CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Toelichting

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Herstelbesluit Buitengebied Someren - Deelgebied 2 (Ruiter 28).30.901 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op basis van de flexibiliteitbepalingen (afwijken en wijziging) zijn er ontwikkelingsmogelijkheden. Deze zijn afhankelijk van de concrete locatie. De aanvaardbaarheid van ontwikkelingen op een bepaalde locatie wordt mede beoordeeld op basis van het beeldkwaliteitsplan. Voor de locaties waar een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend, geldt de afzonderlijke bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’. Agrarisch gebied met landschapswaarden Algemeen Een groot deel van het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’. In het algemeen is bij het weergeven van de landschapswaarden geprobeerd om de grotere structuren naar voren te laten komen en in het veld herkenbare grenzen te gebruiken die van belang zijn, zodat geen versnipperde regelgeving optreedt. In de gemeente Someren zijn de landschapswaarden onder te verdelen in: - aardkundig waardevol; - cultuurhistorisch waardevol; - openheid/grootschalig ontginningspatroon; - beslotenheid/bosrandzone. De aanduiding ‘aardkundige waarden’ is gekoppeld aan het beekdallandschap van de Kleine Aa en heeft betrekking op het reliëf en de bodemopbouw ter plaatse. Beekdalen en aanliggende overgangen naar de hogere gronden zijn zoveel mogelijk begrensd op wegen, waterlopen, perceelgrenzen en andere logische topografische grenzen.

34

Beleid Binnen deze bestemming geldt als doelstelling een duurzaam agrarisch gebruik; de hoofdfunctie is landbouw. Voor het agrarische bodemgebruik wordt gestreefd naar het bereiken van een algemene milieukwaliteit met een duurzaam evenwicht op lange termijn ten opzichte van het fysieke milieu. Tevens geldt het behoud/herstel van de landschapswaarden en de mogelijkheid voor extensief recreatief medegebruik. Agrarisch gebied Algemeen Waar geen of betrekkelijk geringe waarden voorkomen heeft het gebied de bestemming ‘Agrarisch’ gekregen. De uitoefening van het agrarisch bedrijf staat hier voorop. Er zijn geen, te behouden, bijzondere natuur- en/of landschapswaarden aanwezig. Beleid Binnen deze bestemming is het bereiken van een duurzaam agrarisch gebruik wenselijk en realiseerbaar. Voor het agrarische grondgebruik wordt gestreefd naar het bereiken van een algemene milieukwaliteit met een duurzaam evenwicht op lange termijn ten opzichte van het fysieke milieu. De hoofdfunctie is landbouw, derhalve kan er geen sprake zijn van conflicterende belangen binnen deze bestemming. Met deze reden hoeft er geen belangenafweging plaats te vinden en zijn het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet gebonden aan een omgevingsvergunning.

4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden Om de natuur- en landschapswaarden te beschermen bevatten de diverse gebiedsbestemmingen een vergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Niet vergunningplichtig Voor werkzaamheden op gronden met de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ geldt geen vereiste van een omgevingsvergunning. Werkzaamheden in het kader van normaal onderhoud en beheer zijn in principe ook niet-vergunningplichtig. Het betreft hier het reguliere onderhoud, dat gelet op de bestemming noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren. Voorbeelden van normaal beheer en onderhoud zijn: Normaal agrarisch- en recreatief gebruik - maaien, beweiden en bemesten van grasland; - verbeteren van het grasland door het scheuren van de grasmat en het direct opnieuw inzaaien; - ploegen en cultiveren van bouwland; - verbouwen van akkerbouwgewassen, zoals maïs in wisselteelt; - maaien en schonen van sloot en slootkant;

35

-

vervangen van en onderhoud aan drainage; open houden van paden en wegen door maaien, snoeien of klepelen; het aanleggen van wegen ter directe ontsluiting van een agrarisch bouwperceel.

Normaal landschapsonderhoud - het periodiek uitdunnen en snoeien van houtwal of singel; - knotten van bomen; - opvullen van open plekken in houtwal of singel; - het periodiek maaien van gras- en rietlanden ter instandhouding van deze natuurdoeltypen. Normaal bos- en natuurbeheer - uitdunnen: kappen van bomen ter instandhouding van houtopstanden (meer dan 60% van de kroonbedekking blijft over); - verwijderen van dode bomen; - begaanbaar maken van een bestaand pad; - aanplanten van nieuwe bomen; - plaggen van heide; - het plaatsen van afrasteringen ter voorkoming van wildschade; - trekken van uitsleeppaden; - al die werkzaamheden die tot bosinstandhouding en bevordering van de vitaliteit van het bos dienen. Normaal beheer primaire groenstructuren - het verwijderen van dode bomen; - het verwijderen van gevaarlijke bomen volgend uit visuele boomcontrole (VTA); - het verwijderen van bomen vanuit beheeroogpunt, ontwikkelingsruimte voor de te behouden bomen en met behoud van de bomenstructuur; - vrijhouden van kruisingen en splitsingen conform beleid. Het vervangen van de bomen in de hoofdstructuur is alleen toegestaan onder de voorwaarde dat voorafgaande aan de kap het terug planten van een bomenstructuur op dezelfde locatie geborgd is. Vergunningplichtige werken Vergunningplichtige werkzaamheden zijn zwaarder van aard dan de normale onderhoudswerkzaamheden.

Ze vinden doorgaans minder frequent plaats, soms zelfs éénmalig. Deze ingrepen kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de waarden van natuur en landschap. Dergelijke ingrepen kunnen ook de belangen van agrariërs of omwonenden schaden. Daarom is het noodzakelijk de gevolgen van de ingreep te beoordelen en moet de uitvoerder van de ingreep een vergunning aanvragen. De afwegingscriteria voor de toetsing van een aanvraag komen in de volgende paragraaf aan de orde. Na beoordeling van een aanvraag zijn er drie mogelijkheden: 1) De ingreep is zonder meer toegestaan:

36

Het is te verwachten dat door de geplande ingreep geen beïnvloeding van waarden en/of belangen plaatsvindt. De vergunning kan derhalve verleend worden. 2) De ingreep is onder voorwaarden toegestaan: Het is te verwachten dat waarden en/of belangen in bepaalde mate worden beïnvloed wanneer een ingreep wordt uitgevoerd. Om aantasting te voorkomen, kunnen voorwaarden gesteld worden. Het kan gaan om voorwaarden met betrekking tot de locatie, de omvang, de aard of de periode van de geplande ingreep, alsmede de mogelijkheden voor compensatie. 3) De ingreep is niet toegestaan: De geplande ingreep tast waarden en/of belangen in belangrijke mate aan. Er kunnen geen nadere voorwaarden worden gesteld. Burgemeester en wethouders verlenen in dit geval geen vergunning. Afwegingscriteria Bij de toetsing van een aanvraag voor een vergunning speelt een aantal afwegingsaspecten een rol. De afweging heeft betrekking op de doelmatigheid van een activiteit voor de aanvrager in relatie tot de te verwachten schadelijke effecten op de aan het gebied gegeven bestemming en waarden. Eventuele schadelijke effecten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen door het stellen van nadere voorwaarden, zoals fasering, beperking van de oppervlakte en compenserende maatregelen. Eén en ander zal moeten worden geregeld in overleg met de aanvrager.

De algemene criteria voor de afweging van de economische doelmatigheid en het maatschappelijk belang van de geplande activiteit zijn: ➢ De locatie van de geplande activiteit: Bij dit criterium komt de vraag aan de orde of de te verwachten nadelige effecten van de geplande activiteit wellicht minder zijn indien de activiteit op een andere locatie wordt uitgevoerd. Indien de doelmatigheid van de activiteit daardoor niet wordt geschaad, kan uitvoering van de activiteit op een andere locatie de voorkeur hebben. ➢ De omvang van de activiteit: Dit punt betreft het oppervlak waarop de activiteit zou moeten worden uitgeoefend alsmede de reikwijdte van de effecten van de activiteit binnen de bestemming. Indien de geplande activiteit op een kleiner oppervlak minder schadelijke effecten of een kleinere reikwijdte heeft, kan bezien worden of de activiteit op een kleiner oppervlakte kan plaatsvinden. ➢ De aard van de activiteit: De wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd en het beoogde effect daarvan dienen nauwkeurig omschreven te zijn. Uitgangspunt is dat uitvoering van de activiteit zodanig plaatsvindt dat de schadelijke effecten minimaal zijn.

➢ De periode waarin de activiteit wordt ondernomen: Het kan voorkomen dat een activiteit in sommige maanden van het jaar minder of juist meer schadelijk is, waardoor het de voorkeur verdient de activiteit in die periode uit te voeren waarin deze de minst schadelijke effecten veroorzaakt. ➢ De mogelijkheden voor herstel en compensatie:

37

Het is mogelijk dat een schadelijke ingreep hersteld of gecompenseerd wordt, bijvoorbeeld door de waarden die verloren gaan door de activiteit op dezelfde of op een andere plaats te realiseren. Uitgangspunt is dat waarden gecompenseerd worden, als dat in redelijkheid mogelijk is. ➢ De gevolgen voor de aanwezige waarden op en rond de locatie van de activiteit: Activiteiten mogen alleen uitgevoerd worden als met het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden of voor zover de mogelijkheden voor herstel niet (onevenredig) worden verkleind, zoals omschreven in de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding, in de specifieke erfbeplantingsplannen en/of en in het beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren (2011). In onderstaande tabel zijn per ingreep de (beoogde) effecten en mogelijke gevolgen voor natuur-, landschaps-, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden beschreven. Werk

Betreft

(Beoogde) effecten

Mogelijke gevolgen voor natuur-, landschaps-, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden

Bodembewerking Ontginnen, verlagen, afgraven

Het verwijderen van de bovenste bodemlaag

- Verandering bodemprofiel - Verkleining afstand tussen maaiveld en grondwater

- Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) - Verlies ecologische gradiënt bij slootkanten, poelen, laagtes en overig microreliëf - Verlies microreliëf en aardkundige en/of cultuurhistorische vormen zoals steilranden en bolle akkers - Verlies vegetatiewaarden - Verlies bodemleven

Egaliseren

Het verwijderen van het microreliëf in de toplaag door plaatselijk af te graven en plaatselijk op te hogen, ter verkrijging van een egaal maaiveld

- Wateroverlast en droogtegevoeligheid van agrarische percelen tegengaan; - Verbetering van de bewerkbaarheid van agrarische percelen; - Opheffen niveauverschillen als gevolg van inklinking

- Verandering in de hydrologische situatie - Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) - Verlies microreliëf

Ophogen

Opbrengen van grond van elders op de bestaande bodemlagen

- Opheffen maaivelddaling door inklinking - Verschraling - Bezanden van gronden voor bijvoorbeeld bollenteelt - Vergroten afstand tussen maaiveld en grondwater

- Verdroging - Verschraling - Verlies microreliëf en aardkundige vormen zoals steilranden - Verlies vegetatiewaarden - Verlies aan bodemleven

38

Diepploegen

Het vermengen van lagen in het bodemprofiel, dieper dan 60 cm

- Verbeteren bodemprofiel voor agrarisch gebruik - Vergroten bewortelingsdiepte - Vergroten berijdbaarheid - Verschraling - Mengen klei- en zandlagen

- Vernietiging bodemprofiel - Verandering waterhuishouding - Vernietiging en blijvende aantasting groeicondities en leefomgeving bodemleven - Verschraling - Verandering hydrologische situatie, mogelijk verdroging door doorbreken ondoorlatende lagen - Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) - Verlies microreliëf - Verlies vegetatiewaarden - Verlies bodemleven - Verschraling - Verandering hydrologische situatie - Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) - Verlies microreliëf en aardkundige en/of cultuurhistorische vormen zoals steilranden en bolle akkers - Verlies vegetatiewaarden - Verlies bodemleven - Verlies aan graslandvegetaties en biotoop voor fauna - Verlies foerageergebied - Verlies areaal weidevogels

Vergraven

Verwijderen van bodemlagen en vervolgens weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders

- Verandering bodemprofiel - Veranderen waterhuishouding

Omzetten grasland in bouwland

Verwijderen gras en aanplanten/inzaaien andere gewassen

- Ingebruikname gronden voor teelt gewassen voor voedselproductie of voeding landbouwdieren

Waterhuishouding Aanleggen, verbreden, vergraven of verbeteren van sloten en greppels

Aanleggen, verbreden of verbeteren van sloten en greppels

- Verbeteren ontwatering agrarische gronden - Drogere gronden

- Verlies biotopen/vegetatie slootkanten door ontstaan steile oevers - Aantrekken kwelstromen in nieuwe of uitgediepte sloten en greppels, waardoor voor vegetatie waardevol kwelwater wordt afgevoerd - Verlies biotopen/vegetatie door verdroging en/of verzuring omgeving - Verlies aan waterplanten - Verbraseming - Verslechtering waterkwaliteit - Verandering verkaveling/ percelering (landschappelijke/ cultuurhistorische waarden) - Verandering karakter sloten en greppels (landschapswaarden)

Dempen van oppervlaktewater

Dichten van sloten of greppels

- Verkleinen waterafvoer agrarische gronden - Wijzigen verkaveling/ percelering

- Verlies biotopen/natte natuur voor o.a. amfibieën - Verandering hydrologische situatie (natter)

39

- Vergroting areaal bruikbare agrarische grond - Natter worden van omliggend gebied Houtgewas Vellen, rooien of beschadigen houtgewas

Aanplanten houtgewas

Verhardingen Aanbrengen van oppervlakteverhardin gen

Het verwijderen van bomen en/of struiken, solitair dan wel in de vorm van bos, houtsingels of houtwallen

- Grotere openheid landschap - Vergroten areaal bruikbare agrarische grond - Wegnemen schaduw/ beschutting - Onderhoud/dunning - Verwijderen dood hout

- Verlies biotopen (houtwallen, struweel, etc.) - Verlies aan oriëntatiepunten en verblijfplaatsen voor fauna (o.a. vleermuizen) - Verlies aan nestgelegenheid broedvogels - Verlies aan schuilgelegenheid/ beschutting fauna - Verlies aan landschapselementen (landschappelijke/ cultuurhistorische waarden) - Verlies schaduw en beschutting

Het planten van bomen en struiken

- Vergroten natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteit - Houtproductie - Bescherming gewas tegen wind

- Toename biotopen (houtwallen, struweel, etc.) - Meer beschutting, schaduw - Nieuwe oriëntatiepunten en verblijfplaatsen voor fauna, incl. nestgelegenheden broedvogels. - Verlies openheid en evt. leefgebied weidevogels

Het bestraten of asfalteren van de bodem, waardoor een aaneengesloten (half)verharding ontstaat

- Tegengaan vervuiling bodem en/of grondwater - Creëren ontsluiting percelen - Aanleggen recreatieve verbindingen

- Verlies aan infiltratiemogelijkheid hemelwater - Verlies biotopen - Barrière kleine diersoorten - Verstening buitengebied

Tabel 5: Effecten van werken en werkzaamheden op de aanwezige waarden

4.8 Dubbelbestemmingen t.b.v. omgevingskwaliteiten De aanwezigheid van omgevingskwaliteiten hebben de basis gevormd voor het indelen van het gebied in de diverse gebiedsbestemmingen en de aanduiding van de landschapswaarden op de verbeelding. Omgevingskwaliteiten worden ook beschermd met een aantal dubbelbestemmingen. Hieronder volgt een beschrijving van deze dubbelbestemmingen in het plangebied. Waarde - Ecologie Algemeen In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid het begrip Natuur Netwerk Nederland (NNN) gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Natuur Netwerk Brabant (NNB) is het NNN dat in Noord-Brabant ligt. Het NNB is door de provincie opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening wordt verder toegelicht in paragraaf 5.3.3. Een bestemmingsplan dat

40

geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het NNB moet zo zijn ingericht dat het NNB wordt beschermd. De gronden die onderdeel uitmaken van het NNB zijn bestemd met de dubbelbestemming Waarde - Ecologie. In deelgebied 2 maakt de Kleine Aa en enkele gebieden in het beekdal van de Kleine Aa onderdeel uit van het Natuur Netwerk Brabant. Deze gebieden en de Kleine Aa zelf hebben de dubbelbestemming ‘Waarde - Ecologie’. Daarnaast hebben ook de houtopstanden die vallen onder het regime van de Wet natuurbescherming deze dubbelbestemming. Beleid Het beleid voor het NNB is beschreven in paragraaf 5.3.3. Waterstaat - Waterkering Langs deelgebied 2 loopt de Zuid-Willemsvaart. Rondom het kanaal wordt een beschermingszone opgenomen. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' beschermt de waterkering van de Zuid-Willemsvaart. Er mogen in beginsel alleen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de waterkering worden gebouwd. Als ten behoeve van de onderliggende bestemming een bouwwerk moet worden opgericht, dan kan het bevoegd gezag afwijken van de bouwregels, mits het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies inwint van de beheerder van de waterkering en de waterkerende functie en/of het waterkerende vermogen van de waterkering niet onevenredig worden aangetast.

41

5 BELEIDSKADER 5.1 Achtergrond Ruimtelijke ordening is de verdeling van de ruimte voor verschillende functies. Daarbij worden keuzes gemaakt, omdat ruimte schaars is. Met dat doel, worden alle ruimtelijk relevante aspecten op een rij gezet (geordend) en belangen afgewogen, want belangen kunnen tegenstrijdig zijn. Deze belangenafweging is de ruimtelijke ordening. Bij een goede belangenafweging moet altijd duidelijk zijn waar welke functie is, waarom die functie nodig is (nut en noodzaak) en waarom deze nu juist op die plek is gelegen. Met andere woorden, er moet altijd een antwoord zijn op de vragen ‘Wat, waar en waarom daar?’. Dit antwoord moet te vinden zijn in de toelichting bij het bestemmingsplan. Het rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap hebben in de loop der jaren diverse beleidsnota’s opgesteld die mede het ruimtelijke beleid voor een regio bepalen. Deze beleidsnota’s bevatten de uitgangspunten voor het bestemmingsplan. Daarnaast gelden diverse wettelijke regelingen als randvoorwaarden voor het bestemmingsplan. In de hierna volgende paragrafen 5.2 tot en met 0 worden de planologische relevante beleidsnota’s, thema’s en wettelijke regelingen weergegeven en kort toegelicht. Het betreft hier een algemene beschrijving van het beleid. Een deel van de legalisaties en ruimtelijke ontwikkelingen in deelgebied 2 is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing.

In de afzonderlijke ruimtelijke onderbouwingen is per ontwikkeling specifiek aangegeven of deze voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Voor die aan de locatie gebonden afwegingen wordt naar de betreffende onderbouwingen in de bijlagen van deze toelichting verwezen.

5.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu is vastgesteld, zijn de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd. Hoofddoel van de SVIR is Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. De SVIR vervangt alle voorgaande rijksnota’s ten aanzien van ruimte en mobiliteit (waaronder de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit, behalve de Structuurvisie Nationaal Waterplan. Het rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland.

42

-

Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

De hoofdlijn van de SVIR is dat het Rijk op het gebied van de ruimtelijke ordening terugtreedt en dat gemeenten en provincies op dit taakveld een meer prominente rol krijgen. In het SVIR staat centraal dat alleen nog een taak voor het Rijk is weggelegd wanneer sprake is van: - een onderwerp dat nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom bijv. mainports, brainports en greenports; - een onderwerp waarvoor internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed; - een onderwerp dat provincie- of landsgrensoverschrijdend is, of een hoog afwentelingsrisico kent of reeds in beheer is bij het Rijk. Bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners. Deze drie criteria zijn leidend bij de in de structuurvisie benoemde rijksdoelen en bijbehorende nationale belangen. Voorliggende plan en plangebied doen geen inbreuk op enig rijksbelang dat in de Structuurvisie van het Rijk is opgenomen. Ook de vastgelegde rijksdoelen worden niet belemmerd.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening op 22 augustus 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgesteld. In het Barro zijn regels opgenomen ter bescherming van de nationale belangen, zoals vastgelegd in de SVIR. Gaandeweg zijn verschillende nationale belangen toegevoegd aan het Barro. Deze regels moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijk verordeningen, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen. Regels uit het Barro die relevant kunnen zijn voor de gemeente Someren betreffen: - buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voorliggende plan voorziet ook in de bestemming van bestaande buisleidingen binnen het plangebied. Conform de bestaande regelingen worden deze leidingen overgenomen. Besluit ruimtelijke ordening Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening een tweede besluit genomen waarmee dat mogelijk is: het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt juridische kaders aan de processen van

43

ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. In hoofdstuk 8 wordt hier nader op ingegaan. De ‘ladder duurzame verstedelijking’ is in 2012 opgenomen in het Bro. In de loop der jaren heeft de jurisprudentie de relevantie van de ‘Ladder’ bevestigd en is het standaard onderdeel geworden in bestemmingsplannen. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 7.10 als één van de relevante sectorale aspecten. Rooilijnenbeleid Rijkswaterstaat In verband met verkeersbelangen dienen gronden langs autosnelwegen te voldoen aan het rooilijnenbeleid van Rijkswaterstaat. Dit betekent dat er beperkingen gelden (bouwverbod) voor de zone tot 100 meter uit de as van de dichtstbijzijnde rijbaan van de rijksweg. Het grondgebied van de gemeente Someren ligt aan weerszijden van de A67. Voor deelgebied 2 is dit beleid niet relevant. Het hier onderhavige plangebied ligt op veel ruimere afstand dan de rijksregeling stelt.

5.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Brabant ‘De kwaliteit van Brabant - Visie op de Brabantse leefomgeving’ De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om het beoogde Panorama van Brabant te kunnen bereiken onderscheidt de provincie naast de basisopgave vier hoofdopgaven die nauw met elkaar samenhangen en die op elkaar inwerken: - Werken aan de Brabantse energietransitie - Werken aan een klimaatproof Brabant - Werken aan de slimme netwerkstad - Werken aan een concurrerende, duurzame economie Het gaat om grote maatschappelijke opgaven die vanuit de basis met elkaar zijn verbonden. Urgente opgaven die raken aan de essentie van de omgevingsvisie: de visie als inspirerend eindbeeld en mobiliserende strategie.

De provincie stelt dat hiervoor een forse inzet nodig is van alle partijen. De provincie wil hierbij inzetten op menskracht en middelen, naast de bestaande wettelijke en andere basistaken. De vier hoofdopgaven zijn belangrijk voor heel Brabant. Dat betekent echter nog

44

niet dat deze Brabantbreed op dezelfde manier worden opgepakt. Het is van belang om via een gebiedsspecifieke benadering de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en aan te pakken, dan wel te benutten. Ook in relatie tot kansen vanuit andere opgaven. De Omgevingsvisie bevat geen hele concrete of sectorale beleidsdoelen. Deze concrete doelen staan nog steeds in bestaande sectorale beleidsdocumenten. Onder andere in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Brabant. Deze beleidsdocumenten blijven derhalve nog steeds van kracht. Dit betekent dat voor ruimtelijke plannen de Structuurvisie RO van de provincie Noord-Brabant en met name de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant relevant zijn. Hier wordt in navolgende paragrafen op ingegaan. Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is op 19 maart 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft op het gebied van het provinciale ruimtelijke beleid tot 2025 en hoe ruimtelijke ontwikkelingen een plek kunnen krijgen zodat deze aansluiten bij de (gewenste) kwaliteiten van Brabant. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn volgens de provincie twee ruimtelijke trends te onderscheiden: de schaalvergroting en de behoefte aan identiteit.

De provincie streeft naar een concentratie van verstedelijking, robuuste en aaneengesloten natuurgebieden, concentratiegebieden voor glastuinbouw en intensieve veehouderijen en voldoende ruimte voor waterberging nu en in de toekomst. De provincie wil duurzaam en zuinig omgaan met de leefomgeving en de ruimte, een goede relatie creëren tussen wonen en werken in de stedelijke omgeving en een groene landelijke omgeving daarbuiten. De provincie kiest in haar ruimtelijke beleid tot 2025 voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en een economie gericht op kennis en innovatie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant. Het principe van behoud en ontwikkeling van het landschap is in de SVRO de rode draad die de ruimtelijke ontwikkelingen stuurt. De SVRO is samen met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een middel om de provinciale ruimtelijke visie op Brabant te realiseren. De SVRO is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Deze filosofie is: ‘samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: 1. door regionaal samen te werken; 2.

door te ontwikkelen; 3. door te beschermen; en 4. door te stimuleren. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur

45

formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

Figuur 9 Uitsnede structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

Het voorliggende plangebied ligt hoofdzakelijk in het ‘landelijke gebied’ met een accent voor agrarische ontwikkeling. Aan de randen van het plangebied liggen enkele ‘zoekgebieden voor verstedelijking’ en er lopen twee (potentiele) ecologische verbindingszones door het plangebied. Deze maken onderdeel uit van de ‘Groenblauwe structuur’ uit de provinciale Structuurvisie. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn deze gebieden en aanduidingen meer concreet gemaakt (zie paragraaf Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. In deze omgevingsverordening zijn bestaande regels uit de verschillende verordeningen met betrekking tot de fysieke leefomgeving samengevoegd. De regels hebben betrekking op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen en vervangt de Milieuverordening, Verordening wegen, Verordening Ontgronden, Verordening natuurbescherming, Verordening ruimte en Verordening water. In de Interim omgevingsverordening zijn geen beleidswijzigingen verwerkt.

46

Voor de vaststelling van de Interim omgevingsverordening is het ontwerp bestemmingsplan getoetst aan de Verordening ruimte 2014 (versie d.d. 1-1-2019). Ook de ruimtelijke onderbouwingen bijgevoegd bij dit bestemmingsplan zijn aan deze provinciale verordening getoetst. De ruimtelijke onderbouwingen behorend bij onderhavig bestemmingsplan zijn gezien de tijdsplanning niet aangepast aan de Interim omgevingsverordening. Aangezien de Interim omgevingsverordening geen beleidswijzigingen bevat, is het toetsingskader, op enkele aanpassingen na, niet gewijzigd. De ruimtelijke onderbouwingen bijgevoegd bij dit bestemmingsplan voldoen dan ook aan de Interim omgevingsverordening. In de Interim omgevingsverordening staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het opstellen van bestemmingsplannen. Er kan sprake zijn van rechtstreeks werkende regels (die ook al bindend zijn bij bouwplantoetsing) en van instructieregels (die bepalen wat er in een nieuw bestemmingsplan al dan niet geregeld kan worden). Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze rekening mee moeten houden. Per onderwerp zijn in de Interim omgevingsverordening gebieden tot op perceelsniveau begrensd op een kaart. Hierdoor is duidelijk voor welke gebieden de regels gelden.

Onderhavig bestemmingsplan is binnen de kaders van de Verordening ruimte en de daaropvolgende Interim omgevingsverordening opgesteld. Vanuit de Interim omgevingsverordening is voornamelijk hoofdstuk 3, de instructieregels aan gemeenten van belang voor het voorliggende plangebied en bestemmingsplan. In dit hoofdstuk zijn, zoals de titel luidt, regels opgenomen voor gemeenten waaraan de op te stellen bestemmingsplannen moeten voldoen. Aan de Interim omgevingsverordening zijn kaarten gekoppeld waar de verschillende zoneringen zoals het Natuur Netwerk Brabant of het Gemengd landelijk gebied opgenomen. In deze paragraaf worden de relevante artikelen uit de Interim omgevingsverordening toegelicht. 5.3.3.1 Algemeen Afdeling 3.1 Algemeen Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Een belangrijk principe in de Interim omgevingsverordening is de ruimtelijke kwaliteit van en kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze kernkwaliteiten zijn in de Structuurvisie ruimtelijke ordening benoemd en verder uitgewerkt in de ‘Gebiedspaspoorten’. Gebiedskenmerken zijn de spil van ruimtelijke kwaliteit, het gaat daarbij om het verbinden van de opgave met de plek.

In de Interim omgevingsverordening is de bevordering van ruimtelijke kwaliteit concreet vertaald in onder andere de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5), regels met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) en de kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.9). De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit behelst in hoofdzaak de regel dat de geboden ontwikkelruimte bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In het bijzonder geldt als regel het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Dat betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. Nieuw ruimtebeslag moet zo veel mogelijk voorkomen worden. De kwaliteitsverbetering van het landschap heeft betrekking op de voorwaarde dat ruimtelijke

47

ontwikkelingen gepaard moeten gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Van belang daarbij is dat de kwaliteitsverbetering moet passen in het beleid ten aanzien van het gebied. De gemeente Someren onderschrijft beide principes en heeft in dat kader het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren’ (zie paragraaf 3.2) opgesteld. In voorliggend bestemmingsplan wordt daarom met de gekozen systematiek invulling gegeven aan de Interim omgevingsverordening, door middel van zonering van het plangebied, het beschermen van actuele en potentiële waarden, een passende maatvoering voor ontwikkelingen en door het stellen van randvoorwaarden ten aanzien van toekomstige nieuwe ontwikkelingen. Zo moet bij nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld zorg worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing conform de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan. 5.3.3.2 Stedelijke ontwikkeling Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar (artikel 3.43) De Interim omgevingsverordening heeft enkele dorpsranden binnen (en direct grenzend aan) het plangebied aangeduid als ‘verstedelijking afweegbaar’ (artikel 3.43). Binnen deze zones is vanuit de Interim omgevingsverordening meer ruimte voor nieuwe (meer stedelijke) functies. Functiemenging wordt hier tot bepaalde mate toegelaten. Uiteindelijk zullen deze gebieden ook ingezet kunnen worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen van de dorpen.

Figuur 10 Uitsnede kaart Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

48

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in dergelijke stedelijke ontwikkelingen. Als die aan de orde zijn, dan zal daarvoor altijd een separate planologische afweging gemaakt moeten worden en bijhorende procedure worden gevoerd. In de regels zijn dan ook geen specifieke beperkingen, voorwaarden of ontwikkelingen opgenomen wat dit betreft. 5.3.3.3 Natuur en stiltegebieden Natuur Netwerk Brabant (paragraaf 3.2.3, artikel 3.15 t/m 3.27) Het kerngebied natuur en water bestaat uit het Natuur Netwerk Brabant (NNB) inclusief de ecologische verbindingszone en waterstructuren. Het NNB is een samenhangend netwerk van natuur- en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang en bestaat uit: - bestaande natuur- en bosgebieden, zoals Natura 2000-gebieden; - gerealiseerde nieuwe natuur (op grond van het Natuurbeheerplan); - nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Meestal agrarische gronden, die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming nog aanwezig is. In de Interim omgevingsverordening zijn deze gebieden begrensd. Verder is bepaald dat binnen deze gebieden de karakteristieke eigenschappen en aanwezige ecologische waarden behouden, hersteld of duurzaam ontwikkeld moeten worden. Binnen het NNB is de nieuwvestiging van ‘niet-natuurbestemmingen’ niet toegestaan.

Indien echter een dergelijke bestemming reeds binnen het NNB aanwezig is, wordt deze bestemming en de met het oog daarop gegeven regels omtrent het gebruik gerespecteerd. Dit is vooral aan de orde bij gevallen waarin de inrichting en het beheer van de natuur nog niet zeker zijn. Wanneer de aanwezige waarden worden aangetast door activiteiten in of buiten het Natuur Netwerk Brabant geldt een compensatieplicht. De gronden die onderdeel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant zoals aangeduid op de kaart behorend bij de Interim omgevingsverordening en voor zover gelegen in dit plangebied, zijn concreet bestemd met de dubbelbestemming ‘Waarde - Ecologie’. In geval van strijdigheid van bepalingen, gaan de bepalingen van de dubbelbestemming voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Ecologische verbindingszones krijgen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - ecologische verbindingszone’. Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone (artikel 3.25) Ecologische verbindingszones (evz) zijn zones die migratie en uitwisseling van soorten tussen natuurgebieden mogelijk maken. Dit zijn lijnvormige landschapselementen, die als groene verbindingen de Brabantse natuurgebieden met elkaar (moeten gaan) verbinden.

Ten aanzien van de ecologische verbindingszones geldt een beperkt beschermingsregime ten opzichte van het Natuur Netwerk Brabant. De ecologische verbindingszone ‘de Kleine Aa’ loopt aan de noordzijde van het plangebied. Voor deze evz is een passende planologische regeling opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan, overeenkomstig de reeds geldende regels uit het vorige plan. Deze status is in het bestemmingsplan overgenomen door de bestemming ‘Water’ voor de watergang zelf, ondersteund door de diverse

49

aanduidingen die strekken tot de instandhouding en ontwikkeling van de (natte) ecologische waarden van deze evz (voor ligging zie Figuur 11). Aanduiding - Behoud en herstel watersystemen (artikel 3.27) Door onder andere beperkingen ten aanzien van bebouwing, oppervlakteverhardingen en ophoging van gronden voorziet het bestemmingsplan in voldoende ruimte voor watersysteemherstel. Voor de evz ‘de Kleine Aa’ is ook een aanduiding ‘behoud en herstel watersystemen’ opgenomen.

Figuur 11 Uitsnede kaart Natuur en stiltegebieden Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

5.3.3.4 Grondwaterbescherming, waterveiligheid en - berging Aanduiding - Boringsvrije zone (artikel 3.12) Rondom de provinciaal beschermde waterwingebieden is door de provincie een zone aangebracht waar beperkingen gelden ten aanzien de aanwezige ‘beschermende kleilaag’ in de bodem. Het bestemmingsplan moet daarvoor in een regeling voorzien. Hiervoor is een zonering in het plan opgenomen waaraan een verbodsbepaling en omgevingsvergunning is gekoppeld voor o.a. het boren in de ondergrond, dieper dan 3 m1. De zone is aangegeven in Figuur 12.

50

Figuur 12 Uitsnede kaart Milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

5.3.3.5 Landelijk gebied In de Interim omgevingsverordening Afdeling 3.6 Vitaal platteland zijn de ontwikkelingsmogelijkheden geschetst voor het Landelijk gebied. Het Landelijk gebied bestaat uit twee verschillende gebieden; het gemengd landelijk gebied en de groenblauwe mantel. In de voorgaande Verordening ruimte waren per gebied afzonderlijke regels opgenomen. In de Interim omgevingsverordening gelden algemene ontwikkelingsmogelijkheden voor beide gebieden, als er uitzonderingen zijn wordt in de regels nadrukkelijk gesproken over het desbetreffende gebied. In het gebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft is er alleen sprake van gemengd landelijk gebied, de groenblauwe mantel komt niet voor. In deze gebieden stimuleert de provincie een sterke plattelandseconomie met ruimte voor een menging van functies zoals bedrijvigheid, natuur en wonen. De primaire doelstelling in dit gebied is de ontwikkeling van landbouw, het bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit en het voorkomen van hinder voor de beoogde agrarische economie. Ten aanzien van grondgebonden agrarische bedrijven geldt dat deze binnen het gemengd agrarisch gebied mogen ontwikkelen, eventueel met verbrede en nevenactiviteiten.

51

Figuur 13 Uitsnede basiskaart Landelijk gebied Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Veehouderij (paragraaf 3.6.1, artikel 3.47 t/m 3.53) In de Interim omgevingsverordening zijn regels verbonden aan de ontwikkeling van veehouderijen. Hiervoor zijn verschillende aanduidingen in de omgevingsverordening opgenomen. Daarnaast gelden ten aanzien van de veehouderij ook de algemene rechtstreeks werkende regels voor het hele plangebied. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet aansluiten bij de maximale mogelijkheden ten aanzien van agrarische ontwikkelingen die in de Interim omgevingsverordening zijn opgenomen. Hiertoe zijn in de regels bij dit plan bepalingen opgenomen die niet meer ruimte bieden dan de Interim omgevingsverordening. Tijdelijk verbod geitenhouderij (artikel 3.47) Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (2017) blijkt dat er een verhoogde kans op longontsteking is voor mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen. Momenteel is onbekend waardoor dit verhoogde risico ontstaat. Totdat duidelijk is welke maatregelen genomen kunnen worden om dit risico te verkleinen is door de provincie een tijdelijk moratorium ingesteld voor de ontwikkeling van geitenhouderijen. Er mogen geen nieuwe geitenhouderijen gevestigd worden en bestaande geitenhouderijen mogen niet uitbreiden of hun oppervlakte aan dierenverblijven uitbreiden. Tevens mag er door agrarische bedrijven geen omschakeling naar geitenhouderij plaatsvinden.

De gemeente respecteert deze beleidslijn. In de regels bestemmingsplanregels wordt uitbreiding van dierenverblijven voor geitenhouderijen uitgesloten.

52

Veehouderij in landelijk gebied (artikel 3.49) In artikel 3.49 van de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor veehouderijen in landelijk gebeid. Het doel van de regels is om ontwikkelingen van veehouderijen gepaard te laten gaan met een verduurzaming van de bedrijfsvoering en beter inpassing in de omgeving. Daarom worden onder andere eisen gesteld aan de oppervlakte van het bedrijf, de landschappelijke inpassing en geurhinder. In de Interim omgevingsverordening worden tevens beperkingen opgelegd aan de locaties waar mest bewerkt mag worden. Ter plaatse geproduceerde mest mag op eigen terrein worden bewerkt. Daarnaast mag mest bewerkt worden op daartoe geschikte bedrijventerreinen. De provincie wil zo voorkomen dat nieuwe mestfabrieken op het platteland worden gebouwd. Het is per definitie niet mogelijk om een mestfabriek binnen het bestaande planologische regime te realiseren en mestbewerking wordt verder alleen als onderdeel van een veehouderij toegestaan. Afwijkende regels Beperkingen veehouderij (artikel 3.51) De regels in artikel 3.51 van de Interim omgevingsverordening hebben betrekking op beperkingen voor de veehouderij. Deze regels zijn opgenomen met als doel een verdere intensivering van veehouderijen in de aangeduide gebieden tegen te gaan.

In deze gebieden gelden afwijkende regels, voor grondgebonden veehouderijen wordt echter een uitzondering gemaakt. In de Interim omgevingsverordening gelden hiervoor rechtstreeks werkende regels tot het bestemmingsplan conform de regeling is aangepast. De betreffende afwijkende regels voor veehouderij binnen deze gebiedsaanduiding zijn opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Aanvullende regels stalderen (artikel 3.52) Om de regionale concentratie van de veestapel tegen te gaan zijn er zes stalderingsgebieden opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Bij ontwikkelingen die leiden tot een toename van de oppervlakte dierenverblijf gelegen binnen een van de stalderingsgebieden, moet er op een andere locatie dierenverblijf verdwijnen. Ook deelgebied 2 valt binnen de begrenzing van het stalderingsgebied. Deze regeling is in de Interim omgevingsverordening aangepast ten opzichte van de Verordening ruimte. De inbreng van stalderingsmeters bij sloop is 120% en bij herbestemming 200%. Het gehele deelgebied heeft een gebiedsaanduiding ‘overige zone - stalderingsgebied’ gekregen en de nieuw regels zijn opgenomen in de planregels van het onderhavig bestemmingsplan.

5.3.3.6 Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Glastuinbouw-vestigingsgebied (artikel 3.62) Binnen het gebied Vlasakkers, aangeduid in de Interim omgevingsverordening als ‘Vestigingsgebied glastuinbouw’, is expliciet ontwikkeling van de glastuinbouw mogelijk. Artikel 27 biedt de mogelijkheid voor nieuwvestiging, vestiging, uitbreiding van en omschakeling naar glastuinbouwbedrijven. In Vlasakkers is dan ook meer sprake van een ‘primair agrarische economie’ in de vorm van glastuinbouw, ten opzichte van de omliggende agrarische gebieden waar meer sprake is van een ‘gemengde agrarische economie’. In het voorliggende bestemmingsplan is voor het gebied Vlasakkers dan ook een aparte planregeling opgenomen ten opzichte van de omliggende agrarische gebieden.

53

Sanerings- en verplaatsingslocaties (artikel 3.67) Voor locaties die in het verleden via subsidies zijn gesaneerd en/of verplaatst geldt een restrictief beleid vanuit de provincie. De gemeente sluit hierbij aan. Deze locaties hebben in voorgaande bestemmingsplannen reeds een passende herbestemming gekregen.

Figuur 14 Uitsnede kaart specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

5.4 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Someren 2028 Op 24 april 2013 is de ‘Structuurvisie Someren 2028’ vastgesteld. In de Structuurvisie wordt beschreven dat de gemeente in 2028 een duurzame, krachtige, zelfbewuste en zelfstandige gemeente wil zijn die haar landelijke positie in de Brainport goed weet te benutten. Someren ontleent haar identiteit aan het landelijke Brabantse karakter. Het kwalitatief goede bos-, natuur- en buitengebied zorgt er mede voor dat Someren een goed woonklimaat kent en een aantrekkelijke vestigingslocatie is voor bedrijven met een schaal die past bij Someren. Door de verscheidenheid en toegankelijkheid van het buitengebied heeft Someren een aantrekkingskracht op recreanten. weergeven Voor het buitengebied streeft Someren naar het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Om dit te bereiken is er in dit gebied voorrang voor boeren, burgers en buitenlui (recreanten).

54

De landschapswaarden en de natuur wil Someren behouden en waar mogelijk versterken. Bedrijfsmatige activiteiten die hierin niet thuishoren worden beperkt. Beleidsvisie Toerisme & Recreatie ‘De kracht van Toerisme’ De beleidsvisie ‘Toerisme en Recreatie’ is in december 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Someren en geeft inzicht in de positie van de gemeente Someren op het gebied van toerisme en recreatie en beschrijft de gewenste ontwikkelingsrichting in Someren en welke stappen gezet moeten worden om deze ambities te bereiken. Deze beleidsvisie schetst een duidelijk kader voor de gewenste ontwikkeling en dient als: - ontwikkelingsdoel voor toerisme en recreatie in Someren; - economisch toeristisch uitvoeringsprogramma; - toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Beleid plattelandswoningen Het komt voor dat een (voormalige) agrarische bedrijfswoning bewoond wordt door een persoon die niet of niet langer verbonden is aan het agrarisch bedrijf ter plaatse. De Wet plattelandswoning (artikel 1.1a, Wabo) maakt omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning mogelijk en laat aan gemeenten de ruimte om te regelen dat dergelijke afgesplitste woningen niet langer worden beschermd tegen geurhinder van het bijbehorende bedrijf.

Met deze regeling blijft de plattelandswoning onderdeel uitmaken van de inrichting en wordt het agrarisch bedrijf niet belemmerd in de bedrijfsvoering. De gemeenteraad van Someren heeft in juni 2014 beleid voor plattelandswoningen vastgesteld. In 2017 heeft een evaluatie van het beleid voor plattelandswoningen plaatsgevonden. In het beleid zijn onder meer de criteria vastgelegd die gelden voor het toekennen van de aanduiding ‘plattelandswoning’ aan een voormalige agrarische bedrijfswoning in een bestemmingsplan. De belangrijkste voorwaarde is dat er feitelijk sprake moet zijn van een in werking zijnd agrarisch bedrijf dat binnen hetzelfde bestemmingsvlak ligt als de woning. Voor wat betreft de bouwregels gelden dezelfde regels als voor reguliere burgerwoningen en bedrijfswoningen. Het beleid plattelandswoningen is vertaald naar het ‘Parapluplan NAFbeleid Someren’. De toetsingscriteria uit dit parapluplan zijn tevens opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Beleid Arbeidsmigranten In 2008 is de ‘Structuurvisie Arbeidsmigranten 2008, gemeente Someren’ vastgesteld. In 2013 heeft een evaluatie plaatsgevonden met enkele kleine inhoudelijke aanpassingen tot gevolg. Deze structuurvisie is het kader voor de oplossingen die mogelijk worden geacht voor huisvesting van arbeidsmigranten. Ook is aangegeven waar en onder welke voorwaarden huisvesting mogelijk is.

In het Parapluplan NAF-beleid zijn de regels voor het huisvesten van arbeidsmigranten voor het volledige buitengebied van Someren opgenomen.

55

Deze regels zijn overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 2. Huisvesting bij agrarische bedrijven is alleen mogelijk indien dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering vanwege een structurele of tijdelijke grotere arbeidsbehoefte bij het desbetreffende agrarische bedrijf. De huisvesting mag uitsluitend bedoeld zijn voor werknemers die werkzaamheden verrichten binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn. In een bedrijfswoning mogen maximaal 20 personen per locatie worden gevestigd, in een bedrijfsgebouw maximaal 40. In het voorliggende bestemmingsplan zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen bij de bestemmingen ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en ‘Agrarische - Glastuinbouw’ voor de huisvesting van arbeidsmigranten overeenkomstig het beleid. Bij de bestemming ‘Wonen’ is bewoning anders dan door een huishouden toegestaan tot maximaal 4 personen. Daarnaast is er via een afwijkingsbevoegdheid de mogelijkheid om maximaal 20 arbeidsmigranten te huisvesten in een burgerwoning. Andere huisvestingsmogelijkheden moeten altijd via een buitenplanse herziening overwogen worden. Momenteel is nieuw beleid voor het huisvesten van arbeidsmigranten in ontwikkeling. Op korte termijn wordt dit beleid vastgesteld en wordt een parapluplan opgesteld waarin het nieuwe beleid voor het gehele buitengebied wordt verwerkt.

Woonvisie 2012-2021 De ‘Woonvisie’ is in 2012 vastgesteld en daarna opgenomen in de Structuurvisie Someren 2028. Dit beleidsdocument geeft de visie van de gemeente Someren op de woningmarkt, met de nadruk op nieuwbouw. Deze Woonvisie kent vier beleidsdoelen: - Voorzien in de behoefte van de lokale bevolking; - Huisvesten bijzondere doelgroepen; - Behouden en versterken van de vitaliteit van de kernen; - Verhogen van de kwaliteit. Nota Ruimtelijke Kwaliteit - Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Het welstandbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2012’. Deze nota geeft aan welke criteria voor welke gebieden gelden. Soms staan de criteria rechtstreeks in de nota, maar daarnaast kan er een beeldkwaliteitsplan gelden voor een gebied of specifieke locatie. Voor het buitengebied van Someren is het ruimtelijk kwaliteitsbeleid eerder al geconcretiseerd in het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied’ (zie paragraaf 3.2). Hierin is gebiedsgericht opgenomen welke kwaliteiten er in een gebied zijn en hoe daar mee omgegaan moet worden. In de regels van het plan is dit beeldkwaliteitsplan als bijlage opgenomen. In de ‘Overige regels’ wordt een juridische link naar het beeldkwaliteitsplan gelegd.

Indien sprake is van een ruimtelijke ingreep, waarbij ook vergunningplichtige bouwactiviteiten betrokken zijn, wordt via de welstandsbeoordeling ook een directe beoordeling aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit zelf geborgd.

56

Beleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied De beleidsnota voor niet-agrarische functies in het buitengebied van Someren is op 25 februari 2016 vastgesteld. Vervolgens zijn er in september 2016, januari 2017 en juni 2018 beleidswijzigingen doorgevoerd en vastgesteld. In de beleidsnota wordt de problematiek rondom voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (VAB’s) verbonden met de vraag welke functies wenselijk worden geacht in het buitengebied. Het doel is een aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied dat in combinatie met een vitale dorpskern ervoor zorgt dat aan iedere inwoner en bezoeker een prettige fysieke en sociale leefomgeving wordt geboden. Hierbij is er een duidelijke scheiding tussen het stedelijk gebied en het buitengebied en wordt gestreefd naar zo min mogelijk leegstand van VAB’s. Duurzaamheid is hierbij het kernwoord. Dit wil Someren op twee manieren bereiken. Enerzijds door uitbreidingsruimte toe te kennen, mits de ontwikkeling bijdraagt aan doelstelling ‘Verdien de ruimte’. Anderzijds door maatregelen in te voeren die de sloop van VAB’s stimuleren. 5.4.7.1 Verdien de ruimte Uitbreidingsruimte kan niet zomaar gegeven worden. De ontwikkeling moet ook eerst en vooral de gemeentelijke doelstelling en een goede ruimtelijke ordening dienen. Om een invulling aan de gemeentelijke doelstelling te geven zijn vier richtinggevende principes uitgewerkt.

De principes zijn gestoeld op de pijlers voor duurzaamheid. Binnen die kaders worden nieuwe initiatieven in beginsel omarmd en is een ontwikkeling kansrijk indien het: 1) bijdraagt aan de sloop van stallen (natuurlijk kapitaal); 2) ruimte biedt aan innovatie (economisch kapitaal); 3) bijdraagt aan een maatschappelijke en/of zorgbehoefte uit de Somerense gemeenschap (menselijk kapitaal); 4) de uitgangspunten van Cradle to Cradle als vertrekpunt hanteert (natuurlijk, menselijk en economisch kapitaal). 5.4.7.2 Stimuleren van sloop In het beleid is een bijzondere plek ingeruimd voor VAB’s. De gemeente streeft naar zo min mogelijk leegstand. De sloopstimulerende maatregelen zijn een uitwerking van het eerste principe dat hiervoor staat genoemd. Er wordt gewerkt met vijf sloopstimulerende maatregelen, namelijk: 1) Stenen voor stenen 2) Verruimde sloopbonusregeling 3) De sloopbank 4) De slooplening 5) De sloopsubsidie De maatregelen kunnen worden toegepast bij bedrijfs- en woonbestemmingen in het buitengebied. De maatregelen worden niet ingezet voor actieve agrarische bedrijven. Ontwikkeling van agrarische bedrijven (veehouderijen) zijn immers al gebonden aan strikte randvoorwaarden vanuit de provinciale Interim omgevingsverordening, welke doorvertaald zijn in dit bestemmingsplan. Sloop van stallen is daarbij al een geldende voorwaarde om

57

nieuwe stallen te kunnen bouwen / gebruiken. Voor niet-veehouderijen, zoals grondgebonden teelt en glastuinbouw, is een dergelijke sloopregeling niet wenselijk en realistisch in ogen van de gemeente. Agrarische bedrijven zijn één van de primaire gebruikers van het buitengebied en een bepaalde bebouwingsomvang hoort daar bij. Voor de glastuinbouw is daarnaast een gebied aangewezen met bijbehorende specifieke regels. Daar waar van belang voorziet het voorliggende bestemmingsplan in specifieke regels om de genoemde stimuleringsmaatregelen te ondersteunen en tot uitvoering te brengen. Vaak zal er echter een herziening van het bestemmingsplan nodig zijn om bijvoorbeeld de nieuw toegestane oppervlakte of inhoud te regelen. In sommige situaties kan volstaan worden met een afwijkingsprocedure, bijvoorbeeld voor het bouwen van extra bijgebouwen bij een woning. Hieronder volgt een nadere uitleg van de genoemde vijf instrumenten ter bevordering van de sloop van overbodige bebouwing. 1) Stenen voor stenen ‘Stenen voor stenen’ houdt in dat bedrijven hun bebouwingsoppervlakte kunnen uitbreiden en bij woningen de hoeveelheid bijgebouwen en de inhoud van de woning kan worden uitgebreid boven wat het bestemmingsplan toestaat, mits er op een andere locatie bebouwing gesloopt wordt.

Deze regeling kan worden toegepast bij agrarisch verwante bedrijven, niet-agrarische bedrijven en de woonbestemmingen in het buitengebied. De verhouding tussen te slopen en terug te bouwen vierkante meters gebouwen is afhankelijk van de locatie waar wordt gesloopt; daar waar sloop het meest bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit is de sloopverhouding het meest gunstig. De indeling van de landschapstypes is gebaseerd op het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011’. Het Natuur Netwerk Brabant, het Kampenlandschap en het Beekdallandschap zijn bijzondere gebieden waar sloop het meest wenselijk is. De sloopverhoudingen zijn daarom in deze gebieden gunstiger dan in minder bijzondere landschappen. In onderstaande tabel wordt weergegeven per type landschap hoeveel vierkante meter er in dat landschap gesloopt moet worden om één vierkante meter extra bebouwing mogelijk te maken. Tevens kunnen de gesloopte vierkante meter worden ingezet voor de uitbreiding van de inhoud van een woning. Voor het vergroten van de inhoud van een woning zijn aparte sloopverhoudingen opgesteld. De locatie waar extra gebouwd gaat worden is verder niet van invloed op de verhoudingen.

58

Kampenlandschap Beekdallandschap Oude heideontginningen Jonge heideontginningen Bebouwingsconcentraties

Aantal m2 te slopen bebouwing om 1 m3 extra bebouwing (inhoud woning) mogelijk te maken

Aantal m2 te slopen bebouwing om 1 m2 extra bebouwing (bijgebouwen) mogelijk te maken

Type landschap NNB

1 2 2 3 3½ 2

1 2

1 /3 12/3 2 1

2 /3 12/3

Tabel 6: Sloopverhoudingen bij 'stenen voor stenen' en 'sloopbonus regeling'.

2) Verruimde sloopbonusregeling De sloop van bebouwing wordt tevens gestimuleerd door een uitbreiding van de bestaande sloopbonusregeling. Met deze regeling kan de maximaal toegestane oppervlakte bijgebouwen worden uitgebreid van 100 m² naar maximaal 350 m². In ruil daarvoor moet volgens bovenstaande verhoudingen een aantal vierkante meter aan legaal opgerichte of krachtens het overgangsrecht toegelaten bebouwing op het perceel zelf of elders in het buitengebied worden gesloopt. Tevens kan met de sloopbonusregeling de inhoud van een woning worden vergroot van maximaal 750 m3 naar 900 m3. Hierbij moeten de sloopverhoudingen worden aangehouden zoals opgenomen in Tabel 6. Dit beleid wordt verder toegelicht in paragraaf 5.5.1. 3) Sloopbank De sloopbank biedt de mogelijkheid tot het stimuleren van de sloop van VAB’s en van overtollige bijgebouwen bij woningen. De gemeente faciliteert de sloopbank waar eigenaren vierkante meters gesloopte VAB’s en bijgebouwen in kunnen plaatsen. Iemand die wil bouwen, kan vervolgens uit de sloopbank de oppervlakte nemen die hij of zij nodig heeft. De eigenaar die wil bouwen kan de onderhandeling aangaan met de eigenaar die gesloopt heeft over het verkrijgen van de bouwrechten. Het voordeel voor eigenaren is dat zo hun gesloopte meters VAB’s geld waard worden en daarmee de sloopkosten (deels) kunnen worden terugverdiend.

Tevens biedt een dergelijk systeem de mogelijkheid om vierkante meters in te leveren en deze later pas te vermarkten. Ook is meer maatwerk mogelijk. De behoefte aan uitbreiding zou anders precies overeen moeten komen met de vierkante meters te slopen bebouwing en beperkt blijven tot dezelfde locatie. In de praktijk zal dit vrijwel nooit het geval zijn. De sloopbank biedt hiervoor een oplossing. 4) Slooplening De basis van de VAB-problematiek is dat de eigenaar van de VAB niet altijd uit zichzelf gaat slopen, omdat het slopen van leegstaande stallen kosten met zich meebrengt zonder dat

59

hier direct tastbare opbrengsten tegenover staan. Vaak is die investering ook niet te dragen door de VAB-eigenaar. Zonder een financiële trigger worden plannen vaak niet tot uitvoering gebracht. De gemeente heeft hiervoor de slooplening bedacht. Met de slooplening kunnen gestopte agrariërs onder gunstige voorwaarden geld bij de gemeente lenen voor de sloop van de VAB’s. De regels hiervoor staan uitgewerkt in de Verordening Slooplening Someren 2016. De eigenaar leent het bedrag voor zijn sloopkosten via het stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). De slooplening heeft een vaste rente van 2% gedurende een looptijd van 20 jaar. Het maximale leenbedrag is €55.000,- per locatie. Los van een financieel voordelige voorfinanciering is een ander voordeel dat de slooplening een instrument is dat niet gekoppeld is aan een ontwikkeling elders. De sloop wordt daarmee niet afhankelijk van een andere ontwikkeling. Bij de vorige drie regelingen is dat wel het geval. 5) Sloopsubsidie Ten slotte bestaat er de sloopsubsidie. Eigenaren van leegstaande gebouwen die zij willen slopen kunnen in aanmerking komen voor een eenmalige sloopsubsidie van 10% van de geraamde sloopkosten. Daarbij geldt een maximum bedrag van €5.000. Hiervoor is een gemeentelijk budget van € 50.000,- beschikbaar gesteld onder het motto ‘op is op’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15856733/1