CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 13 juni 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan De Hoof ong.13.144 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

5. 6. 2

Onderzoek wegverkeerslawaai

Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is een uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie weergegeven.

akoestisch onderzoek

wegverkeerslawaai

“In opdracht van de initiatiefnemer is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar het bouwplan aan de Hoof ong. te Someren. Het voornemen bestaat om de planlocatie te herbestemmen naar een woningbouwkavel voor de oprichting van een vrijstaande Ruimte voor Ruimte woning. Een akoestisch onderzoek is noodzakelijk in het kader van de planologische procedure. In dit rapport is de gevelbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai berekend. Met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai bevindt de projectlocatie zich binnen de geluidzone van de De Hoof, de Loovebaan, de Hollestraat en de Hoevenstraat. De berekende geluidbelasting bedraagt ten hoogste 50 dB vanwege de de Hoof en 49 dB vanwege de Hollestraat. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden voor wat betreft de Hollestraat en de Hoof (oranje arcering). De maximaal toegestane waarde vanwege buitenstedenlijk gebied van 53 dB niet overschreden. De overige gevel zijn voldoen ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde. Met betrekking tot de woning geldt dat reductie van de geluidbelasting gerealiseerd zou kunnen worden door geluidafscherming, vervanging van het wegdek of verlaging van de maximum snelheid. (bron-, overdracht- of ontvanger aanpak) Afscherming tussen de woning en de betreffende wegen wordt niet realistisch geacht vanwege de ligging van de woningen met wegen rondom.

Het huidige wegdektype vervangen met een dunne deklaag is akoestisch gezien gunstig en het wegdek vervangen kan zorgen voor een reductie van de geluidbelasting van maximaal 2 dB. Hiermee wordt aan de voorkeurgrenswaarde voldaan. Het verlagen van de snelheid zal onvoldoende voor reductie zorgen.

Gelet op de kleinschaligheid van het project en de praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren gepaard gaande met dergelijke geluidreducerende maatregelen, zullen hogere grenswaarden aangevraagd worden voor toetspunt T01, T04 en T05 (voor- en zijgevel), zoals bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder. In navolging van het gemeentelijk hogere waarde beleid, is naar aanleiding van de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde eveneens een toetsing aan het hogere waarde beleid uitgevoerd. Aan alle eisen zoals een geluidluwe gevel, inrichtingseis en geluidluwe buitenruimten wordt voldaan. Zie hiervoor toetspunt T02, T03 en T06 t/m T10.

Om te bepalen of er sprake is van een goede milieukwaliteit, is er gebruik gemaakt van de cumulatiemethode van Miedema. Voor de voor- en zijgevel is met een gecumuleerde belasting van maximaal 55 dB sprake van een redelijke milieukwaliteit. Aan de overige zijden zal met een gecumuleerde belasting van < 50 dB sprake zijn van een goede milieukwaliteit.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen, dient in het kader van het Bouwbesluit, een binnenniveau van maximaal 33 dB vanwege wegverkeer behaald te worden. Daarbij dient de cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek conform artikel 110g Wgh beschouwd te worden, zijnde 55 dB ter plaatse van de voorgevels. Dit betekent een minimaal vereiste gevelgeluidwering van 22 dB.

Geluidwering is geen onderdeel van dit rapport en dient in een afzonderlijke rapport te worden ingediend. ” Een procedure hogerewaarde zal worden doorlopen tijdens deze procedure.

5. 7

Agrarische bedrijvigheid

5. 7. 1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de locatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig

object). -

Wordt

niet

iemand

onevenredig

in zijn

belangen

geschaad?

(belangen veehouderij en

derden). De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet).

5. 7. 2

Veehouderijbedrijven in de omgeving

De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op circa 570 meter ten zuiden van de locatie. Dit betreft een pluimveehouderij aan Dellerweg 17 te Someren.

5. 7. 3

Geurverordening Someren

De Wgv biedt middels artikel 6 de mogelijkheid aan gemeenten om bij verordening, binnen gestelde marges, afwijkende normen vast te stellen. Door de gemeenteraad van Someren is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. De ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ stelt een norm van 14 oue/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het plangebied. Deze geurnormen gelden bij vergunningaanvraag van veehouderijen.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

5. 7. 4

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aspect milieu van een veehouderij wordt getoetst aan in de wet vastgelegde standaardwaarden voor maximale voorgrondbelasting of aan de wettelijk vastgelegde standaardwaarden voor vaste afstanden dan wel aan de waarden welke vastgelegd zijn in een gemeentelijke verordening.

5. 7. 5

Achtergrondbelasting

De geurbelasting meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de van achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het leefklimaat op een locatie. Navolgende tabel geeft de kans op geurhinder en een beoordeling van het leefklimaat weer voor de achtergrondbelasting in concentratiegebieden, opgesteld door het RIVM.

Tabel 1: beoordeling leefklimaat in concentratiegebieden (Bron: RIVM)

5. 7. 6

Bepaling voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Gesteld kan worden dat niet de voorgrondbelasting, maar de achtergrondbelasting bepalend is voor het woon- en

leefklimaat.

5. 7. 7

Achtergrondbelasting

De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart van de Omgevingsdienst Noord-Brabant (1 maart 2022) met daarop de achtergrondbelasting inzichtelijk gemaakt in de omgeving van het plangebied. De indicatieve achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt 3-7 oue/m³. Hiermee is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van de achtergrondbelasting. Navolgende figuur geeft een kaart van de achtergrondbelasting waarop het plangebied is aangeduid.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

Figuur 19: Woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied

5. 7. 8 Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijen door beoogde herontwikkeling Als gevolg van de beoogde herontwikkeling, mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (zoals een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. Tussen de veehouderijen in de (verre) omgeving en het plangebied zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen. Als gevolg van de realisatie van twee Ruimte voor Ruimte woningen ter plaatse worden deze veehouderijen dan ook niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie het geval is.

5. 8

Gezondheid

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM)10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de omgeving is sprake van twee relevante bedrijven, te weten Dellerweg 17 en De Hoof 26. De endotoxinecontouren bedragen respectievelijk 283 meter en 377 meter. Beide bedrijven ligging op ruimschoots voldoende

afstand. Uit VGO-onderzoeken is naar voren gekomen dat tot twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. In verband hiermee vraagt men zich af men of woningbouwontwikkelingen binnen twee kilometer nog verantwoord zijn. Binnen een afstand van twee kilometer van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gesitueerd. De beoogde ontwikkeling is in het kader van volksgezondheid geen bezwaar.

5. 9

Gewasbestrijdingsmiddelen

en

driftzonering

Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Rond het plangebied is sprake van een agrarische bestemming. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Op de gronden worden geen gewassen geteeld waarbij gewasbestrijdingsmiddelen worden toegepast. Daarnaast zijn de gronden vanwege de nieuwe verkaveling niet meer bruikbaar voor grootschalige landbouwactiviteiten. Daarnaast zijn ook de belendende woningen reeds maatgevend in relatie tot

driftzonering. De woonbestemmingen worden tevens landschappelijk ingepast. Op de perceelsgrenzen zullen onder meer hagen worden geplant. Deze opgaande beplanting heeft een drift reducerende werking. De te realiseren beplanting is geborgd in de regels van onderhavig plan. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5. 10

Bedrijven en milieuzonering

5. 10. 1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook kernrandzones in het buitengebied met agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. Het plangebied kan door de ligging aan een bebouwingslint in het buitengebied, binnen een afstand van 200 meter tot hoofdinfrastructuur (de ring), worden gezien als gelegen binnen het ‘gemengd gebied’.

5. 10. 2

Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied

In de omgeving van het plangebied is één niet-agrarisch bedrijf gevestigd, gelegen op een afstand van circa 160 meter ten oosten van het plangebied. Dit betreft een tankstation met LPG-installatie en valt te classificeren in milieucategorie 3. 1. Voor dit bedrijf geldt een richtafstand van 50 meter. Het aspect geur is reeds toegelicht in paragraaf 5. 7.

5. 11

Externe veiligheid

5. 11. 1

Inleiding

Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht.

5. 11. 2

Bedrijven

Vastgesteld dient te worden of het plangebied is gelegen binnen de veiligheidscontour van inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. Het risico wordt uitgedrukt in plaatsgebonden risico groepsrisico. Het een en een basisbeschermingsniveau is een basisnorm dat de kans uitdrukt dat een omwonende overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart weer waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

Figuur 20: Uitsnede kaart externe veiligheid waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

In de omgeving van het plangebied zijn geen risico-objecten aangeduid op de kaart. Het Bevi legt een verantwoordingsplicht op voor het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft de kans aan dat een groep personen door een ongeval bij een risicobedrijf overlijdt. Een gemeente of provincie moet een verantwoording van het groepsrisico afleggen bij veranderingen van het groepsrisico. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Zoals benoemd in paragraaf 5. 10 is op een afstand van circa 160 meter ten oosten van het plangebied een tankstation met LPG-installatie gesitueerd. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied, dan wel explosieaandachtsgebied van het LPG-tankstation. Een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. De toevoeging van de woningen groepsrisico ter plaatse.

5. 11. 3

binnen het plangebied

heeft geen substantiële invloed op het

Transport: vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water

In de gemeente Someren, in de wijde omgeving van het plangebied kunnen gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de Rijksweg A67, de Kanaaldijk Noord/Zuid en de Provinciale weg. Het plangebied ligt op zodanige afstand van deze routes dat de locatie buiten de invloedssfeer van deze wegen gelegen is. Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Op een afstand van circa 2,5 kilometer is het kanaal de ZuidWillemsvaart gelegen. Eventuele risico’s als gevolg van incidenteel transport van gevaarlijke stoffen over deze waterweg zijn zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

5. 11. 4

Transport: hoogspanningslijnen en buisleidingen

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen gesitueerd, noch gepland. Op een afstand van circa 840 meter ten westen van het plangebied zijn twee buisleidingen gelegen. Dit betreffen twee leidingen van Gasunie Transport Services B. V. transportroute (A-521 en ,

A-585). Het plangebied is buiten het invloedsgebied van deze buisleidingen gelegen. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde herontwikkeling in het kader van deze buisleidingen geen bezwaar is.

5. 12

Luchtkwaliteit

5. 12. 1

Inleiding

Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.

5. 12. 2

Uitstoot van schadelijke stoffen

De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma. werken het Rijk, de provincies gemeenten de Europese Samenwerkingsprogramma en samen om eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1. 500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3. 000 woningen netto.

Aangezien de beoogde herbestemming de toevoeging van twee woningen mogelijk maakt, valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’ valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit.

5. 12. 3

Blootstelling aan verontreiniging

5. 12. 3. 1 Inleiding In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

5. 12. 3. 2 Fijnstof -

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM 10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM 10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM 2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM 2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

Figuur 21: Fijnstof 2020 PM 10 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Figuur 22 Fijnstof 2020 PM 2,5 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM 10 van 16-17µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM 2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

boven een daggemiddelde concentratie PM 10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

5. 12. 3. 3 Stikstofoxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen de planlocatie en directe omgeving weer.

Figuur 23: Stikstofdioxide 2020 voor de planlocatie (Bron: Atlas leefomgeving)

5. 13

M. e. r-beoordeling

5. 13. 1

Inleiding

De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m. e. r. “) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2. 8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld.

Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d. d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m. e. r. dient een vormvrije m. e. r. -beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). een

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m. e. r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen. In het Besluit m. e. r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m. e. r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m. e. r. -beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

5. 13. 2

Toets initiatief

De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van twee Ruimte voor Ruimte woningen binnen het plangebied. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. ” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11. 2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel. ” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m. e. r.

-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd. ” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200. 000 m²’.

Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is, als bedoeld milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m. e. r. -beoordeling niet noodzakelijk.

in het

Besluit

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

6.

6. 1 Inleiding Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6. 2

Algemene toelichting verbeelding

Op de verbeelding, die bestaat uit één kaartblad, is de bestemming van de gronden in het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarbij nadere aanduidingen weergegeven. De juridische

betekenis van deze aanduidingen is terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens heeft juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (bijvoorbeeld kadastrale en topografische gegevens en huisnummers).

6. 3

Algemene toelichting regels

De opbouw van de regels is overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012. De opbouw is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Begrippen Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Bestemmingen Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels -

Overgangsrecht Slotregel

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

6. 4

Toelichting bestemmingen

6. 4. 1

Wonen

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, een aan-huis-verbonden beroep als ondergeschikte functie bij deze woondoeleinden, parkeren, tuin en erf bij deze woning en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’ wordt een Ruimte voor Ruimte woning toegestaan met een inhoud van maximaal 900 m³.

6. 4. 2

Waarde

–

Waterbergende functie

De voor 'Waarde - Waterbergende functie' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de waterbergende functie van deze gronden.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

7.

UITVOERBAARHEID

7. 1

Economische uitvoerbaarheid

In deze Grondexploitatiewet (Grexwet) is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemers. De initiatiefnemers zullen derhalve met de gemeente Someren een anterieure overeenkomst sluiten. Ook worden hierin afspraken over planschade opgenomen. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

7. 2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan vindt een heroverweging op deze onderdelen plaats en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

8.

PROCEDURE

8. 1 Inleiding De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3. 4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad; binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast; de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan; De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het o ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht. Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.

8. 2

Inspraakprocedure

In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend.

8. 3

Overleg ex artikel 3. 1. 1 Bro

Artikel 3. 1. 1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3. 1. 1 Bro worden provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’ - Toelichting

8. 4 Met

Zienswijzen ingang

28 juli 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan “De Hoof Ong. ” met identificatienummer NL. IMRO. 0847. BP02023006-OW01 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn zeven zienswijzen ontvangen. Een beantwoording van deze zienswijzen is opgenomen in de nota van zienswijzen. van

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14147807/1