R - 9 Bijlage Concept-NRD-380kV-Netuitbreiding-Maasbracht-Eindhoven
Tekst van het document
Netuitbreiding 3e en 4e circuit Maasbracht - Eindhoven 380 kV Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau TenneT TSO B.V. 25 april 2025
Project Opdrachtgever
Netuitbreiding 3e en 4e circuit Maasbracht - Eindhoven 380 kV TenneT TSO B.V.
Referentie
Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Definitief 25 april 2025 141946-B.6/25-006.419
Projectcode
141946
Document Status Datum
Dit document is geautoriseerd en intern aantoonbeer vrijgegeven conform het kwaliteitsmanagementsysteem van E-MERGE. Het kwaliteitsmanagementsysteem van E-MERGE is gecertificeerd op basis van ISO 9001.
Adres
E-MERGE Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd op basis van ISO 9001.
Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Geen aansprakelijkheid wordt aanvaardt voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding: een nieuwe hoogspanningsverbinding
6
1.2
Zoekgebied
7
1.3
Procedure op hoofdlijnen
8
1.3.1 1.3.2
Projectprocedure Mer-procedure
9 9
1.4
Samenhang met andere documenten
11
2
NETSITUATIE EN OPGAVE
12
2.1
Huidige situatie
12
2.2
Nut en noodzaak: waaruit blijkt dat er een knelpunt is?
14
2.3
Wat houdt het project in?
16
2.4
Samenhang met andere projecten en programma’s
19
3
ALTERNATIEVENONTWIKKELING OP HOOFDLIJNEN
23
3.1
Relevante kenmerken en waarden van het zoekgebied
23
3.2
Proces alternatievenontwikkeling
24
3.3
Omgevingsproces
25
4
ONDERZOEKSALTERNATIEVEN
26
4.1
Overzicht van de onderzoeksalternatieven en varianten
26
4.2
Onderzoeksalternatief West
28
4.3
Onderzoeksalternatief Midden
28
4.4
Onderzoeksalternatief Oost
29
5
DETAILNIVEAU EN AANPAK MILIEUEFFECTBEOORDELING
31
5.1
Referentiesituatie
31
5.2
Beoordelingskader
31
5.2.1 5.2.2
36 37
Thema Gezondheid Thema Natuur
5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.7
Thema Landschap, cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Thema Veiligheid Thema Gebruiksfuncties Thema Bodem en water Thema Duurzaamheid
37 38 38 38 38
5.3
Wijze van beoordelen
39
6
INTEGRALE EFFECTENANALYSE
40
7
REACTIES OP HET CONCEPT-NRD
42
Laatste pagina
42
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Termenlijst
7
II
Notitie onderzoeksalternatieven
89
LEESWIJZER Voor u ligt de conceptversie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept-NRD) voor de aanleg van een nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen de hoogspanningsstations Maasbracht en Eindhoven. De publicatie van deze concept-NRD is de eerste stap van de milieueffectrapportage-procedure (mer). De reikwijdte beschrijft de geografische en inhoudelijke reikwijdte van de verschillende onderzoeksalternatieven, en hoe deze tot stand zijn gekomen. Het detailniveau beschrijft de diepgang van de onderzoeken die uitgevoerd worden in de milieueffectrapportage. De concept-NRD is geschreven vanuit de ‘we-vorm’. Met ‘we’ wordt bedoeld TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT), omdat TenneT initiatiefnemer is van dit project. Tabel 1 geeft aan welke informatie de verschillende hoofdstukken bevatten.
Tabel 1 Hoofdstukindeling concept-NRD Hoofdstuk
Welke informatie bevat dit?
Inleiding
aanleiding voor het project (1.1) afbakening van het zoekgebied (1.2) procedure op hoofdlijnen (1.3) samenhang tussen de concept-NRD en bijbehorende documenten (1.4)
Het voornemen: wat wil TenneT ontwikkelen?
huidige situatie: werking en opbouw van het elektriciteitsnetwerk (2.1) omschrijving van het knelpunt (2.2) inhoud van het project (2.3) samenhang met andere projecten en programma’s (2.4)
Alternatievenontwikkeling op hoofdlijnen
overzicht van relevante kenmerken en waarden van het zoekgebied (3.1) beschrijving van het proces van alternatievenontwikkeling (3.2) beschrijving van de stappen in de alternatievenontwikkeling (3.3)
Onderzoeksalternatieven
beschrijving van het onderzoeksalternatief West (4.1) beschrijving van het onderzoeksalternatief Midden (4.2) beschrijving van het onderzoeksalternatief Oost (4.3)
Detailniveau en aanpak milieueffectbeoordeling
omschrijving van de huidige situatie en referentiesituatie (5.1) toelichting op het beoordelingskader (5.2) wijze van beoordelen (5.3)
Integrale Effectenanalyse
de Integrale Effectenanalyse om tot het voorkeursalternatief te komen
Reacties op de concept-NRD
beschrijving hoe gereageerd kan worden op de concept-NRD
Bijlagen
termenlijst Notitie Onderzoeksalternatieven
5 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
1 INLEIDING In dit hoofdstuk beschrijven we de aanleiding, de projectonderdelen en het zoekgebied van het project ‘Netuitbreiding Maasbracht - Eindhoven 380 kV’. Verder bespreken we de hoofdlijnen van het proces, en geven we aan welke partijen zijn betrokken bij dit project. Tot slot wordt de samenhang met andere documenten beschreven.
1.1
Aanleiding: een nieuwe hoogspanningsverbinding
Het gebruik en transport van elektriciteit in Nederland neemt al tientallen jaren toe. Hierdoor wordt het hoogspanningsnetwerk in Nederland steeds zwaarder belast. Door de energietransitie zet deze ontwikkeling de komende jaren versneld door. De vraag naar elektriciteit groeit door de elektrificatie van huishoudens, transport en bedrijfsprocessen, met netcongestie als gevolg. In Nederland zorgen TenneT en de regionale netbeheerders ervoor dat elektriciteit getransporteerd wordt van de plek waar het opgewekt wordt, naar de plek waar consumenten en bedrijven de elektriciteit gebruiken. TenneT heeft als beheerder van het hoogspanningsnetwerk de wettelijke taak om: - de leveringszekerheid van elektriciteit op het net te waarborgen; - grote elektriciteitsproducenten of verbruikers op het landelijke hoogspanningsnetwerk aan te sluiten. Groeiend knelpunt vanaf 2030 TenneT is verantwoordelijk voor het onderhoud van het landelijke hoogspanningsnetwerk en uitbreiding hiervan bij een groeiende vraag naar transportcapaciteit. Om deze taak goed uit te voeren stelt TenneT (onder andere) investeringsplannen op. In deze plannen wordt met knelpuntenanalyses bepaald waar het hoogspanningsnet moet worden verbeterd, en waar dus investeringen noodzakelijk zijn.
Uit één van deze analyses blijkt dat de 380.000 volt (hierna 380 kV)-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven vanaf 2030 een groeiend knelpunt zal vormen. Tijdens onderhoudssituaties, waarbij delen van het elektriciteitsnetwerk tijdelijk buiten gebruik zijn, neemt de kans op overbelasting van deze hoogspanningsverbinding sterk toe. Vanaf 2035 neemt het risico op overbelasting ook onder normale omstandigheden toe. Wanneer er dan onderhoud aan de hoogspanningsverbinding moet worden uitgevoerd, is de kans op overbelasting bijzonder groot. Er is steeds minder transportcapaciteit via de hoogspanningsverbinding beschikbaar om te voldoen aan de stijgende vraag naar elektriciteit. Als TenneT geen maatregelen neemt, komt de leveringszekerheid van elektriciteit in gevaar. Consumenten en bedrijven kunnen dan niet meer gegarandeerd op elk moment van de dag elektriciteit gebruiken of aanleveren. Nieuwe hoogspanningsverbinding als oplossing voor het knelpunt Landelijke en regionale ontwikkelingen vragen om grote uitbreidingen van het hoogspanningsnetwerk. Uit onderzoek van TenneT blijkt dat een netuitbreiding met een extra 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen de hoogspanningsstations Maasbracht en Eindhoven de oplossing voor het knelpunt is.
Wel maakt de hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven onderdeel uit van de belangrijkste structuur van het hoogspanningsnetwerk van Nederland, namelijk de landelijke ring. De landelijke ring zorgt voor het (inter)nationale transport van elektriciteit. In de landelijke ring moet altijd één 380 kVhoogspanningsverbinding blijven werken, ook bij storingen of onderhoud aan eventuele andere 380 kV-
6 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
hoogspanningsverbindingen. Op het moment dat de nieuwe en de bestaande 380 kVhoogspanningsverbindingen in dezelfde masten worden geplaatst als de bestaande (dit is combineren), kan bij storingen en onderhoud de landelijke ring uitvallen. Een complete onderbreking van de landelijk ring heeft grote gevolgen voor het Nederlandse en het Europese hoogspanningsnetwerk. Dit is een onacceptabel risico voor de leveringszekerheid van elektriciteit. Daarom komt de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding in een nieuwe, separate verbinding, als aanvulling op de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding. Totdat de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding klaar is, zet TenneT indien nodig tijdelijke beheersmaatregelen in om de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding niet te zwaar te belasten. De maatregelen zorgen ervoor dat de leveringszekerheid van elektriciteit voor de regio niet in gevaar komt. Het is niet mogelijk de tijdelijke maatregelen als definitieve oplossing in te zetten. De inspanningen en kosten die gepaard gaan met deze beheersmaatregelen, zijn te groot om dit een blijvend karakter te geven. Daarnaast neemt het tekort aan transportcapaciteit steeds verder toe, waardoor tijdelijke beheersmaatregelen niet toereikend blijven.
Voor een uitgebreidere omschrijving van het knelpunt en onderzochte oplossingsrichtingen wordt verwezen naar het opgestelde onderzoeksrapport (en samenvatting) van de probleemanalyse. Doelstelling en opgave De doelstelling van het project is het oplossen van het toenemende tekort aan transportcapaciteit op de 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven. De opgave is het ruimtelijk inpassen en de aanleg van een nieuwe bovengrondse 380 kVhoogspanningsverbinding tussen de bestaande 380 kV-hoogspanningsstations Maasbracht (gemeente Maasgouw) en Eindhoven (Daalakkersweg, gemeente Eindhoven).
1.2
Zoekgebied
Het nieuwe tracé van de 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt gezocht binnen een afgebakend zoekgebied tussen de hoogspanningsstations Eindhoven en Maasbracht (zie afbeelding 1.1). Daarmee wordt invulling gegeven aan de doelstelling en opgave. De begrenzing van het zoekgebied (zie ook paragraaf 2.6 van het Voornemen en Participatieplan) is gebaseerd op: - het volgen van bovenregionale infrastructuur, zoals de A2, A67, kanalen, spoorwegen en bestaande elektriciteitsinfrastructuur. Zo kan bundeling met bestaande infrastructuur worden gezocht; - de lengte van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding. Deze mag tot circa 10 % afwijken van de lengte van de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven. Omdat elektriciteit de weg van de minste weerstand kiest, mogen de 2 verbindingen niet te veel in lengte verschillen. Anders vervoert de kortste 380 kV-hoogspanningsverbinding te veel elektriciteit en raakt deze alsnog overbelast; - uitsluiten van bestaande woonkernen aan de buitengrens van het zoekgebied. De nieuwe 380 kVhoogspanningsverbinding wordt niet door stads- of dorpskernen aangelegd.
7 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Afbeelding 1.1 Zoekgebied voor de nieuwe bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Eindhoven en Maasbracht
1.3
Procedure op hoofdlijnen
TenneT heeft het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) gevraagd om een projectprocedure te starten voor het realiseren van een nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven. Deze projectprocedure is nodig voor uitbreidingen van het hoogspanningsnetwerk van 220 kV of hoger, zoals vastgelegd in de Omgevingswet (artikel 20a Elektriciteitswet). In de projectprocedure worden een aantal stappen doorlopen (zie afbeelding 1.2). In samenhang met de projectprocedure, moet ook de wettelijke procedure van de milieueffectrapportage worden doorlopen. Het doel van de milieueffectrapportage-procedure (mer) is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de voorbereiding en vaststelling van besluiten. In de procedure worden twee milieueffectrapporten (MER) opgesteld. Tijdens de verkenningsfase het plan-MER, waarin de verschillende onderzoekalternatieven voor mogelijke routes van de verbinding worden onderzocht, en in de planuitwerkingsfase het project-MER, waarin het voorkeursalternatief nader wordt uitgewerkt en geoptimaliseerd.
8 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Afbeelding 1.2 Stappen van de projectprocedure en de mer-procedure
1.3.1
Projectprocedure
De projectprocedure wordt gecoördineerd door het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) en verloopt in vijf stappen: - kennisgeving Voornemen en Participatieplan: de procedure begint met de publicatie van een kennisgeving waarin het project en het participatieproces worden aangekondigd (het V&P). In deze fase worden stakeholders, zoals inwoners en bedrijven, geïnformeerd en betrokken bij het project, waarmee het participatieplan wordt geactualiseerd; - verkenning van alternatieven: in de verkenningsfase onderzoeken we verschillende opties voor het tracé van de nieuwe bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbinding. De NRD bakent de inhoud van de onderzoeken in het plan-MER en project-MER af, en geeft aan welke alternatieven onderzocht worden en op welke wijze. De Notitie Onderzoeksalternatieven (NOA) geeft als bijlage van de NRD de onderbouwing welke tracés als alternatief onderzocht worden (zie Bijlage II). De effecten van deze onderzoeksalternatieven worden vervolgens onderzocht in het plan-MER. Naast onderzoek naar milieueffecten worden de onderzoeksalternatieven ook onderzocht op effecten voor de thema’s omgeving, techniek, kosten en toekomstvastheid.
De resultaten van alle onderzoeken worden samengevat in de Integrale Effectenanalyse (IEA); - (ontwerp)voorkeursbeslissing: op basis van de resultaten van de IEA, het advies van de lokale en regionale overheden, en de ingediende reacties, nemen de minister van KGG en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) als bevoegd gezag een voorkeursbeslissing voor één alternatief. Het uitgekozen alternatief wordt vervolgens verder uitgewerkt in de planuitwerkingsfase; - planuitwerkingsfase: in deze fase wordt het voorkeursalternatief gedetailleerd uitgewerkt. Een projectMER wordt opgesteld om de uitvoeringen en optimalisaties van het voorkeursalternatief en de gevolgen voor het milieu te onderzoeken; - (ontwerp)projectbesluit: het projectbesluit wordt genomen, waarin de maatregelen en voorzieningen voor de fysieke leefomgeving worden beschreven. Participatie, reacties en advies Het Ministerie van KGG en TenneT werken nauw samen met regionale overheden en gebiedsbeheerders om de ruimtelijke inpassing van de nieuwe hoogspanningsverbinding voor te bereiden. In diverse bijeenkomsten worden de belangen en wensen van stakeholders besproken. Het participatieplan beschrijft hoe deze partijen worden betrokken bij de uitwerking van de alternatieven.
Het participatieverslag verantwoordt het tot zover doorlopen participatieproces en geeft een overzicht van de behaalde resultaten. Voor een uitgebreidere toelichting op de projectprocedure, de wijze van participatie en de planning wordt verwezen naar deel 2 van het gepubliceerde Voornemen en Participatieplan.
1.3.2
Mer-procedure
Met de mer-procedure krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. Dat gebeurt door alternatieven van het voornemen te onderzoeken op effecten op het milieu. Dit onderzoek wordt vastgelegd in het MER.
9 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
De mer-plicht in de Omgevingswet Uit de Omgevingswet volgt de verplichting om de mer-procedure te doorlopen als het besluit dat wordt genomen een activiteit mogelijk maakt met mogelijk nadelige gevolgen op het milieu. Hierin maken we onderscheid tussen een plan-mer en een project-mer. Wettelijk kader mer-plicht Er is sprake van een plan-mer-plicht wanneer voldaan wordt aan twee eisen. Allereerst moet sprake zijn van een voorgeschreven plan of programma. Daarnaast moet dat voorgeschreven plan of programma een kader vormen voor besluiten met een project-mer(-beoordelings)plicht. Artikel 16.34, lid 2 van de Omgevingswet beschrijft dat een voorkeursbeslissing (binnen de projectprocedure) wordt verstaan als een voorgeschreven wettelijk of bestuursrechtelijk plan. Daarmee wordt voldaan aan de eerste eis. Op basis van artikel 16.36, lid 1 van de Omgevingswet geldt dat voor een plan (hier de voorkeursbeslissing) een plan-mer moet worden doorlopen als het plan het kader stelt voor project-mer-plichtige besluiten (hier het projectbesluit). In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is vastgelegd voor welke activiteiten een project-mer geldt. Onder J8 is bepaald dat bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsactiviteit met een spanningsniveau van meer dan 220 kV en een lengte van meer dan 15 km (kolom 2) een mer-plicht geldt.
Conform artikel 11.6, lid 3 onder a is het projectbesluit aangewezen als een besluit waarvoor deze mer-plicht van toepassing is (naast de aangewezen besluiten in kolom 4 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit). Daarmee is er dus ook sprake van een project-mer-plicht. Omdat daarmee ook voldaan wordt aan de tweede eis van de plan-mer-plicht, wordt voor dit project zowel een plan-mer als een project-mer uitgevoerd: de plan-mer voor de voorkeursbeslissing, het project-mer voor het projectbesluit. Daarnaast geldt ook op grond van artikel 16.36, lid 2 van de Omgevingswet een plan-mer-plicht, omdat voor het project een Passende Beoordeling (zie onderstaande alinea) moet worden opgesteld. Advies Commissie mer De Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) is een onafhankelijke en deskundige commissie, die adviseert over de inhoud en kwaliteit van het MER. Dit is wettelijk vastgelegd in artikel 5.48 lid 2 van de Omgevingswet. Voor het project wordt advies gevraagd op de concept-NRD (vrijwillig), het plan-MER (verplicht) en het project-MER (vrijwillig). Het advies van de Commissie mer is zwaarwegend, maar niet bindend. Naast de Commissie mer zijn ook andere wettelijke adviseurs betrokken, zoals de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Passende Beoordeling Naast het plan- en project-MER wordt een zogenoemde ‘Passende Beoordeling’ uitgevoerd. In deze ‘natuurtoets’ wordt onderzoek gedaan naar de mogelijk belangrijke negatieve effecten van het voorgenomen project op beschermde natuurgebieden die onderdeel zijn van het Europese Natura 2000netwerk. De Passende Beoordeling wordt opgesteld in het kader van de Omgevingswet. Een Passende Beoordeling moet uitgevoerd worden als negatieve significante effecten van een ingreep (in dit geval de aanleg en het gebruik van een nieuwe hoogspanningsverbinding) op beschermde Natura 2000-gebieden niet bij voorbaat zijn uit te sluiten. In de verkenningsfase kan worden volstaan met een globale Passende Beoordeling. Dit is een Passende Beoordeling die aansluit bij het detailniveau van de voorkeursbeslissing. Daarna wordt bij de uitwerking van de voorkeursbeslissing, in de fase waarin het project-MER wordt opgesteld, een definitieve Passende Beoordeling uitgevoerd.
10 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
1.4
Samenhang met andere documenten
De concept-NRD heeft één inhoudelijke bijlage, de Notitie Onderzoeksalternatieven (NOA). Dit document beschrijft de (totstandkoming van de) onderzoeksalternatieven. Deze onderzoeksalternatieven worden onderzocht in het plan-MER, en vervolgens samengevat in de IEA (zie Hoofdstuk 6). Tegelijkertijd met de publicatie van de concept-NRD is de reactienota op het V&P en het geactualiseerde participatieplan gepubliceerd. De reactienota geeft antwoord op ingediende reacties vanuit de omgeving. Ook is aangegeven hoe deze reacties zijn betrokken bij het opstellen van de concept-NRD.
11 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
2 NETSITUATIE EN OPGAVE Dit hoofdstuk gaat dieper in op de werking van het elektriciteitsnetwerk en welke knelpunten gesignaleerd zijn bij de bestaande hoogspanningsverbinding Maasbracht - Eindhoven. Ook gaat het hoofdstuk nader in op de projectonderdelen en de samenhang met andere projecten en programma’s.
2.1
Huidige situatie
Hoe werkt het elektriciteitsnetwerk? TenneT is in Nederland verantwoordelijk voor het transport van elektriciteit op hoge spanningsniveaus (vanaf 110 kV). Bij de nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Eindhoven en Maasbracht gaat het hierbij om een spanningsniveau van 380 kV. De hoogspanningsverbindingen van 380 kV vormen de snelwegen van het hoogspanningsnetwerk. De 380 kV-hoogspanningsstations zijn de knooppunten in het landelijke netwerk voor de verdeling van elektriciteit. Vanuit daar wordt de elektriciteit omgezet naar een andere spanning en verder verplaatst en vervoerd op lagere spanningsniveaus door TenneT of de regionale netbeheerders. In dit zoekgebied is Enexis de regionale netbeheerder. Afbeelding 2.1 toont een schematische weergave van de werking van het Nederlandse hoogspanningsnetwerk. Meer informatie over de werking van het hoogspanningsnetwerk en de positie daarin van hoogspanningsstations is te lezen in deze brochure van TenneT (op deze website van TenneT zijn alle brochures terug te vinden).
12 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Afbeelding 2.1 Schematische weergave van de werking van het Nederlandse hoogspanningsnetwerk (bron: TenneT)
Hoe ziet het huidige Nederlandse hoogspanningsnetwerkwerk eruit? Afbeelding 2.2 toont het Nederlandse 380- en 220 kV-hoogspanningsnetwerk per 31 december 2024. Het 380 kV-hoogspanningsnetwerk verzorgt het transport van grootschalig opgewekte elektriciteit door heel Nederland, maar ook van en naar het buitenland. Het hoogspanningsnetwerk is opgebouwd in ringstructuren. Dit draagt bij aan de robuustheid van het elektriciteitsnetwerk. Als er een verbinding uitvalt, is het mogelijk om elektriciteit via een andere route te transporteren. Zo kan TenneT voldoen aan haar plicht om altijd elektriciteit te leveren, de zogenaamde leveringszekerheid. De grootste en belangrijkste ring is de landelijke ring. Dit is het nationale netwerk dat elektriciteit over lange afstanden transporteert tussen energiecentrales en regio’s, en bestaat volledig uit 380 kVhoogspanningsverbindingen. Dit netwerk zorgt ervoor dat elektriciteit veilig en efficiënt over het hele land verdeeld wordt. Rondom de landelijke ring zijn nog enkele kleinere ringstructuren. Enkele hiervan zijn verbonden met de windparken op zee en met de landen Groot-Brittannië, België, Duitsland, Denemarken en Noorwegen. Deze internationale verbindingen heten ‘interconnectoren’. In afbeelding 2.2 is het traject waar de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding komt omcirkeld.
13 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Afbeelding 2.2 Het 380- en 220 kV-net per 31-12-2024 (bron: TenneT, 2024)
2.2
Nut en noodzaak: waaruit blijkt dat er een knelpunt is?
Het knelpunt Maasbracht - Eindhoven TenneT stelt elke twee jaar een zogenaamd Investeringsplan (IP) op. Dit IP wordt gemaakt in nauwe samenwerking en afstemming met andere netbeheerders en stakeholders. In dit Investeringsplan staan de noodzakelijke aanpassingen aan het hoogspanningsnet opgenomen, die op basis van berekeningen en modellen in beeld zijn gebracht. Hierbij wordt 10 jaar vooruit gekeken. Uit het IP en de uitgevoerde probleemanalyse blijkt dat er vanaf 2030 een toenemend knelpunt ontstaat op de 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven tijdens onderhoudssituaties (zie ook de brede onderbouwing voor het knelpunt). De kans op overbelasting van de hoogspanningsverbinding neemt toe. Vanaf 2035 neemt het risico op overbelasting ook onder normale omstandigheden toe. Wanneer er dan onderhoud aan de hoogspanningsverbinding moet worden uitgevoerd, is de kans op overbelasting
14 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
bijzonder groot. Er is sprake van een groeiend tekort aan transportcapaciteit om te voldoen aan de stijgende vraag naar elektriciteit. Zonder maatregelen komt de leveringszekerheid van elektriciteit in gevaar. Nationale en regionale ontwikkelingen veroorzaken het knelpunt De 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Eindhoven en Maasbracht is een cruciaal onderdeel van de landelijke 380 kV-ring. De overbelasting op het gedeelte van de landelijke ring tussen Eindhoven en Maasbracht wordt veroorzaakt door nationale en regionale ontwikkelingen. Op landelijk niveau is sprake van een toenemende transportbehoefte van elektriciteit. Op regionaal niveau (in Noord-Brabant en Limburg) speelt de specifieke geografische verdeling van vraag en aanbod van elektriciteit een rol voor het knelpunt. Nationale ontwikkelingen Met het Klimaatakkoord streeft het Rijk ernaar om in 2030 70 % van de elektriciteit duurzaam op te wekken en in 2050 100 % van de elektriciteit. Hierbij wordt voornamelijk ingezet op windenergie van grootschalige windmolenparken in de Noordzee. Het aanbod van duurzaam opgewekte elektriciteit neemt daarmee verder toe. De vraag naar elektriciteit neemt ook verder toe, doordat bedrijven en woningen overstappen op elektriciteit als energiebron.
Om de hiervoor opgewekte elektriciteit te kunnen gebruiken, moet steeds meer elektriciteit van zee door het hoogspanningsnetwerkwerk getransporteerd worden naar de bedrijven en woningen. Dit vraagt om meer transportcapaciteit van het hoogspanningsnetwerkwerk. Verder is de opwekking van elektriciteit uit duurzame bronnen als wind en zon niet constant. Dit leidt tot meer piekbelastingen op het hoogspanningsnetwerkwerk. De productieoverschotten en -tekorten leiden naar verwachting tot een toename van de import en export van elektriciteit naar het buitenland. Het hoogspanningsstation in Maasbracht neemt hier een belangrijke rol in het hoogspanningsnetwerk, doordat het een knooppunt is voor elektriciteitsimport en -export vanuit het buitenland (zie afbeelding 2.4). Regionale ontwikkelingen Aan beide kanten van de 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven wordt steeds meer elektriciteit gevraagd en geleverd. De belasting op de hoogspanningsverbinding neemt in beide richtingen steeds verder toe. Allereerst is dit het gevolg van de toenemende vraag naar elektriciteit in de verschillende regio’s bij Eindhoven en Maasbracht. In de regio’s Midden- en Zuid-Limburg (die door Maasbracht worden bediend), is veel industrie aanwezig. Industrieterrein Chemelot ligt in deze regio, evenals bedrijven die keramiek, glas, metaal en papier produceren.
Deze bedrijven willen verduurzamen en kiezen daarom steeds vaker voor het elektrificeren van hun bedrijfsvoering, wat leidt tot een grotere elektriciteitsvraag. In de Metropoolregio Eindhoven zijn ook veel grote en middelgrote bedrijven gevestigd. De vraag naar elektriciteit stijgt hier door de sterke economische groei. De belasting op de 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt daarnaast versterkt door de toenemende weersafhankelijkheid van de elektriciteitsproductie vanuit duurzame bronnen en de schommelingen op de internationale markt voor elektriciteit (zie afbeelding 2.3). Ook op de lagere elektriciteitsnetwerken van de regionale netbeheerder Enexis groeit de vraag en het aanbod van elektriciteit, zowel door huishoudens als door bedrijven. Ook dit is van invloed op de belasting van de hoogspanningslijnen (tussen Maasbracht en Eindhoven). In vergelijking met Limburg zijn er in Eindhoven meer huishoudens en bedrijven die gebruikmaken van het lagere spanningsnet.
15 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Afbeelding 2.3 Twee momentopnames van één uur in het jaar 2035, waarin de vermogens die de bestaande 380 kVhoogspanningsverbinding tussen Eindhoven en Maasbracht transporteert worden uitgelicht (Berenschot, 2024)
Uitgesloten oplossingen In hoofdstuk 2 van het onderzoeksrapport van de brede onderbouwing zijn een aantal andere oplossingen voor het knelpunt al uitgesloten, op basis van technische en juridische gronden. Hierbij gaat het om: - een nieuwe verbinding tussen Eindhoven en Graetheide: met deze oplossing blijft er een knelpunt bestaan in de onderhoudssituatie; - plaatsen van de nieuwe hoogspanningsverbinding in dezelfde masten als de bestaande (combineren): de masten zijn hier technisch ongeschikt voor en leiden tot onaanvaardbare risico’s op de leveringszekerheid; - een ondergrondse gelijkspanningskabel tussen Rotterdam en Graetheide: met deze oplossing blijft er een knelpunt bestaan in de onderhoudssituatie, en het gaat gepaard met hoge kosten en ruimtebeslag voor converters, kabels en onderhoud. Met de gekozen oplossing voor een nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Eindhoven en Maasbracht wordt de transportcapaciteit verdubbeld en het knelpunt opgelost.
2.3
Wat houdt het project in?
Het project gaat over de aanleg van een nieuwe bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen de bestaande hoogspanningsstations Maasbracht en Eindhoven. Deze nieuwe verbinding is bedoeld om het toenemende tekort aan transportcapaciteit op het bestaande tracé op te lossen. De huidige 380 kVverbinding blijft bestaan. Twee circuits De voorgenomen nieuwe verbinding bestaat uit twee circuits. Een circuit bestaat uit drie onafhankelijke kabels of kabelbundels (geleiders) waar elektriciteit door stroomt. De beide circuits hebben elk een transportcapaciteit van 4.000 ampère. Aan één hoogspanningsmast kunnen twee circuits worden opgehangen: aan beide zijden één. Voor een verbinding van twee circuits is één mastenrij nodig. Afbeelding 2.4 toont een tweecircuitsverbinding.
16 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Afbeelding 2.4 Schematische weergave van vakwerkmasten met aan weerszijden een 380 kV circuit (bron: TenneT)
Masttype Moldau De hoogspanningsverbinding wordt gerealiseerd met vakwerkmasten van het type ‘Moldau’. Deze masten hebben als voordeel dat ze een relatief smalle magneetveldzone en een klein ruimtebeslag hebben ten opzichte van andere typen vakwerkmasten. Daarmee wordt het aantal gevoelige gebouwen (zoals woningen en scholen) binnen de magneetveldzone beperkt. De mast is in de meeste gevallen 58 meter hoog en 30 meter breed. De voet van de mast is in de meeste gevallen 15 bij 15 meter. Hier kan van worden afgeweken bij het kruisen van bijzondere objecten, zoals wegen, spoorlijnen en waterwegen. Afbeelding 2.5 laat een impressie van een 380 kV-hoogspanningsverbinding met masttype Moldau zien. Steunmasten en trekmasten De lijnen van de verbinding hangen in een samenspel van steun- en trekmasten. De steunmasten staan meestal op de rechte delen van het tracé en ‘dragen’ enkel het gewicht van de lijnen. Trekmasten zijn robuuster gebouwd en zorgen er voor dat de circuits niet te laag doorbuigen naar de grond. Daarom staan deze vaak op de knikken van het tracé. Afbeelding 2.5 Doorsnede van Moldau-hoogspanningsmast met aan beide zijdes één circuit (groen omcirkeld) en per circuit 3 bundels van elektriciteitsdraden (links) en een 3D-Visualisatie van een 2-circuits 380 kV-hoogspanningsverbinding in Moldau-masten (rechts) (bron: TenneT)
17 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Magneetveldzone De magneetveldzone is het gebied aan beide kanten van een hoogspanningsverbinding, waarbinnen de jaargemiddelde sterkte van het magneetveld groter is dan 0,4 microtesla. Bij een nieuwe verbinding wordt zoveel als redelijkerwijs mogelijk vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarin gevoelige gebouwen binnen de magneetveldzone komen te liggen. De standaard Moldau-mast heeft een indicatieve breedte van de magneetveldzone van 2 x 65 meter (vanuit het hart van de mast). De exacte breedte van de magneetveldzone is afhankelijk van verschillende parameters, waaronder de stroomspanning, afstand tot en configuratie van de draden, en beïnvloeding door objecten in de omgeving. Afbeelding 2.6 toont een schets van de magneetveldzone rondom een Moldau-mast. Op de website van het Kennisplatform elektromagnetische velden en gezondheid is meer informatie te vinden over het voorzorgbeleid ten aanzien van magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen.
Afbeelding 2.6 Doorsnede van een Moldau-mast met aan weerszijden de magneetveldzone en de ZRO-strook
Bovengronds tenzij Doordat TenneT de wettelijke taak heeft om te voorzien in een betrouwbare elektriciteitsvoorziening, worden nieuwe 220- en 380 kV-hoogspanningsverbindingen in beginsel bovengronds aangelegd. Dit ‘bovengronds, tenzij’ principe is ook verwoord in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) (zie ook paragraaf 2.4). Bovengrondse hoogspanningslijnen hebben namelijk een grotere transportcapaciteit dan ondergrondse kabels, met circa 10 keer minder kans op storingen. Omdat de nieuwe hoogspanningsverbinding is verbonden met het (inter)nationale en regionale elektriciteitsnetwerk legt een ondergrondse kabel een beperking op de stabiliteit van het hele elektriciteitsnetwerk. Daarnaast zijn bovengrondse verbindingen makkelijker te onderhouden, en is de reparatietijd van 8 tot 48 uur aanzienlijk korter dan die van een ondergrondse kabel, met een reparatietijd van 48 uur tot enkele maanden. Deze risico’s verhogen de kans op langdurige storingen die, vanwege de (inter)nationale functie van de nieuwe hoogspanningsverbinding, verregaande gevolgen kunnen hebben voor de leveringszekerheid.
Alleen in uitzonderlijke gevallen is een ondergrondse aanleg van 380 kV-hoogspanningsverbinding te overwegen, namelijk wanneer een bovengrondse hoogspanningsverbinding leidt tot onaanvaardbare hinder, beperkingen of veiligheidsrisico’s voor functies en opgaven van (inter)nationaal belang (zoals luchthavens,
18 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
grote kanalen en rivieren, spoorlijnen, bestaande hoogspanningsinfrastructuur, Natura 2000-gebieden en UNESCO Werelderfgoed). Wanneer hierdoor een bovengrondse hoogspanningsverbinding op een bepaalde locatie niet maakbaar en/of vergunbaar is, kan een ondergrondse aanleg overwegen worden. Voorwaarden hierbij zijn dat er geen andere realistische bovengrondse oplossingen mogelijk zijn, en dat uit elektrotechnisch onderzoek blijkt dat een ondergrondse verbinding gerechtvaardigd is vanuit leveringszekerheid, betrouwbaarheid, operationele aspecten en meerkosten. Zakelijke recht overeenkomst Rondom elke hoogspanningsverbinding ligt een strook waar belemmeringen gelden die met een ‘zakelijk recht overeenkomst’ met de eigenaar van de grond worden vastgelegd, de zogenaamde ZRO-strook. TenneT gebruikt deze strook voor de aanleg en het onderhoud van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Het is van belang dat deze strook vrij blijft van obstakels zoals hoge bomen of bouwwerken. De breedte van de strook is afhankelijk van het soort verbinding en het gebruikte masttype. De standaard type Moldau-mast heeft een indicatieve ZRO-breedte van 2 x 35 meter (vanuit het hart van de mast). Afbeelding 2.6 laat een schets van de ZRO-strook rondom een Moldau-mast zien. Aanlegwerkzaamheden Voor het realiseren van de nieuwe hoogspanningsverbindingen worden werkzaamheden verricht.
Op de locaties van de masten worden voorbereidingen uitgevoerd. Dit gaat allereerst om grondonderzoek naar de bodemgesteldheid en voorbereidend grondwerk, zoals het graven voor funderingen en het aanleggen van toegangswegen en werkterreinen. Na deze voorbereidingen wordt de fundering aangelegd. Vervolgens wordt de mast (in delen) op de locatie gehesen met kranen. Nadat de mast is geplaatst, worden de hoogspanningslijnen door middel van lieren in de mast getrokken. Tot slot wordt de mast getest op veiligheid.
2.4
Samenhang met andere projecten en programma’s
Nationale en provinciale programma’s De energietransitie versnelt en heeft in groeiende mate een impact op de beschikbare ruimte in Nederland. De nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding is dan ook niet het enige project dat in de regio speelt. Het project heeft raakvlakken met verschillende andere projecten en programma’s van zowel TenneT, het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, de provincies Noord-Brabant en Limburg en ontwikkelingen die in de maatschappij plaatsvinden. In tabel 2.1 en tabel 2.2 wordt de hieronder beschreven selectie van programma’s en projecten op nationaal en provinciaal niveau toegelicht. Verder wordt in het plan-MER per thema bekeken welke beleids- en projectprogramma’s relevant zijn, en deze worden meegenomen in de effectbeoordeling.
Tabel 2.1 Samenhang met nationale en provinciale beleidsprogramma’s Beleidsprogramma’s
Relevantie voor dit project
Nationale Omgevingsvisie (NOVI), Programma Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX) en Nota ruimte
De NOVI en NOVEX, zoals NOVEX de Peel en NOVEX Stedelijk Brabant, leggen de langetermijnvisie op ruimtelijke ordening in Nederland vast en zijn essentieel voor de planning van de hoogspanningsverbinding. Ze bevatten richtlijnen voor de inpassing van nieuwe infrastructuur, waar de nieuwe hoogspanningsverbinding rekening mee moet houden, zoals ruimteclaims van natuur, woningbouw en klimaatadaptatie.
Programma Energiehoofdstructuur (PEH)
Dit programma beschrijft de benodigde ruimte voor nationale energie-infrastructuur en inrichtingsprincipes voor elektriciteitsinfrastructuur, onder andere vanuit vereiste niveaus voor veiligheid en gezondheid. Dit is van invloed op de ruimtelijke inpassing en de keuze voor tracés van de nieuwe hoogspanningsverbinding.
19 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Beleidsprogramma’s
Relevantie voor dit project
Meerjarenprogramma Infrastructuur & Klimaat (MIEK)
Het MIEK richt zich op het versnellen van infrastructuurprojecten voor energie en klimaat. Hoewel directe invloed op het zoekgebied beperkt is, ondersteunt het programma de algemene doelstellingen van netverzwaring en verduurzaming, wat relevant is voor de planning en uitvoering van het project.
Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN)
Het LAN streeft naar sneller bouwen van elektriciteitsinfrastructuur om netcongestie op te lossen. Dit sluit direct aan bij de doelstelling van het nieuwe 380 kV-project en kan bijdragen aan versnelling en coördinatie van de bouwactiviteiten.
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD)
Defensie zoekt ruimte voor oefenterreinen en laagvlieggebieden binnen het zoekgebied van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Dit kan beperkingen opleggen aan de mogelijke tracés en vereist afstemming met Defensie om conflicten in ruimtegebruik te voorkomen.
Regionale Energie Strategieën (RES)
De RES beschrijft regionale plannen voor duurzame energieopwekking in Noord- en Midden Limburg en de Metropoolregio Eindhoven. Deze plannen kunnen invloed hebben op de locatiekeuze en de inpassing van de nieuwe hoogspanningsverbinding, omdat er rekening moet worden gehouden met zoekgebieden voor zon- en windenergie.
Omgevingsvisie Noord-Brabant
De visie beschrijft de opgaven voor een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving. De energietransitie vereist aanpassingen aan de energie-infrastructuur, wat direct relevant is voor de nieuwe hoogspanningsverbinding. Er moet rekening worden gehouden met landschappelijke en cultuurhistorische waarden in Brabant.
Omgevingsverordening Noord-Brabant
De verordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Noord-Brabant. De nieuwe hoogspanningsverbinding moet voldoen aan deze regels wat de tracékeuze en inpassing beïnvloedt.
Omgevingsvisie Limburg
Limburg streeft naar een balans tussen bescherming en benutting van de fysieke leefomgeving. De energietransitie en ruimtelijke ontwikkelingen moeten zorgvuldig worden afgestemd, wat van invloed is op de planning en uitvoering van de hoogspanningsverbinding.
Omgevingsverordening Limburg
De verordening beschrijft regels voor beschermde landschappen en natuurgebieden in Limburg, zoals de groenblauwe mantel en Natuurnetwerk Limburg. Het project moet rekening houden met deze regels om negatieve effecten op natuur en landschap te voorkomen.
Tabel 2.2 Samenhang met nationale en provinciale projectprogramma’s Projectprogramma’s
Relevantie voor dit project
Programma Verbindingen Aanlanding Wind Op Zee 20312040 (programma VAWOZ)
Dit programma onderzoekt nieuwe routes voor verbindingen om elektriciteit en waterstof vanaf windparken op zee aan land te brengen, en locaties om deze nieuwe verbindingen aan te sluiten op de bestaande netwerken op land. Hoewel het programma losstaat van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding, kan er indirect invloed zijn door ruimteclaims en integratie van verschillende energie-infrastructuren.
Delta Rhine Corridor (DRC)
De DRC omvat ondergrondse buisleidingen voor waterstof en CO2 voor de industrie, die vanaf Rotterdam door Noord-Brabant naar Zuid-Limburg lopen. Sinds eind 2024 maakt een diepe aanlanding van windenergie op zee in Limburg geen onderdeel meer uit van de DRC. Onderzocht wordt hoe de diepe aanlanding
20 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Projectprogramma’s
Relevantie voor dit project gerealiseerd kan worden en hoe dit zich verhoudt tot het programma VAWOZ. Hoewel de DRC (en de nu separate diepe aanlanding) losstaan van de nieuwe 380 kVhoogspanningsverbinding, kan er indirect invloed zijn door ruimteclaims en integratie van verschillende energieinfrastructuren.
Toekomstperspectief Clausgebied en omgeving
In een toekomstvisie zijn meerdere toekomstscenario’s voor het Clauscentrale-gebied verkend. Hierbij is gekeken naar mogelijkheden van het gebied in relatie tot grote energieprojecten in de regio. Deze plannen kunnen ruimteclaims opleveren die van invloed zijn op de benodigde ruimte voor de aanlanding van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding.
In het plan-MER wordt ook rekening gehouden met regionale en gemeentelijke projectprogramma’s die van invloed kunnen zijn op het project, in het kader van autonome ontwikkelingen (zie ook paragraaf 5.1). TenneT-projecten Verder zijn er ook nog een aantal lopende en aankomende TenneT-projecten die een samenhang hebben met de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven. Deze zijn beschreven in tabel 2.3. We zoeken afstemming met deze projecten op het gebied van tracé-ontwikkeling en externe communicatie daar waar dat noodzakelijk en mogelijk is.
Tabel 2.3 Samenhang met andere lopende of aankomende TenneT projecten TenneT project
Relevantie voor dit project
Vernieuwing 380 kV-hoogspanningsstation Maasbracht
Het verouderde 380/150 kV-hoogspanningsstation Maasbracht wordt vernieuwd, wat essentieel is voor de aansluiting en betrouwbaarheid van de nieuwe 380 kVhoogspanningsverbinding.
Beter Benutten Maasbracht-Eindhoven
De capaciteit van de bestaande 380 kVhoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven wordt uitgebreid tussen 2024 en 2025. Dit project is direct relevant omdat het de netwerkcapaciteit in hetzelfde tracégebied verhoogt, wat invloed heeft op de planning en uitvoering van de nieuwe verbinding.
Beter Benutten Maasbracht-Boxmeer-Dodewaard
De capaciteit van de bestaande 380 kVhoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Dodewaard wordt uitgebreid tussen (naar verwachting) 2028 en 2029. Dit project is relevant omdat het netwerkcapaciteit verhoogt en invloed heeft op de planning van de nieuwe verbinding.
Verzwaring Maasbracht-Graetheide
De bovengrondse verbinding tussen Maasbracht en Graetheide wordt verzwaard van 150 kV naar 380 kV. In de bestaande masten worden nieuwe geleiders gehangen.
Netuitbreiding Maasbracht-Graetheide
Een nieuwe bovengrondse verbinding tussen Maasbracht en Graetheide. Dit is een nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding, naast de bestaande. Deze netuitbreiding is nog in studie door TenneT.
Versterken 150 kV-hoogspanningsverbinding EindhovenMaarheeze
Een nieuwe ondergrondse 150 kV-verbinding tussen Eindhoven Oost en Maarheeze kan invloed hebben op de ruimtelijke inpassing en coördinatie van de nieuwe 380 kVhoogspanningsverbinding.
Station Maarheeze (Bay Replacement Program)
Het hoogspanningsstation Maarheeze wordt vernieuwd en opgewaardeerd, wat de betrouwbaarheid en capaciteit van het
21 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
TenneT project
Relevantie voor dit project netwerk in de regio verbetert. Dit is van belang voor de aansluiting van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding.
Station Eindhoven (Daalakkersweg)
22 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Het 150/380 kV-hoogspanningsstation Eindhoven wordt vernieuwd en uitgebreid. Dit project is relevant voor de aansluiting en integratie van de nieuwe 380 kVhoogspanningsverbinding in het bestaande netwerk.
3 ALTERNATIEVENONTWIKKELING OP HOOFDLIJNEN Dit hoofdstuk beschrijft het proces van de alternatievenontwikkeling op hoofdlijnen. De NOA bevat een uitgebreide toelichting van de alternatievenontwikkeling, en is opgenomen in bijlage II. Hier is ook een overzicht van de (technische) uitgangspunten opgenomen die gehanteerd zijn bij de ontwikkeling van de onderzoeksalternatieven. Wat is een onderzoeksalternatief in deze NRD-fase? Bij het opstellen van een milieueffectrapport is het belangrijk dat onderscheidende, redelijkerwijs mogelijke alternatieven worden beschouwd. Deze set van alternatieven noemen we de onderzoeksalternatieven. Een onderzoeksalternatief bestaat uit een grove lijn, die een indicatief tracé aangeeft van de nieuwe hoogspanningsverbinding. De onderzoeken in het plan-MER brengen de milieu-informatie in beeld waarmee de onderzoeksalternatieven goed beoordeeld en integraal afgewogen kunnen worden. Ook wordt de informatie uit het plan-MER en het IEA gebruikt om te beoordelen of en hoe de onderzoeksalternatieven geoptimaliseerd kunnen worden. Op basis van deze informatie komen de ministers tot een voorkeursbeslissing (zie de projectprocedure in paragraaf 1.3) voor een voorkeursalternatief, dat vervolgens in het project-MER in meer detail wordt uitgewerkt en onderzocht.
3.1
Relevante kenmerken en waarden van het zoekgebied
Zoals opgenomen in het V&P wordt het zoekgebied aan de westzijde grofweg begrensd door de A2. Aan de oostzijde markeren de Maas, de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding naar Dodewaard, de A67 en Helmond op hoofdlijnen het zoekgebied. Afbeelding 3.1 laat een selectie van de ruimtelijke kenmerken van het zoekgebied zien die aan de basis heeft gestaan van de alternatievenontwikkeling. De kaart toont de belangrijkste (spoor)weginfrastructuur, het bestaande hoogspanningsnetwerk en de Natura 2000-gebieden in het zoekgebied. Daarnaast zijn de stads- en dorpskernen weergegeven. Een uitgebreide beschrijving van de relevante kenmerken en waarden van het zoekgebied is te lezen in de NOA (bijlage II).
23 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Afbeelding 3.1 Selectie van relevante kenmerken in het zoekgebied
3.2
Proces alternatievenontwikkeling
Het ontwerpen van een nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding is een proces, dat loopt van de publicatie van het V&P tot het definitieve projectbesluit. In verschillende stappen wordt het ontwerp steeds verder uitgewerkt, van globaal naar gedetailleerd. Voor het bepalen van de onderzoeksalternatieven is een trechteringsproces doorlopen. Dit bestaat uit de volgende stappen: 1 vanuit de uitgangspunten van het V&P zijn de kansen en knelpunten in het zoekgebied in beeld gebracht. Dit met behulp van verkennende bureauonderzoeken voor milieu en planologie (waaronder natuur), landschap, en techniek: · in een kaartanalyse zijn de belemmeringen en kansen vanuit milieu, de omgeving en (toekomstig) ruimtegebruik in beeld gebracht; · de opgestelde landschapsvisie (zie Bijlage I van de NOA) beschrijft de relevante landschapskenmerken, en geeft richting waar en hoe de nieuwe hoogspanningsverbinding in het landschap kan worden ingepast; · technische eisen stellen randvoorwaarden aan het ontwerp, namelijk: - kruisingen met andere 380 kV-hoogspanningsverbindingen worden zo veel mogelijk vermeden; - de lengte van de nieuwe hoogspanningsverbinding wijkt tot circa 10 % af van de lengte van de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven; Alle toegepaste uitgangspunten zijn opgenomen in paragraaf 3.1 van de NOA;
24 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
2
3
het toepassen van deze informatie in het zoekgebied bepaalt de overgebleven oplossingsruimte voor de nieuwe hoogspanningsverbinding. In deze oplossingsruimte zijn de eerste concepten voor de onderzoeksalternatieven ontwikkeld; met aanvullend onderzoek zijn de eerste concepten (op specifieke aandachtspunten) beoordeeld. Dat heeft geleid tot aanscherping en optimalisatie van de concept onderzoeksalternatieven tot de huidige opgenomen onderzoeksalternatieven.
De alternatievenontwikkeling is een stapsgewijs proces, waarbij elke stap voortbouwt op de vorige. Hierbij is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van informatie uit de verkennende bureaustudies, en aangevuld met ‘expert judgement’, oftewel met kennis en ervaring van specialisten.
3.3
Omgevingsproces
In het V&P is het belang van omgevingsparticipatie aangegeven. Het doel van participatie is om mensen en partijen, die zich betrokken voelen bij het project, uit te nodigen om mee te denken en ideeën aan te dragen over het project. Dit zijn burgers, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties. Voorbeelden van participatie zijn het delen van ideeën over aanpassingen op de onderzoeksalternatieven, of het voordragen van geheel nieuwe onderzoeksalternatieven. Hiervoor zijn verschillende momenten beschikbaar tijdens de project- en mer-procedure. De eerste mogelijkheid hiervoor was de terinzagelegging van het V&P, tijdens de totstandkoming van de onderzoeksalternatieven. Op de terinzagelegging van het V&P zijn 86 reacties ingediend. De ingediende aandachtspunten en voorstellen voor onderzoeksalternatieven zijn betrokken bij de ontwikkeling van de onderzoeksalternatieven, de NOA en de concept-NRD. De reactienota geeft antwoord op de ingediende reacties, en wordt tegelijkertijd met deze concept-NRD gepubliceerd. Daarnaast hebben sessies met stakeholders plaatsgevonden waarin de voorstellen voor onderzoeksalternatieven besproken zijn. Deze stakeholders waren overheden en organisaties voor onder andere milieu, landbouw en/of natuurbeheer.
Zij hebben gebiedsinformatie aangeleverd, voorstellen gedaan voor aanpassingen, en/of optimalisaties van de voorgestelde onderzoeksalternatieven gedaan. Daarbij hebben zij hun voorkeuren, bezwaren en zorgen kenbaar gemaakt. Tijdens de terinzagelegging van deze concept-NRD kunnen belanghebbenden de concept-NRD en onderliggende documenten lezen en voorzien van reacties. In het najaar van 2025 worden deze reacties op de concept-NRD en onderliggende documenten betrokken bij het definitief maken van de concept-NRD. Ook in de vervolgfasen van het project zullen er diverse momenten worden georganiseerd voor participatie. Het participatieplan zal gedurende de procedure worden geactualiseerd. De meest actuele versie is in te zien op de website van de RVO.
25 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
4 ONDERZOEKSALTERNATIEVEN Dit hoofdstuk beschrijft op hoofdlijnen de onderzoeksalternatieven die worden onderzocht in het plan-MER. De NOA (zie bijlage II) geeft een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksalternatieven en de totstandkoming hiervan.
4.1
Overzicht van de onderzoeksalternatieven en varianten
De alternatievenontwikkeling heeft vanuit traceringsprincipes geleid tot drie onderscheidende onderzoeksalternatieven, inclusief varianten. De varianten zijn ontwikkeld om mogelijke knelpunten te vermijden en het speelveld aan mogelijke tracés zo breed mogelijk te houden. De onderzoeksalternatieven en varianten geven via een grove lijn de mogelijke, indicatieve tracés weer van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Daarbij zijn combinaties van (onderdelen van) de onderzoeksalternatieven en varianten ook nog mogelijk. Afbeelding 4.1 geeft de onderzoeksalternatieven met de varianten op kaart weer.
26 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Afbeelding 4.1 De onderzoeksalternatieven voor de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven
Afbeelding 4.1 illustreert de volgende onderzoeksalternatieven: - een onderzoeksalternatief aan de westzijde van het zoekgebied, met als voornaamste traceringsprincipe bundeling met de A2. Het tracé ligt westelijk van de Strabrechtse Heide: · met als variant bundeling met de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding ten oosten van Nederweert (in plaats van het tracé tussen Weert en Nederweert); - een onderzoeksalternatief centraal door het zoekgebied, met als voornaamste traceringsprincipe bundeling met de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven: · een variant is een oostelijk vertrek vanaf Maasbracht (in plaats van het westelijk vertrek), met een korte bundeling van de 380 kV-hoogspanningsverbinding richting Dodewaard; · een andere variant is het westelijk passeren van Someren-Eind en Someren (in plaats van het tracé tussen Someren-Eind en Someren); - een onderzoeksalternatief aan de oostzijde van het zoekgebied, met als voornaamste traceringsprincipe bundeling met de A67: · een variant is een korte bundeling met de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding tot voorbij Leveroy, met daarna de doorkruising van het landelijk gebied tot aan de N275 en de Noordervaart (in plaats van een direct tracé richting de A67); · een andere variant is een langere bundeling met de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding, tot aan de Groote Peel, met vanaf daar
tot Meijel een zoekrichting ten oosten van de Groote Peel (in plaats van een direct tracé richting de A67).
27 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
De specifieke kenmerken en ontwerpprincipes worden in de volgende paragrafen kort toegelicht. In de NOA (Bijlage II) is een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksalternatieven en varianten opgenomen, met nadere detaillering van knelpunten.
4.2
Onderzoeksalternatief West
Het westelijke onderzoeksalternatief heeft als voornaamste traceringsprincipe bundelen met de A2. Door te bundelen met de A2 en het kanaal Wessem-Nederweert wordt de ruimtelijke en visuele impact van de nieuwe hoogspanningsverbinding geminimaliseerd. Aanvullende belangrijke traceringsprincipes zijn het vermijden van stads- en dorpskernen, én het minimaliseren van kruisingen met natuurgebieden. De variant om Nederweert oostelijk te passeren (met een bundeling aan de bestaande hoogspanningsverbinding) is ontwikkeld om het knelpunt van de beperkte ruimte tussen Weert en Nederweert te vermijden. Het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven wordt vermeden door het gebied oostelijk te passeren. Afbeelding 4.2 presenteert het onderzoeksalternatief West en de variant op kaart.
Afbeelding 4.2 Onderzoeksalternatief West
4.3
Onderzoeksalternatief Midden
Het middelste onderzoeksalternatief heeft als voornaamste traceringsprincipe bundelen met de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Maasbracht en Eindhoven. Daarmee volgt het tracé een al
28 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
bestaande infrastructuurlijn, waarmee een nieuwe doorkruising door het landschap wordt voorkomen. Het tracé kan zowel parallel ten oosten of ten westen van de bestaande hoogspanningsverbinding lopen. Om vanaf station Maasbracht te vertrekken worden twee mogelijke tracés onderzocht: één ten westen van de Clauscentrale als onderdeel van het onderzoeksalternatief, en één ten oosten in een variant. Om de smalle corridor tussen Someren en Asten als mogelijk knelpunt te vermijden is de variant om het tracé ten westen van Someren te laten lopen ontwikkeld. Afbeelding 4.3 presenteert het onderzoeksalternatief en de varianten op kaart.
Afbeelding 4.3 Onderzoeksalternatief Midden
4.4
Onderzoeksalternatief Oost
Het oostelijk onderzoeksalternatief heeft als voornaamste traceringsprincipe bundelen met de A67. Het tracé buigt daarom af naar het oostelijke gedeelte van het zoekgebied. De twee varianten op het onderzoeksalternatief zijn ontwikkeld om in de afbuiging naar het oosten de balans tussen bundeling met de bestaande hoogspanningsverbinding, rechtstand en lengte van het tracé te optimaliseren. Afbeelding 4.4 presenteert het onderzoeksalternatief en de varianten op kaart.
29 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Afbeelding 4.4 Onderzoeksalternatief Oost
30 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
5 DETAILNIVEAU EN AANPAK MILIEUEFFECTBEOORDELING Dit hoofdstuk beschrijft hoe we de effecten van onderzoeksalternatieven gaan onderzoeken in het plan-MER en het project-MER.
5.1
Referentiesituatie
In een MER worden de effecten van de onderzoeksalternatieven altijd vergeleken met de referentiesituatie. Dat is de situatie die in de toekomst ontstaat als de nieuwe verbinding niet wordt gerealiseerd, maar ander vastgesteld beleid en plannen en projecten wel. De referentiesituatie is gebaseerd op de bestaande situatie van het milieu en een inschatting van de gevolgen van de zogenoemde autonome ontwikkeling. De referentiesituatie wordt beschreven in het plan- en project-MER. Bestaande situatie Het zoekgebied en een aantal relevante kenmerken en waarden in en rondom het zoekgebied hebben we al kort beschreven in paragraaf 3.1. Het MER zal hier uitgebreider op in gaan voor alle milieuthema’s. Een omschrijving van de bestaande situatie is een belangrijke basis voor de beoordeling van milieueffecten. Autonome ontwikkeling Bij de beoordeling van effecten speelt ook de autonome ontwikkeling een rol. Autonome ontwikkelingen omvatten alle ontwikkelingen en activiteiten die met enige zekerheid plaatsvinden. Welke ontwikkelingen tot de autonome ontwikkeling behoren, wordt in het plan- en project-MER gemotiveerd. Vaak zijn dit relevante ontwikkelingen waar op het moment van publicatie van deze concept-NRD ten minste een ontwerpbesluit genomen is.
Door deze autonome ontwikkelingen op te nemen in de referentiesituatie, worden ook de effecten van deze autonome ontwikkelingen met het voornemen beschouwd.
5.2
Beoordelingskader
In het beoordelingskader beschrijven we welke effecten we onderzoeken (welke milieuthema’s), hoe we de effecten beoordelen en met welke methode (kwalitatief/kwantitatief) we het onderzoek uitvoeren. We kijken hierbij naar permanente en tijdelijke effecten door onderscheid te maken tussen de aanleg- en gebruiksfase. Ook onderzoeken we of er naast negatieve effecten ook positieve effecten optreden. En we kijken naar effecten die grensoverschrijdend zijn. Naar verwachting zijn dit effecten op ecologie (draadslachtoffers en stikstofdepositie). Op basis van gemaakte uitvoeringsafspraken worden stappenplannen doorlopen om Vlaanderen en Duitsland te betrekken bij de mer-procedure. Onderdeel van de onderzoeken is het basisontwerp. Dit is het globale ontwerp voor de nieuwe verbinding, met standaard aannames en uitgangspunten die van toepassing zijn op het ontwerp en de werkzaamheden die nodig zijn voor de realisatie van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Per mastlocatie kunnen aanpassingen aan het basisontwerp of de uitvoeringswerkzaamheden noodzakelijk zijn, om de mast op die locatie ook daadwerkelijk te realiseren.
31 | 42
E-MERGE | 141946-B.6/25-006.419 | Definitief
Tabel 5.1 bevat het beoordelingskader voor het MER. In het beoordelingskader staan thema’s, aspecten en criteria. Een aspect is een verdieping of specificatie binnen een bepaald thema. De beoordelingscriteria geven aan hoe we de onderzoeksalternatieven beoordelen op die aspecten. In de derde kolom van tabel 5.1 staat de onderzoeksmethode beschreven, met onderscheid in ‘fase 1’ (het plan-MER) en ‘fase 2’ (het project-MER). De methodes voor fase 1 richten zich op milieu-informatie die aansluit bij de diepgang voor de keuze van een voorkeursalternatief. In deze fase worden de milieueffecten daarom onderzocht op basis van bureauonderzoeken en GIS-analyses. De methodes voor fase 2 zijn erop gericht om de milieugevolgen van het voorkeursalternatief beter in beeld te brengen. De onderzoeken in fase 2 zijn gedetailleerder, met bijvoorbeeld veldonderzoek en kwantitatieve onderzoeken. Na de tabellen volgt in subparagrafen per thema een verdere toelichting.