t NL.IMRO.0847.BP02022038-OW01 TOELICHTING
Tekst van het document
Toelichting Kerkendijk ong. Someren (ten zuiden van nr. 54) Bestemmingsplan
Auteur: Ir. B.W.H. Munsters .EU Architecture & Urbanism
Imro: NL.IMRO.0847.BP02022038-OW01 Kenmerk: BP.Kerkendijkong.2021.07
30 juni 2023
1
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer
3 3 3 4 5
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
6 6 6
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
7 7 9 15
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Algemeen 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Geur 4.5 Gezondheid 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Externe veiligheid 4.8 Water 4.9 Natura 2000 4.10 Archeologie en Cultuurhistorie 4.11 Kabels en leidingen 4.12 Bedrijven en milieuzonering 4.13 Verkeer en parkeren
19 19 19 20 20 21 22 22 23 25 26 27 27 28
Hoofdstuk 5 Haalbaarheid 5.1 Economische haalbaarheid 5.2 Maatschappelijke haalbaarheid 5.3 Conclusie
30 30 30 30
Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Juridische achtergrond 6.2 Toelichting verbeelding 6.3 Toelichting regels Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.
Inpassingsplan Bodemonderzoek M&A kenmerk 220-SHeKe-vo-v1 Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai Geuronderzoek Aerius berekening p.m.
2
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer wil op het perceel, plaatselijk bekend als Kerkendijk ongenummerd, ten zuiden van Kerkendijk 54 te Someren één Ruimte voor Ruimte-woning realiseren. Met voorliggend bestemmingsplan wordt aangetoond dat de door initiatiefnemer gewenste realisatie van één woning, ruimtelijke, financieel en milieutechnisch mogelijk is. Met dit bestemmingsplan beoogt initiatiefnemer de bouw van één vrijstaande Ruimte voor Ruimtewoning met bijbehorende voorzieningen mogelijk te maken. 1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel kadastraal bekend als gemeente Someren, sectie S nummer 2745. Het plangebied heeft een oppervlakte van 2.451 m2 en is onbebouwd. Het perceel is in gebruik als grasland. In het zuiden grenst het perceel aan de Heikantstraat, in het westen aan agrarische gronden (gras), in het oosten aan de Kerkendijk en in het noorden aan de bestemming Wonen (Kerkendijk 54). Op onderstaande luchtfoto is het plangebied geel omkaderd, daarnaast is de kadastrale verkaveling van het gebied met zwarte lijnen weergegeven op de luchtfoto. Luchtfoto met het plangebied geel omrand. Bron: Kadastralekaart.com
3
1.3 Geldende bestemmingsplannen Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied Someren’ zoals dat op 29 juni 2011 door de gemeenteraad van Someren is vastgesteld. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke waarden’ en de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Daarnaast zijn op het perceel de volgende drie aanduidingen van kracht: • Gebiedsaanduiding: bebouwingsconcentratie; • Gebiedsaanduiding: reconstructiewetzone - verwevingsgebied; • Functieaanduiding: specifieke vorm van waarden – cultuurhistorisch waardevol. Binnen de bestemming agrarisch is het oprichten van een ruimte voor ruimte woning niet rechtstreeks toegestaan. Het bestemmingsplan kent geen andere mogelijkheden, zoals een afwijking dan wel wijzigingsbevoegdheid, die het oprichten van een woning mogelijk maken. Om de realisatie van één ruimte voor ruimte woning mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Hieronder is een uitsnede opgenomen van de verbeelding van het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Someren.
Bestemmingsplan Buitengebied met rood omrand het plangebied
In deze onderbouwing wordt aangetoond dat de omzetting van de bestemming ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Wonen’ past binnen wet- en regelgeving en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. 4
1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2: Planbeschrijving Hoofdstuk 3: Beleidskader Hoofdstuk 4: Omgevingsaspecten Hoofdstuk 5: Haalbaarheid Hoofdstuk 6: Juridische planopzet
5
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen tussen de Heikantstraat (zuidzijde) en de woning op het perceel plaatselijk bekend als Kerkendijk 54 te Someren. In het plangebied is geen bebouwing aanwezig en wordt momenteel gebruikt als grasland met verspreid over het perceel diverse opgaande planten. Op de perceelsgrenzen staan enkele bomen.
Luchtfoto plangebied (geel omrand) met kadastrale grenzen
2.2 Toekomstige situatie Beoogd wordt om op het perceel één ruimte voor ruimte woning met bijbehorende bouwwerken te realiseren. De bouwwerken worden verder volledig landschappelijk ingepast conform het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd. Initiatiefnemer heeft op 11 september 2019 van de Maatschap die haar bedrijf aan Ravelweg 4 heeft gesaneerd, 3,343 Ruimte voor ruimte-titels gekocht. De koopcontracten van deze titels zijn aan de gemeente ter beschikking gesteld. Eén van deze titels wordt gebruikt om de woning te realiseren.
6
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI), vastgesteld op 11 september 2020, biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en een gebiedsgerichte uitwerking.
Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren.
7
Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruik de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het herbestemmen van een perceel met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke waarden’ naar ‘Wonen’. Daarnaast wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ opgenomen op de verbeelding. De aanleg en in stand houding van de landschappelijke inpassing wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels gegarandeerd.
Met de ontwikkeling wordt ruimte geboden aan klimaatadaptie (beschermd groen (inpassing), infiltratie hemelwater) en aan een sterk en gezond dorp daarnaast ziet het initiatief op een behoefte van de huidige generatie waarbij de ontwikkeling vanwege de inpassing niet ten koste gaat van toekomstige generaties. Gezien het voorgaande past het initiatief binnen de prioriteiten en afwegingsprincipes van de NOVI. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro bevat alle ruimtelijke Rijksbelangen uit de eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB’s) en geeft middels regels en plankaarten (juridisch) de mogelijkheid om de Rijksbelangen veel directer door laten werken in de ruimtelijke plannen van andere overheden. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Kustfundament, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Wadden en waddengebied, Grote Rivieren, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale landschappen, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, elektriciteitsvoorziening, hoofdwegen en spoorwegen, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, IJsselmeer gebied en primaire waterkeringen buiten het kustfundament.
Het initiatief voorziet slechts in een kleinschalig lokaal initiatief, waarbij geen van de genoemde Rijksbelangen rechtstreeks doorwerken met betrekking tot dit project. In het gebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het Barro is niet van toepassing.
8
3.1.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende gebieden en objecten worden aangewezen, waar gemeenten bij vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. In het Rarro zijn radarverstoringsgebieden opgenomen. Het plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel. Omdat het initiatief niet uitgaat van bebouwing, met een hoogte die hinderlijk is voor de radar, is dit planvoornemen geen probleem. Het Rarro staat niet aan het initiatief in de weg. 3.1.6 Ladder van duurzame verstedelijking In artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn voorwaarden geformuleerd waaraan een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen. Voornoemd artikel luidt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder andere ECLI:NL:RVS:2015:2921) blijkt dat er pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking als een project enige omvang heeft. Het omslagpunt om van ‘enige omvang’ te spreken ligt rond de 10 woningen. De realisatie van één ruimte voor ruimte woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de ladder. Ook het aanleggen van groen (landschappelijke inpassing) is geen stedelijke ontwikkeling. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben in hun vergadering van 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant: 'De kwaliteit van Brabant' met bijbehorend plan MER vastgesteld. Dit vooruitlopend en anticiperend op de inwerkingtreding van de nationale Omgevingswet in 2021. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: • de energietransitie; 9
• • •
een klimaatproof Brabant; Brabant als slimme netwerkstad; een concurrerende, duurzame economie.
De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's en een provinciale omgevingsverordening Het initiatief, het omzetten van agrarisch perceel naar wonen, draagt vanwege waterberging en landschappelijke inpassing, op kleine schaal bij aan een klimaatproof Brabant. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Gezien het schaalniveau doet het plan geen afbreuk aan de doelstellingen van de omgevingsvisie. Voorts wordt een bijdrage geleverd aan een versterking van de omgevingskwaliteit. 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant versie 8 december 2020 (hierna: Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving.
Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. In de Iov is het plangebied gelegen in het gebied dat is aangeduid als ‘Gemengd Landelijk gebied’. De volgende regels zijn van toepassing op onderhavig initiatief: • Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; • Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik; • Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering; • Artikel 3.8 Meerwaardecreatie; • Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; 10
•
Artikel 3.79 Ruimte voor Ruimte.
Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit In artikel 3.5 zijn regels opgenomen voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Deze zijn opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten, Bij de evenwichtige toedeling van functies speelt de balans tussen beschermen en benutten een belangrijke rol. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Brabantse omgevingsvisie: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Onderhavig plan ziet op de realisatie van één Ruimte voor Ruimte-woning. De agrarische bestemming wordt gewijzigd naar de bestemmingen ‘Wonen’, waarmee ‘de realisatie van de woning mogelijk wordt gemaakt. Een woonbestemming is een in het buitengebied passende functie. De ontwikkeling draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit doordat met de verwerving van de ruimte voor ruimte titel, die is vrijgekomen bij het saneren van het agrarisch bedrijf aan Ravelweg 4, zowel milieuwinst als ruimtelijke winst (sloop van bebouwing) is geboekt.
Daarnaast zorgt het uitvoeren van het landschappelijk inrichtingsplan rondom de nieuwe woning voor een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 3.6 worden de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik weergegeven. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening.
Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht.
11
Ten aanzien van de ruimte voor ruimte woning wordt een nieuw bouwperceel gecreëerd in agrarisch gebied, binnen een bebouwingconcentratie in het buitengebied van de gemeente Someren. De locatie wordt op een zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast. Ingeval van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). In paragraaf 3.1.6 is gemotiveerd dat een verdere toetsing aan de Ladder niet noodzakelijk is. Initiatiefnemer wenst naast de bestaande ontsluiting aan de Heikantstraat een eigen ontsluiting op de Kerkendijk te realiseren. Initiatiefnemer weet dat er tussen zijn eigendom en de Kerkendijk een strook grond van de gemeente is gesitueerd. Voor de nieuwe ontsluiting zal te zijner tijd een vergunning worden aangevraagd. Ten aanzien van de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wordt in het plan rekening gehouden met bodemkwaliteit, waterhuishouding, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden en landschappelijke waarden en overige aspecten om te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening (zie hoofdstuk 4). Het plan draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van de naaste omgeving. Er wordt toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
Toepassing van de lagenbenadering In artikel 3.7 worden regels gesteld ten aanzien van toepassing van de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Dit betekent dat het effect van de beoogde ontwikkeling op de ondergrond, de netwerklaag en de bovenste laag beschouwd moet worden. Met het effect op de ondergrond worden onder andere de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Door hierin actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toetsing van de gevolgen voor het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing.
Meerwaardecreatie In artikel 3.8 worden regels gesteld ten aanzien van meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast 12
ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Iov kan deel uit maken van de meerwaardecreatie. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan onder andere bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing. De ontwikkeling ziet op het realiseren van één ruimte voor ruimte woning middels het verwerven van één ruimte voor ruimte titel. Deze titel is vrijgekomen doordat op Ravelweg 4 een oppervlakte aan voormalige stallen van een intensieve veehouderij is gesloopt en fosfaatrechten uit de markt zijn gehaald, wat een aanzienlijke winst voor zowel het milieu als voor het landschap betekent. De ontwikkeling levert dan ook een positieve bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. Daarbij wordt ervoor gezorgd dat de ontwikkeling zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast. Geconcludeerd kan worden dat met de ontwikkeling diverse opgaven en belangen worden gecombineerd, zodat er op meerdere vlakken /voor meerdere personen meerwaarde wordt gecreëerd.
Kwaliteitsverbetering van het landschap Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Noord-Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in de provincie hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines of de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking. Ook wordt de mogelijkheid geboden om een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds te storten. Het provinciale beleid ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap is op gemeentelijk niveau vertaald in de ‘Landschapsinvesteringsregeling gemeente Someren 2020’. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van één Ruimte voor Ruimte-woning.
Deze ontwikkeling maakt onderdeel uit van voornoemde regeling. Er hoeft dan ook geen tegenprestatie geleverd te worden in de vorm van een forfaitaire kwaliteitsinvestering in het landschap. Wel dient de ontwikkeling landschappelijk te worden ingepast. Derhalve is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat als bijlage is toegevoegd aan deze onderbouwing. Dit plan voldoet aan het geldende beeldkwaliteitsplan. De kwaliteitsverbetering van het landschap wordt juridisch vastgelegd, enerzijds middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan en anderzijds in de anterieure overeenkomst waarmee de instandhouding van de beplanting worden geborgd. 13
Daarmee is ook de feitelijke waarborging van de kwaliteitsverbetering van het landschap verzekerd. Ruimte voor Ruimte In artikel 3.79 zijn voorwaarden opgenomen voor de ontwikkeling van Ruimte voor Ruimte. Het doel van deze regeling is om aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst te behalen door in ruil voor de beëindigingen van een veehouderij, het inleveren van fosfaatrechten en de sloop van bedrijfsgebouwen de bouw van woningen op een passende locatie toe te staan. In lid 1 is geregeld dat kan worden voorzien in één of meerdere ruimte voor ruimtekavels, indien: a. De ontwikkeling door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit; Initiatiefnemer heeft een ruimte-voor-ruimte titel verworven die is gegenereerd bij het saneren van Ravelweg 4. De sanering heeft ruim 3 titels opgeleverd. Per te ontwikkelen ruimte voor ruimte woning dient 1.000 m² aan stallen te worden gesloopt en dient een omvang van 3.500 kg aan fosfaatrechten uit de markt te worden gehaald. Zoals gezegd wordt één van deze titels ingezet voor onderhavig initiatief. b.
De ontwikkeling op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit, derde lid; Ten behoeve van het realiseren van Ruimte voor Ruimte-woningen heeft de gemeente Someren beleid opgesteld. De ‘Toepassingsregels Ruimte voor Ruimtewoningen’. Bij deze regels hoort een kaart waarop de zoekgebieden voor Ruimte voor Ruimte-woningen zijn aangegeven. Zoals uit onderstaande uitsnede van deze kaart blijkt is het plangebied gelegen binnen een zoekgebied Ruimte voor Ruimte. Het plangebied is gesitueerd in de rode cirkel.
14
Conform punt 5 van de Toepassingsregels is het bouwen van een Ruimte voor Ruimte-woning mogelijk in het zoekgebied zoals aangeduid in bijlage 1. De voorziene locatie voor de realisatie van de woning past gezien het voorgaande in de Toepassingsregels Ruimte voor Ruimte-woningen. c. De ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 3.77 Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een gebied met relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar. Daarnaast grenst het plangebied aan de westzijde aan een gerealiseerde ruimte voor ruimte woning. Dit initiatief maakt dan ook deel uit van een gebied waar meerdere (ruimte voor ruimte) woningen zijn gerealiseerd. De woning wordt middels het aanbrengen van beplanting landschappelijk ingepast. Deze landschappelijke inpassing krijgt de aanduiding specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing. De aanleg en in stand houding wordt gegarandeerd door een voorwaardelijke verplichting in de planregels en een verplichting in de anterieure overeenkomst. Artikel 3.79, lid 2 luidt: Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing.
Hiervan is geen sprake de gedane investeringen zijn nog niet terugverdiend, de Brabantse ontwikkelingsmaatschappij geeft nog steeds Ruimte voor Ruimte-titels uit. De titel die wordt gebruikt om de woning te realiseren is gegenereerd door het saneren van Ravelweg 4.
15
Artikel 3.79, lid 3 luidt: Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik , onder a; b. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap ; en c. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied , eerste Lid , onder a. De regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap zijn niet van toepassing. Het perceel moet wel landschappelijk worden ingepast. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Someren 2028 Op 24 april 2013 is de 'Structuurvisie Someren 2028' door de gemeenteraad vastgesteld. In de structuurvisie heeft de gemeente Someren kernambities voor het jaar 2028 geformuleerd. Hieruit wordt beschreven dat Someren in 2028 een duurzame, krachtige, zelfbewuste en zelfstandige gemeente is die haar landelijke positie in Brainport goed weet te benutten. Someren ontleent haar identiteit aan het landelijke Brabantse karakter. Het kwalitatief goede bos-, natuur- en buitengebied zorgt er mede voor dat Someren een goed woonklimaat kent en een aantrekkelijke vestigingslocatie is voor bedrijven met een schaal die past bij Someren. Door de verscheidenheid en toegankelijkheid van het buitengebied in zijn algemeenheid en een landelijk bekende toeristische attractie specifiek, heeft Someren een aantrekkingskracht op recreanten. Op de structuurvisiekaart zijn verschillende gebieden en structuren onderscheiden. Het plangebied, aan de Kerkendijk te Someren, maakt onderdeel uit van het kampenlandschap. Daarnaast ligt op het deel van het plangebied de aanduiding ‘Kwaliteitsverbetering bebouwingslinten of bebouwingsclusters buiten de bebouwde kom’. De volgende figuur geeft een uitsnede van de kaart weer.
16
Uitsnede kaart Structuurvisie Someren, waarbij de pijl het plangebied aangeeft. Groen is Kempenlandschap en bruin-groen is Kwaliteitsverbetering bebouwingslinten of bebouwingsclusters buiten de bebouwde kom.
In het gebied kampenlandschap met akkercomplexen is veel bebouwing aanwezig. Deze kan door middel van groenstructuren beter in het landschap worden ingepast. Grootschalige bedrijven passen minder in deze landschapsstructuur. De akkercomplexen zijn onderdelen van het kampenlandschap als hoger en droger gelegen open vruchtbare akkergebieden. Deze oude akkers horen vrij van bebouwing en groen te blijven. In de randzones kan bebouwing met een groene inpassing voorkomen. Door meer groen aanplant in het kampenlandschap zouden de akkerzones als open gebieden beter herkenbaar zijn. Het initiatief voorziet in de bouw van één ruimte voor ruimte woning die landschappelijk wordt ingepast. Hiervoor worden aan het plangebied de bestemmingen ‘Wonen’ en de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ toegekend. De aangeduide zone ‘Kwaliteitsverbetering bebouwingslinten of bebouwingsclusters buiten bebouwde kom’, vormt primair het zoekgebied voor ruimte voor ruimtewoningen. Gewenste locaties daarbuiten dienen specifiek afgewogen te worden, daarbij wordt een zwaarwegend belang gehecht aan de inpassing in de landschapsstructuur ter plaatse met als 17
doel verrommeling te voorkomen. Door het realiseren van een ruimte voor ruimte woning in het bebouwingscluster in samenhang met landschappelijke inpassing wordt de kwaliteit van het aanwezige bebouwingscluster versterkt en verrommeling van het landschap voorkomen. Gezien het voorgaande past het initiatief binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. 3.3.2 Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 Op 3 november 2022 heeft de gemeente Someren haar beeldkwaliteitsplan ‘Buitengebied gemeente Someren’ vastgesteld. Middels dit beeldkwaliteitsplan beoogt de gemeente Someren de dynamiek van haar buitengebied te verbinden met de landschappelijke kwaliteit van dit gebied. Het grondgebied van de gemeente Someren wordt middels een beeldkwaliteitsplan onderverdeeld op basis van landschapstype. Het beeldkwaliteitsplan dient vooral als een inspiratiebron voor iedereen die wat wil ontwikkelen. Het dient niet als een blauwdruk over hoe het moet maar dient als een ideeënboek over hoe het eruit zou kunnen zien. Bij het inpassingsplan voor dit initiatief heeft het beeldkwaliteitsplan als inspiratiebron gediend. Bij het opstellen van het beeldkwaliteitsplan is extra aandacht gegeven aan de openheid van het landschap.
Voor woningen zijn de volgende richtlijnen in het beeldkwaliteitsplan opgenomen: • Bij de bouw van een woning dient aansluiting te worden gevonden bij de kenmerken van bebouwing in de streek, waardoor de relatie tussen gebouw en landschap kan worden verstevigd. Dit uit zich bijvoorbeeld in het kleur-/en materiaalgebruik, maar ook in de hiërarchie tussen hoofdgebouw en bijgebouwen. • Bij de realisatie van een nieuwe woning wordt gelet op de oorspronkelijke bouwkenmerken in een gebied. In het oude landschap (kampenlandschap) geldt bijvoorbeeld dat er met de bouwvorm meer aansluiting wordt gezocht bij een oorspronkelijke boerderij dan in het jongere ontginningslandschap (jongere- en oudere heideontginningen). • Pas een ingetogen en eenvoudige architectuur toe met eigentijdse elementen. Nieuwbouw in een eigentijdse bouwstijl mag van bovenstaande criteria afwijken mits het ontwerp duidelijk herkenbare verwijzingen heeft naar de karakteristieke landelijke bebouwing van het buitengebied van Someren. Bovendien moet er sprake zijn van kwalitatief hoogwaardige architectuur (overleg met de gemeente is hiervoor noodzakelijk). • De bijgebouwen op het erf vormen een samenhangend geheel en hebben een (ondergeschikte) relatie met het hoofdgebouw. Dit vraagt aandacht voor samenhang in de architectuur en vormgeving, maar ook om subtiele verschillen.
• De bebouwing heeft een eenvoudige langwerpige bouwvorm. • In het landelijk gebied gaan we uit van bebouwing met een kap in de lengterichting van de bebouwing. De hellingshoek van het dak dient tussen de 20 en 45 graden te liggen. Platte daken zijn niet toegestaan. • De bebouwing heeft visueel meer kap dan gevel en de goot is laag. Een doorsteek in de gootlijn is niet toegestaan. • De kap is als zadeldak uitgevoerd en kan onder voorwaarden wolfseinden hebben. Een doorgetrokken kopgevel is niet toegestaan. 18
•
• •
• • • • • • •
Zorg voor verschillen in voor- en achterkant van de bebouwing, de woningvoordeur bevindt zich aan de straatzijde. De voorgevel (gevel georiënteerd naar de openbare ruimte) is duidelijk herkenbaar en onderscheidt zich van de zijgevels in indeling. De kopgevel heeft een symmetrische indeling en de zijgevel is asymmetrisch opgebouwd. De horizontale gevelopbouw wordt benadrukt door de onderzijde (plint of trasraam) en de bovenzijde (goot of kroonlijst). Het toepassen van traditionele luiken houdt de gevelindeling in balans. Significante overstekken passen niet in de karakteristiek van de omgeving. Dakkapellen van beperkte omvang zijn mogelijk op het ‘woondeel’, mits voorzien van een dwarskap en gebaseerd op de gevelindeling. Hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: baksteen, donker (bijvoorbeeld zwart geteerd) hout, ongeglazuurde dakpannen, riet en eigentijdse bouwmaterialen. Toepassen van aardetinten en gedekte kleuren in de gevel. Dakpannen zijn donker en ongeglazuurd. Gebruik weinig verschillende en op elkaar afgestemde kleuren. Toepassing van ingepaste zonnepanelen/ warmtecollectoren behoren tot de mogelijkheden.
Het ontwerp van de woning en bijgebouw heeft rekening gehouden met voorgaande richtlijnen en voldoet daarmee aan het beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 van de gemeente Someren. 3.3.3 Landschapsinvesteringsregeling Someren Verschillende ontwikkelingen hebben een verschillende impact op de fysieke leefomgeving. Vooral in het buitengebied is dit het geval, omdat juist daar onderscheid gemaakt kan worden tussen functies die echt thuishoren in het buitengebied, zoals natuur en agrarisch gebruik, en functies die minder aan het buitengebied zijn gebonden, zoals wonen of niet agrarische bedrijven. Deze impact op de leefomgeving wordt onder meer bepaald door: 1. De omvang van de ontwikkeling, in ruimtebeslag en/of bebouwingsmassa; 2. Is er sprake van nieuw ruimtebeslag of wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing; 3. De huidige en gewenste aard van de locatie en de omgeving; 4. De aard van de functie en de mogelijke hinder voor de leefomgeving, zoals geluidsbelasting, verkeeraantrekkende werking, de milieucategorie, enzovoort; 5. Betreft het een (traditioneel) gebiedseigen of gebiedsvreemde ontwikkeling; 6. De wenselijkheid van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens. Om te bepalen welke mate van kwaliteitsverbetering wordt geëist bij een ruimtelijke ontwikkeling heeft de gemeente en landschapsinvesteringsregeling (LIR) opgesteld.
In januari 2020 is een nieuwe landschapsinvesteringsregeling vastgesteld. De mate van negatieve impact bepaalt hoe invulling wordt gegeven aan de vereisten uit artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. Hierin is een onderscheid gemaakt in drie categorieën 19
ontwikkelingen. Hoe meer impact de ontwikkeling heeft, hoe hoger de categorie en de geëiste kwaliteitsverbetering: •
•
•
Categorie 1. Ontwikkelingen met weinig impact op de leefomgeving. Er is geen (extra)kwaliteitsverbetering van het landschap nodig en er wordt dus geen extra tegenprestatie gevraagd; Categorie 2. Ontwikkelingen met een gemiddelde impact op de leefomgeving. Er zijn maatregelen nodig om de kwaliteit van het landschap te kunnen borgen. Dat gebeurt door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing; Categorie 3. Ontwikkelingen met een relatief grote impact op de leefomgeving. Ter bescherming van de leefomgeving (landschap) moet er een extra compensatie worden geleverd. Naast de basisinspanning van een goede landschappelijke inpassing. Deze extra compensatie is de zogenaamde ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ volgens een forfaitaire berekening.
Onderhavige ontwikkeling betreft een categorie 2-ontwikkeling. Dit betekent dat het plan moet voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
20
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Algemeen 4.1.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. 4.1.2 M.e.r.-beoordeling Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben dient op basis van wet- en regelgeving vaak een m.e.r.-procedure doorlopen te worden. Om te beoordelen of een plan of besluit m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, dient te worden bepaald of het project is opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het Besluit m.e.r. is per 1 juli 2017 gewijzigd. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen dient een toets te worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling betreft de bouw van één woning met landschappelijke inpassing.
Het plan is dermate kleinschalig van aard dat de gemeente Someren stelt dat geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. 4.2 Bodem In een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. In bepaalde gevallen dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusie uit het rapport van M&A met kenmerk 220-SHeKe-vo-v1 luidt dat de hypothese onverdachte locatie kan worden aanvaard. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar het als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegde rapport.
21
Gezien het voorgaande staat het aspect bodem niet aan het initiatief in de weg, en zijn er geen beperkingen voor het voorliggende initiatief. 4.3 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient er, op basis van de Wet geluidhinder (Wgh), onderzocht te worden of er sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven ten opzichte van geluidgevoelige objecten zoals woningen, ziekenhuizen en scholen. 4.3.1 Wegverkeerlawaai Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht, indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van een aantal wegen in de omgeving (onder andere de Kerkendijk). Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het onderzoek komen de volgende conclusies: Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde dient per geluidbron (weg) afzonderlijk te geschieden op de gevels van de geluidgevoelige bestemming. De voorkeursgrenswaarde bedraagt bij nieuwe bestemmingen met een woonfunctie 48 dB.
Verder is bij aanwezige wegen en nog niet geprojecteerde geluidgevoelige woonfunctie onder bepaalde voorwaarden een ontheffing tot maximaal 53 (wegen buiten bebouwde kom) en 63 dB (wegen binnen de bebouwde kom) mogelijk. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (inclusief aftrek, Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012) op de gevels wordt overschreden ten gevolge van het verkeer op de Kerkendijk en op de Heikantstraat. Op de voorgevel wordt tevens de maximale grenswaarde van 53 dB overschreden, zodat deze gevel als dove gevel gerealiseerd dient te worden. De hoogste (ongecorrigeerde) geluidsbelasting op de woning bedraagt 61. De gevelwering dient minimaal de geluidsniveaus volgens tabel 4.1 minus 33 dB te bedragen. De betreffende woning beschikt, gezien de geluidsbelastingen, over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Daarnaast dient de geluidgevoelige bebouwing te voldoen aan de binnenwaarde conform het Bouwbesluit. In onderhavige situatie hoeft de gevelwering maximaal 26 dB te bedragen, waarvoor een rapportage gevelwering zal worden opgesteld. Gezien het voorgaande staat het aspect wegverkeerlawaai niet aan het initiatief in de weg. Voor een nadere onderbouwing van deze conclusie wordt kortheidshalve verwezen naar het akoestisch rapport wegverkeerlawaai dat als bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd.
22
4.3.2 Industrielawaai Naast wegverkeer wordt ook geluid afkomstig van industrie in beschouwing genomen. Ten aanzien van het aspect industrielawaai worden de richtafstanden van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden. In de paragraaf bedrijven en milieuzonering wordt onderbouwd dat het aspect industriegeluid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er voor wat betreft het aspect geluid sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 4.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. Hiertoe zijn de voor- en achtergrondbelasting van belang. Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het plangebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang veehouderij).
Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang geurgevoelig object). Door de gemeenteraad van de gemeente Someren is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. Deze verordening stelt een norm van 14 ouE/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het plangebied. Ten behoeve van dit initiatief is een geuronderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting onderzocht. De conclusie van het geuronderzoek luidt: Uit oogpunt van geurhinder kan worden gesteld dat er bij de realisatie van de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De nieuwbouw vormt geen belemmering voor omliggende veehouderijen. Voor een nadere onderbouwing van deze conclusie wordt verwezen naar het geuronderzoek dat als bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd. 4.5 Gezondheid In de omgeving van het plangebied zijn een aantal veehouderijen gelegen. Een veehouderij in de omgeving kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden namelijk blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Eenvoudig gezegd zijn endotoxinen celwandresten van bacteriën. Als deze organismen afsterven komen de endotoxinen vrij. De endotoxinen binden zich aan bacterieresten, stofdeeltjes of waterdeeltjes.
In deze toestand kunnen ze zich gemakkelijk in 23
de omgeving verspreiden. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Uit het meest recente VGO-onderzoek (september 2021) over de jaren 2017-2019 toont aan dat longontstekingen in het oostelijk deel van Noord-Brabant en Noord-Limburg het hele jaar door - dus niet alleen bijvoorbeeld tijdens het griepseizoen - vaker voorkomen. In het onderzoeksgebied is in deze periode de kans op een longontsteking het grootst voor mensen die in een straal van 500 meter van geitenhouderijen wonen en in de nu onderzochte periode geldt dit ook weer voor omwonenden van pluimveehouderijen. Het plangebied ligt op een afstand kleiner dan 1 kilometer van verschillende pluimveehouderijen. Zo ligt er een pluimveebedrijf op Zandstraat 99 op circa 570 meter van het plangebied. Op bijna 1.000 meter van het plangebied ligt een veehouderij aan de Vlasstraat 5.
Ondanks dat twee pluimveebedrijven binnen 1 kilometer van het plangebied liggen, circa 570 meter respectievelijk 990 meter, zijn de afstanden dusdanig dat het aspect gezondheid niet aan het initiatief in de weg staat. 4.6 Luchtkwaliteit Alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren op het gebied van luchtkwaliteit hebben geleid tot een aanpassing van de Wet milieubeheer met betrekking tot luchtkwaliteitseisen. Daarnaast zijn het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” (NIBM) op 15 november 2007 in werking getreden. In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit 24
hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wmb is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Het besluit NIBM legt vast, wanneer een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3 % en is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2 . Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. Behoort een plan tot een niet in de Regeling NIBM genoemde categorie dan zal steeds met behulp van onderzoek dienen te worden aangetoond of het plan NIBM is.
Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van één duurzame levensloopbestendige ruimte voor ruimte woning. Met de bouw deze woning wordt de grenswaarde van 1.500 woningen bij lange na niet benaderd waarmee het plan geacht wordt niet in beperkende mate bij te dragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit niet in de wegstaat aan het initiatief. 4.7 Externe veiligheid Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen.
Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: • bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; • bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers.
25
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in activiteiten (wonen) waarin sprake is van veiligheidsrisico’s voor de omgeving. De planlocatie voor wonen is formeel aan te merken als een kwetsbaar object. Derhalve is de provinciale risicokaart geraadpleegd.
Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in de directe nabijheid van een risicobron. Op ruim 1,2 kilometer afstand bevindt zich een tankstation aan de Loovebaan en op circa 700 meter een gastransportleiding van de Gasunie. De te bouwen woning ligt buiten het invloedgebied van deze gastransportleiding en het tankstation. Gezien het voorgaande staat het aspect externe veiligheid niet aan het initiatief in de weg. 4.8 Water 4.8.1 Inleiding De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening wordt gehouden met eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. Met het oog op de verwachte toename van de neerslag, veranderend landgebruik, de bodemdaling en de zeespiegelstijging wordt het belang om snel te zoeken naar oplossingen voor de waterproblematiek benadrukt. De oplossingen liggen in de lijn van de drietrapsstrategie “vasthouden-bergen-afvoeren” (watertrits). Bij alle bouwplannen dient gestreefd te worden naar een scheiding van vuil water en (schoon) regenwater (afkoppeling). Bij de inrichting, het bouwen en het beheer worden zo 26
min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Bij een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) dient het overtollige water overeenkomstig de hierboven genoemde watertrits te worden gehanteerd (stand-still beginsel). Hydrologisch neutraal ontwikkelen is overgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar het voor staat en welke maatregel er nodig is om hier aan te voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal ontwikkelen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. 4.8.2 Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld.
In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
27
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Het waterschap eist waterhuishoudkundige maatregelen bij een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m2. Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de keur vrijgesteld van compensatie.
Voor plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel [benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)]. De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 0,06 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha. Indien de maximaal mogelijke toegevoegde verharding onder de door het waterschap gestelde grenswaarde van 500 m2 blijft is geen compensatie noodzakelijk. Indien op het perceel de grens van 500 m2 verhard oppervlak wordt overschreden moeten op basis van de regels van het waterschap waterhuishoudkundige maatregelen worden getroffen. In de regels behorende bij dit wijzigingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen die uitgaat van 0,06 m3 waterberging per m2 verhard oppervlak. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de eisen van het waterschap en die van de gemeente Someren zoals opgenomen in paragraaf 4.8.3. 4.8.3 VGRP Someren 2021-2025 In het ‘verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025’ (VGRP 2021-2025) is voor een periode van vijf jaar het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Someren vastgelegd.
Algemeen uitgangspunt qua waterbeleid is dat de verbeteringen en optimalisaties die de afgelopen jaren in de riolerings- en waterbergingszorg zijn ingezet,
28
worden doorgezet in de komende planperiode. De gemeente Someren wil daarbij op de meest doelmatige manier invulling geven aan het beheer en onderhoud. Ook in Someren is de landelijke trend zichtbaar dat bewoners en bedrijven voor- en achtertuinen (steeds meer) verharden. Hierdoor wordt extra verhard oppervlak op de riolering aangesloten, waardoor afkoppelinspanningen van de gemeente deels te niet worden gedaan. De gemeente heeft dan ook de ambitie om bewoners en bedrijven te stimuleren het regenwater zoveel mogelijk op eigen perceel vast te houden. Naast dat dit het hydraulisch functioneren van de riolering ten goede komt draagt het o.a. bij aan het bestrijden van verdroging, ondersteunen van biodiversiteit en het tegengaan van hittestress. Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld, waarbij de gemeente alleen voorziet in een vuilwaterhuisaansluiting. De gemeente houdt hierbij de trits vasthouden – bergen – afvoeren aan. Ter voorkoming van overlast en schade op particulier terrein en uit oogpunt van doelmatigheid vertaalt de gemeente een redelijke inspanning van particulieren als volgt: “Bij ver- en nieuwbouw moet tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Vanuit waterbelang, i.v.m.
zichtbaarheid, bij voorkeur door bufferen op het oppervlak (vijver, wadi of lagergelegen grond) waarna het water kan infiltreren. Ondergrondse buffering en infiltratie is, mits goed aangelegd en onderhouden, een goed alternatief als bovengrondse buffering niet gewenst is. Uitgangspunt is dat een buffer gerekend met een k-waarde van 1,0 m¹ per dag binnen 24 uur weer beschikbaar is. Een particuliere infiltratievoorziening mag uitsluitend op maaiveldniveau (zichtbaar) een overstort hebben naar openbaar gebied. Waar infiltreren aantoonbaar niet mogelijk is, mag het water vanuit een buffer vertraagd afgevoerd worden naar de openbare ruimte.” In de regels behorende bij dit bestemmingplan wordt een verplichting tot waterberging opgenomen die uitgaat van 0,06 m3 (60 liter) waterberging per m2 verhard oppervlak, hiermee wordt naast de regels van het waterschap ook (ruimschoots) voldaan aan de regels uit het gemeentelijk VGRP. 4.8.4 Conclusie Het huishoudelijk afvalwater wordt op het gemeentelijk riool geloosd, de woning krijgt hiertoe een aansluiting. Om hydrologisch neutraal te ontwikkelen wordt een voorwaardelijke verplichting in de regels van het wijzigingsplan opgenomen die uitgaat van 0,06 m3 waterberging per m2 verhard oppervlak. Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat het qua water wordt voldaan aan het beleid van het Waterschap en aan het beleid van de gemeente Someren.