Milieueffectrapport NPRD - Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket
Tekst van het document
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025
www.anteagroup.nl
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025
Opdrachtgever Ministerie van Defensie
datum 1 mei 2025
beschrijving definitief
vrijgave Antea Group
Inhoudsopgave Leeswijzer
7
1.
Van potentieel kansrijke alternatieven naar een Voorkeurspakket
8
1.1 1.2 1.2.1 1.2.2 1.2.3 1.2.4 1.3
Het startpunt van dit deel B Het proces van trechtering: via drie “zeven” naar een Voorkeurspakket Zeef 0 – Selectie potentieel kansrijke alternatieven voor de bovenregionale behoeften Zeef 1 – Vanuit een uitgebreide analyse per alternatief vallen niet kansrijke alternatieven af Zeef 2 – Selectie Voorkeursalternatief: naar een voorkeurspakket voor het NPRD Het Zeefproces voor de locatiespecifieke behoeften Conclusie: de impact op de fysieke leefomgeving speelt een centrale rol bij het trechteringsproces
8 13 14 14 15 16 18
2.
Perspectieven om te komen tot een voorkeurspakket voor het NPRD
19
2.1 2.1.1 2.1.2 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.4 2.4.1 2.4.2
Zes perspectieven op de behoeften met alternatieven in Zeef 1 De zes perspectieven toegelicht Herleidbaarheid thema’s per perspectief Wijze van beoordeling van de perspectieven Herleidbaarheid van de blauwtinten Geen weging tussen perspectieven, maar wel een zorgvuldige integrale afweging Via perspectieven naar kansrijke alternatieven Van kansrijke alternatieven met nader onderzoek en aanvullende perspectieven naar een Voorkeurspakket Nader onderzoek naar kansrijke alternatieven Drie extra perspectieven in Zeef 2
19 19 21 22 22 22 23 23 23 24
3.
Zeef 1 – Trechtering naar enkele kansrijke alternatieven
26
3.1 3.1.1 3.1.2 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.4 3.4.1 3.4.2 3.5 3.5.1 3.5.2 3.6 3.6.1 3.6.2 3.7 3.7.1 3.7.2 3.8 3.8.1 3.8.2 3.9 3.9.1 3.9.2 3.10 3.10.1 3.10.2
Behoefte I – Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Selectie van kansrijke alternatieven Behoefte II – Extra locatie grootschalige munitieopslag Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte III – Nieuwe munitieopslag Snel Inzetbare Capaciteit (SIC) Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte IV – Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein) Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte V – Oefenen in verstedelijkt gebied Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte VI – Amfibisch oefengebied Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte VII – Gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte VIII – Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven
Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte IX – Onbemande maritieme helikopters Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte X – Stationering en corridors drones voor cargo Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven
26 26 27 28 29 30 31 31 32 33 34 35 36 36 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 49 50 51 51 51 53
3.11 3.11.1 3.11.2 3.12 3.12.1 3.12.2 3.13 3.13.1 3.13.2 3.14 3.14.1 3.14.2 3.14.3 3.14.4 3.14.5 3.14.6 3.15 3.15.1 3.15.2
Behoefte XI – Laagvlieggebieden helikopters Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte XII – Helikopterlandingsplaatsen Inzicht in de impact van de perspectieven op de alternatieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Behoefte XIII – Korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport Inzicht in de impact van de perspectieven Samenvattend overzicht en selectie van kansrijke alternatieven Zeef 1 voor de locatiespecifieke behoeften Categorisering van de impact van de locatiespecifieke behoeften Behoeften in categorie 1: Direct onderdeel van het Voorkeurspakket Behoeften in categorie 2: Met mitigerende maatregelen onderdeel van het Voorkeurspakket Behoeften in categorie 3: Optimalisatie en nader onderzoek benodigd in Zeef 2 Behoeften in categorie 4: Geen opname in het NPRD Behoeften in categorie 5: Geen opname in het NPRD Overzicht van de kansrijke alternatieven voor Zeef 2 Overzicht van behoeften met een bovenregionale afweging Overzicht van de locatiespecifieke behoeften
54 54 56 58 59 61 63 63 64 67 67 70 82 95 108 110 110 110 113
4.
Nader onderzoek naar effecten van kansrijke alternatieven van de bovenregionale behoeften
115
4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5 4.2.6 4.2.7 4.2.8 4.2.9 4.2.10 4.2.11 4.2.12 4.2.13 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4
Waarom is nader onderzoek verricht? Nader onderzoek voor betere duiding kansrijkheid Overzicht nader onderzoek per behoefte Aanpassing effectbeoordelingen indien relevant Effecten van het nader onderzoek voor de kansrijke alternatieven Behoefte I – Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden Behoefte II – Extra locatie grootschalige munitieopslag Behoefte III – Nieuwe munitieopslag Snel Inzetbare Capaciteit (SIC) Behoefte IV – Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein) Behoefte V – Oefenen in verstedelijkt gebied Behoefte VI – Amfibisch oefengebied Behoefte VII – Gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Behoefte VIII – Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit Behoefte IX – Onbemande maritieme helikopters Behoefte X – Stationering en corridors drones voor cargo Behoefte XI – Laagvlieggebieden helikopters Behoefte XII – Helikopterlandingsplaatsen Behoefte XIII – Korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport Locatiespecifieke behoeften Vergroting van oefengebied De Haar Fysieke ruimte en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide uitbreiden (200 ha) Ingebruikname kazerne Budel & uitbreiden Weerterheide Quickscan impact stikstofdepositie locatiespecifieke behoeften
115 115 115 117 117 117 127 136 147 165 175 175 178 185 186 190 194 196 196 197 197 198 200
5.
Zeef 2 – Van kansrijke alternatieven naar een Voorkeurspakket
202
5.1 5.1.1 5.1.2 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6
Keuze Voorkeursalternatief per behoefte De impact van nader onderzoek op de beoordeling van de effecten en perspectieven Impact op drie extra perspectieven: Defensie, Kosten en Spreiding Keuze voor een Voorkeursalternatief per behoefte Behoefte I – Concentreren en ondersteunen van ondersteunende eenheden Behoefte II – Extra locatie voor grootschalige munitieopslag Behoefte III – Nieuwe munitieopslag Snel Inzetbare Capaciteit (SIC) Behoefte IV – Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (explosievenspringterrein) Behoefte V – Oefenen in verstedelijkt gebied Behoefte VI – Amfibisch oefengebied
202 202 202 202 202 206 208 211 214 217
5.2.7 5.2.8 5.2.9 5.2.10 5.2.11 5.2.12 5.2.13 5.3
Behoefte VII – Gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Behoefte VIII - Toename gebruik jachtvliegtuigencapaciteit Behoefte IX – Onbemande maritieme helikopters Behoefte X – Stationering en corridors voor cargodrones Behoefte XI – Laagvlieggebieden helikopters Behoefte XII – Helikopterlandingsplaatsen Behoefte XIII – Korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport Samengevat een Voorkeurspakket bovenregionale behoeften
219 221 226 228 231 234 238 241
6.
Zeef 2 - Nader onderzoek en optimalisaties voor de locatiespecifieke behoeften
243
6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4 6.2.5 6.2.6 6.2.7 6.2.8 6.2.9
243 244 244 248 252 253 258 260 262 263
6.2.10 6.3
Nader onderzoek voor behoeften in categorie 3 Impact en keuze voor opname in het NPRD per behoefte Behoefte 1: Uitbreiding oefengebied voor oefeningen op, in en boven het water EHD-42. Behoefte 2: Uitbreiding oefengebied voor oefeningen op, in, boven het water en naar EHD-41 Behoefte 11: Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer, Afsluitdijk Behoefte 13: Vergroting van oefengebied De Haar Behoefte 14: Petten groei beproevingen Noordzee Behoefte 18: Uitbreiden Artillerie Schietamp (ASK) (brede strook, Wezeperberg en Z-zijde) Behoefte 25: Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering DPO-depot Markelo Behoefte 29: Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering DPO-depot Poortugaal Behoefte 37: Fysieke en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide uitbreiden Beschrijving van de behoefte Behoefte 43.2: Ingebruikname kazerne Budel en uitbreiden Weerterheide Samengevat een Voorkeurspakket locatiespecifieke behoeften
7.
Integrale toetsing van het Voorkeurspakket
273
7.1 7.2 7.2.1 7.2.2 7.2.3 7.3 7.4 7.4.1 7.4.2 7.4.3 7.4.4 7.4.5 7.4.6
Overzicht van het voorlopig Voorkeurspakket voor het NPRD Inzicht in de cumulatieve effecten en nadere beschouwing van het perspectief ‘Spreiding’ Impact per behoefte op cumulatie Cumulatieve effecten van het Voorkeurspakket Nadere beschouwing van het perspectief Spreiding Van een voorlopig Voorkeurspakket naar een definitief Voorkeurspakket Integrale beschouwing van de effecten van het Voorkeurspakket Impact op de ruimte door het NPRD Intermezzo: Impact op de leefomgeving als één van de perspectieven leidend was geweest Effecten van de bepalende thema’s Uitgelicht: effecten op Natura2000-gebieden (samenvatting Passende Beoordeling) Samenhang en impact op de andere grote transitieopgaven Effecten op het buitenland
273 276 276 278 298 299 301 301 303 304 308 312 313
8.
Aandachtspunten voor het vervolg en leemtes in kennis
315
8.1 8.1.1 8.1.2 8.2
Overzicht per behoefte van de belangrijkste aandachtspunten en eerste aanzet tot mogelijke maatregelen Bovenregionale behoeften Locatiespecifieke behoeften Aanvullende en verdiepende kennisbehoeften
315 315 318 320
9.
Vervolgbesluiten en nader onderzoek
323
9.1 9.1.1 9.1.2 9.1.3 9.1.4 9.1.5 9.2 9.2.1 9.2.2
Planologische strategie en zorgvuldig meenemen belang van de fysieke leefomgeving (Rijks)regie op nadere planologische besluiten Urgent en zorgvuldig Toenemend detailniveau per fase Integratie van procedures en parallel werken Creëer uitzonderingspositie met behoud van draagvlak Vervolgbesluiten voor de behoeften Zes typen vervolgbesluiten Omgang met mer bij vervolgbesluiten
323 323 323 324 324 326 327 327 328
265 267 271
9.3
Monitoring en evaluatie
329
10.
Slotbeschouwing
330
10.1 10.2 10.3
Reflectie op doorlopen proces Waarborgen van het belang van de fysieke leefomgeving in het vervolg Tot slot
330 331 331
Bijlagen bij dit MER deel B Bijlage B.1 – Nadere analyses Natuur - behoefte I tot en met V Bijlage B.2 – Nadere analyses Omgevingsveiligheid - behoefte II, III, IV en VII Bijlage B.3 – Nadere analyses Landbouw – behoefte I tot en met V Bijlage B.4 – Nadere analyse Stikstofdepositie – behoefte I tot en met VII Bijlage B.5 – Nadere analyse Cultuurhistorie, archeologie en geomorfologie – behoefte I tot en met V Bijlage B.6 – Nadere analyse Behoefte I - Verkeerseffecten Spiekweg Bijlage B.7 – Nadere analyse Behoefte I – Geotechnische analyse bouwmethoden Bijlage B.8 – Nadere analyse Locatiespecifiek – Stikstofdepositie Bijlage B.9 – Nadere analyse Behoefte I – Wegverkeersgeluid Bijlage B.10 – Nadere analyse Behoefte III – Bodemkwaliteitsonderzoek Kollumerwaard-West Bijlage B.11 – Nadere analyse Behoefte IV – Geluid- en Trillingsonderzoek Kollumerwaard en Lelystad (TNO) Bijlage B.12 - Nadere analyse Behoefte IV – Hydrologisch onderzoek Bijlage B.13 – Nadere analyse Behoefte VIII – Ruimtebeslag, grondgebonden geluid en contingency locaties Bijlage B.14 – Nadere analyse effecten helikopter op Natura2000 en weidevogelgebieden Bijlage B.15 – Nadere analyse Behoefte 43 – Nader onderzoek bodemkwaliteit Bijlage B.16 – Passende Beoordeling
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Leeswijzer Dit planMER bestaat uit twee delen. In deel A staat de aanleiding en het doel van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. Hier zijn ook de gebruikte beleidskaders, wetgeving, beoordelingskader en omgang met zienswijzen en Commissie voor de milieueffectrapportage in terug te vinden. Deel A bevat ook een beschrijving van alle behoeften en is per behoefte de effecten en beoordelingen samengevat. Voor meer informatie is per behoefte is een uitgebreide analyse voor elk alternatief opgenomen in de bijbehorende bijlagen bij MER deel A. MER deel B gaat door waar deel A stopt. Te lezen is hoe per behoefte via twee ‘zeefmomenten’ een Voorkeursalternatief is gekozen. Ook staat beschreven hoe deze Voorkeursalternatieven gezamenlijk (cumulatie) tot effecten kunnen leiden.
Dit MER deel B bestaat uit tien hoofdstukken. Het start met hoofdstukken één en twee waarin het startpunt van dit deel B en de gebruikte methodologie met twee zeefmomenten om tot een Voorkeursalternatief te komen. In hoofdstuk drie is het eerste zeefmomenten (Zeef 1) voor de bovenregionale behoeften en lokatiespecifieke behoefte beschreven. Per behoefte is hier aangegeven welke alternatieven wel of niet meer kansrijk zijn. Voor diverse behoeften is nader onderzoek voor de nog overgebleven kansrijke alternatieven verricht. In hoofdstuk vier staan hier de resultaten van. Hoofdstuk vijf en zes gaat over het tweede zeefmoment (Zeef 2). In hoofdstuk vijf is dit voor de bovenregionale behoeften beschreven en in hoofdstuk zes voor de lokatiespecifieke behoeften. Op basis van deze Zeef 2 zijn de Voorkeursalternatieven bepaald. Van dit pakket aan Voorkeursalternatieven (Voorkeurspakket) zijn in hoofdstuk zeven de cumulatieve effecten bepaald. Ook zijn in dit hoofdstuk de effecten per thema en voor het buitenland opgenomen. De laatste hoofdstukken gaan over aandachtspunten, mitigerende maatregelen, leemtes in kennis (hoofdstuk acht) en vervolgbesluiten (hoofdstuk negen). Het rapport sluit af in hoofdstuk tien met een slotbeschouwing. blad 7 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
1.
Van potentieel kansrijke alternatieven naar een Voorkeurspakket
1.1
Het startpunt van dit deel B In deel A van het planMER zijn voor de dertien bovenregionale behoeften en de vierenveertig locatiespecifieke behoeften (zie figuur 1-1) alle relevante effecten op de fysieke leefomgeving beschreven en beoordeeld. Het startpunt voor dit deel B is dan ook het overzicht van de beoordeling (met plussen en minnen) per behoefte. Dit vormt de inhoudelijke basis om vervolgens uiteindelijk te komen tot een voorkeurspakket aan locaties. In de figuur zijn alle dertien bovenregionale behoeften en de vierenveertig locatiespecifieke behoeften gezamenlijk te zijn. Bij de bovenregionale behoeften zijn hierbij ook de diverse alternatieven op de kaart te zien. Hierbij is duidelijk te zien dat Defensie in alle provincies naar extra ruimte zoekt. In dit deel B is te lezen hoe voor elke behoefte stapsgewijs (met verschillende ‘zeven’) tot het Voorkeursalternatief is gekomen en deze voorkeurslocaties tezamen het integrale voorkeurspakket van het Nationale Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) vormen. In tabel 1-1 zijn de dertien bovenregionale behoeften opgenomen en ook aangegeven hoeveel alternatieven hiervoor zijn onderzocht in dit planMER. In de bijlagen A.I tot met A.XIII is per bovenregionale behoefte een nadere beschrijving van wat de behoefte inhoud, wat de alternatieven zijn en de effecten op de fysieke leefomgeving van deze alternatieven beschreven.
tabel 1-1 Overzicht bovenregionale behoeften, inclusief aantal alternatieven die onderzocht worden
Nr.
Bovenregionale behoefte
1
Versterken en concentreren ondersteunende eenheden
Hoeveel alternatieven? 7
2
Extra locatie grootschalige munitieopslag
8
3
Nieuwe munitieopslag Snel Inzetbare Capaciteit (SIC)
8
4
Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein)
8
5
Oefenen in stedelijk gebied
11
6
Amfibisch oefenterrein
7
7
Host Nation Support
20
8
Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit
9
9
Onbemande maritieme helikopters
3
10
Stationering en corridors drones voor cargo
6
11
Laagvliegoefengebieden
9 (8 + verschillende planologisch regimes)
12
Helikopterlandingsplaatsen
38
13
Korte smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport
9
In tabel 1-2 zijn de vierenveertig locatiespecifieke behoeften te zien. Hierbij is ook aangegeven in hoeverre sprake is van mogelijke varianten. Anders dan bij de bovenregionale behoeften zijn dit geen locaties op verschillende plekken in het land, maar in een gebied dat nu al Defensieterrein is of hier direct aan grenst. Daarom wordt ook gesproken over varianten in plaats van alternatieven. In bijlagenrapport A.XIV zijn alle vierenveertig locatiespecifieke behoeften nader toegelicht en de effecten op de fysieke leefomgeving geduid. Na de volgende tabel zijn achtereenvolgens drie figuren opgenomen: • figuur 1-1 Overzichtskaart alle behoeften (locatiespecifiek en bovenregionaal) • figuur 1-2 Overzichtskaart bovenregionale behoeften • figuur 1-3 Overzichtskaart locatiespecifieke behoeften
blad 8 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie tabel 1-2 Overzicht locatiespecifieke behoeften, inclusief behoeften waar locatie-varianten* voor onderzocht worden
Nr.
Locatiespecifieke behoefte
Varianten?
1
Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in en boven het water EHD-42.
2
Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in, boven het water en naar EHD-41.
Ja
3
Schieten met Apache en MQ-9 op Vliehors Range
Nee
4
Herziening/aanpassingen onveilige zone; nu deels nog gebaseerd op voormalige cavalerie schietkamp Vliehors
Nee
5
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Leeuwarden
Ja
6
Beperkingengebied rondom Vliegbasis Leeuwarden (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
Nee
7
Uitbreiden Schietbaan Marnewaard t.b.v. schieten dynamisch met voertuigen.
Nee
8
EHR 8 uitbreiden en gereed maken oefenen met onbemande vaartuigen op en in het water.
Nee
9
Leerfaciliteit alternatieve brandstoffen, Den Helder, gemeente Den Helder.
Nee
10
Beperkingengebied rondom MVK de Kooy (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
Nee
11
Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer
Ja
12
Uitbreiding kazerne Heerenveen
Nee
13
Uitbreiding OT De Haar
Ja
14
Petten groei beproevingen Noordzee
Ja
15
Verplaatsen raccordement t.b.v. voertuigen 43. Gemechaniseerde Brigade Zoekgebied ‘Groot Havelte’
Ja
16
Uitbreiding faciliteiten voor schieten (Koninklijke Marechaussee) Schiphol
Ja
17
Uitbreiding raccordement ’t Harde
Ja
18
Uitbreiden Artillerie Schietamp (ASK) (brede strook, Wezeperberg en Z-zijde)
Ja
19
Artillerie Schietkamp (ASK) uitbreiden met 120 mm mortierschieten
Nee
20
Geplande opschaling Koninklijke Marechaussee Randstad Den Haag, Maaldrift uitbreiden
Nee
21
Uitbreiding raccordement Vlasakkers
Nee
22
Huisvestingen incl. faciliteiten Militaire Politie Koninklijke Marechaussee
Ja
23
Uitbreiden live firing mogelijkheden helikopters op ISK ten behoeve van niveau 3 en 4-oefeningen CLAS
Nee
24
Uitbreiding milieu en geluidsruimte ISK
Nee
25
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Markelo
Nee
26
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Klaphek
Nee
27
Extra ruimte helikopter activiteiten op MLT Deelen
Nee
28
Beperkingengebied rondom MLT Deelen (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
Nee
29
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Portugaal
Nee
30
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Volkel
Nee
31
Beperkingengebied rondom vliegbasis Volkel (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
Nee
32
Schietbaan t.b.v. Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) Vliegbasis Woensdrecht
Nee
33
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Woensdrecht
Nee
34
Beperkingengebied vliegbasis Woensdrecht (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
Nee
35
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Gilze-Rijen, gemeente Gilze en Rijen.
Nee
36
Beperkingengebied rondom vliegbasis Gilze-Rijen (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
Nee
37
Fysieke en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide uitbreiden (circa 200 ha)
Ja
38
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten op RVS-kazerne Oirschot
Nee
39
Uitbreiding raccordement Acht t.b.v. voertuigen 13. Lichte Brigade
Ja
40
IBT centrum regio Eindhoven Koninklijke Marechaussee en Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie
Ja
41
Verandering inrichting vliegbasis Eindhoven verplaatsen Hot cargo platform
Ja
42
Beperkingengebied rondom vliegbasis (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging
Nee
43
Ingebruikname kazerne Budel en uitbreiden Weerterheide
Ja
44
Oefenterreinen met graafmogelijkheden uitbreiden (graven niet overal vergund)
Nee
Ja
* Met varianten worden ruimtelijke uitbreidingslocaties direct aangrenzend aan de bestaande locatie of in de directe nabijheid
blad 9 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Overzichtskaart alle behoeften
figuur 1-1 Overzichtskaart alle behoeften (locatiespecifiek en bovenregionaal)
blad 10 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Overzichtskaart Bovenregionale behoeften
figuur 1-2 Overzichtskaart bovenregionale behoeften
blad 11 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Overzichtskaart Locatiespecifieke behoeften
figuur 1-3 Overzichtskaart locatiespecifieke behoeften
blad 12 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
1.2
Het proces van trechtering: via drie “zeven” naar een Voorkeurspakket Voor de dertien bovenregionale behoeften en zestien locatiespecifieke behoeften zijn er meerdere (locatie)alternatieven. Voor de bovenregionale behoeften betekent dit dat per behoefte meerdere locaties, veelal verspreid over meerdere gemeenten en provincies, onderdeel van het onderzoek zijn. Bij de locatiespecifieke behoeften is sprake van (locatie)alternatieven op of nabij de locatie. Dit zijn bijvoorbeeld alternatieven in de uitbreidingsrichting van een oefenterrein. Voor achtentwintig locatiespecifieke behoeften zijn geen alternatieven beschouwd en hiervoor is alleen onderzoek verricht naar de impact van deze behoeften op de fysieke leefomgeving. Uiteindelijk is in het NPRD voor elke behoefte een alternatief gekozen. Dit heet het ‘Voorkeursalternatief’. Het totaal van al deze ‘Voorkeursalternatieven’ noemen we het ‘Voorkeurspakket’. Dit planMER beslaat het uitgebreide en zorgvuldige trechteringsproces om te komen tot dit Voorkeurspakket, waarin voor alle behoeften één alternatief gekozen is. Dit trechteringsproces bestaat uit drie ‘zeven’: Zeef 0, Zeef 1 en Zeef 2. Dit proces is begonnen met het formuleren van een behoefte door de krijgsmachtonderdelen.
Op basis van de specifieke eisen én ‘knock-out criteria’ vanuit de fysieke leefomgeving zijn potentieel kansrijke locaties (alternatieven) bepaald: Zeef 0. Vervolgens is beoordeeld welke alternatieven kansrijk en minder kansrijk zijn door middel van een analyse van de effecten op de fysieke leefomgeving: Zeef 1. Tot slot is op basis van nader onderzoek en andere aspecten dan effecten op de fysieke leefomgeving (onder andere kosten, maatschappelijk draagbaarheid, bestuurlijk draagvlak en defensiegebruik) per behoefte een Voorkeursalternatief bepaald: Zeef 2. In de volgende figuur is deze trechtering met drie ‘Zeefmomenten’ te zien. De onderdelen zijn na de figuur verder toegelicht. Voor de locatiespecifieke behoeften waar geen alternatieven zijn, is Zeef 2 overgeslagen. Voor deze behoeften is in Zeef 1 reeds bepaald of de impact op de fysieke leefomgeving en andere aspecten leidt tot het wel of niet doorgaan van de behoefte.
figuur 1-4 Trechteringsproces voor de bovenregionale behoeften en locatiespecifieke behoeften met locatie-alternatieven
blad 13 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
1.2.1
Zeef 0 – Selectie potentieel kansrijke alternatieven voor de bovenregionale behoeften De krijgsmachtonderdelen hebben voorafgaand aan de start van het NPRD de behoeften met een ruimtevraag opgesteld. In een intern proces heeft Defensie deze aanscherpt tot zevenenvijftig (57) behoeften. Voor dertien (13) behoeften geldt dat dit niet zondermeer op een bestaande locatie mogelijk is en hiervoor dus ‘bovenregionaal’ gekeken wordt naar mogelijke locaties. Dit worden ‘bovenregionale’ behoeften genoemd. Vierenveertig (44) van de behoeften hebben een lokaal karakter en moeten ook op deze plek plaatsvinden. Hier zijn dus geen alternatieven voor onderzocht op andere plekken in Nederland. Wel is bij enkele van de zogenaamde ‘locatiespecifieke’ behoeften sprake van mogelijke alternatieven in bijvoorbeeld de richting van uitbreiding. Voor de dertien bovenregionale behoeften zijn eisen aan de locatie vanuit Defensie gesteld. Bijvoorbeeld een minimale omvang of ligging in een bepaalde regio. Daarnaast zijn vanuit de fysieke leefomgeving ‘knock-outcriteria’ benoemd. Dit is bijvoorbeeld geen ligging in een dichtbevolkt gebied of direct langs een primaire waterkering. Als een locatie niet voldoet aan één van de knock-out-criteria dan is deze niet meegenomen als potentieel alternatief. Dit proces heeft geleid tot diverse locatie-alternatieven per (bovenregionale) behoefte.
Deze staan per behoefte benoemd in de notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Hierdoor is het voor een ieder navolgbaar hoe tot potentieel kansrijke gebieden is gekomen. Deze potentieel kansrijke alternatieven zijn aangevuld met enkele locatie-alternatieven vanuit de zienswijzen of bestuurlijk overleg. Dit geldt voor de locatie Staphorst bij behoefte II (Extra locatie grootschalige munitieopslag), Kollumerwaard-West (de ‘Oude Kruitfabriek) bij behoefte III (Nieuwe munitieopslag Snelle Inzetbare Capaciteit) en Groote Keeten en Maasvlakte 2 bij behoefte IV. Ook zijn diverse alternatieven nader gedetailleerd of gecommuniceerd. Het gaat hierbij om de locaties voor grootschalige munitieopslag (behoefte II), munitie Snel Inzetbare Capaciteit (behoefte III) en nieuw terrein voor oefenen met explosieven (behoefte IV) waarvoor eerst alleen een zoekgebied voor aangegeven was. Ook zijn er drie civiele luchthavens voor mogelijk militair medegebruik met behoefte VIII (Toename gebruik jachtvliegtuigencapaciteit) verder geconcretiseerd: Groningen Airport Eelde, Lelystad Airport en Twente Airport.
Voor al deze nieuwe locaties ten opzichte van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) geldt dat deze middels algemene informatieavonden en informatieavonden op de locatie nader zijn geïnformeerd en op deze momenten ook waardevolle informatie vanuit omwonenden, ambtelijk en via bedrijven is aangereikt die het onderzoek heeft verrijkt. Het proces om te komen tot de potentieel kansrijke alternatieven per bovenregionale behoefte noemen we ‘Zeef 0’. Deze alternatieven vormen de basis voor het effectonderzoek en de effectbeoordeling, zoals deze in deel A van het planMER per behoefte is beschreven.
1.2.2
Zeef 1 – Vanuit een uitgebreide analyse per alternatief vallen niet kansrijke alternatieven af De potentieel kansrijke alternatieven uit Zeef 0 zijn met behulp van een uitgebreid beoordelingskader voor de fysieke leefomgeving (dat op basis van de zienswijzen en de informatiebijeenkomsten nog nader is aangescherpt) onderzocht. Het beoordelingskader verschilt per behoefte en is zodanig uitgebreider, compacter of meer toegespitst op enkele thema’s. De effectbeschrijving en -beoordeling geven per behoefte een samengevat overzicht van hoe de alternatieven scoren ten opzichte van de referentiesituatie1. Deze effectbeoordelingstabellen (zie deel A en de bijbehorende bijlagen) geven al een goed inzicht van de verschillen tussen de alternatieven en de impact op de fysieke leefomgeving per alternatief. Tegelijkertijd zijn de effectbeoordelingstabellen (zeer) omvangrijk en komen sommige verschillen tussen alternatieven niet goed tot uitdrukking. Twee voorbeelden om meer duiding te geven aan hoe verschillen tussen alternatieven niet altijd goed tot uitdrukking komen in de effectbeoordelingstabel zijn:
1
Dit is in deel A nader uitgelegd, maar dit is de situatie zonder dat de behoefte gerealiseerd is, maar wel alle andere vastgestelde plannen en projecten. Ook wordt rekening gehouden met trends vanuit de fysieke leefomgeving, zoals verdergaande impact van klimaatverandering.
blad 14 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
• •
Als bij een bepaalde behoefte woningen geamoveerd moeten worden scoort dit bijvoorbeeld bij alternatief A, C en F zeer negatief (--). Uit deze beoordeling is dan niet te halen of het gaat om 20, 28 of 33 woningen, terwijl dit wel relevante verschillen zijn. Een ander voorbeeld is de impact op water en bodem. Bij veel behoeften is naar wel tien aspecten op het gebied van water en bodem gekeken, variërend van bodemkwaliteit tot impact op drinkwater en van geohydrologie tot waterveiligheid. Dat onderscheid is niet met die diepgang terug te zien in de effectbeoordelingstabellen. Om een goed inzicht te krijgen hoe de alternatieven onderling scoren op dit overkoepelende thema, is een integraal beeld nodig.
Daarom is in Zeef 1 naast de effectbeoordelingstabellen gebruik gemaakt van verschillende perspectieven (o.a. perspectieven vanuit natuur, landbouw en water/bodem-sturend) om zo de impact van de alternatieven nader te duiden. Hiermee zijn ook de verschillen tussen alternatieven beter tot uitdrukking te brengen, want de effecten in deel A zijn ten opzichte van de referentiesituatie beoordeeld en soms op het eerste gezicht niet onderscheidend. In hoofdstuk twee is hier nader op ingegaan. Op basis van de effectbeoordeling en de impact op de diverse perspectieven is bepaald welke alternatieven kansrijk zijn en welke minder kansrijk. De minder kansrijke alternatieven scoren per saldo (significant) slechter dan de kansrijke alternatieven en vallen daarom af. In Zeef 1 is daardoor bij veel behoeften sprake van het afvallen van circa 50% tot 75% van de alternatieven uit Zeef 0, zie ook figuur 1-5.
figuur 1-5 Afvallen niet kansrijke alternatieven en gebruik van perspectieven in Zeef 1 en 2
1.2.3
Zeef 2 – Selectie Voorkeursalternatief: naar een voorkeurspakket voor het NPRD De overgebleven kansrijke alternatieven uit Zeef 1 zijn op diverse aspecten van de fysieke leefomgeving nader onderzocht. Bijvoorbeeld op het gebied van ecologie, hydrologie. landbouw en cultuurhistorie. Ook zijn nieuwe relevante aspecten voor de uiteindelijke keuze in beeld gebracht. Dit betreft de relatieve kostenverhouding tussen alternatieven en de voorkeur van Defensie op basis van eigenschappen van de kansrijke alternatieven (bijvoorbeeld afstand tot oefenterreinen, grootte, etc.). Ook zijn in deze fase geconstateerde raakvlakken tussen (Rijks)belangen nader besproken en geanalyseerd door de diverse departementen. Deze verrijking van de effecten heeft geleid tot voldoende informatie om een keuze te kunnen maken voor een Voorkeursalternatief per behoefte. Hierbij is nogmaals gebruik gemaakt van verschillende perspectieven om naar blad 15 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
de overgebleven alternatieven te kijken. Dit betreft dezelfde perspectieven als bij Zeef 1, aangevuld met een perspectief ‘Spreiding’ om te bepalen of geen sprake is van een overmatige belasting van één of meerdere regio’s. Bij dit perspectief zijn ook de locatiespecifieke behoeften betrokken. Ook is een perspectief ‘Defensiegebruik’ toegevoegd. Dit omvat aspecten die voor Defensie relevant zijn in de afweging tussen de alternatieven. Tot slot is het perspectief ‘Kosten’ in beeld gebracht. Het gaat hierbij om de relatieve kosten. Op basis van Zeef 2 zijn de Voorkeursalternatieven en daarmee het Voorkeurspakket bepaald dat opgenomen is in het NPRD.
1.2.4
Het Zeefproces voor de locatiespecifieke behoeften Het Voorkeurspakket in het NPRD bestaat uit de Voorkeursalternatieven van de bovenregionale behoeften én de kansrijke locatiespecifieke behoeften. De locatiespecifieke behoeften zijn al toegespitst op één locatie, zodat een voorkeursbesluit hierover niet bestaat uit het kiezen van een Voorkeursalternatief. In de NRD is beschreven dat voor de locatiespecifieke behoeften geen alternatieven worden beschouwd. Dit uitgangspunt is niet gewijzigd, maar het onderzoek is voor enkele locatiespecifieke behoeften wel zodanig verbreed dat voor enkele behoeften gekeken is naar ruimtelijke varianten. Bijvoorbeeld: het is duidelijk dat de capaciteitsuitbreiding van de Oirschotse Heide (behoefte 37) aansluitend op het bestaande terrein zal moeten plaatsvinden, maar de ruimte hiervoor kan in meerdere richtingen gevonden worden. In het onderzoeksproces zijn voor dit voorbeeld vijf uitbreidingsvarianten onderzocht. De diversiteit aan locatiespecifieke behoeften maakt, bijvoorbeeld door het al dan niet voorhanden zijn van logische varianten, dat het Zeefproces niet voor alle locatiespecifieke behoeften gelijk is. Bij de meeste locatiespecifieke behoeften gaat het om een ‘milieuoordeel’ of de behoefte, eventueel met mitigerende maatregelen, uiteindelijk gerealiseerd kan worden.
Bij de locatiespecifieke behoeften waar sprake is van varianten is eerst getrechterd naar een kansrijke variant voordat dit ‘milieuoordeel’ definitief gegeven kan worden. Het Zeefproces voor de locatiespecifieke behoeften is dus primair gericht op het identificeren van aanzienlijke milieueffecten die de haalbaarheid van de behoefte (of varianten daarvoor) in gevaar kunnen brengen. De analyses hebben daardoor het karakter van een quickscan, waarbij voor enkele locatiespecifieke behoeften eerst naar varianten gekeken is voor de definitieve conclusie. Dit proces qua Zeefmomenten voor locatiespecifieke behoeften ziet er op hoofdlijnen als volgt uit: Zeef 0 – Selectie van locatiespecifieke behoeften Voorafgaand aan de publicatie van de NRD heeft Defensie onderzocht welke locatiespecifieke behoeften onderzocht worden in dit planMER. Dit is samen met de 13 bovenregionale behoeftes is door Defensie als de minimale behoefte gepresenteerd die Defensie nodig heeft om de operationele gereedheid te waarborgen. In de NRD waren deze veelal met één zin beschreven. Zeef 1 – Selectie op basis van eerste milieu-inzichten Tijdens de uitwerking van de locatiespecifieke behoefte na de NRD is geconstateerd dat voor enkele behoeften er mogelijke varianten zijn. Dit geldt met name voor uitbreidingen van oefenterreinen die in meerdere richtingen beschouwd kunnen worden.
Daarom zijn voor deze behoeften varianten beschouwd. Voor alle locatiespecifieke behoeften (en eventuele varianten daarvoor) is een quickscan opgesteld waarin de milieuinformatie heeft geleid tot een ‘milieuoordeel’ over de behoefte. Dit milieuoordeel bepaalt in grote mate of een locatiespecifieke behoefte opgenomen kan worden in het Voorkeurspakket van het NPRD. De volgende mogelijke categorieën worden onderscheiden:
Impact van de locatiespecifieke behoefte (links weinig milieueffecten – rechts (zeer) significante milieueffecten)
Categorie 1 de behoefte leidt niet tot significante effecten op de fysieke leefomgeving of er kan rekening houdend met deze effecten passende mitigerende maatregelen getroffen worden. De behoefte kan direct vastgelegd worden in het Voorkeurspakket. Deze behoeften worden niet nader in Zeef 2 beschouwd blad 16 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Categorie 2 de behoefte heeft een of meerdere significante effecten op de fysieke leefomgeving. Deze zijn deels te mitigeren, maar kan wel leiden tot aandachtspunten, bijvoorbeeld het amoveren van een of enkele woningen, effecten op natuur, verdwijnen van landbouwgrond). Uit de analyses is de inschatting dat de behoefte wel vergunbaar is en is daarom vanuit het grote belang van Defensie opgenomen in het NPRD. Categorie 3 de behoefte heeft significante milieueffecten en hiervoor is in Zeef 1 geconstateerd dat optimalisatie (bijvoorbeeld door combinatie van alternatieven en daarmee ontzien van de grootste effecten) mogelijk is om de effecten te beperken. Deze behoeften worden, na optimalisatie, daarom in Zeef 2 opnieuw beschouwd. Na Zeef 2 wordt opnieuw beoordeeld in welke categorie de behoefte valt. Na optimalisatie kan een behoefte dus nog afvallen (categorie 4) of in categorie 1 (relatief beperkte effecten of mitigatie goed mogelijk) of categorie 2 (significante effecten, maar wel vergunbaar) geplaatst worden. Categorie 4 de ruimtebehoefte leidt tot dermate significante effecten op de fysieke leefomgeving, dat geen sprake kan zijn van een haalbare/vergunbare behoefte. De behoefte wordt daarom niet nader beschouwd in Zeef 2 en wordt niet opgenomen in het Voorkeurspakket voor het NPRD.
Categorie 5 de behoefte kon binnen de looptijd van het NPRD onvoldoende concreet gemaakt worden om het kabinet om besluitvorming te vragen. De behoefte is niet verder meegenomen in dit planMER. Samengevat leidt dit tot de volgende sporen voor de vijf categorieën: Alternatief
Aanzienlijke effecten op de fysieke leefomgeving?
Nader onderzoek?
Optimalisatie noodzakelijk?
Zeef 2?
Categorie 1
Beperkt
Nee
Nee
Nee
Categorie 2
Ja, maar te beperken met mitigerende maatregelen
Nee
Nee
Nee
Categorie 3
Ja, keuze voor variant of optimalisatie nodig
Ja
Ja
Ja
Categorie 4
Ja (niet vergunbaar), en valt daarom af
Nee
Nee
Nee
Categorie 5
Niet van toepassing
Zeef 2 – Nader onderzoek en vastlegging in NPRD Voor de behoeften in categorie 3 is nader bepaald of en hoe deze geoptimaliseerd kunnen worden (al dan niet met mitigerende maatregelen). Op basis hiervan is beschouwd of deze behoeften daardoor in categorie 2 of zelfs categorie 1 kunnen vallen en daarmee opgenomen worden in het NPRD. Er kan echter ook geconstateerd worden dat de effecten te groot blijken en daarmee ze in categorie 4 terecht komen en niet opgenomen worden in het NPRD. Schematisch is dit in de volgende figuur te zien.
figuur 1-6 Schematische weergave beoordeling locatiespecifieke behoeften in de drie Zeefmomenten en besluit opname in NPRD
blad 17 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
1.3
Conclusie: de impact op de fysieke leefomgeving speelt een centrale rol bij het trechteringsproces Uiteindelijk is de keuze voor een voorkeursalternatief en het voorkeurspakket een besluit van het kabinet. In dit planMER zijn op objectieve en onafhankelijke wijze de effecten ten opzichte van de referentiesituatie en onderling tussen alternatieven in beeld gebracht. Hierbij is het belang van de fysieke leefomgeving vanaf de start bij het bepalen van de alternatieven en daarmee in alle fases van trechtering een centraal uitgangspunt geweest en hiermee ook één van de leidende principes bij de uiteindelijke keuze.
blad 18 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
2.
Perspectieven om te komen tot een voorkeurspakket voor het NPRD
2.1
Zes perspectieven op de behoeften met alternatieven in Zeef 1 In deel A van dit MER zijn voor de dertien bovenregionale behoeften en vierenveertig locatiespecifieke behoeften alle relevante effecten in beeld gebracht. Dit is op basis van de effectbeoordelingstabel per behoefte met plussen en minnen inzichtelijk gemaakt. Deze plussen en minnen geven aan wat de impact is van de activiteit op de referentiesituatie (de situatie in 2035 zonder dat de betreffende activiteiten van Defensie doorgaan). Met behulp van perspectieven kan een scherper beeld gemaakt worden hoe de verschillende alternatieven ‘scoren’. Elk perspectief laat zien hoe de alternatieven op bijvoorbeeld de impact op ‘landbouw’ of ‘natuur’ scoren. Hierbij zijn de alternatieven onderling gerangschikt (zie ook paragraaf 2.2). In Zeef 1 zijn zes perspectieven gebruikt om onderscheid te maken tussen kansrijke en minder kansrijke alternatieven:
figuur 2-1 Zes perspectieven waarop de alternatieven in Zeef 1 (onderling) beoordeeld zijn
2.1.1
De zes perspectieven toegelicht Perspectief: Water en bodem De ondergrond en het watersysteem zijn cruciale elementen bij de keuze voor een locatie. Al eeuwenlang maken we in Nederland keuzes over waar we welke functie realiseren op basis van de ondergrond en het watersysteem. Van vruchtbare grond voor landbouw tot plekken waar economische functies het best tot hun recht komen. blad 19 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Doordat de mens met steeds meer technologische middelen de ruimte en inrichting hiervan naar zijn hand kan zetten, is het principe van water en bodem sturend voor diverse functies niet altijd meer gevolgd. In de laatste decennia is hier echter steeds meer aandacht voor, denk hierbij aan grote programma’s zoals Ruimte voor de rivier, maar ook onlangs de kamerbrief over de rol van Water en bodem bij ruimtelijke ordening (2022). In het planMER komt de ondergrond en het watersysteem bij circa zeven thema’s (afhankelijk van de behoefte) terug. Hiervan is een integraal beeld gevormd dat gebruikt is om te bepalen welke alternatieven belangrijke aandachtspunten hebben op dit perspectief. Perspectief: Landbouw Bijna de helft van het oppervlak van Nederland (exclusief de Noordzee) is in gebruik als agrarische bestemming. Hiervan is globaal de helft grasland en de andere helft akkers (CBS, 2022). Het is dan ook onvermijdelijk dat diverse alternatieven impact hebben op het landbouwoppervlak. Veelal in de vorm van ruimtebeslag. In het perspectief ‘Landbouw’ zijn de alternatieven vergeleken op de impact op de mate van fysieke aantasting landbouwgrond, maar ook naar de indirecte impact op bijvoorbeeld vee bij luchtgebonden activiteiten. Perspectief: Natuur Zestien procent van het oppervlak van Nederland is beschermde natuur of niet beschermde natuur.
Hier vallen zowel de beschermde heide en bossen van Natura 2000-gebieden onder, maar ook heggen en hagen met vaak een vorm van landschaps- of natuurbeheer, productiebossen en stukjes bos zonder beschermingsstatus (CBS, 2022). In het perspectief natuur zijn de verschillende aspecten van natuur integraal bekeken (beschermde soorten , NNN en Natura 2000-gebieden) om zo alternatieven onderling op de impact op natuur te beschouwen. Hierbij is gekeken naar de striktheid van het beschermingsregime, oppervlakte aantasting en type aantasting (direct of indirect). Voor stikstofdepositie is in dit onderzoek globaal gekeken naar de mogelijke impact en later bij Zeef 2 wel naar potentie voor saldering. Bij dit laatste is puur rekenkundig gekeken of intern salderen mogelijk is, hierbij zijn alle nuances en (on)mogelijkheden rondom Raad van State uitspraken en mogelijk veranderende wetgeving nadrukkelijk bewust niet meegenomen. Dit is voor de vervolgprocedure, ook omdat dit nog geen groot onderscheidend vermogen tussen alternatieven is. Perspectief: Woonomgeving In het perspectief Woonomgeving is gekeken naar fysieke aantasting van woningen (woningen die geamoveerd moeten worden), maar ook naar hinderbeleving (geluidshinder) en impact op recreatie. De fysieke aantasting van woningen is, bij de behoeften waar dit speelt, als zwaarwegend meegenomen in de vergelijking van de alternatieven.
Bij de behoeften waar het gaat om vliegactiviteiten (behoefte 8 – 13) is de hinderbeleving belangrijker. Voor het bepalen van de impact op de woonomgeving is als uitgangspunt dat de woningen in de huidige situatie aanwezig zijn of dat deze juridisch-planologisch zijn vastgelegd (en dus concreet voorzien). Perspectief: Landschap & Cultuur Het perspectief Landschap & Cultuur beschouwt de alternatieven vanuit de impact op aanwezige landschappelijke waarden, monumenten, aardkundige waarden en archeologie. Hiervoor zijn de cultuurhistorische waardenkaarten van de provincies en waar relevant de archeologische beleidskaarten voor gebruikt bij de analyses per behoefte (zie bijlagen bij deel A). Perspectief: Raakvlakken Het laatste perspectief in Zeef 1 is ‘Raakvlakken’ genoemd. Het gaat hierbij om raakvlakken met andere departementen, maar ook met de provincies, waterschappen en gemeenten. Een activiteit is als raakvlak benoemd als wel beleid hiervoor in ontwikkeling is of een studie loopt (bijvoorbeeld een MIRT-Verkenning), maar nog geen definitief planologisch besluit is genomen. Dit perspectief omvat alle thema’s die betrekking hebben op (cruciale) huidige en toekomstige hoofdinfrastructuur, zoals rijks- en provinciale wegen, waterkeringen, energienetwerken (bovengronds en ondergronds). Daarnaast is gekeken naar mogelijke toekomstige ontwikkelingen op infrastructureel gebied.
Dit gaat om de mogelijke impact/interferentie met nieuwe netwerken, zoals waterstof, hoogspanning, OVverbindingen en uitbreiding van het wegennet. Onderdeel van dit perspectief zijn ook mogelijke woningbouwplannen van (met name) gemeenten. Hiervoor is onder andere naar de Woondeals gekeken en is dit daarnaast verrijkt met lokale informatie die aangereikt is in de diverse overleggen met provincies en gemeenten. Tot slot omvat het perspectief ook raakvlakken tussen Defensie en andere ruimtevragers in een gebied, bijvoorbeeld op de Tweede Maasvlakte of bij nieuwe bedrijventerreinen. blad 20 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
2.1.2
Herleidbaarheid thema’s per perspectief De zes perspectieven zijn opgebouwd uit de beoordelingsaspecten van de beoordelingstabel per behoefte. In tabel 2-1 staan de beoordelingsaspecten uitgesplitst per perspectief. Voor sommige behoeften is sprake van minder thema’s, alle perspectieven zijn ongewogen in beeld gebracht. Er zijn twee aspecten die niet terugkomen in de perspectieven: economie en grondeigendom. Dit zijn thema’s die in de effectbeoordeling een zeer klein effect hebben, overal (vrijwel) gelijk scoren en/of in deze fase van planvorming niet doorslaggevend zijn. Deze thema’s zijn wel beschouwd bij de bepaling van kansrijke alternatieven, maar niet specifiek in de perspectieven. tabel 2-1 Indeling (voorbeeld vanuit behoefte II) van thema’s en onderliggende beoordelingscriteria per perspectief
Hoofdthema
Thema
Bodem en water
Natuur
Woonomgeving
Landbouw
Landschap en cultuur
Raakvlakken
Geluid Gezonde en veilige leefomgeving
Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Aardbevingen Lichthinder Bodem
Bodem en water
Water Natuur
Natuur, landschap en historie
Erfgoed Landschap Geomorfologie Archeologie Mobiliteit
Mobiliteit
Infrastructuur Waterveiligheid
Klimaatadaptatie
Droogte Regenbestendigheid Water en bodem sturend Recreatie
Ruimtegebruik
Landbouw Grondeigendom Energienetwerken
Energie Economie Defensiespecifiek Raakvlakken
Netcapaciteit Economie Geschiktheid voor militair gebruik Interferentie met andere (Rijks)belangen
blad 21 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
2.2
Wijze van beoordeling van de perspectieven Op basis van de beoordelingsaspecten per perspectief zijn de alternatieven op de impact op het betreffende thema en daarmee ook onderling gerangschikt. Dit is met de volgende beoordeling vormgegeven.
Relatieve beoordeling (links minste impact – rechts meeste impact)
Het alternatief met de meeste impact op het betreffende perspectief is als donkerblauw gescoord, terwijl het alternatief met de minste impact een lichte kleur krijgt. Een voorbeeld om dit toe te lichten. Voor het perspectief woningbouw is gekeken naar de impact op woningen (het aantal te amoveren woningen, geluidsbelasting en recreatie). Hierbij is het aantal te amoveren woningen bij alternatief W 2 woningen, bij alternatief X 9 woningen, bij alternatief Y 15 woningen en bij alternatief Z 30 woningen. De beoordeling in de blauwtinten is dan dat alternatief W licht blauw scoort, terwijl alternatief Z donkerblauw scoort. Alternatieven X en Y zitten hier qua impact hier tussenin. Dit omdat de verschillen tussen de alternatieven significant zijn. Als sprake was geweest van slechts enkele woningen verschil dan zou ook geen verschil in de toegepaste blauwtinten toegepast zijn. Als alleen gekeken zou worden naar de effectbeoordelingstabel (de plussen en minnen per alternatief) scoort alternatief W licht negatief (0/-), alternatief X negatief (-), maar zowel alternatief Y als Z zeer negatief (--) ten opzichte van de referentiesituatie en lijkt tussen de alternatieven Y en Z dus geen onderscheid te zitten. Maar via de beoordeling van het perspectief komt dit verschil tussen 15 en 30 te amoveren woningen wel tot uitdrukking. Alternatief
Beoordeling in perspectieven (blauwtinten)
Beoordeling in effectbeoordelingstabel plussen en minnen)
Perspectief Woonomgeving
Aantal te amoveren woningen (Omgevingsveiligheid)
Alternatief W
0/-
Alternatief X
-
Alternatief Y
--
Alternatief Z
--
Een tweede voorbeeld om de werking te illustreren. Voor het perspectief landbouw is gekeken naar het thema landbouw(grond). Bij veel alternatieven is als sprake is van een redelijke mate van aantasting van landbouwgrond die negatief (-) of zeer negatief (--) beoordeeld. Echter, bij sommige alternatieven gaat het over meer hectare aantasting van landbouwgrond. Met de relatieve beoordeling en impact via de blauwtinten kan dit verschil beter tot uitdrukking gebracht worden. Tot slot geldt dat niet overal de maximale bandbreedte qua scores in blauwtinten is gebruikt. Als de impact beperkt is en de verschillen tussen de alternatieven klein zijn de meest donkere kleuren niet gebruikt. Hetzelfde geldt bij een grote impact bij alle alternatieven, dan zijn juist de lichte blauwtinten niet gebruikt.
2.2.1
Herleidbaarheid van de blauwtinten De tabellen met blauwtinten zijn voornamelijk een andere presentatievorm dan de plussen en minnen in de reguliere beoordelingstabel (zoals deze in MER deel A en in de diverse bijlagenrapportages is gepresenteerd). Het geeft inzicht in de relatieve impact én maakt relatieve verschillen tussen alternatieven beter inzichtelijk. Door aan te geven welke thema’s en aspecten bij welk perspectief terugkomen, zijn de ‘blauwe beoordelingen’ herleidbaar voor een ieder. Immers de score qua blauwtint is een combinatie van de plussen en minnen per alternatief en de beschrijving hiervan (bijvoorbeeld aantallen, hectares, grootte, etc.) per betrokken thema. Daarnaast is dit bij de behoeften in hoofdstuk drie ook per perspectief kort nader toegelicht. Waar alternatieven vergelijkbaar zijn qua beoordeling en beschrijving is geen onderscheid in blauwtinten gemaakt.
2.2.2
Geen weging tussen perspectieven, maar wel een zorgvuldige integrale afweging In het planMER vindt geen weging plaats. De zes perspectieven zijn dus volledig gelijkwaardig beschouwd. Ook als het ene perspectief acht aspecten omvat en het andere perspectief twee aspecten. Defensie heeft op basis van de beoordelingen van de perspectieven (en de reguliere beoordeling met plussen en minnen) een onderscheid gemaakt in kansrijke en niet kansrijke alternatieven. In de volgende paragraaf is dit nader toegelicht.
blad 22 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
2.3
Via perspectieven naar kansrijke alternatieven Per behoefte zijn alle alternatieven beoordeeld in de effectbeoordelingstabel (plussen en minnen) en de perspectieventabel (blauwtinten). Op basis van deze informatie heeft Defensie een onderscheid gemaakt in kansrijke en niet meer kansrijke alternatieven. Een voorbeeld van de perspectieventabel is te zien in tabel 2-2. tabel 2-2 Fictief voorbeeld van de beoordeling van de zes perspectieven
Alternatief
Water en bodem
Natuur
Woonomgeving
Landbouw
Landschap en cultuur
Raakvlakken
Alternatief A Alternatief B Alternatief C Alternatief X Alternatief Y Alternatief Z
Uit tabel 2-2 blijkt de alternatieven C en Z relatief goed scoren. Dit is te zien doordat deze relatief vaak een licht blauwe kleur (minste impact) hebben en minder of geen donkerblauwe kleur (meeste impact). Dit betekent niet dat deze alternatieven geen negatieve effecten of aandachtspunten hebben. Zo scoort alternatief Z op natuur het slechtst en op de perspectieven landschap/cultuur en raakvlakken minder positief dan diverse andere alternatieven. Alternatief C heeft aandachtspunten op landbouw en in mindere mate op water en bodem. Ondanks de aandachtspunten bij beide alternatieven is geconstateerd dat deze twee alternatieven kansrijker zijn dan de overige vier alternatieven. De twee alternatieven zijn daarom betiteld als kansrijk en in dit voorbeeld de overige vier alternatieven als minder kansrijk. Deze scoren slechter op dezelfde perspectieven als alternatief C en X en ook op meer perspectieven slechter. Voor de slechte score van alternatief Z op natuur is in dit voorbeeld geconstateerd dat deze niet van dusdanige aard is dan ook dit alternatief niet meer kansrijk is. Op basis van de perspectieventabel (en uiteraard ook de reguliere effectbeoordelingstabel) is op deze wijze een onderscheid gemaakt tussen kansrijke en niet meer kansrijke alternatieven. Dit vormt het sluitstuk van Zeef 1. Voor de kansrijke alternatieven is vervolgens nader onderzoek verricht in Zeef 2.
Gemiddeld is voor elke behoefte in Zeef 1 circa 20 – 25% van de alternatieven nog als kansrijk beoordeeld en de overige 75-80% als niet meer kansrijk. Hierbij is eerder al aangegeven dat niet meer kansrijk niet betekent dat de behoefte van Defensie hier niet zou kunnen, maar dat sprake is van teveel negatieve (cumulatieve) effecten en dat de overgebleven alternatieven beter (of minder slecht) scoren op deze thema’s.
2.4
Van kansrijke alternatieven met nader onderzoek en aanvullende perspectieven naar een Voorkeurspakket De overgebleven kansrijke alternatieven per behoefte zijn nader onderzocht. Dit betreft in veel gevallen een verdieping op het bestaande onderzoek, maar ook nieuwe onderzoeken zoals indicatieve relatieve kostenbepaling. Hiermee wordt de effectbeoordeling vanuit het onderzoek uit het planMER deel A aangescherpt en wordt opnieuw naar de zes perspectieven van Zeef 1 gekeken of dit leidt tot aanpassing. Ook zijn voor Zeef 2 drie nieuwe perspectieven toegevoegd: Defensiegebruik, Kosten en Spreiding.
2.4.1
Nader onderzoek naar kansrijke alternatieven In het planMER deel A zijn alle alternatieven op de relevante thema’s van de fysieke leefomgeving onderzocht. Deze effecten geven een compleet beeld van de effecten op hoofdlijnen en zou in principe afdoende kunnen zijn voor de keuze van een Voorkeursalternatief bij veel behoeften. Echter, voor diverse thema’s is het wenselijk een verdieping van de effecten te verkrijgen. Voor de kansrijke alternatieven is daarom voor de volgende thema’s nader onderzoek verricht, die kort per thema zijn toegelicht, zie tabel 2-3. blad 23 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
tabel 2-3 Overzicht nader onderzoek en voor welke behoeften Thema
Type onderzoek • • •
Nadere analyse effecten op flora & fauna (veldbezoek) Nadere analyse NNN (Natuurnetwerk Nederland) Nadere analyse Natura 2000
• • •
Welke behoeften •
Behoefte I - V
Nadere analyse verlies van type gewassen Analyse opbrengst landbouwgrond Verlies aantal hectare landbouwgrond
•
Behoefte I – IV en locatiespecifieke behoeften met fysieke uitbreiding op landbouwgrond
• •
Indicatieve berekening stikstofdepositie Bepalen mogelijkheden saldering
•
Behoefte I – V, VII en relevante locatiespecifieke behoeften
Hydrologie
•
Nadere analyse effecten op en van grondwater (hydrologie)
•
Behoefte IV
Cultuurhistorie
• •
Onderzoek naar impact op provinciale monumenten Onderzoek naar de impact op gemeentelijke monumenten
•
Behoefte I - VII
Omgevingsveiligheid
• • • •
Mogelijke optimalisaties van veiligheidszones Impact op routes gevaarlijke stoffen Nadere veiligheidsanalyse Host Nation Support (VII) Nadere analyse effecten veiligheidszones op vliegverkeer (IV)
•
Behoefte II, III, IV en VII
Trillingen
•
Nader onderzoek naar effecten trillingen bij explosieven onder de grond
•
Behoefte IV
• • • • • • •
Nader geluidsonderzoek naar impact op bestaande woningen door toename verkeer door nieuwe kazerne (I) Nader onderzoek schietgeluid (I) Nader onderzoek geluid explosieven (IV) Nader onderzoek helikopterlandingen (V en VI) Grondgebonden geluid voor jachtvliegtuigen (VIII) Onderzoek ruimtebeslag jachtvliegtuigen (VIII) Onderzoek contingency locaties jachtvliegtuigen (VIII)
•
Behoefte I, IV en VIII
•
Nader onderzoek naar verkeerseffecten Nijkerkerbrug
•
Behoefte I
•
Nader (bureau)onderzoek naar impact van vervuiling industriële locaties op de bodemkwaliteit
•
Behoefte III en locatiespecifieke behoefte 43
Natuur
Landbouw
Stikstofdepositie
Geluid
Mobiliteit Bodemkwaliteit
De nadere onderzoeken zijn voornamelijk gericht op de behoeften met fysieke impact. Voor de ‘luchtvaartgebonden’ behoeften (VIII – XIII) is veel specifiek onderzoek al ondergebracht in MER deel A en zijn de verdiepingen naast een verdieping op de type functies binnen de geluidszones, vooral op kosten en defensiegebruik gericht. Ook blijkt uit de tabel dat sommige onderzoeken heel specifiek voor één of enkele behoeften zijn uitgevoerd. Dit betreft onderzoek dat noodzakelijk werd geacht om een definitieve keuze te kunnen maken (om in vervolgprocedures niet tegen grote knelpunten op te lopen). Tot slot zijn enkele onderzoeken alleen voor specifieke behoeften van belang, zoals omgevingsveiligheid en daarmee ook beperkt tot die behoeften.
2.4.2
Drie extra perspectieven in Zeef 2 In Zeef 2 zijn drie perspectieven aan de beoordeling toegevoegd. Dit zijn de perspectieven: kosten, defensiegebruik en spreiding. Kosten In dit perspectief zijn de relatieve (meer)kosten tussen de alternatieven in beeld gebracht. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de verschillen tussen de alternatieven in bouwkosten of gebruikskosten Defensiegebruik In het perspectief defensiegebruik zijn de alternatieven onderling vergeleken op de mate van geschiktheid voor Defensie. De krijgsmachtonderdelen hebben hiervoor specifieke informatie aangeleverd.