t NL.IMRO.0847.BP02022038-OW01 TOELICHTING
Tekst van het document
Het aspect water staat niet aan het initiatief in de weg.
29
4.9 Natuur 4.9.1 Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. De bescherming van deze gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen (Vogel- en Habitatrichtlijn). Per Natura 2000-gebied zijn (instandhouding)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft Strabrechtse Heide & Beuven op een afstand van ruim 3 kilometer. In het kader van soortenbescherming moet voor de gebruiksfase beoordeeld worden of er sprake is van significant negatieve effecten op de omliggende natuurwaarden met betrekking tot stikstof. In het kader van soortenbescherming moet voor de aanleg- en gebruiksfase beoordeeld worden of er sprake is van significant negatieve effecten op de omliggende natuurwaarden met betrekking tot stikstof. De woning wordt als nul op de meter woning uitgevoerd. De stikstof die wordt gegenereerd wordt opgewekt door de verkeersbewegingen.
Nu het initiatiefgebied is gelegen op een afstand van meer dan 3 kilometer tot het dichtstbijzijnd gelegen Natura-2000 gebied zal van een significant negatief effect op het nabijgelegen Natura-2000 gebied zowel in de bouwfase als de gebruiksfase geen sprake zijn. De realisatie van één woning op deze afstand van Natura-2000 gebieden heeft geen effect op deze gebieden. Daarvoor is de afstand tot het gebied te groot en de ontwikkeling te kleinschalig. Om zeker te zijn dat geen sprake is van significant negatieve effecten wordt een Aerius berekening opgesteld. Deze Aerius berekening zal voor de vaststelling van het bestemmingsplan als bijlage 5 aan deze toelichting worden toegevoegd. 4.9.2 Flora en Fauna Het perceel is ingericht als intensief gemaaid grasland met aan de randen enkele bomen. Aan de zuid en westzijde grenst het plangebied aan een weg. Aan de noordzijde is een woning gesitueerd en aan de oostzijde landbouwgrond. Het plangebied ligt niet in of nabij een NNB-gebied. Het dichtst bij het plangebied gelegen gebied dat is begrensd als natuur is Natura2000 gebied Strabrechtse Heide & Beuven op circa 3.000 meter ten noordwesten van het plangebied. Met de realisatie van de woning is geen sprake van aantasting van ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van natuur.
De realisatie van de woning binnen het plangebied leidt niet tot aantasting van beschermde waarden in beschermde gebieden.
30
In het plangebied zijn geen vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Jaarrond beschermde nesten in gebouwen kunnen worden uitgesloten door het ontbreken van bebouwing. Overtreding van verbodsbepalingen beschermingsregime Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb is hierdoor niet aan de orde. Voor wat betreft de Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb kan worden geconcludeerd dat er geen vogels of andere soorten aangetroffen zijn binnen het plangebied die vallen onder het beschermingsregime van de Europese Habitatrichtlijn. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen in bebouwing is niet aan de orde door het ontbreken van bebouwing hiervoor. Ook zijn geen bomen met holtes aanwezig waarin zich mogelijk vleermuisverblijfplaatsen kunnen bevinden. Voor wat betreft nationaal beschermde Andere soorten conform artikel 3.3 Wnb zijn geen soorten waargenomen welke voorkomen op de lijst van de provinciaal beschermde soorten. Voor deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied. Er is evenmin sprake van de aanwezigheid van soorten uit de categorie ‘Vrijgestelde soorten’. Daarvoor ontbreekt elk spoor. Voor deze soorten geldt een vrijstelling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht. Met de realisatie van één woning gaan geen vaste rust- of verblijfplaatsen, of essentieel leefgebied van beschermde soorten verloren.
Er is er geen belemmeringen voor de oprichting van de woning in het kader van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet aan de orde. Deze herbestemming leidt niet tot aantasting van flora en fauna waarden. Gezien het voorgaande heeft de realisatie van één woning in het plangebied geen significant negatieve effecten op omliggende natuurgebieden. 4.10 Archeologie en Cultuurhistorie 4.10.1 Archeologie Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten, in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. De gemeente Someren heeft de archeologische verwachtingswaarde binnen de gemeente Someren laten onderzoeken en de Nota Archeologiebeleid gemeente Someren vastgesteld. In deze beleidsnota heeft de planlocatie op de hoek Kerkendijk - Heikantstraat een hoge archeologische verwachtingswaarde. Het perceel wordt gekwalificeerd als Categorie 4.
Volgens het gemeentelijk archeologiebeleid is een onderzoek verplicht bij gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde wanneer er sprake is van bodem verstorende 31
werkzaamheden met een omvang van meer dan 250 m² en die dieper gaan dan 40 centimeter. Met het voorliggende initiatief wordt de 250 m² niet overschreden.
Uitsnede Archeologische waardenkaart met het plangebied groen omcirkeld. De planlocatie Kerkendijk ong. zal worden bestemd met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie- 3’ waarmee de archeologische waarden worden beschermd. 4.10.2 Cultuurhistorie Cultuurhistorie neemt een belangrijke plaats in binnen de ruimtelijke ordening. Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden. Volgens de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016’ van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen binnen de cultuurhistorisch waardevolle regio Peelrand. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis.
Het beleid is hier gericht op het behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio en de cultuurhistorische waarden van de Peelrand in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Gezien het voorgaande staat het aspect cultuurhistorie niet aan onderhavig initiatief in de weg. 32
4.11 Kabels en leidingen Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident gezien de nabije ligging van bedrijfslocaties en burgerwoningen. 4.12 Bedrijven en milieuzonering Vanuit het aspect ‘goede ruimtelijke ordening’ dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Hiervoor worden de afstanden uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als maatgevend beschouwd. Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Woningen zijn aan te merken als een hindergevoelige functie. Woningen veroorzaken zelf geen hinder voor omwonenden. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) geeft per bedrijfsactiviteit richtafstanden met betrekking tot geur, fijn stof, geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden.
De afstanden gelden tussen de grenzen van de bestemmingsvlakken van het bedrijf en van het hindergevoelig object. De volgende figuur laat de ligging van de bedrijven zien in de directe omgeving van het plangebied. In de nabijheid van het plangebied is een bedrijf in milieucategorie 2 gesitueerd (Kerkendijk 50) op een afstand van circa 90 meter. Het betreft een bedrijf in agropallets. De meest overeenkomende bedrijfsvorm is de categorie ‘overige groothandel (emballage)’. Conform de handreiking behoren deze bedrijven tot milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 30 meter is vastgesteld. Voorts bevinden zich binnen een 400 meter een vijftal agrarische bedrijven (geen veehouderijen). De VNG geeft in bedrijven en milieuzonering aan dat de grootste afstand waarmee rekening moet worden gehouden bij een groothandel 30 meter is. Een akkerbouwbedrijf heeft ook een grootste richtafstand van 30 meter. Gezien de afstanden van de bedrijven tot het plangebied staat bedrijven en milieuzonering niet aan het initiatief in de weg. 4.13 Verkeer en parkeren 4.13.1 Verkeer 33
De woning wordt ontsloten door een bestaande inrit op de Heikantstraat. Initiatiefnemer wil graag een tweede ontsluiting (inrit) realiseren aan de Kerkendijk. Initiatiefnemer is zich ervan bewust dat er tussen zijn eigendom en de Kerkendijk een strook grond van de gemeente is gesitueerd. Initiatiefnemer zal te zijner tijd een omgevingsvergunning aanvragen voor de realisatie van de tweede ontsluiting. Mocht de gemeente toestemming verlenen voor de aanleg van de tweede ontsluiting dan is het niet noodzakelijk om hiervoor bomen te kappen. Op de afbeelding op de volgende pagina wordt de door initiatiefnemer gewenste situatie weergegeven.
Afbeelding met de twee gewenste ontsluitingen.
Om de verkeersgeneratie ten gevolge van het realiseren van de woning te bepalen wordt gebruik gemaakt van het boek ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van het CROW. Voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied is de verkeersgeneratie bepaald op 8,6 bewegingen per dag. De wegen rondom de nieuwe woning hebben voldoende capaciteit om deze extra verkeersbewegingen te verwerken.
4.13.2 Parkeren Het uitgangspunt ten aanzien van parkeren in de gemeente Someren is dat dit moet plaatsvinden op eigen terrein. Bij de woning worden drie parkeerplaatsen gerealiseerd. Binnen het plangebied wordt voldoende erfverharding aangelegd zodat drie voertuigen kunnen parkeren. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. De aanleg en instandhouding van de parkeerplaatsen worden door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. 34
Hoofdstuk 5
Haalbaarheid
5.1 Economische haalbaarheid De realisatie van het initiatief en het opstellen van dit bestemmingsplan vindt plaats onder verantwoording van de initiatiefnemer.
35
Algemene (procedure)kosten die uit het project voortvloeien worden ten laste gebracht van de initiatiefnemer Daarnaast worden in de exploitatieovereenkomst alle op de initiatiefnemer te verhalen kosten opgenomen met betrekking tot de realisatie van het plan. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het op te stellen bestemmingsplan moet door middel van een verhaalcontract de initiatiefnemer zich bereid verklaren om de voor vergoeding in aanmerking komende planschade volledig aan de gemeente te compenseren. Deze planschadeverhaalsovereenkomst zal deel uitmaken van de exploitatieovereenkomst. Ook worden in de anterieure overeenkomst bepalingen met betrekking tot de Ruimte voor Ruimte-titel opgenomen. 5.2
Maatschappelijke haalbaarheid
5.2.1 Overleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en Waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 5.2.2 Zienswijze Het ontwerpbestemmingplan wordt gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegd in het kader van de zienswijzeprocedure. Alle zienswijzen en overlegreacties zullen worden behandeld in een nota van zienswijzen, overleg en ambtshalve aanpassingen en als separate bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan worden opgenomen. 5.3 Conclusie De financiële haalbaarheid wordt gegarandeerd door initiatiefnemers. Of het plan maatschappelijk haalbaar is zal blijken naar aanleiding van het overleg met andere instanties en de eventuele zienswijzen.
Hoofdstuk 6
Juridische planopzet
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 6.1
Juridische achtergrond 36
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven.
Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 6.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: • Wonen (enkelbestemming) • Waarde – Archeologie 3 (dubbelbestemming) • aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ Voor de benaming van de bestemmingen, aanduidingen bestemmingsregels en bouwregels is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 3’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP.
Ter plaatse van de nieuwe Ruimte voor Ruimte-woning wordt de enkelbestemming aangepast van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’. In deze woonbestemming wordt een bouwvlak toegevoegd. Daarnaast wordt de landschappelijke inpassing in het bestemmingsplan 37
vastgelegd met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’. 6.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 3’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de algemene gebruiksregels. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Naast de hiervoor genoemde voorwaardelijke verplichting zijn ook voorwaardelijke verplichtingen met betrekking tot parkeren en waterberging in de regels bij de bestemming wonen opgenomen.
38