Toelichting
Tekst van het document
2 wordt onder 37. 2. 2 van het bestemmingsplan van Deelgebied 3 wordt gesteld dat: “uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag dient aansluitend aan de bestaande bebouwing plaats te vinden in het kader van concentratie van bebouwing en zuinig ruimtegebruik. ” Door het realiseren van de carport aan een bestaand bijgebouw wordt hier invulling aan gegeven. Op basis van de LIR-berekening is daarbij sprake van een positieve kwantitatief meetbare kwaliteitsverbetering. een
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 28 van 52
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4. 1 Inleiding
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Someren is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld:
•
bodem; cultuurhistorie; archeologie;
•
natuur;
•
flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; waterhuishouding; milieueffectrapportage en vormvrije m. e. r. -beoordeling.
• •
• • • • • • •
4. 2 Bodem
Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn , dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk en/of gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functiebestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Beoordeling Het planvoornemen beoogd het toevoegen van bijgebouwen bij een bestaande woonbestemming en binnen een bestaand woonvlak. De bodem is daarmee niet aan te merken als verdacht. De beoogde functie van het toe te voegen bijgebouw is het stallen van de auto’s. Dit is geen milieugevoelige functie. Conclusie Het plan ziet niet toe op het toevoegen van of uitbreiden met een milieugevoelige functie. De milieuhygiënische bodemkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen voor het planinitiatief.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 29 van 52
4. 3 Cultuurhistorie
Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6 , lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold , geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen , bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de bestaande (woon)boerderij op Heesterdijk 13 is aangemerkt als cultuurshistorische bouwkunst. En dat de planlocatie is gelegen binnen een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. Onderhavig initiatief draagt bij aan het in stand houden van de cultuurhistorische waarden door in eenzelfde bouwstijl als de boerderij een carport te realiseren met rieten dakbedekking. Verder is de ontwikkeling kleinschalig van aard waardoor geen afbreuk van de aanwezige cultuurhistorische waarden zal plaatsvinden. De ontwikkeling doet tevens geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden in de omgeving.
Afbeelding 12 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 30 van 52
4. 4 Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet , welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1 , lid 1 van de Erfgoedwet , welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt , bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V , paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V , paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w. o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen , bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102 , r. o. 2. 9. 7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beleid gemeente Someren Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in de Nota Archeologiebeleid gemeente Someren met daarin een archeologische verwachtingskaart van de gemeente. In de nota wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming.
Afbeelding 13 Archeologische verwachtingen en waardenkaart 2015
Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is aan het plangebied een dubbelbestemming voor archeologie toegekend. Overeenkomstig de verwachtingenkaart is de beoogde locatie van de carport (70 m²) gelegen in een gebied van categorie 2 waarvoor de vrijstellingsdrempel is gelegen tot bodemingreep met een oppervlakte van 100 m² en/of een diepte van 04, m. Het planvoornemen voorziet in het realiseren van 70 m² extra bijgebouw in de vorm van een carport. Voor de carport worden 2 muren gerealiseerd en ca. 3 staanders op poeren. Verder zal de carport worden verhard , echter voor de verharding vinden geen bodemingrepen plaats > 40 cm.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 31 van 52
Voor de muren en staanders zal fundering worden aangebracht , echter ruimschoots minder dan de
vrijstellingsdrempel.
Afbeelding 14 Beoogde fundering
Conclusie Het plan voorziet in nieuwe bodemingrepen. De bodemingrepen overschrijden met zekerheid de vrijstellingsdrempel niet. Het initiatief heeft geen consequenties voor eventuele aanwezige archeologische waarden. 4. 5 Natuur
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015 , houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming , zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 , de Flora- en faunawet en de Boswet. regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming , zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG , 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG , 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De
wet
De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 32 van 52
4. 5. 1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten , zoals verdroging , oppervlakteverlies , verontreiniging , versnippering , optische verstoring , verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten behoudens de emissie van stikstof , zie paragraaf 4. 5. 2.
Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten , zoals verdroging , oppervlakteverlies , verontreiniging , versnippering , optische verstoring , verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er een toename van emissies door de bouwfase van de carport. In de gebruiksfase zullen er geen veranderingen optreden. Het dichtst gelegen gebied Strabrechtse Heide & Beuven is gelegen op ca. 12, kilometer afstand , zie onderstaande afbeelding.
12, km
87, km
Afbeelding 15 Natura 2000 gebieden in de omgeving
4. 5. 2 Wet stikstof Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor is de realisatiefase vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. De gebruiksfase dient nog wel beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Ten aanzien van de ontwikkeling en het aspect ‘stikstofdepositie’ kan gesteld worden dat de carport van 70 m² en de overkapping van 30 m² ondergeschikt zijn aan de woonfunctie van de locatie. Het hobbymatig houden van paarden is reeds toegestaan binnen het huidige planologische kader. Het eventuele gebruik van de carport en de overkapping staat enkel ten doel aan de woonfunctie en heeft geen relatie met het houden van de paarden.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 33 van 52
Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4. 6 Flora en fauna
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015 , houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming , zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 , de Flora- en faunawet en de Boswet. wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming , zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG , 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG , 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De
Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen , om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.
Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30. 000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood , gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt , uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving , waaronder nesten en holen , te beschadigen , te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden , doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren , verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c. q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd ,
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 34 van 52
waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten , doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het planinitiatief , dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden , die verstoord zouden kunnen worden door het planvoornemen. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden , verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. De locatie waar de carport wordt gerealiseerd betreft een reguliere voortuin met voornamelijk kortgehouden grasland zoals weergeven in onderstaande afbeeldingen. De voortuin is omheind met gaashekwerk. Op het korte gras zijn tevens enkele leibomen aanwezig met een diameter < 15 cm en een laurierstruik (Prunus laurocerasus). De leibomen worden bij het realiseren van de carport binnen de tuin herplaatst. De laurierstruik zal worden weggenomen. Ook de omgeving betreft agrarisch grasland met overwegend Engels raaigras.
Afbeelding 16 Bestaande beplanting plangebied , foto genomen medio 2021
Voor de planlocatie en de omgeving hiervan (het gehele postcodegebied) is een ‘effectenindicator soorten’ scan van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit uitgevoerd op drie OLOactiviteiten: ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ , ‘Bijbehorend bouwwerk bouwen’ en
‘Overig bouwwerk bouwen’.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 35 van 52
Afbeelding 17 Invoergegevens Effectenindicator soorten
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 36 van 52
Afbeelding 18 resultaat effectenindicator soorten
Conclusie Het plangebied is momenteel in gebruik als tuin en grasland waar geen wettelijke beschermde soorten zijn of worden verwacht. De ‘effectenindicator soorten’ van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit voorziet aangaande het planvoornemen geen nadelige gevolgen voor de flora en fauna waardoor geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Wettelijk beschermde Flora en fauna worden niet aangetast door het planvoornemen. De Wet Natuurbescherming staat het planvoornemen niet in de weg. Door het toevoegen van de beoogde landschappelijke inpassing draagt het plan zelfs bij aan het voorkomen van flora en fauna binnen het plangebied. 4. 7 Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan , wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen , indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen , andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1. 2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Beoordeling Het planvoornemen beoogt niet het toevoegen van een geluidsgevoelig object op grond van de Wgh. Het planvoornemen voorziet daarmee niet in toevoegen van een gevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan op basis van onderstaande uitsnede van de kaart ten aanzien van geluid van wegverkeer , afkomstig van Atlas van de Leefomgeving (peildatum 2017) , worden geconcludeerd dat in het gehele plangebied sprake is van een “goed” woon- en leefklimaat ten aanzien van geluidshinder afkomstig van het wegverkeer.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 37 van 52
Afbeelding 19 wegverkeerslawaai op planlocatie
Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4. 8 Bedrijven en milieuzonering 4. 8. 1 Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen , woongebieden , ziekenhuizen , scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het planinitiatief omvat het realiseren van extra bijgebouwen (carport) bij een bestaande woonfunctie Op Heesterdijk 13. Een carport bij een woonfunctie wordt niet gezien als zijnde een milieugevoelig object of milieubelastende activiteit. Derhalve heeft de ontwikkeling op Heesterdijk 13 ruimtelijk gezien geen effect ten aanzien van bedrijven en milieuzonering. Conclusie Het planvoornemen voorziet niet in het toevoegen van een gevoelige functie of milieubelastende functie. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4. 8. 2 Wet geurhinder en veehouderij Bij het opstellen van ruimtelijke plannen
worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe
Heesterdijk 13 , Someren
moet
Pagina 38 van 52
getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die
de milieuregelgeving stelt. Beoordeling Het planinitiatief omvat het realiseren van extra bijgebouwen (carport) bij een bestaande woonfunctie Op Heesterdijk 13. Een carport bij een woonfunctie wordt niet gezien als zijnde een milieugevoelig object of milieubelastende activiteit. Derhalve heeft de ontwikkeling op Heesterdijk 13 ruimtelijk gezien geen effect ten aanzien van de Wet geurhinder en veehouderijen. Conclusie Het planvoornemen voorziet niet in het toevoegen van een gevoelige functie of milieubelastende functie. De omliggende veehouderijen worden niet geschaad in hun belangen als gevolg van het planvoornemen. 4. 9 Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag , gebruik , productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt , verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet
verplicht stellen.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 39 van 52
Afbeelding 20 Uitsnede Risicokaart provincie Noord-Brabant. Bron: Risicokaart. nl
Beoordeling Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van een risicobron. De planlocatie , zoals weergegeven in bovenstaande afbeelding , is niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute. De dichtst gelegen risicobron , op 100 meter afstand , is de 3 m³ propaantank op Heesterdijk 8 , waarvan het invloedsgebied de inrichtingsgrens niet overschrijdt. Op 310 meter afstand van de planlocatie is een gasleiding gelegen. Het plangebied ligt buiten het invloedgebied van deze gasleiding. De A67 is gelegen op een afstand van 29, kilometer. In verband met het vervoer van toxische stoffen dient getoetst te worden aan artikel 7 Bevt , waarbij een beschrijving van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid gegeven dient te worden in relatie tot het toxisch scenario. Voor dergelijke situaties is een standaard verantwoording en standaard advies opgesteld door de Veiligheidsregio. Het planvoornemen past binnen de standaard beoordeling. Conclusie Gezien
het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.
geen
4. 10 Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling , als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007 , opgenomen in hoofdstuk 5 , onder titel 5. 2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke
grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2) , fijn stof (PM10) , benzeen (C6H6) , zwaveldioxide (SO2) , lood (Pb) en koolmonoxide (CO).
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 40 van 52
Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk , provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen , ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c. q. artikel 5. 16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen
belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project , al dan niet per saldo , niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL , dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor
zwaveldioxide , stikstofdioxide (NO2) , stikstofoxiden , zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5) , lood , koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10 , PM25, en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2. 5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor
luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling Op basis van onderstaande uitsnedes van de Fijnstof-kaarten (2017) wordt ter plaatse van de planlocatie voldaan aan de normen voor PM10 en PM2. 5. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd , draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen , bijvoorbeeld: woningbouw: 1. 500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg , 3. 000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 41 van 52
-
kantoorlocaties: 100. 000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg , 200. 000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
In onderhavig geval is sprake van het toevoegen van 70 m² bijgebouw(en) bij een bestaande woning. Door de bouwfase van het bijgebouw kunnen extra verkeersbewegingen worden verwacht. Dit is echter maar tijdelijk en niet structureel. Echter uitgaande van het 3% criterium is binnen het plangebied daarmee geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Tevens blijkt op basis van onderstaande uitsneden van de fijnstofkaarten van PM10 en PM25, (peildatum 2019) dat de normen niet worden overschreden.
Afbeelding 21 Concentratie PM10 (21-22 μg/m3)
Afbeelding 22 Concentratie PM2. 5 (11-12 μg/m3)
Conclusie Het onderdeel ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4. 11 Gezondheid
Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid , daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 42 van 52
4. 11. 1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen , waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt
aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk , op advies van de Gezondheidsraad , is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.
Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. Gemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij gelegen is , gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’.
Beoordeling Binnen 250 meter van de planlocatie zijn geen varkens of pluimveehouderijen gelegen. Tevens wordt niet voorzien in een nieuwe gevoelige functie. Een verdere toetsing aan endotoxine is derhalve niet van toepassing.
Conclusie Het onderdeel ‘gezondheid’ in relatie tot endotoxinen vormt geen planvoornemen.
belemmeringen
voor
het
4. 11. 2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 15, en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een gevoelige functie.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 43 van 52
In de gemeente Someren is , overeenkomstig de raadsnotitie Geitenmoratorium (SOM/2018/008099) , sprake van één (bedrijfsmatige) geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114.
Beoordeling De afstand tot de geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114 bedraagt 615 , kilometer tot het plangebied. Gezondheidsinvloeden vanwege geitenhouderijen zijn hierdoor uitgesloten. Conclusie Het onderdeel ‘gezondheid’ in relatie tot geitenhouderijen vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4. 12 Kabels en leidingen
Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant , voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten , die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4. 13 Waterhuishouding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op de planlocatie inzichtelijk.
Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd , die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. De planlocatie valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.
Principes waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling; wateroverlastvrij bestemmen;
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 44 van 52
-
waterschapsbelangen.
Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Werken met water. Voor nu en later’ In het Waterbeheerplan (WBP) ‘Werken met water. Voor nu en voor later. is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van vier programma’s: 1. Veilig en Bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan , zo adequaat mogelijk te kunnen handelen. 2. Voldoende water en Robuust watersysteem Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in ons beheergebied voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken , kanalen , sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3. Gezond en Natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water.
We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit , dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten. 4. Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers , transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen. 4. 13. 1 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen op de planlocatie is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud , aanvoer , afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd , zonder een ontheffing van het
waterschap. De planlocatie is niet gelegen in een beschermd gebied in het kader van de keur. 4. 13. 2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater ,
Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen , Aa en Maas , De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te
voorkomen dat hemelwater als gevolg van een uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 45 van 52
watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging , die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware
neutraliseert. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toename in verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave , omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden
betrokken. Wanneer sprake is van een toename in verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10. 000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10. 000 m² , of bij het niet voldoen aan de rekenregel , wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding. Het betreft dus versnelde afvoer van neerslag als gevolg van een toename in puntlozing. Ter plaatse van de planlocatie wordt 70 m² aan extra bijgebouw(en) gerealiseerd. De toename van het verhard oppervlak is met de ontwikkeling in elk geval minder dan 500 m². Op basis van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak , naar een oppervlaktewaterlichaam.
Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater , Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan , mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. 4. 13. 3 Hemelwater na ontwikkeling De gemeente Someren vereist dat hemelwater op eigen terrein wordt geïnfiltreerd ter voorkoming van wateroverlast door toevoeging van de beoogde verharding binnen de planlocatie. In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woning en bijgebouw(en)
worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratie transportriool. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond. Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut , voert deze het water af naar een nieuw aan te leggen infiltratievoorziening. Deze voorziening wordt zodanig gedimensioneerd dat er een voldoende dynamische berging bij een extreme regenval. In het grootste deel van het jaar zal het water echter via infiltratiebuizen in de bodem infiltreren. Door het planvoornemen vindt een toevoeging van verharding plaats met 70 m² bebouwing. De ontsluiting naar de carport toe blijft geschieden via de reeds aanwezige erfverharding. Een toename aan erfverharding vindt derhalve niet plaats
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 46 van 52
x omvang van de infiltratievoorziening bedraagt: hoeveelheid verhard oppervlak x 006 , gevoeligheidsfactor. De gevoeligheidsfactor bedraagt 05, zoals blijkt uit onderstaande uitsnede van de Keur-kaart van het waterschap (30 liter per m2). Derhalve dient op de planlocatie zorg gedragen te worden voor een watervoorziening met een x 05, =) 21, m³. De GHG bedraagt -60 tot -80 cm -mv. De infiltratievoorziening omvang van (70 x 006 , die op de planlocatie gerealiseerd word , krijgt , derhalve een diepte van maximaal 40 centimeter.
De
Afbeelding 23 Kaart gevoeligheidsfactor
Kaart GHG
4. 14 Milieueffectrapportage en vormvrije m. e. r. -beoordeling
Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m. e. r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER) , en de bijbehorende procedure (m.e.r.) , is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. 2. 3.
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m. e. r. - (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m. e. r. ); Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; Plannen en activiteiten die o. g. v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig.
Per 1 juli 2017 is het Besluit m. e. r. gewijzigd. Uit deze wijziging blijkt dat de omvang van een project niet het enige criterium is om wel of geen m. e. r. (- beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft , kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben , als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m. e. r. (-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m. e. r. -beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m. e. r. -richtlijn (2011/92/EU) , welke o. a. de omvang van het project , de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke
hulpbronnen betreffen. Beoordeling Het planvoornemen valt niet binnen de genoemde activiteiten (C- of D-lijst) van het Besluit milieueffectrapportage. Hierdoor is het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 47 van 52
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht , geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m. e. r. -procedure o. g. v. het Besluit m. e. r. of de Wet natuurbescherming.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 48 van 52
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5. 1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt
centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5. 2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen , waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk
geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel
het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels , alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. van
Een
bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening , waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 49 van 52
6 UITVOERBAARHEID 6. 1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische
uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6. 2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en Gemeente Someren draagt geen
financiële risico’s voor de realisatie. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst , waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6. 3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan vindt een heroverweging op deze onderdelen plaats en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.
7. PROCEDURE 7. 1 Inleiding De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3. 4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: − −
−
−
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad; binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast; de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan; o De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 50 van 52
Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde , dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken. 7. 2 Inspraakprocedure In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. 7. 3 Overleg ex artikel 3. 1. 1 Bro Artikel 3. 1. 1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten , met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3. 1. 1 Bro zijn provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. 7. 4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf xxx tot en met xxx ter inzage gelegen.
Een ieder kon mondeling of schriftelijk zienswijzen naar voren brengen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen binnen de ter inzage termijn.
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 51 van 52
8 BIJLAGEN 8. 1 Landschappelijk inpassingsplan 8. 2 LIR berekening Heesterdijk 13 (versie gemeente Someren augustus 2020)
Heesterdijk 13 , Someren
Pagina 52 van 52