CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage Toelichting Bergdijk 4

Gemeenteraad 2 maart 2023, gemeente SomerenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen Bestemmingsplan Bergdijk 414.650 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

vervoersbewegingen, van landbouwverkeer van het agrarische bedrijf komen te vervallen. Er worden geen extra bouwmogelijkheden gecreëerd binnen het plangebied. Met Aerius – Calculator is de consequentie van de ontwikkeling op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. Realisatie van het plan leidt niet tot een toename van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar. De Aerius-berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Een negatief effect op een Natura2000 gebied kan worden uitgesloten.

5.5.3

Soortenbescherming

5.5.3.1 Inleiding Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden. Derhalve is ter plaatse een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie hiervan weergegeven.

5.5.3.2 Conclusies en aanbevelingen Soorten Vogelrichtlijn Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, namelijk de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil. Nader onderzoek naar deze soorten binnen het plangebied wordt niet nodig geacht. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden wordt niet nodig geacht door het ontbreken van een geschikt habitat binnen het plangebied. Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten, waaronder boerenzwaluw, spreeuw, koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen. Algemene broedvogels Het plangebied (de te slopen loods en mogelijk verwijderen beplantingen) is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de gebouwen, bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen en nabij het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen. Soorten Habitatrichtlijn Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen door de afwezigheid van mogelijke voortplantings- en verblijfplaatsen in de te slopen loods en aangrenzende beplantingen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art.

3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht. Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt, door het ontbreken van een geschikt habitat. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om direct een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Er kan op dit moment zonder voorziene problemen begonnen worden de geplande werkzaamheden; het slopen van de loods op de kavel.

Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden. CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

5.6

Geluid

5.6.1

Inleiding

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh geldt niet voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen.

5.6.2

Wegverkeerslawaai

Middels onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk.

5.6.3

Bedrijvigheid binnen het plangebied

Ten behoeve van onderhavige herbestemming wordt een agrarisch bedrijf herbestemd naar een interieurbedrijf. Volgens de VNG-uitgave geldt voor een akkerbouwbedrijf een milieucategorie 2 en voor een interieurbouwbedrijf met een productieoppervlakte van meer dan 200 m² een milieucategorie 3.2. Derhalve is middels een akoestisch onderzoek industrielawaai (conform het stappenplan voor een binnenplanse ontheffing uit de VNG-uitgave) aangetoond dat het beoogde interieurbouwbedrijf geen belemmering vormt voor de omgeving en dat deze bedrijvigheid vergelijkbaar is met bedrijvigheid in milieucategorie 2. In opdracht van de initiatiefnemer is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd voor de locatie Bergdijk 4 te Someren-Heide, gemeente Someren. Op deze locatie wordt de omzetting van een landbouwbedrijf naar een bedrijf voor interieurbouw beoogd. De bestaande stallen zullen worden gesloopt en een nieuwe bedrijfshal zal worden gerealiseerd. Conform het vigerend bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming ‘agrarisch – agrarisch bedrijf’ en is bestemd voor een agrarisch bedrijf met bijbehorende bedrijfsbebouwing, waaronder één bedrijfswoning. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling niet binnen het bestemmingsplan mogelijk is, wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het plangebied valt onder de regels van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Als hulpmiddel voor de inpassing van functies in haar fysieke omgeving of van (geluid)gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze bedrijvenlijst is opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, editie 2009 (verder: VNG-uitgave). Volgens de VNG-uitgave geldt voor een interieurbouwbedrijf

(timmerwerkfabrieken

en

vervaardigen

overige

artikelen

van

hout)

milieucategorie 3.2 met een bijbehorende richtafstand van 100 meter voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ (rustig buitengebied). Voor de omliggende woningen geldt dat niet overal wordt voldaan aan deze richtafstand. Derhalve dient te worden aangetoond dat het beoogde interieurbouwbedrijf geen belemmering vormt voor de omgeving, waarbij getoetst zal worden aan het stappenplan uit de VNG-uitgave. De rekenresultaten worden tevens getoetst aan de normen van het Activiteitenbesluit,

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

waaronder de inrichting met een meldingsplicht ressorteert. Tevens is indirecte hinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting beschouwd. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Uit het onderzoek van Tritium advies kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 

BBT-principe De afzuiging van de zaag-, schaaf- en freesmachines wordt reeds inpandig gerealiseerd in een aparte geluidgeïsoleerde ruimte. Tevens zullen de (rol)deuren en ramen zoveel mogelijk gesloten worden gehouden tijdens de werkzaamheden. De beschouwde situatie voldoet daarmee aan het BBT-principe. Er zijn redelijkerwijs geen andere maatregelen te treffen om de geluidbelasting in de omgeving verder terug te dringen.

Goede ruimtelijke ordening Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (LAmax) kan worden gesteld dat op de gevels van de direct rondom de inrichting gelegen woningen van derden wordt voldaan aan de eis van respectievelijk 45 en 65 dB(A) etmaalwaarde, beide behorende bij stap 2 uit de VNG-uitgave.

Activiteitenbesluit Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (LAmax) kan worden gesteld dat op de gevels van de direct rondom de inrichting gelegen woningen van derden ruimschoots wordt voldaan aan de eis van respectievelijk 50 en 70 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit.

Gemeentelijk geluidbeleid Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt voldaan aan de richtwaarden van 40 dB(A) etmaalwaarde behorende bij het gebiedstype “natuur” uit het gemeentelijk geluidbeleid en 45 dB(A) etmaalwaarde behorende bij het gebiedstype “landelijk”. Voor het maximale geluidniveau kan worden gesteld dat ruimschoots aan de eis van 70 dB(A) etmaalwaarde kan worden voldaan.

Indirecte hinder Met betrekking tot indirecte hinder van het verkeer van en naar de inrichting kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

In onderliggend rapport zijn de geluidniveaus tijdens de representatieve bedrijfssituatie berekend, inzichtelijk gemaakt en tevens getoetst aan de gestelde geluideisen (zowel kader goede ruimtelijke ordening als Activiteitenbesluit/gemeentelijk geluidbeleid). Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat ter plaatse van de omliggende woningen een akoestisch goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Uit het vorenstaande blijkt dat er voor wat betreft het aspect geluid geen bezwaren zijn de beoogde juridischplanologische procedure door te voeren. Uit het bovenstaande blijkt dat er voor wat betreft het aspect geluid geen bezwaren zijn de beoogde juridisch-planologische procedure door te voeren. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

5.7

Agrarische bedrijvigheid

5.7.1

Inleiding

De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. Zo kunnen oplossingen worden gezocht voor de spanning tussen het voortbestaan/de ontwikkeling van veehouderijen en de ontwikkeling van dorpskernen of recreatie. De gemeente kan zo een balans vinden tussen de gewenste ruimte voor de veehouderijen enerzijds en de bescherming van gevoelige objecten anderzijds. Een geurgevoelig object betreft een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. De huidige bedrijfswoning is al aan te merken als geurgevoelig object. Deze situatie wijzigt dan ook niet.

De herontwikkeling is in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij is dan ook voor de bedrijfswoning geen bezwaar. De bedrijfsgebouwen zullen worden gebruikt door het interieurbedrijf. In een bedrijfsruimte waar regelmatig mensen werken, is al snel sprake is van permanent verblijf c.q. gebruik van de bedrijfsruimte. Derhalve is de geursituatie inzichtelijk gemaakt. De gemeente Someren heeft in het kader van dit maatwerk een eigen geurverordening opgesteld. De ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij 2010’ stelt een norm van 14 oue/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het plangebied. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden), dienen vaste afstanden aangehouden te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gelegen is, minimaal 50 meter te bedragen en indien het binnen de bebouwde kom is gelegen minimaal 100 meter. De gemeenteraad van de gemeente Someren heeft vastgesteld dat een norm van respectievelijk 14 en 28 oue/m³ acceptabel is als maximale norm voor het woon- en leefklimaat (voor- en achtergrondbelasting) vastgesteld bij herbestemming.

5.7.2

Veehouderijen in de omgeving van de initiatieflocatie

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Alle bedrijven liggen op een grotere afstand dan 450 meter. Navolgende figuur heeft een overzicht van veehouderijbedrijven in de omgeving. Het plangebied is aangeduid met een rode marker.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

Figuur 18: Veehouderijbedrijven in de omgeving

Op deze bedrijven vigerende navolgende milieuvergunningen:

Figuur 19: Vergunde situatie Reigerstraat 6 Someren (BVB-Brabant)

Figuur 20: Vergunde situatie Nieuwendijk 149 Someren (BVB-Brabant)

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

Figuur 21: Vergunde situatie Nieuwendijk 156 Someren (BVB-Brabant)

Figuur 22: Vergunde situatie Kerkendijk 143 Someren (BVB-Brabant)

Figuur 23: Vergunde situatie Kerkendijk 147 Someren (BVB-Brabant)

Figuur 24: Vergunde situatie Kerkendijk 168 Someren (BVB-Brabant)

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

5.7.3

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aspect milieu van een veehouderij wordt getoetst aan in de wet vastgelegde standaardwaarden voor maximale voorgrondbelasting of aan de wettelijk vastgelegde standaardwaarden voor vaste afstanden dan wel aan de waarden welke vastgelegd zijn in een gemeentelijke verordening.

5.7.4

Achtergrondbelasting

De geurbelasting van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het leefklimaat op een locatie. Navolgende tabel geeft de kans op geurhinder en een beoordeling van het leefklimaat weer voor de achtergrondbelasting in concentratiegebieden, opgesteld door het RIVM.

Tabel 3: beoordeling leefklimaat in concentratiegebieden (Bron: RIVM)

5.7.5

Woon- en leefklimaat

5.7.5.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van de beide locaties inzichtelijk gemaakt.

5.7.5.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Navolgende tabel geeft de relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

Voorgrondbelasting ≤1 1,5 - 3 4-6 7-9 10 - 13 14 - 18 19 - 24 ≥ 25

Geurgehinderden (%) <5 5 - 10 10 - 15 15 - 20 20 - 25 25 - 30 30 - 35 35 - 40

Leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Tabel 4: Relatie voorgrondbelasting en leefklimaat

Gelet op de geuremissie betreft het bedrijf aan Kerkendijk 143 het dominante bedrijf in het kader van de voorgrondbelasting. De overige veehouderijen zijn op dusdanig grote afstand gelegen en/of hebben dusdanig weinig geuremissie, dat kan worden gesteld dat deze niet de dominante veehouderij betreffen. Navolgend is de voorgrondbelasting inzichtelijk gemaakt. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie betreffen hierbij de hoekpunten van het plangebied. De XY-coördinaten van het emissiepunt betreffen de gegevens uit het Bestand veehouderijbedrijven. Berekende ruwheid: 0,16 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volg

BronID

X-coord. Y-coord. EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

Kerkendijk 143

176 444

4,0

0,50

4,00

52 530

Geurbelasting

nr. 1

371 338

4,0

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

2

NW

176 272

371 832

14,0

3,8

3

NO

176 331

371 799

14,0

4,4

4

ZO

176 311

371 762

14,0

5,0

5

ZW

176 252

371 797

14,0

4,1

Tabel 5: Voorgrondbelasting Kerkendijk 143

De maximale voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij is 5,0 oue/m³.

5.7.5.3 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Navolgende tabel geeft de relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

Achtergrondbelasting 1-3 4-7 8 – 13 14 – 20 21 – 28 29 - 38 39 – 50 51 - 65

Geurgehinderden (%) 2-5 6 – 10 10 - 15 16 - 20 21 - 25 26 - 30 31 - 35 36 - 40

Leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Tabel 6: Relatie achtergrondbelasting en leefklimaat

Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart van de Omgevingsdienst Noord-Brabant (februari 2021) met daarop de achtergrondbelasting inzichtelijk gemaakt in de omgeving van het plangebied. De indicatieve achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt 3 tot 7 oue/m³. Hiermee is er sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat in het kader van de achtergrondbelasting. Navolgende figuur geeft een kaart van de achtergrondbelasting waarop het plangebied is aangeduid.

Figuur 25: kwaliteit leefomgeving op basis van achtergrondbelasting gemeente Someren

5.7.5.4 Conclusie woon- en leefklimaat Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Voor wat betreft het plangebied is dan ook de voorgrondbelasting bepalend. Zowel de voor- als achtergrondbelasting zijn acceptabel.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

5.7.6

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven

Herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen de omliggende veehouderijen en het plangebied zijn reeds enkele

gevoelige

objecten

gelegen.

De

veehouderijen

worden

dan

ook

reeds

in

de

ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. De omliggende veehouderijen worden door de beoogde herontwikkeling dan ook niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie het geval is.

5.8

Gezondheid

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt

gebruik

van

de

daaruit

voortkomende

onderzoeksresultaten.

De

voorlopige

onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van aanwezige endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinenkaart waarop het plangebied is aangeduid. Het plangebied ligt niet binnen de contouren van omliggende intensieve veehouderij bedrijven.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

Plangebied Figuur 26: Endotoxinen contouren in de omgeving van het plangebied

Uit VGO-onderzoeken is naar voren gekomen dat tot twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. In verband hiermee vraagt men zich af of woningbouwontwikkelingen binnen twee kilometer nog verantwoord zijn. Naar aanleiding van het VGO 2 heeft de provincie op 7 juli 2017 een moratorium afgekondigd, op basis waarvan geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden gevestigd én de gebouwen van bestaande geitenhouderijen niet meer mogen worden uitgebreid Op basis van het VGO 3 onderzoek is het moratorium van kracht gebleven. Het geitenmoratorium betreft een rechtstreeks werkende regel in de Verordening ruimte, namelijk: “Een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geitenhouderijen door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van gebouwen voor het houden van geiten is niet toegestaan”. In gemeente Someren is er één geitenhouderij die vanwege de omvang valt onder het Activiteitenbesluit. Een kleine toename van extra geiten is mogelijk op deze locatie, gezien vanuit de dierwelzijnseisen in de combinatie met het geitenmoratorium. De extra geiten moeten namelijk in de huidige geitenstallen gehuisvest kunnen worden.

Bij ruimtelijke besluiten (bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik) moet rekening gehouden worden met de omgekeerde werking. Zolang het geitenmoratorium van kracht is, is het advies om binnen de straal van 2 km rondom de geitenhouderij: - Geen woningbouwontwikkelingen toe te staan dichterbij de geitenhouderij dan in de huidige situatie al het geval is; -

Voor de ontwikkeling van gevoelige groepen / objecten, te weten kinderen, kwetsbare mensen en ouderen maatwerk toe te passen door het in kaart brengen van de gezondheidslast (risico

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

op longontsteking). Op basis hiervan kan beoordeeld worden of de gezondheidslast door deze ontwikkeling significant toeneemt. Bij een toename is het voorstel om in overleg met de GGD te komen tot een juist advies over de ontwikkeling. Bij een gelijkblijvende of afnemende gezondheidslast is het advies om wel medewerking te verlenen aan de ontwikkeling. Dit scenario kan zich zeker voordoen (als voorbeeld: bij een kinder- of gastouderopvang, aangezien de meeste kinderen ook wonen binnen een straal van 2 km van de opvanglocatie). -

Bij ontwikkelingen voor “grote” woningbouwlocaties ook de gezondheidslast in kaart te brengen, zodat bepaald kan worden of als gevolg van deze ontwikkeling het percentage longontstekingen toeneemt. Het betreffen in dit kader wel grootschalige ontwikkelingen waar de

procedure

voor

het

bestemmingsplan

nog

doorlopen

moeten

worden.

Woningbouwontwikkelingen die met een vergunning rechtstreeks passend zijn in het bestemmingsplan, zijn op basis van de huidige onderzoeken niet tegen te houden. Middels onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object (woning) toegevoegd. Wel kan de bedrijfsruimte als gevoelig object worden getypeerd. Deze kon echter middels het vigerende bestemmingsplan al als dusdanig worden gebruikt. De geitenhouderij ligt aan Nieuwendijk 114 ligt op een afstand van 2 kilometer en de overwegende windrichting bevindt zich afwaarts van het plangebied. Negatieve effecten in het kader van de volksgezondheid kunnen worden uitgesloten.

5.9

Bedrijven en milieuzonering

5.9.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.

5.9.2

Bedrijvigheid binnen het plangebied

De toekomstige activiteiten ter plaatse van de initiatieflocatie vallen op de basis van de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ onder de omschrijving ‘Constructiewerkplaatsen in een gesloten gebouw met een productieoppervlakte meer dan 200 m²’. De lijst bedrijven en milieuzonering beschrijft een houtbewerkingsbedrijf met deze oppervlakte als een categorie 3.2 bedrijf met een grootste afstand van 100 meter op grond van geluid. De effecten van het toekomstige bedrijf op de omgeving zijn echter beperkter van omvang dan op grond van de lijst wordt verondersteld. De bedrijfsvoering vindt volledig inpandig plaats waardoor negatieve effecten op het gebied van geluid sterk

beperkt

worden.

Door

Tritium-advies

is

een

akoestisch

onderzoek

industrielawaai

(projectnummer; 1901/080/NB-01, versie 2) d.d. 29 juli 2021, uitgevoerd voor de locatie Bergdijk 4 te Someren-Heide, gemeente Someren. In deze rapportage is aangetoond dat het beoogde interieurbouwbedrijf geen belemmering vormt voor de omgeving en dat deze bedrijvigheid vergelijkbaar is met bedrijvigheid in milieucategorie 2.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

5.9.3

Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied

Met de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. Het aspect ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is derhalve in dat kader geen bezwaar. Het aspect geur (bedrijvigheid door veehouderijbedrijven) is toegelicht in paragraaf 5.8.

5.10

Externe veiligheid

5.10.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht.

5.10.2 Bedrijven Vastgesteld dient te worden of het plangebied is gelegen binnen de veiligheidscontour van inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. Het risico

wordt

uitgedrukt

in

een

plaatsgebonden

risico

en

een

groepsrisico.

Het

basisbeschermingsniveau is een basisnorm dat de kans uitdrukt dat een omwonende overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart weer waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Plangebied Figuur 27: Uitsnede kaart externe veiligheid waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

Direct achter het plangebied is een bovengrondse propaantank met een inhoud van 5 m³ gesitueerd. De veiligheidsafstand bedraagt 10 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. De herbestemming van een agrarisch bedrijf naar een reguliere bedrijfsbestemming heeft geen substantiële invloed op het groepsrisico ter plaatse.

5.10.3 Transport: vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water In de gemeente Someren, in de wijde omgeving van het plangebied kunnen gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de Rijksweg A67, de Kanaaldijk Noord/Zuid en de Provinciale weg. De kortste afstand van het perceel tot één van deze wegen, de Provinciale weg bedraagt circa 3,5 kilometer. Het plangebied ligt op zodanige afstand van deze routes dat de locatie buiten de invloedssfeer van deze wegen gelegen is. Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Op een afstand van circa 3,6 kilometer is het kanaal de ZuidWillemsvaart gelegen. Eventuele risico’s als gevolg van incidenteel transport van gevaarlijke stoffen over deze waterweg zijn zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn.

5.10.4 Transport: hoogspanningslijnen en buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen of buisleidingen gesitueerd, noch gepland. Op een afstand van circa 1.100 meter ten oosten van het plangebied zijn twee buisleidingen gelegen. Dit betreffen eveneens twee leidingen van Gasunie Transport Services B.V., transportroute (A-521 en A-585). Het plangebied is buiten het invloedsgebied van deze buisleidingen gelegen. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde herontwikkeling in het kader van deze buisleidingen geen bezwaar is.

5.11

Luchtkwaliteit

5.11.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.

5.11.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de

luchtkwaliteit

via

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma.

Binnen

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Gezien deze herbestemming slechts voorziet in het herbestemmen van een agrarische bedrijfsbestemming in een reguliere bedrijfsbestemming, valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’ valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit.

5.11.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

Plangebied Figuur 28: Fijnstof PM10 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

Plangebied Figuur 29: Fijnstof PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 19-20 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

5.12

Mer-beoordeling

5.12.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen.

In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

5.12.2 Toets aan drempelwaarden Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is: “D11.3: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.” Dit initiatief ziet toe op herbestemming van het plangebied van ‘Agrarisch’ naar ‘Bedrijf’. De bouwmogelijkheden nemen niet toe. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.3 (oppervlakte 75 hectare of meer). Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

6.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

6.1 Inleiding Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2

Algemene toelichting verbeelding

Op de verbeelding, die bestaat uit één kaartblad, is de bestemming van de gronden in het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarbij nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen is terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens heeft juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (bijvoorbeeld kadastrale en topografische gegevens en huisnummers).

6.3

Algemene toelichting regels

De opbouw van de regels is overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012. De opbouw is als volgt:

-

-

Hoofdstuk 1 Inleidende regels; -

Begrippen

-

Wijze van meten

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Bestemmingen - Dubbelbestemmingen -

Hoofdstuk 3 Algemene regels

-

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

- Overgangsrecht - Slotregel

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

6.4

Toelichting bestemmingen

6.4.1

Bedrijf

De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor ‘Bedrijf’ ten behoeve van een bedrijf voor interieurbouw. Ter plaatse is één bedrijfswoning met bijgebouwen en

maximaal 800 m² aan

bedrijfsgebouwen toegestaan.

6.4.2

Waarde – Archeologie 5

De voor ‘Waarde Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

7.

UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid In deze Grondexploitatiewet (Grexwet) is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal derhalve met de gemeente Someren een anterieure overeenkomst sluiten. Ook worden hierin afspraken over planschade opgenomen. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan kan een heroverweging op deze onderdelen plaats vinden en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

8.

PROCEDURE

8.1 Inleiding De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;

-

gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledig door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan;

o

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.

8.2

Inspraakprocedure

In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend.

8.3

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van het bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3.1.1 Bro zijn provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van het waterschap is de aanduiding ‘milieuzone-boringsvrije zone’ opgenomen en is de waterparagraaf aangepast.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Bergdijk 4’ - Toelichting

8.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen met ingang van 30 september 2022 tot en met 10 november 2022. Gedurende deze periode is één zienswijze binnengekomen. Een samenvatting en beantwoording is op genomen in de nota van zienswijzen welke als bijlage bij deze toelichting is opgenomen.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12375200/1