CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Milieueffectrapport NPRD - Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Ter informatie41.985 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

De alternatieven in Vlissingen hebben vanuit op het perspectief Veiligheid beperkingen vanwege de aanwezigheid van een brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied en windturbines. Vlissingen-3 is vanuit veiligheid potentieel geschikt voor een hoeveelheid munitie tussen scenario 2 (50%) en 3 (25%). Vlissingen- 4 is potentieel geschikt voor scenario 3. De alternatieven in de Eemshaven scoren slechter vanuit veiligheid vanwege de ligging in aardbevingsgevoelig gebied en de aanwezigheid van windturbines. Alternatief Eemshaven-1 scoort slechter dan Eemshaven-6 vanwege grotere risico’s op dominoreacties bij installaties met gevaarlijke stoffen in de omgeving. Perspectief – Landbouw Omdat alle alternatieven gelegen zijn op grootschalige industrieterreinen zijn de effecten op landbouw niet aanwezig. Alle alternatieven scoren op dit perspectief gelijk. Perspectief – Landschap en cultuur Omdat alle alternatieven gelegen zijn op grootschalige industrieterreinen zijn de effecten op landschap en cultuurhistorie niet aanwezig. Alle alternatieven scoren op dit perspectief gelijk. blad 43 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Perspectief –Raakvlakken Bij de alternatieven in de Eemshaven is de combineerbaarheid van Host Nation Support met de ambities op het gebied van waterstofeconomie en de aanlanding van wind op zee in de Eemshaven een aandachtspunt. Bij alternatief Maasvlakte 3 speelt mogelijke strijdigheid met mogelijke plannen voor een nieuwe kerncentrale alsmede de aanlanding Wind op Zee en andere economische activiteiten. Ook zijn in het havengebied van Vlissingen diverse activiteiten rondom aanlanding Wind op Land en bijbehorende bedrijvigheid voor aanvoer, verwerking, opwekking en opslag van waterstof in beeld. In het Voorontwerp Nota Ruimte is voor het havengebied hierbij ook prioriteit gegeven aan energieontwikkelingen, boven andere nationale belangen. Tot slot speelt hier ook de mogelijkheid voor vestiging van een of meerdere kerncentrales een rol.

3.7.2

Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Het meest onderscheidende effect op de omgeving is (externe) veiligheid. Ook op de effecten op Natura 2000, bereikbaarheid en overstromingsrisico’s verschillen de locatie-alternatieven. Voor Defensie zijn het garanderen van het volledig voldoen aan de behoefte, bereikbaarheid en tactische spreiding het meest onderscheidend. Het alternatief Maasvlakte – 3 is het enige alternatief dat, gebaseerd op onderscheidende aspecten, volledig aan de behoefte voldoet. Deze locatie is daarom kansrijk. Maasvlakte 3 is ook een potentieel zoekgebied voor een kerncentrale en andere economische activiteiten. Defensie vindt het wel wenselijk om ook in andere havens (Vlissingen en Eemshaven) aanwezig te zijn. Het gaat hier om kleinere locaties en een deels andere behoefte. Dit is geen onderdeel van het dit onderzoek. In figuur 3-7 zijn de resultaten van de beoordeling op de zes perspectieven te zien.

blad 44 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-7 Beoordeling alternatieven in Zeef 1 op de zes perspectieven voor behoefte VII

3.8

Behoefte VIII – Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit Jachtvliegtuigen zijn van maandag tot en met vrijdag dagelijks in de lucht te vinden. Gemiddeld genomen vliegt Defensie twee keer per dag met vier jachtvliegtuigen vanaf het vliegveld. De meeste vluchten gaan direct naar het oefengebied ten noorden van het land. In mindere mate worden avondvluchten uitgevoerd. Dit is noodzakelijk om onze vliegers te trainen in verschillende omstandigheden. Enkele malen per jaar wordt er meer vanaf het vliegveld gevlogen dan normaal

blad 45 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

vanwege een grote oefening, waarbij meerdere eenheden en landen samenwerken om hun militaire capaciteiten te testen en te verbeteren. Er vinden geen of zeer sporadisch nachtvluchten (na 23.00) plaats. Op een vliegveld worden diverse activiteiten uitgevoerd ter ondersteuning van de vliegactiviteiten. Zo wordt onderhoud aan de vliegtuigen uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ze altijd inzetbaar zijn. Daarnaast zijn er logistieke activiteiten, zoals het beheer van voorraden en materiaal, om onze operaties soepel te laten verlopen. Bovendien zijn er bewakingsactiviteiten aanwezig om de veiligheid en beveiliging van ons personeel, materiaal en faciliteiten te garanderen.

3.8.1

Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven In het MER deel A zijn de effecten van het mogelijk maken van de behoefte voor een toename van de jachtvliegtuigencapaciteit voor negen alternatieven in beeld gebracht. In tabel 3-8 zijn de alternatieven op de impact op het betreffende perspectief onderling gerangschikt conform de systematiek zoals beschreven in paragraaf 2.3. Per perspectief is de rangschikking kort toegelicht. Daarna is in paragraaf 3.8.2 beschreven hoe de eerste trechtering in Zeef 1 naar de kansrijke alternatieven voor deze behoefte heeft plaatsgevonden. In de tabel is alleen bij het perspectief Woonomgeving onderscheid gemaakt in een halve en hele behoefte. Voor de andere perspectieven maakt dit voor de scores geen verschil. tabel 3-8: Beoordeling op perspectieven alternatieven toename gebruik jachtvliegtuigencapaciteit

Alternatief

Water en bodem

Natuur

Woonomgeving half

Landbouw

Landschap en cultuur

Raakvlakken

heel

Vliegbasis Leeuwarden

n.v.t.

Vliegbasis Volkel

n.v.t.

Vliegbasis Woensdrecht

n.v.t.

Vliegbasis Eindhoven

n.v.t.

Vliegbasis Gilze-Rijen

n.v.t.

Vliegbasis De Peel

n.v.t.

Lelystad Airport

n.v.t.

Groningen Airport Eelde

n.v.t.

Twente Airport

n.v.t.

Relatieve beoordeling (links minste impact – rechts meeste impact)

Perspectief – Water en bodem Vanuit het perspectief Water en bodem zijn er weinig aandachtspunten. Lelystad Airport is relatief licht negatiever gescoord, vanwege het overstromingsrisico bij een dijkdoorbraak. Bij vliegbasis Woensdrecht komt de relatief slechtere beoordeling door mogelijke impact van natuurbranden bij langdurige droogte. Bij de overige alternatieven zijn geen aandachtspunten aanwezig. Perspectief – Natuur Woensdrecht is relatief het slechtst op het perspectief natuur beoordeeld vanwege de hogere stikstofbijdragen op nabijgelegen Natura 2000-gebieden in vergelijking met de andere alternatieven. Ook is sprake van geluidsimpact op nabijgelegen Natura 2000 (Vogelrichtlijngebied) Brabantse Wal en impact op (broed)vogels in de omgeving. Hierna hebben Groningen Airport Eelde en Twente Airport negatieve effecten op nabij gelegen Natura 2000-gebieden (verstoring) en op broedvogels. Ook vliegbasis De Peel is hetzelfde gescoord, dit vanwege de impact op nabijgelegen Natura 2000-gebieden (verstoring). Omdat hier in de huidige situatie weinig tot geen vliegactiviteiten aanwezig zijn is geen sprake van gewenning. De overige alternatieven hebben vergelijkbare effecten op vooral broed- en trekvogels. Ook is de mate van stikstofdepositie vergelijkbaar. Omdat alle alternatieven duidelijke effecten op natuur hebben, is de score voor minste impact niet toegekend.

blad 46 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Perspectief – Woonomgeving Een belangrijk aspect in het planMER voor deze behoefte (vanuit omgeving en Defensie ook als zodanig benoemd) is het aantal geluidbelaste woningen en (ernstig) geluidgehinderden. Lelystad Airport heeft significant de minste negatieve geluidseffecten op woningen, zowel bij een hele als een halve behoefte. Vliegbasis De Peel en daarna Groningen Airport Eelde volgen als minst slechte alternatieven op het gebied van geluidshinder. Hierbij heeft Groningen Airport Eelde ten opzichte van De Peel meer woningen met een hoge (> 55 dB) tot zeer hoge geluidsbelasting (> 70 dB). Dit alternatief scoort daarom per saldo slechter (ook al heeft De Peel meer woningen in de laagste geluidbelastingklassen). Deze twee luchthavens hebben over het geheel bezien significant minder geluidbelaste woningen dan de overige luchthavens. Bij een halve behoefte is er sprake van ongeveer de helft van het aantal geluidbelaste woningen ten opzichte van een hele behoefte. Twente Airport en vliegbasis Woensdrecht hebben significant meer woningen in lagere geluidsklassen (48 – 55 dB) dan de hiervoor genoemde drie luchthavens. Hierbij heeft Twente Airport relatief meer woningen in de geluidsklassen tot 70 dB en Woensdrecht juist meer woningen in de hoogste geluidklasse. Bij beide luchthavens is het verschil tussen een halve en hele behoefte aanzienlijk.

De militaire vliegbases Volkel en Leeuwarden hebben duidelijk de hoogste aantallen woningen in alle geluidsklassen en scoren het slechtst op dit thema. De militaire luchthavens Gilze-Rijen en Eindhoven scoren ook slechter, vooral omdat zij vanwege hun ligging in een stedelijke omgeving substantieel hogere aantallen gehinderden hebben. Ook is in deze stedelijke regio’s veel nieuwbouw gepland. Knelpunten voor woningbouw spelen ook bij Twente Airport, met name bij de hele behoefte. Perspectief – Landbouw Bij het perspectief Landbouw zijn vooral verschillen tussen de alternatieven op het aantal graas- en hokdieren in de omgeving. Hierbij scoort vliegbasis De Peel het slechtst. Hier zijn in de omgeving veel graasdieren aanwezig. Bijzonder aandachtspunt is hier de aanwezigheid van een relatief grote concentratie paardenhouderijen. Leeuwarden en Volkel hebben na De Peel de grootste concentratie graas- en hokdieren in de omgeving en zijn daarom relatief slecht gescoord. De aantallen graas- en hokdieren in de omgeving van de overige alternatieven neemt verder af, waarbij Lelystad Airport en vliegbasis Woensdrecht relatief de minste graas- en hokdieren in de omgeving hebben. Perspectief – Landschap en cultuur De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Landschap en cultuur.

Perspectief – Raakvlakken Voor de beoordeling van de alternatieven op het perspectief Raakvlakken is naar een breed palet van aspecten gekeken zoals impact op civiele luchtvaart, nieuwe woningbouwplannen, toekomstige hoofdinfrastructuur, NOVEX en toekomstige bedrijvigheid. Hieruit blijkt dat vliegbasis Eindhoven en Twente Airport de meeste impact hebben. Bij deze alternatieven gaat het om toekomstige woningbouw, civiele luchtvaart, inpassing in het luchtruim en impact op grootschalige bedrijvigheid. Lelystad Airport, vliegbasis Gilze-Rijen en vliegbasis De Peel hebben op minder aspecten negatieve impact dan Eindhoven en Twente Airport. Bij Lelystad Airport gaat het om impact op civiele luchtvaart en inpassing in het luchtruim, bij Gilze-Rijen vooral om diverse woningbouwplannen in de omgeving en bij De Peel vooral om de impact op de doelstellingen van NOVEX De Peel. Groningen Airport Eelde en vliegbasis Woensdrecht hebben op één aspect impact. Voor Groningen Airport Eelde gaat dit om mogelijke impact op aanwezige civiele luchtvaart en bij vliegbasis Woensdrecht om inpassing in het luchtruim. Vliegbasis Leeuwarden en vliegbasis Volkel hebben een licht aandachtspunt op toekomstige woningbouw, maar scoren relatief beter dan de andere alternatieven.

3.8.2

Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Voor het bepalen van kansrijke alternatieven is de impact op de woonomgeving als het meest maatgevende perspectief genomen in de trechtering door Defensie. Uiteraard zijn de andere perspectieven wel volwaardig beschouwd bij het bepalen van kansrijke en niet meer kansrijke alternatieven.

blad 47 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Lelystad Airport heeft significant de minste negatieve geluidseffecten. Zowel bij een hele als een halve behoefte. Op de andere perspectieven scoort Lelystad Airport relatief minder slecht of gemiddeld. Voor zowel de halve als hele behoefte is Lelystad Airport als kansrijk betiteld. Vliegbasis De Peel en daarna Groningen Airport Eelde hebben over het geheel bezien significant minder geluidbelaste woningen dan de overige luchthavens (na Lelystad Airport). Beide alternatieven hebben aandachtspunten op het gebied van natuur en De Peel nog sterker dan Groningen Airport Eelde op het perspectief landbouw. Desalniettemin gaan vanwege de relatief lagere geluidbelasting op woningen dan de andere vliegvelden zowel een hele als een halve behoefte mee naar Zeef 2. Twente Airport en Vliegbasis Woensdrecht hebben significant meer woningen in lagere geluidsklassen dan de hiervoor genoemde drie luchthavens. Bij beide luchthavens is het verschil tussen een halve en hele behoefte aanzienlijk. Daarom worden deze luchthavens voor een halve behoefte meegenomen naar Zeef 2. Hierbij geldt dat met name bij vliegbasis Woensdrecht natuur en bij Twente Airport toekomstige woningbouwplannen een belangrijk aandachtspunt vormen.

Vliegbasis Volkel en Vliegbasis Leeuwarden (alternatief 1: uitbreiden op bestaande locaties) zijn als niet kansrijk betiteld, omdat deze alternatieven vanuit verschillende invalshoeken significant slechter scoren dan de andere locaties. Dit zijn ook de locaties waar de bestaande hinder al aanzienlijk is. De alternatieven vliegbasis Gilze-Rijen en vliegbasis Eindhoven scoren ook slechter dan de kansrijke alternatieven en vallen af in Zeef 1, met name omdat zij vanwege hun ligging in een stedelijke omgeving substantieel hogere aantallen gehinderden hebben. Ook zijn in deze stedelijke regio’s veel nieuwbouwplannen gepland in de nabijheid van de vliegbases. In figuur 3-8 zijn de resultaten van de beoordeling op de zes perspectieven te zien.

blad 48 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-8 Beoordeling alternatieven in Zeef 1 op de zes perspectieven voor behoefte VIII

3.9

Behoefte IX – Onbemande maritieme helikopters Met de maritieme drones verwacht Defensie jaarlijks zo’n 500 vluchten per jaar te maken. Het gaat hierbij om vaardigheidsvluchten en vluchten als onderdeel van oefeningen en patrouilles al dan niet gecombineerd met de maritieme schepen op zee. Daarbij kan met één of meerdere drones gelijktijdig worden geoefend. Deze vluchten zullen gedurende de normale openingstijden van het Maritiem vliegveld de Kooy plaatsen vinden. De drones stijgen verticaal op vanaf de Kooy en vliegen naar de oefengebieden toe. De maritieme drones worden aangedreven door een kerosinemotor en hebben een gewicht van circa 250 kilogram. Ze worden niet uitgerust met munitie. Tijdens de vluchten wordt een specifiek deel van het luchtruim toegewezen aan de drones om veiligheid te garanderen.

blad 49 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

3.9.1

Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven In het MER deel A zijn de effecten van het realiseren van corridors voor onbemande maritieme helikopters voor drie alternatieven in beeld gebracht. In tabel 3-9 zijn de alternatieven op de impact op het betreffende thema onderling gerangschikt conform de systematiek, zoals beschreven in paragraaf 2.3. Per perspectief is de rangschikking kort toegelicht. Daarna is in paragraaf 3.9.2 beschreven hoe de eerste trechtering in Zeef 1 naar de kansrijke alternatieven voor deze behoefte heeft plaatsgevonden. tabel 3-9: Beoordeling op perspectieven alternatieven onbemande maritieme helikopters

Alternatief

Water en bodem

Natuur

Woonomgeving

Landbouw

Landschap en cultuur

Directe routes

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Langs vaarroutes

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Vermijden kwetsbare gebieden

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Raakvlakken

Relatieve beoordeling (links minste impact – rechts meeste impact)

Perspectief – Water en bodem De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Water en bodem. Perspectief – Natuur Vliegactiviteiten met drones leiden mogelijk tot verstoring van natuurwaarden. Effecten op soorten op de grond zijn zeer beperkt, vanwege de vlieghoogte en beperkte (geluid)emissies van drones. De alternatieven voor de corridors gaan over en langs beschermde natuurgebieden. Het alternatief “vermijden kwetsbare gebieden” scoort relatief slechter vanwege de langere route langs kwetsbare duingebieden. De effecten op stikstofdepositie zijn hier naar verwachting het grootst. De route langs de kust leidt tot meer verstoring van vogels, vooral trekvogels. Dit komt omdat, ondanks dat direct vliegen over Natura 2000-gebieden vermeden wordt, de route twee keer langs de kustlijn loopt. Voor trekvogels is de kustlijn een belangrijk herkenningspunt. Het alternatief “direct” scoort licht slechter dan het alternatief “vaarwegen” omdat hier substantieel meer kilometers over Natura 2000gebied, waaronder de Waddenzee, gevolgen wordt. Dit betreft de route naar oefengebied EHD42. Perspectief – Woonomgeving Vliegactiviteiten met drones leiden niet of nauwelijks tot merkbare effecten op de leefomgeving.

Op basis van onderzoek naar de geluidseffecten (met een kleine helikopter als referentie, hetgeen waarschijnlijk een worstcase benadering is) ligt de gemiddelde geluidbelasting alleen in de directe omgeving van vliegbasis De Kooy boven de 45 dB. Het alternatief “vermijden kwetsbare gebieden” scoort iets slechter dan de andere twee alternatieven, omdat significant meer geluidgevoelige objecten aanwezig in de directe omgeving van deze routes. Maar omdat het effect beperkt is, is de score niet in donkerblauw (meest negatieve impact) bepaald. Perspectief – Landbouw De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Landbouw, de geluidsimpact is zeer beperkt en ook de vlieghoogte maakt dat effecten op dieren verwaarloosbaar klein zijn. Perspectief – Landschap en cultuur De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Landschap en cultuur. Perspectief –Raakvlakken De meeste impact is te verwachten op het luchtruimgebruik. De corridors doorkruisen zones en activiteiten in het luchtruim. Een corridor leidt tot grote beperkingen voor overige luchtvaart. Alternatief 3 leidt tot beperkingen voor de civiele luchtvaart (Schiphol) en scoort daarmee relatief het slechtst.

Een nadeel van alternatief “langs vaarroutes” ten opzichte van het alternatief “directe routes” is de langere lus op de Noordzee richting oefengebied EHD-41, waarmee twee maal de route van offshore helikopters wordt doorkruist. Tot slot hebben directe routes wel effect op het luchtruimgebruik, waardoor deze niet helemaal lichtblauw is gekleurd.

blad 50 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

3.9.2

Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Vanuit de beoordeling op omgevingsaspecten scoort het alternatief “langs vaarroutes” het beste. Alle alternatieven doorkruisen zones en activiteiten in het luchtruim, hier is optimalisatie nodig om negatieve effecten en hinder te voorkomen. Het alternatief “vermijden Natura 2000” scoort daarnaast het slechts op het perspectief natuur vanwege de langere route langs de kust. Een aandachtspunt bij de het alternatief “langs vaarroutes” is de ruime bocht op de Noordzee in de richting van oefengebied EHD-41. Voor dit tracédeel lijkt de route uit het alternatief “directe routes” beter te passen. In Zeef 2 is dit nader geoptimaliseerd door het betrekken van goede elementen uit de andere alternatieven. In figuur 3-9 zijn de resultaten van de beoordeling op de zes perspectieven te zien.

figuur 3-9 Beoordeling alternatieven in Zeef 1 op de zes perspectieven voor behoefte IX

3.10

Behoefte X – Stationering en corridors drones voor cargo De cargodrones zijn een nieuw concept waar de Landmacht momenteel nog niet mee werkt. Deze zullen op korte termijn aangekocht worden. Ze dienen specifiek om de 11e Luchtmobiele Brigade te bevoorraden tijdens inzetten waarbij bevoorrading over de weg niet mogelijk is door vijandelijke dreiging. De stationering van de drones voor cargo zal plaatsvinden op het bestaande militaire terrein in Deelen. Hier zal een loods met kantoorruimte gebouwd worden om de drones in op te slaan, te onderhouden en om lessen te geven aan militairen. De drones zullen op het eigen terrein worden getest, maar ze zullen ook naar oefenterreinen in de omgeving vliegen. Dit zal voornamelijk op werkdagen tijdens kantooruren gebeuren, maar incidenteel ook daarbuiten. Ook zullen er corridors in het luchtruim gebruikt worden om naar het NLR Drone Centre in Marknesse en Twente Airport te vliegen. Op deze locaties zal dit nieuwe concept in samenwerking met de industrie verder ontwikkeld worden.

3.10.1

Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven In het MER deel A zijn de effecten van het realiseren van stationering en corridors voor onbemande cargodrones voor vier alternatieven in beeld gebracht. In tabel 3-10 zijn de alternatieven op de impact op het betreffende thema onderling gerangschikt conform de systematiek zoals beschreven in paragraaf 2.3. Per perspectief is de blad 51 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

rangschikking kort toegelicht. Daarna is in paragraaf 3.10.2 beschreven hoe de eerste trechtering in Zeef 1 naar de kansrijke alternatieven voor deze behoefte heeft plaatsgevonden. tabel 3-10: Beoordeling op perspectieven alternatieven stationering en corridors onbemande cargodrones

Alternatief

Water en bodem

Natuur

Woonomgeving

Landbouw

Landschap en cultuur

Raakvlakken

Verbinding tussen vliegvelden

Directe verbinding

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Vermijden gevoelige gebieden

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Directe verbinding

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Vermijden gevoelige gebieden

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Verbinding met oefengebieden

Relatieve beoordeling (links minste impact – rechts meeste impact)

Perspectief – Water en bodem De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Water en bodem. Perspectief – Natuur Vliegactiviteiten met drones leiden mogelijk tot verstoring van natuurwaarden. Alle alternatieven voor de corridors gaan over en langs beschermde natuurgebieden. De directe verbindingen scoren slechter, omdat het aantal kilometer corridor over Natura 2000-gebieden hoger is. Nuancering hierbij is dat vanuit trekvogels de kortste route doorgaans het gunstigst is en hierop dus de langere alternatieven, die gevoelige gebieden ontzien, slechter scoren. Wanneer buiten de trekperiode gevlogen wordt, is gebiedsbescherming waarschijnlijk relevanter dan soortenbescherming, daarom scoren de alternatieven die gevoelige gebieden vermijden beter op het perspectief Natuur. Perspectief – Woonomgeving Vliegactiviteiten met drones leiden niet of nauwelijks tot merkbare effecten op de leefomgeving. Op basis van onderzoek naar de geluidseffecten ligt de gemiddelde geluidbelasting alleen in de directe omgeving van vliegbasis Deelen boven de 45 dB. Vanwege de lagere frequentie van dronevluchten bij de overige vliegvelden en de oefengebieden worden geen relevante effecten op de omgeving verwacht. Effecten op luchtkwaliteit zijn niet te verwachten. Risico’s met betrekking tot omgevingsveiligheid zijn klein.

Impact op de directe omgeving van vliegbasis Deelen, Maritiem Vliegkamp De Kooy, Twente Airport en Marknesse kan verder beperkt worden door bestaande aanvliegroutes van de vliegbasis te gebruiken voor de drones. Het alternatief “vermijden gevoelige gebieden” scoort bij de verbinding met oefengebieden licht beter, omdat minder geluidhinder plaatsvindt. Perspectief – Landbouw De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Landbouw, de geluidsimpact is zeer beperkt en ook de vlieghoogte maakt dat effecten op dieren verwaarloosbaar klein zijn. Perspectief – Landschap en cultuur De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Landschap en cultuur. Perspectief – Raakvlakken De meeste impact is te verwachten op het luchtruimgebruik. De corridors doorkruisen diverse zones en activiteiten in het luchtruim. Een (permanente) corridor leidt hierbij tot grote beperkingen voor overige luchtvaart. Bij het alternatief “directe verbinding” tussen de vliegvelden betreft dit (afhankelijk van de vlieghoogte van de cargodrones) beperkingen voor het vliegverkeer van Lelystad Airport. Het alternatief “vermijden gevoelige gebieden” van de verbinding tussen Maritiem Vliegkamp De Kooy en vliegbasis Deelen leidt tot beperkingen voor de civiele luchtvaart bij Schiphol. Beide alternatieven scoren dus slecht op het perspectief Raakvlakken.

Met name voor de directe route tussen Deelen en De Kooy is wel optimalisatie in mogelijk. blad 52 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

3.10.2

Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Vliegactiviteiten met drones leiden niet of nauwelijks tot merkbare effecten op de leefomgeving. De onderlinge verschillen tussen de alternatieven zijn op milieugebied beperkt. Een directe verbinding is in de meeste gevallen een logisch alternatief, maar heeft bepaalde nadelen (luchtruim en gevoelige natuurgebieden). Ook is de permanente status van dronecorridors een aandachtspunt doordat deze lastig zijn in te passen in het huidig luchtruim. Vanwege de ontwikkelingen in het beheer van het luchtruim, zoals U-Space en de ontwikkeling van drones, is in de toekomst mogelijk geen noodzaak voor het vastleggen van een permanente corridor voor cargodrones. Op basis van de effecten op de omgeving en de inpassing in het luchtruim zijn wel aanbevelingen te geven voor de routes tussen de vliegbases en tussen vliegbasis Deelen en de oefengebieden: • De impact op de omgeving van vliegbasis Deelen kan beperkt worden door bestaande aanvliegroutes van de vliegbasis te gebruiken. Dit geldt ook voor Maritiem Vliegkamp De Kooy, Marknesse en Twente Airport. • Tijdelijke, dynamische corridors verminderen de beperkingen voor overige luchtruimgebruikers. Hierbij is het wenselijk om gedurende het trekseizoen van vogels hier in de routering rekening mee te houden.

De conclusie voor deze behoefte is dat de impact van drones relatief beperkt is. Vermijden van conflicten met de huidige luchtruimindeling en beperken van hinder voor de directe omgeving van het vliegveld zijn de belangrijkste aandachtspunten. Het alternatief ‘directe verbindingen’ tussen vliegvelden en oefengebieden kan als basis dienen om te optimaliseren. Hiervoor kunnen bruikbare elementen van het andere alternatief gebruikt worden, maar vooral aanpassingen in routes en flexibilisering in tijdstippen waarop de route ‘actief’ wordt, leiden tot beperking van de effecten. Hiervoor is in Zeef 2 een aanzet gedaan. Dit geldt niet voor de route tussen Maritiem Vliegkamp De Kooy en vliegbasis Deelen. Een corridor tussen deze locatie stuit op veel plekken op knelpunten met civiel luchtruim en aanvliegroutes van en naar Schiphol en Lelystad Airport. Een dronecorridor tussen Maritiem Vliegkamp De Kooy en vliegbasis Deelen lijkt lastig haalbaar vanwege de route nabij Schiphol of Lelystad Airport. De mogelijkheden van een verbinding via de oostkant zullen nader moeten worden beschouwd. De stationering van drones op Twente Airport leidt tot langere routes naar de oefengebieden in de directe omgeving van vliegbasis Deelen. Dit leidt tot langere vliegtijden en grotere effecten op de omgeving.

De centrale ligging van vliegbasis Deelen tussen oefengebieden (Arnhemse Heide, ASK, Eder- en Ginkelse Heide en Stroe) maakt dat deze locatie de voorkeur heeft. Stationering van drones op Twente Airport valt hierdoor af in Zeef 1. In figuur 3-10 zijn de resultaten van de beoordeling op de zes perspectieven te zien.

blad 53 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-10 Beoordeling alternatieven in Zeef 1 op de zes perspectieven voor behoefte X

3.11

Behoefte XI – Laagvlieggebieden helikopters Een belangrijk deel van de trainingen met helikopters zijn de vaardigheden en tactieken om laag te kunnen vliegen. De behoefte is om jaarlijks 2500 uur te trainen met helikopters in de laagvlieggebieden. Veelal wordt vanaf de locatie waar de helikopters staan gestationeerd naar de laagvlieg gebieden gevlogen. In deze gebieden worden vervolgens uiteenlopende helikopteroefeningen uitgevoerd. Daarbij is geen sprake van vaste routes in het gebied. Dit vindt op dagelijkse basis plaats en de uren worden zoveel mogelijk verspreid over de verschillende laagvlieggebieden. In de laagvlieggebieden zijn van maandag tot en met vrijdag vliegactiviteiten te verwachten. Echter de helikopters zijn niet elke dag aanwezig in deze gebieden. Er zijn periodes waarin meerdere keren per dag één of meer helikopters trainen, maar er zijn ook periodes waarin ze afwezig zijn vanwege oefeningen in het buitenland. In deze laagvlieggebieden zijn geen vaste routes aanwezig. Er wordt zowel overdag als in de duisternis getraind. In de periode van september tot april is dit globaal van 9 uur ’s ochtends tot 11 uur ’s avonds en wordt er dus ook veelvuldig bij duisternis gevlogen. In de zomermaanden is het pas laat donker, zodat het kan voorkomen dat er af en toe tot 1 uur ‘s nachts wordt gevlogen of ’s ochtends heel vroeg.

3.11.1

Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven In het MER deel A zijn de effecten van acht nieuwe laagvlieggebieden voor helikopters beoordeeld op aanwezige waarden en mogelijke hinder. De systematiek voor deze acht alternatieven wijkt af van de overige bovenregionale behoeften. Bij de andere behoeften is sprake van een trechtering naar een voorkeursalternatief. Bij deze behoefte is niet het doel om te trechteren, maar om in principe alle gebieden (alternatieven) als ‘voorkeurspakket’ vast te stellen. Het gaat dus niet om onderling inzicht om te bepalen welk alternatief beter of slechter scoort op de perspectieven. De tabel met blauwtinten is voor deze behoefte niet bedoeld voor trechtering naar een voorkeursalternatief. De beoordeling moet gezien worden als onderlinge vergelijking van de gebieden op basis van aanwezige waarden en mogelijke hinder. Hiervoor is – net als bij behoefte V – een extra blauwtint toegevoegd om de impact beter te duiden tussen de gebieden. Vervolgens is in paragraaf 3.11.2 beschreven of en zo ja welke alternatieven voor laagvlieggebieden nog afvallen na Zeef 1.

blad 54 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie tabel 3-11: Beoordeling op perspectieven alternatieven Laagvlieggebieden helikopters

Alternatief

Water en bodem

N1 (Limburg - Brabant)

n.v.t.

N2 (Brabant)

n.v.t.

N3 (Zeeland - Brabant)

n.v.t.

N4 (Midden-Nederland)

n.v.t.

N5 (Oost-Nederland)

n.v.t.

N6 (Gelderland)

n.v.t.

N7 (Flevoland)

n.v.t.

N8 (Noord-Holland)

n.v.t.

Natuur

Woonomgeving

Landbouw

Landschap en cultuur

Raakvlakken

Relatieve beoordeling (links minste impact – rechts meeste impact)

Perspectief – Water en bodem De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Water en bodem. Perspectief – Natuur Laagvliegen door helikopters leidt tot verstoring van natuur. Het heeft vooral impact op vogels en schrikreacties bij dieren die op de grond leven. De effecten op flora zijn verwaarloosbaar. Voor de beoordeling van de gebieden is gekeken naar de aanwezigheid van Natura 2000, specifiek naar gebieden die onder de Vogelrichtlijn vallen. Daarnaast is gekeken naar de aanwezigheid van weidevogelleefgebieden en de gevoeligheid van gebieden voor broedvogels. De nieuwe laagvlieggebieden variëren sterk in de overlap met Natura 2000-gebied. Het hoogste percentage is 86% (N6: Ginkelse Heide) en het laagste percentage 1% (N2: Zuid-Brabant) van het oppervlak. Bij N3 ligt het percentage lager, maar binnen dit gebied zijn belangrijke (weide)vogelgebieden, zoals de Deltawateren in N3, aanwezig. De effecten voor vogels zijn divers, mede afhankelijk van de soort en het type helikopter. Zo is bij diverse soorten een bepaalde mate van gewenning waargenomen, maar zijn er ook soorten die versterkte gevoeligheid ontwikkelen. Verstoring van (beschermde) soorten is niet uit te sluiten. Nadere analyse van de nieuwe gebieden is nodig om belangrijke aandachtsgebieden voor soorten in kaart te brengen.

Perspectief – Woonomgeving De beoordeling op het perspectief Woonomgeving geeft inzicht in de woningdichtheid van de gebieden. Hierbij is gekeken naar woningen in het buitengebied. Een hogere woningdichtheid in het buitengebied leidt tot een slechtere score. Laagvliegen over stedelijke omgeving (aaneengesloten bebouwing) is niet toegestaan, waardoor daar geen hinder te verwachten is. De woningdichtheid is het hoogst in het gebied N2, gevolgd door N1 en N5. Hier is sprake van relatief veel lintbebouwing of kleinere kernen in het buitengebied. N3 scoort gemiddeld. De woningdichtheid valt lager uit vanwege de aanwezigheid van de Deltawateren. De twee kleinere gebieden N6 en N7 scoren relatief goed omdat deze vrijwel volledig in Natura 2000-gebied (N6) of poldergebied (N7) liggen. Hier zijn vrijwel geen woningen aanwezig. Perspectief – Landbouw Bij het perspectief landbouw is gekeken naar de aanwezigheid en dichtheid van veedieren en paardenhouderijen. Met name op veedichtheid scoort N2 relatief slecht. Hier zijn veel veehouderijen aanwezig in het buitengebied. Daarna kennen de gebieden N1 en N4 relatief hoge dichtheden veedieren. Bij N1 zijn ook relatief veel paardenhouderijen aanwezig. N3 en N6 scoren het minst slecht. Bij N3 ligt de veedichtheid laag, onder andere vanwege de grote omvang open water in dit gebied.

N6 ligt grotendeels over Natura 2000-gebied, daar zijn geen agrarische functies aanwezig.

blad 55 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Perspectief – Landschap en cultuur Bij landschap en cultuur is onder andere gekeken naar de overlap met nationale landschappen en parken en de aanwezigheid van landgoederen. Eén gebied ‘overlapt’ met Nationaal Park De Veluwe (N6). N4 ligt vrijwel volledig over het Groene Hart. Ook wordt hier een deel van de molens van Kinderdijk (UNESCO-werelderfgoed) geraakt. Daarom zijn deze relatief als meest negatieve impact op dit perspectief beoordeeld. Bij de overige gebieden is de omvang van nationale landschappen of parken beperkt. Wel zijn in N5 diverse landgoederen aanwezig. De beoordeling is verder gebaseerd op de omvang van recreatie en toerisme, waardoor N3 relatief slechter scoort. N1, N2 en N7 raken geen nationale landschappen of parken en de omvang van recreatie en toerisme is hier relatief beperkt. Perspectief – Raakvlakken Bij het perspectief Raakvlakken komen meerdere thema’s samen. Voor laagvlieggebieden is onder andere gekeken naar de aanwezigheid van (zoekgebieden voor) windturbines en hoogspanningsverbindingen. N7 en N8 springen eruit, door deze gebieden lopen tracés voor nieuwe hoogspanningsverbindingen. N7 scoort relatief het slechtst, doordat de ruimte buiten de tracés en de bestaande energievoorzieningen beperkt is. Op sommige plekken zijn conflicten met overig luchtruimgebruik. Bij N4 en N5 overlapt het gebied met civiel laagvlieggebied.

Dit vraagt om nadere analyse van begrenzingen. Daarom zijn deze gebieden relatief slechter beoordeeld op dit perspectief dan de andere gebieden (na N7 en N8). Bij N1, N2 en N3 raakt het laagvlieggebied de CTR van overige vliegvelden. Bij N1 betreft dit de CTR van Budel. Bij N2 en N3 betreft dit de CTR van vliegbasis Gilze-Rijen en vliegbasis Woensdrecht

3.11.2

Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven In het MER zijn de acht potentiële nieuwe laagvlieggebieden geanalyseerd en vergeleken met de bestaande laagvlieggebieden. Uit de analyse blijkt dat er geen wezenlijke verschillen zijn in de aanwezige waarden en kenmerken van de gebieden in vergelijking met de bestaande laagvlieggebieden. De nieuwe laagvlieggebieden hebben een vergelijkbare diversiteit in gebiedskenmerken, woningdichtheid en ruimtegebruik. Dit maakt dat nieuwe gebieden niet slechter scoren dan de bestaande gebieden. Het toevoegen van nieuwe gebieden maakt het mogelijk om de laagvliegactiviteiten uit te breiden en hinder beter te spreiden over het land. In beginsel geldt dat spreiding van het gebruik over de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden per saldo leidt tot een afname van de hinder voor bestaande laagvlieggebieden, ondanks dat sprake is van meer oefenen. Ook kan door toevoeging van nieuwe gebieden meer gevarieerd worden, hetgeen de oefenmogelijkheden verbetert en hinder kan verspreiden. In vrijwel alle nieuwe laagvlieggebieden zijn mogelijkheden voor optimalisatie. Bijvoorbeeld door bepaalde gebieden aan de randen uit te sluiten of zones binnen een laagvlieggebied als niet wenselijk voor gebruik of intensief gebruik aan te merken.

Dit geldt ook voor beperkingen in vliegen in bepaalde gebieden in bepaalde perioden (zoals de trekperiode, bird-sanctuaries of broedperiode voor vogels). De begrenzing van de nieuwe laagvlieggebieden vraagt na deze Zeef 1 om een nadere detaillering. De begrenzingen liggen nu deels over bebouwd gebied of in de nabijheid van vliegvelden. Locaties aan de randen van nieuwe laagvlieggebieden waar laagvliegen niet of zeer beperkt mogelijk is, kunnen ‘afgesneden’ worden van de gebieden. Daarnaast geldt dat de nieuwe laagvlieggebieden op één of meerdere plekken zijn aangesloten op bestaande laagvlieggebieden. De aansluiting is in de begrenzingen uit de NRD niet op alle plekken goed uitgewerkt. Op sommige locaties bestaat de aansluiting uit een smalle ‘corridor’. Dit is onwenselijk, omdat deze corridors mogelijk druk bevlogen worden, wat tot significant meer hinder ter plaatse kan leiden. Om smalle corridors tussen laagvlieggebieden te voorkomen wordt bij het vervolg gekeken naar het optimaliseren van verbindingen tussen bestaande en nieuwe laagvlieggebieden. In Zeef 1 is ook gekeken naar de effecten van toepassing van een stringent of flexibeler planologisch regime. De instelling van een streng of relatief streng regime heeft (zeer) negatieve effecten op de energietransitie (bouw van windturbines) en in sommige gebieden voor woningbouw (hoogbouw).

Gebieden kunnen deels ‘op slot’ komen te zitten. Met de grote opgaven die in Nederland spelen is dat een onwenselijke situatie (ook voor Defensie). blad 56 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

In een licht planologisch regime is en blijft ruimte voor de bouw van nieuwe windparken of hoogbouw. Dit levert beperkingen op voor de vliegers, maar gezien de grootte van de gebieden is dit in principe geen probleem. Een licht planologisch regime gaat vooral uit van een goede en tijdige afstemming. Dit is wenselijk, omdat bijvoorbeeld de opstelling van windturbines uitmaakt hoe helikopters eenvoudig van gebied A naar gebied B kunnen vliegen. De conclusie is dat strenge planologische regimes afvallen en een licht planologisch regime als kansrijk wordt betiteld. Voor de alternatieven voor nieuwe laagvlieggebieden geldt dat alle acht alternatieven als kansrijk gezien worden. Er zijn onderlinge verschillen in omvang en obstakels, maar geen van de laagvlieggebieden is op voorhand ongeschikt. Ook hebben ze dezelfde hinderverwachting als bestaande laagvlieggebieden. Wel zijn optimalisaties aan de gebieden mogelijk, waaronder: • Landgrenzen goed meenemen, bijvoorbeeld bij Baarle-Hertog. • Randen van de gebieden nader detailleren. Hierbij kunnen aan de randen delen worden afgesneden, bijvoorbeeld bij grotere bebouwingsconcentraties. • Voor natuur-, recreatie- en stiltegebieden is in de praktijk al dubbelgebruik met Defensie gangbaar, wel kijken naar ‘beperkingen’ in sommige seizoenen of tijdstippen.

• Bijsnijden grenzen nieuwe laagvlieggebieden met bestaande laagvlieggebieden en corridors maken waar nieuwe en bestaande gebieden aan elkaar grenzen. Deze optimalisaties zijn in het kader van Zeef 2, mede na een ateliersessie met de provincies, nader uitgewerkt. In figuur 3-11 zijn de resultaten van de beoordeling op de zes perspectieven te zien.

blad 57 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-11 Beoordeling alternatieven in Zeef 1 op de zes perspectieven voor behoefte XI

3.12

Behoefte XII – Helikopterlandingsplaatsen De primaire taak van transporthelikopters is het vervoeren van mensen en materieel. De behoefte is jaarlijks 24.000 vliegbewegingen verdeeld over meerdere oefenterreinen. De militaire oefenterreinen zijn geschikt om het starten en landen in een zo realistisch mogelijk scenario te beoefenen. Deze oefeningen worden zowel als zelfstandige oefeningen als onderdeel van een groter scenario uitgevoerd. Hiervoor is een groter deel van het oefenterrein nodig, zodat de landingsplekken beter aansluiten bij de oefening en er met meerdere helikopters tegelijkertijd kunnen starten dan wel landen. Wanneer helikopters op een oefenterrein aan het trainen zijn, is dat vaak hoorbaar en zichtbaar in de omgeving. Van maandag tot en met vrijdag worden er dagelijks oefeningen uitgevoerd door de helikopters, maar deze worden zoveel mogelijk verdeeld over de verschillende oefenterreinen. Er zijn periodes dat er meerdere keren blad 58 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

per dag 1 of meerdere helikopters zullen trainen. Er zijn ook periodes dat de helikopters er niet zijn omdat ze dan bijvoorbeeld in het buitenland zijn voor een oefening. In de periode van september tot april is dit globaal van 9 uur ’s ochtends tot 11 uur ’s avonds en wordt er dus ook veelvuldig bij duisternis gevlogen. In de zomermaanden is het pas laat donker zodat het kan voorkomen dat er af en toe tot 1 uur ‘s nachts wordt gevlogen of ’s ochtends heel vroeg.

3.12.1

Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven In het MER deel A zijn de effecten van helikopterlandingsplaatsen op 38 alternatieven in beeld gebracht: vijftien bestaande helikopterlandingsplaatsen (waar meer ruimte om te landen gezocht wordt) en 23 nieuwe helikopterlandingsplaatsen. Anders dan bij de andere behoeften is voor de alternatieven geen impactanalyse per locatie op de zes perspectieven gemaakt. De eerste reden is dat de impact van de behoefte beperkt is. De perspectieven ‘Bodem en water’, ‘Landbouw’ en ‘Raakvlakken’ zijn niet relevant bij het zoeken naar ruimte voor helikopterlandingsplaatsen op bestaande Defensieterreinen. De tweede reden en doorslaggevende reden is dat er sprake is van een andere afweging. In tegenstelling tot andere behoeften is de wens om in principe alle helikopterlandingsplaatsen mee te nemen in de besluitvorming, tenzij de effecten van dien aard zijn dat dit niet wenselijk is vanwege de impact op de fysieke leefomgeving. Om deze reden is geen ‘blauwtintentabel’ gemaakt om te trechteren naar een voorkeurslocatie, maar is de impact van de alternatieven wel met behulp van de blauwtinten in beeld gebracht. Hierbij geeft de donkerte van de blauwtint aan in hoeverre de locatie geschikt is (lichtblauw voor relatief veel gebruik) en donkerblauw als relatief veel aandachtspunten voor gebruik voor helikopterlandingsplaatsen.

De blauwtint is een geaggregeerde beoordeling van de samenvattende tabellen per bestaande en nieuwe helikopterlandingsplaats uit het bijlagenrapport behoefte XII. Samengevat is na de tabel nog wel in het algemeen een beschouwing gegeven op de relevante perspectieven. tabel 3-12 Beoordeling geschiktheid helikopterlandingsplaatsen

Helikopterlandingsplaan (HLP)

Mate van geschiktheid

Artillerie Schietkamp + Legerplaats bij Oldenbroek OT Arnhemse Heide OT Beekhuizerzand OT De Vijf Eiken OT De Vlasakkers OT Eder-Ginkelse Heide OT Ermelosche Heide OT Garderenseveld OT Leusderheide OT Marnewaard OT Oirschotse Heide OT Stroese Zand OT Waalsdorpervlakte OT Woldberg/ Vliegstrip Vliehors Infanterie Schietkamp Kamp De Kiek OT De Haar OT De Zande OT Doorn-Driebergen OT Havelte-Oost OT Havelte-West OT Het Groote Veld

blad 59 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

OT Hoog Moersbergen OT Langenboom OT Olst-Welsum OT Ossendrechtse Heide OT Oude Kamp OT Rucphense Heide OT Vrachelse Heide OT Vughtse Heide OT Wezeperberg OT Woensdrechtse Heide Overdiepsepolder SB Witten Springterrein Schaijk Paraspringterrein Regte Heide

Relatieve beoordeling (links minste impact – rechts meeste impact)

Perspectief – Water en bodem De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Water en bodem. Perspectief – Woonomgeving De helikopterlandingsplaatsen zijn beoordeeld op beschikbare ruimte die overblijft als rekening wordt gehouden met hindercontouren rond gevoelige objecten. De meeste bestaande terreinen zijn dermate groot dat er voldoende ruimte op het terrein overblijft buiten de hindercontour van 400 meter. Door de helikopterlandingsplaats op afstand van gevoelige objecten te positioneren is hinder voor de omgeving te voorkomen, ook bij grote aantallen landingen. Dit geldt niet voor de locaties Vijf Eiken, Vlasakkers, Garderenseveld en Woldberg/Vliegstrip. Bij Vijf Eiken zorgt de directe nabijheid van recreatiewoningen en campings voor substantiële beperkingen in het aantal landingen. Bij de andere drie locaties is ruimte voor maximaal 3.500 vliegtuigbewegingen vanuit geluidshinder bezien. Bij de nieuwe helikopterlandingsplaatsen zijn beperkingen in het aantal vliegtuigbewegingen vanwege hindercontouren vooral te zien bij de kleinere locaties, zoals oefenterrein De Zande, Olst-Welsum en Overdiepsepolder. Grotere terreinen, zoals oefenterrein De Haar, Ossendrechtse Heide of SB Witten zijn dermate groot dat dit niet of nauwelijks leidt tot beperkingen in het aantal landingen.

Door de helikopterlandingsplaats (dit is dan breder dan één plek maar een gebied) op afstand van gevoelige objecten te positioneren is hinder voor de omgeving te voorkomen, ook bij grote aantallen landingen. Een aandachtspunt bij vrijwel alle locaties is dat hier ook vaak medegebruik van recreatie (op enige afstand) plaatsvindt. Het mogelijk maken (of vergroten) van het landen met helikopters heeft op natuurbeleving een negatieve impact. Perspectief – Natuur De bestaande helikopterlandingsplaatsen liggen ofwel volledig binnen Natura 2000 of volledig buiten Natura 2000. Locaties die (vrijwel) volledig onderdeel uitmaken van Natura 2000-gebied krijgen een donkere score op natuurwaarden. Er zijn geen bestaande helikopterlandingsplaatsen die gedeeltelijk binnen Natura 2000 liggen. Van de nieuwe helikopterlandingsplaatsen liggen enkele locaties volledig binnen Natura 2000-gebied. Van de overige locaties liggen de meeste binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Alleen de oefenterreinen De Haar en Havelte-West liggen niet binnen beschermd natuurgebied. Van belang is echter vooral de mogelijke verstoringseffecten op hiervoor gevoelige soorten en specifieke habitats. Het aantal landingen heeft hier impact op, maar ook de periode van het jaar die mogelijk uitgesloten kan worden.

blad 60 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Perspectief – Landbouw De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Landbouw. Perspectief – Landschap en cultuur De meeste bestaande helikopterlandingsplaatsen hebben veel (meer dan 50 ha) open terrein met voldoende aaneengesloten plekken. Voor oefenterreinen De Vijf Eiken, Garderenseveld en Woldberg/Vliegstrip geldt dit niet. Hier is nauwelijks open terrein aanwezig, waardoor de ruimte voor helikopterlandingen klein is. Bij de nieuwe locaties laat de beoordeling op de omvang van open terrein een divers beeld zien. Op enkele nieuwe locaties, zoals oefenterreinen Hoog Moersbergen, Langenboom en Vrachelse Heide is vrijwel geen open terrein aanwezig. Er zijn ook locaties waar open terrein aanwezig is, maar binnen hindercontouren gelegen. Deze open ruimte kan alleen benut worden bij een laag aantal vliegtuigbewegingen. Perspectief – Raakvlakken De beschouwde locaties voor helikopterlandingen vinden allen plaats op Defensieterreinen. Er zijn geen belangrijke raakvlakken met andere (rijks)belangen geconstateerd in het onderzoek.

3.12.2

Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Vliegbewegingen, landen en opstijgen voor helikopters leiden tot effecten op de omgeving. Dit gaat om effecten van geluid, effecten vanwege veiligheidscontouren, effecten door trillingen en verstoringseffecten op natuur. De omvang van deze effecten wordt voornamelijk bepaald door het aantal landingen op jaarbasis en de afstand tot gevoelige objecten. Effecten nemen toe bij meer landingen, de impact (hinder) neemt af bij grotere afstanden tot gevoelige objecten. Hoeveel landingen mogelijk zijn per gebied, wordt daarom bepaald door de omvang en nabijheid van gevoelige objecten. De beoordeling van de bestaande en nieuwe helikopterlandingsplaatsen laat zien dat geen duidelijk onderscheid is in aanwezige gebiedskenmerken en -waarden. Zowel bij de bestaande als nieuwe locaties is veelal sprake van aanwezige natuurwaarden. Voor alle locaties geldt dat de aanwezigheid van (beschermde) soorten niet uitgesloten kan worden. Dit vraagt in de vervolgprocedure om nader onderzoek. In de huidige situatie is al sprake van verstoring van natuurwaarden en soorten Alle locaties (alternatieven) zijn terreinen van Defensie die in verschillende mate gebruikt worden voor militaire doeleinden. Op veel van deze terreinen vinden vliegactiviteiten plaats.

Voor de locaties zonder aangewezen helikopter landingsplaatsen is landen en stijgen niet toegestaan (wel minder dan 12x per jaar bij toestemming van de grondeigenaar/terreinbeheerder). Het laten landen van helikopters in plaats van blijven vliegen kan zelfs tot afname van verstoring leiden (omdat minder vermogen van de motoren wordt gebruikt, hetgeen leidt tot minder geluid). Hier is in de beoordelingen echter niet van uitgegaan. Aanwezige natuurwaarden kunnen wel een rol spelen bij de keuze voor de helikopterlandingsplaats binnen het alternatief. Bijvoorbeeld door de landingsplaats te situeren buiten bepaalde kwetsbare habitattypen of leefgebieden in Natura 2000-gebied. Ook het aantal landingen per jaar is hier van toepassing op. Geconcludeerd is in het onderzoek dat de meeste locaties voor helikopterlandingsplaatsen kansrijk zijn of niet bij voorbaat niet kansrijk. Er zijn wel verschillen in ruimte en belemmeringen tussen de zoekgebieden, waardoor niet in alle zoekgebieden hetzelfde aantal landingen kan plaatsvinden. Zo hebben enkele locaties (zoals DoornDriebergen, Hoog Moersbergen, Olst-Welsum en Woensdrechtse heide) diverse grote aandachtspunten door aanwezige natuur, woningen en/of de afwezigheid van open plekken in het gebied. Echter, bij sommige van deze terreinen zijn nog wel kleinere locaties voor helikopterlandingen mogelijk.

Daarom is voor Zeef 2 inzichtelijk gemaakt hoeveel ruimte er over blijft als de aanwezige belemmeringen gerespecteerd worden. Dit is uit te drukken in hectares. Ook is het perspectief vanuit Defensie (verdringing en type gebieden) hierbij een belangrijke parameter voor de keuze van de gebieden en per gebied een bepaald aantal landingen toe te wijzen. Alle locaties gaan door naar Zeef 2. Hierbij worden deze geoptimaliseerd en ook indicatief het aantal potentiële vliegbewegingen dat mogelijk is in een gebied (op basis van gebiedskenmerken en aandachtspunten) in beeld gebracht.

blad 61 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

In figuur 3-12 zijn ter illustratie de overgebleven (lees: alle) helikopterlandingsplaatsen na beoordeling in Zeef 1 te zien.

figuur 3-12 Beoordeling geschiktheid locaties (alternatieven) in Zeef 1 op de zes perspectieven voor behoefte XII

blad 62 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

3.13

Behoefte XIII – Korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport Onze tactische transportvliegtuigen moeten oefenen om van korte en onverharde banen te vliegen. Dat is een training voor zowel de vliegers als voor de eenheden die de baan klaar moeten maken voor de landing. Nadat de baan gereed is gemaakt en is goedgekeurd kan er tactisch op de baan worden geland. In totaal gaat het om 240 vliegbewegingen per jaar. De training zal bestaan uit ongeveer zes vluchten in de maand waarbij een vliegtuig een lage nadering, landing en vertrek zal uitvoeren op de korte onverharde baan. Er zijn een aantal verschillende procedures die geoefend kunnen worden. De nadering- en vetrekprocedures zijn zichtbaar en merkbaar nabij het vliegterrein. Tussentijds zal het vliegtuig enkele minuten aan de grond blijven staan om het laden/lossen van vracht en militairen te beoefenen. Enkele malen per jaar wordt er meer naar de korte baan gevlogen om training voor de vliegers en ondersteunende eenheden op peil te houden. Dan zullen enkele vliegtuigen meerdere keren een landing op de korte baan trainen. Een deel van de landingen zal ook in het donker gedaan worden omdat dit de belangrijkste oefening is voor de vliegers.

3.13.1

Inzicht in de impact van de perspectieven In het MER deel A zijn de effecten van de realisatie van een korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport voor negen alternatieven in beeld gebracht. In tabel 3-13 zijn de alternatieven op de impact op het betreffende thema onderling gerangschikt, conform de systematiek zoals beschreven in paragraaf 2.3. Per perspectief is de rangschikking kort toegelicht. Daarna is in paragraaf 3.13.2 beschreven hoe de eerste trechtering in Zeef 1 naar de kansrijke alternatieven voor deze behoefte heeft plaatsgevonden. tabel 3-13 Beoordeling op perspectieven alternatieven korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport

Alternatief

Water en bodem

Natuur

Woonomgeving

Landbouw

Landschap en cultuur

Vliegbasis Deelen

n.v.t.

Vliegbasis De Peel

n.v.t.

Vliegbasis Gilze-Rijen

n.v.t.

Twente Airport

n.v.t.

Oefenterrein De Haar

n.v.t.

Oefenterrein Havelte-West

n.v.t.

Oefenterrein Leusderheide

n.v.t.

Oefenterrein Oirschotse Heide

n.v.t.

Oefenterrein Rucphense Heide

n.v.t.

Raakvlakken

Relatieve beoordeling (links minste impact – rechts meeste impact)

Perspectief – Water en bodem Vanuit het perspectief Water en bodem scoren vliegbasis De Peel, Twente Airport en oefenterrein De Haar het minst positief. Bij De Haar kunnen op verschillende plekken in het gebied hoge grondwaterstanden tot circa 0,2 meter onder maaiveld voorkomen. In natte perioden (late herfst en winter) is het gebruik van de landingsbaan daardoor niet of in beperkte mate mogelijk en ook heeft de landingsbaan mogelijk invloed op het grondwater. Oefenterrein De Haar scoort daarom het slechtst. Bij vliegbasis De Peel kan afhankelijk van de ligging van de onverharde landingsbaan de aanwezigheid van het Peelkanaal een negatief effect hebben. Ook moet bij beide alternatieven oppervlaktewater mogelijk gedempt wordt of duikers geplaatst worden. Bij Twente Airport tenslotte is sprake van een relatief hoge grondwaterstand op diverse plekken in het gebied. Bij vliegbasis Gilze-Rijen en oefenterrein Havelte-West zijn de gemiddelde hoogste grondwaterstanden ruim één meter onder maaiveld. Bij de andere alternatieven (vliegbasis Deelen en oefengebieden Leusderheide, Oirschotse Heide en Rucphense Heide) liggen deze nog dieper waardoor (nog) minder mogelijke aandachtspunten met de ondergrond spelen. Daarom zijn vliegbasis Gilze-Rijen en Havelte-West licht negatiever gescoord dan deze blad 63 van 331

Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

alternatieven. De effecten op bodemkwaliteit zijn beperkt ingeschat en daarom niet meegenomen in deze beoordeling. Perspectief – Natuur Het perspectief natuur beoordeelt de alternatieven op de impact op beschermde natuurgebieden en soorten. Belangrijkste verstoringsfactoren zijn optische en visuele verstoring en effecten als gevolg van stikstofemissies. Twee alternatieven leiden tot aanzienlijk grotere effecten op stikstofdepositie: vliegbasis Deelen en oefenterrein De Haar. Dit komt door de directe nabijheid van stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Bij vliegbasis De Peel, Twente Airport en oefenterrein Havelte-West zijn lagere bijdragen berekend. Bij oefenterreinen Leusderheide, Oirschotse Heide en Rucphense Heide zijn geen bijdrages berekend bij 240 vliegbewegingen. De meeste locaties maken vrijwel volledig onderdeel uit van NNN. Alleen oefenterreinen Leusderheide en Oirschotse Heide maken geen onderdeel uit van het NNN (maar worden wel als zodanig beheerd). Om deze reden hebben niet de meest lichte blauwtint gekregen. Bij de verstoring van (beschermde) soorten is gekeken naar de nabijheid van vogelrichtlijngebieden en de gevoeligheid van de omgeving voor broedvogels en trekvogels. Oefenterrein Havelte-West is een van de locaties waar veel vogelrichtlijnsoorten te verwachten zijn, dit geldt ook voor Deelen midden op de Veluwe.

Oefenterrein Rucphense Heide ligt in een gebied waar de gevoeligheid voor broedvogels en trekvogels beperkt is. Perspectief – Woonomgeving Vanwege het beperkt aantal vliegtuigbewegingen op jaarbasis is de impact op de geluidbelasting en luchtkwaliteit beperkt. Twee locaties springen er uit als het gaat om de (toename van) geluidbelasting. Bij vliegbasis Gilze-Rijen zorgt de toevoeging van deze behoefte tot uitbreiding van de huidige geluidbelasting (voornamelijk door helikopterverkeer). Het aantal ernstig gehinderden neemt hierdoor toe met 10 tot 20 personen. Bij oefenterrein Havelte-West liggen er 10 – 25 woningen binnen de 55 dB-contour. Bij de overige locaties is het aantal woningen binnen de 55 dB-contour beperkt. Bij 240 vliegtuigbewegingen blijft dit aantal onder de 10. Er zijn geen woningen binnen de 70 dB-contour op deze locaties. Perspectief – Landbouw De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Landbouw. Perspectief – Landschap en cultuur De alternatieven hebben geen impact op het perspectief Landschap en cultuur, gezien het huidig gebruik door Defensie, status in de waardenkaarten en geen van de gebieden is onderdeel van een Nationaal Landschap. Perspectief – Raakvlakken De behoefte voor een onverharde landingsbaan leidt tot activiteiten in het luchtruim met mogelijke hinder voor overige luchtruimgebruikers.

Oefenterrein Rucphense Heide ligt deels binnen de CTR van Woensdrecht. Ook Airport Seppe en de bijbehorende aanvliegroute liggen in de nabijheid van het oefenterrein. Bij oefenterrein Oirschotse Heide is de nabijheid van vliegbasis Eindhoven, waar civiel medegebruik plaatsvindt, een aandachtspunt. Twente Airport scoort negatief vanwege de impact op civiele luchtvaart op dit vliegveld. Een ander belangrijk rijksraakvlak zijn de energienetwerken. Bij bestaande vliegvelden zijn geen energienetwerken (of zoekgebieden) aanwezig die tot belemmeringen leiden. Bij oefenterrein De Haar ligt een hoogspanningsverbinding door de oostkant van het gebied. Bij oefenterrein Leusderheide ligt een zoeklocatie voor windturbines. Deze invulling botst met bestaande militaire activiteiten op het oefenterrein.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15837066/1