeling Binnen 250 meter van de planlocatie zijn twee veehouderijbedrijven gelegen. De werkelijke afstand en de minimale afstand op basis van de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ is hieronder opgenomen. Veehouderij adres Soort veehouderij Werkelijke afstand PM10(kg/jaar) Berekende minimale afstand Boerenkamplaan 59 Pluimveehouderij 150 125 65 Breestraat 12 Varkenshouderij 240 279 107
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving.
4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een gevoelige functie. In de gemeente Someren is, overeenkomstig de raadsnotitie Geitenmoratorium (SOM/2018/008099), sprake van één (bedrijfsmatige) geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114. Beoordeling De afstand tot de geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114 bedraagt 2,8 kilometer tot het plangebied. Gezondheidsinvloeden vanwege geitenhouderijen zijn hierdoor uitgesloten.
4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.
Pagina 49 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.13 Waterhuishouding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op de planlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden.
Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. De planlocatie valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. Principes waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: - gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; - doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; - hydrologisch neutraal bouwen; - water als kans; - meervoudig ruimtegebruik; - voorkomen van vervuiling; - wateroverlastvrij bestemmen; - waterschapsbelangen. Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Werken met water. Voor nu en later’ In het Waterbeheerplan (WBP) ‘Werken met water. Voor nu en voor later. is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van vier programma’s: 1. Veilig en Bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen. 2.
Voldoende water en Robuust watersysteem
Pagina 50 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in ons beheergebied voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3. Gezond en Natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten. 4. Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen. 4.13.1 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen op de planlocatie is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing.
De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. De planlocatie is niet gelegen in een beschermd gebied in het kader van de keur. 4.13.2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van een uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert.
De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toename in verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Wanneer sprake is van een toename in verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m², of bij het niet voldoen aan de
Pagina 51 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding. Het betreft dus versnelde afvoer van neerslag als gevolg van een toename in puntlozing. Ter plaatse van de planlocatie wordt één vrijstaande woning met bijgebouwen en erfverharding opgericht. De toename van het verhard oppervlak is met de ontwikkeling van één vrijstaande woning met bijgebouwen en erfverharding in elk geval minder dan 500 m². Op basis van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.
4.13.3 Hemelwater na ontwikkeling De gemeente Someren vereist dat hemelwater op eigen terrein wordt geïnfiltreerd ter voorkoming van wateroverlast door toevoeging van de beoogde verharding binnen de planlocatie. In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woning en bijgebouw(en) worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratie transportriool. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond. Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut, voert deze het water af naar een nieuw aan te leggen infiltratievoorziening. Deze voorziening wordt zodanig gedimensioneerd dat er een voldoende dynamische berging bij een extreme regenval. In het grootste deel van het jaar zal het water echter via infiltratiebuizen in de bodem infiltreren. Ten aanzien van de te legaliseren bijgebouwen is sprake van een toename, ten opzichte van reeds legaal aanwezige bijgebouwen, van ca. 360 m². Om ten aanzien van wateroverlast een zekere marge aan te nemen wordt er derhalve uitgegaan van circa 400 m² verharding. Voor toevoeging van een Ruimte-voor-ruimte woning met bijbehorende bouwwerken en verharding wordt een omvang aan verharding verwacht van circa 500 m2.
In totaal is dit dus een toename van 900 m² verharding ten opzichte van de momenteel toegestane situatie. De omvang van de beoogde. infiltratievoorziening bedraagt: hoeveelheid verhard oppervlak x 0,06 x gevoeligheidsfactor. De gevoeligheidsfactor bedraagt 1. Derhalve dient op de planlocatie zorg gedragen te worden voor een watervoorziening met een omvang van (900 x 0,06 x 1 =) 54 m³. De GHG bedraagt -80 tot -100 cm -mv. De infiltratievoorziening die op de planlocatie gerealiseerd word, krijgt, derhalve een diepte van maximaal 80 centimeter. Voor het waarborgen van de benodigde waterretentievoorziening wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.
Pagina 52 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
4.14 Asbest Het plan ziet toe op de sloop van het bijgebouwen die op onderstaande afbeelding zijn aangeduid met de rode contour. Zowel uit onderstaande luchtfoto, als uit visuele waarnemingen op de planlocatie is vast te stellen dat de bijgebouwen niet zijn voorzien van asbest golfbeplating, maar van (geïsoleerde) metalen panelen. Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van asbest wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Voor de sloop of demontage wordt voorafgaand een sloopmelding gedaan volgens de reguliere procedure. Ook hierbij zal door het bevoegd gezag beoordeeld worden of een asbestinventarisatie noodzakelijk is. Mocht dit noodzakelijk zijn, en komt hieruit naar voren dat een asbestsanering noodzakelijk is, dan wordt deze uitgevoerd voor rekening en risico van intiatiefnemer. Conclusie De aanwezigheid van asbest en een eventuele sanering hiervan staat de ruimtelijke uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
Te slopen bijgebouw 65b (buitenzijde)
Pagina 53 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Uit deze wijziging blijkt dat de omvang van een project niet het enige criterium is om wel of geen m.e.r.(- beoordeling) uit te voeren.
Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling De activiteit waar het bouwen van woningen onder kan vallen is een stedelijk ontwikkelingsproject onder categorie D11.2. Gezien het plan slechts één woning mogelijk maakt is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject en is het Besluit milieueffectrapportage hier niet van toepassing. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MERplichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Wet natuurbescherming.
Pagina 54 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven Anterieure overeenkomst Voor de te realiseren van het plan, vergroten van het woonvlak en het opplussen van bijgebouwen is een investering in de landschappelijke kwaliteit (BiO-fonds) van de gemeente Someren noodzakelijk. Hiertoe wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de gemeente Someren. Tevens worden hierin afspraken over eventuele planschade vastgelegd.
Pagina 55 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en Gemeente Someren draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Pagina 56 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
7 PROCEDURE 7.1 Vooroverleg Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het concept-ontwerp is voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas. Allen gaan akkoord met het planvoornemen en eventuele opmerkingen zijn verwerkt in voorliggende toelichting. 7.2 Tervisielegging Na het wettelijk vooroverleg is het bestemmingsplan gedurende de periode van zes weken ter visie gelegd als ontwerpbestemmingsplan. Binnen deze termijn zijn geen zienswijze naar voren gekomen. 7.3 Vaststelling Het bestemmingsplan is op vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Someren.
Pagina 57 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.
8 BIJLAGEN 1. Landschappelijk inpassingsplan 2. Gebruiksfase AERIUS-berekening 3. Realisatie - Bouwfase AERIUS-berekening 4. Verkennend bodemonderzoek 5. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 6. Archeologisch onderzoek 7. LIR-Boerenkamplaan 65 8. LIR-Boerenkamplaan 65a 9. Ruimte-voor-Ruimte bouwtitel
Pagina 58 van 58 Boerenkamplaan 65, 65a en ong.