Bijlage PlanMER
Tekst van het document
,
,
,
Figuur 6. 7 Cultuurhistorische waarden deelgebied 5 (Bron: Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren 2022)
Monumentale bouwwerken. In het plangebied zijn zeven Rijksmonumenten te vinden. Deze zijn als blauw stippen aangeduid in figuur 6. 7. Het gaat hierbij om twee terreinen met urnenvelden of nederzetting. In het buurtschap Boomen ten oosten van Lierop bevinden zich vijf boerderijen die zijn aangeduid als Rijksmonument. Naast deze Rijksmonumenten zijn er enkele panden in het plangebied aangeduid op de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant als waardevol binnen het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Deze zijn weergegeven in tabel 6. 2. ,
5 Rijksdienst voor
Cultureel Erfgoed 2013. Cultuurhistorisch onderzoek in de vormgeving van de ruimtelijke ordening. 76/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Tabel 6. 2 MIP monumenten binnen plangrenzen deelgebied 5 Nummer 1 2
Adres Oeijenbraak 4 , Lierop Moorsel 1 , Lierop
Type Kortgevelboerderij Kortgevelboerderij
Bouwperiode 18 e eeuw 19 e eeuw
Moorsel 3 , Lierop Moorsel 7 , Lierop Moorsel 9 , Lierop
Langgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij
19 e eeuw 19 e eeuw
4
Heieind 10 , Lierop Heieind 18 , Lierop Hoolstraat 6 , Lierop
Langgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij
e e eeuw 18/19 e 18/19 e eeuw Circa 1900
5
De Wertstraat 17 , Lierop De Wertstraat 20 , Lierop Laan ten Boomen 11
Langgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij
e e eeuw 18/19 e 18/19 e eeuw Circa 1930
Laan ten Boomen 30 Laan ten Boomen 31 Laan ten Boomen 37
Langgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij
Circa 1910 19 e eeuw 19 e eeuw
Laan ten Boomen 38 Laan ten Boomen 41 Heesvensstraat 21
Langgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij
e e eeuw 18/19 e 19 eeuw 1888
Heesvensstraat 22 Heesvensstraat 26 Otterdijkseweg 3
Langgevelboerderij Woonhuis; Bedrijfsgedeelte
19 e eeuw Circa 1900 Circa 1925
3
6 7
Vaarsehoefweg 3 , Lierop Otterdijk 7 , Lierop
8 9 10 11
Hoijserstraat 8 , Someren Heesterdijk 13 , Someren Houtbroekdijk 15 , Someren Elenburgweg 7 , Someren
12
Kerkweg 21 , Someren Heiveldsestraat 9 , Someren
Langgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij Kortgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij Langgevelboerderij
-
1837 19 e eeuw 1930 e e eeuw 18/19 1764 Circa 1867 Circa 1870 e e eeuw 19/20
77/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
1 4 (3) 5 (11)
3 (2) 2 (4)
7
6
12 9
11 (2) 10
8
Figuur 6. 8 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart deelgebied 5 Someren (Bron: cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord Brabant)
Lijnen van hoge en redelijk hoge waarden Zoals zichtbaar in figuur 6. 7 liggen er binnen het plangebied lijnelementen met cultuurhistorisch (redelijk) hoge waarde.
van
deelgebied 5 verschillende
Cultuurhistorisch landschap Peelrand De regio Peelrand is een licht golvend oud en gevarieerd dekzandlandschap dat als een halve cirkel rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. Door het westelijk gedeelte loopt de Peelrandbreuk. Hier vindt nog steeds beweging plaats en de breuklijn is nog altijd zichtbaar als een hoogteverschil van een paar meter. Hierlangs komt wijst aan de oppervlakte een vorm van kwel. Deze gronden vormen de bron van de bovenlopen van de rivier de Aa. Het westelijke gedeelte van de Peelrand bestaat uit het open beeklandschap van de Aa. De Peelrand is een oud en divers zandlandschap ingevuld met een lint aan agrarische nederzettingen akkercomplexen weilanden en bossen. Het westelijke gedeelte van de Peelrand is na de Tweede Wereldoorlog sterk verstedelijkt. Hier liggen grote plaatsen als Helmond Deurne Uden Oss Gemert Heesch en Someren. ,
,
,
,
,
,
,
,
78/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Cultuurhistorisch waardevolle gebieden In figuur 6. 8 is te zien dat er vier cultuurhistorisch waardevolle gebieden in het plangebied liggen. In figuur 6. 7 zijn deze aangeduid als historische vlakken buiten de cultuurhistorische landschappen. Het gaat hier om Akkercomplex Moorselse Akkers Jonge heidebebossing Lieropsche Heide en Blauwe Kei Jonge ontginning Meerven en de Strabrechtse Heide. ,
,
Moorselse Akkers Het gebied van de Moorselse akkers kenmerkt zich door verschillende landschapselementen. De beekloop bij Moorsel de open akkers tussen Moorsel en Oeijenbraak met een bolle ligging en een esdek de (hout)wallen en gefixeerd stuifzand en het kleinschalige cultuurlandschap van Heieneind vormen samen het landschap van dit gebied. Daarnaast zijn er ook (langgevel)boerderijen die dateren uit de periode 1840-1940. ,
,
,
De oorsprong van Moorsel gaat terug naar waarschijnlijk een ontginning door de abdij van Postel in de twaalfde eeuw. In 1840 bestond het gebied uit een kleinschalig cultuurlandschap met graslanden langs een beekje dat van Moorsel naar de Broekkamp stroomde en een groot akkercomplex tussen Moorsel en Oeijenbraak. Aan de oostkant bevonden zich heidevelden en bospercelen die de Moorselse akkers scheidden van de Lieropse buurtschap Heieind. Hoewel er veranderingen hebben plaatsgevonden in de percelering is deze indeling nog steeds herkenbaar. In het gebied zijn ook wallen en met beplanting gefixeerd stuifzand te vinden. Daarnaast bevinden zich in het gebied de buurtschappen Moorsel Oeijenbraak en Heieind met oude (langgevel)boerderijen. Bij de ruilverkaveling in de jaren 70 is de percelering deels gewijzigd. ,
,
,
,
Het gebied van de Moorselse akkers staat in samenhang met de akkercomplexen bij Hersel de jonge heidebebossingen in het gebied Lieropsche Heide en Blauwe Kei de Strabrechtsche Heide en de jonge ontginning in het Meerven. Deze samenhang zorgt voor een gevarieerd landschap met diverse natuurlijke en historische elementen. ,
,
Jonge heidebebossing Lieropsche Heide en Blauwe Kei Het gebied bestaat uit vroegere heidevelden en stuifzanden die in de eerste helft van de twintigste eeuw zijn ingeplant met bos overwegend bestaande uit productiebossen met naaldhout. De voornamelijk rechthoekige bospercelen worden gescheiden door zandpaden die in een rationeel patroon zijn aangelegd. Het gebied is verkaveld en ontgonnen in de periode 1930-1945 maar deels ook al eerder. Het oude patroon van schapenpaden en verbindingswegen tussen de buurtschappen aan de rand van de heide is bij de ontginning verloren gegaan. Tussen de buurtschap Moorsel en het Kranenmeer in de Strabrechtsche Heide ligt een reeks langgerekte stuifduinen op en langs het tracé van de oude landweg tussen Lierop en Heeze. Het gebied kent een samenhang met de Strabrechtsche Heide met de akkercomplexen bij Moorsel en met de jonge ontginning De Weijer. ,
,
79/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Jonge ontginning Meerven Het gebied bestaat uit een jonge ontginning in het drooggelegde Meerven. Het bestaat uit smalle strookvormige percelen voornamelijk in gebruik als grasland. De smalle percelen en de vele sloten duiden op flinke kwel. In het oosten gaat het gebied over in het oude cultuurland van Vaarsche Hoef en Berkeind. De Hoefweg is de grens tussen beide landschappelijke eenheden. Het ven is drooggelegd en ontgonnen in 1920. De fijnmazige structuur van ontwateringsloten dateert overwegend uit de periode 1940-1950. Midden door het voormalige ven is een waterloop gegraven waarop alle sloten afwateren. Het gebied kent een samenhang met de jonge heidebebossingen in het gebied Lieropsche Heide en met de Strabrechtsche Heide waar niet drooggelegde vennen voorkomen. ,
,
Strabrechtse Heide De Strabrechtse Heide is een uitgestrekt heidegebied met een groot aantal vennen waaronder het grote Beuven (vroeger Bauven geheten) het Waschven het Henneven het Grafven en het Kranenmeer. Verder is er in het gebied een dicht patroon van - deels oude - zandpaden. Op een aantal plekken zoals ten westen van het Grafven liggen (resten van) greppels en wallen van vroegere eigendomsgrenzen en van mislukte ontginningen in de vorm van grote blokvormige percelen uit de periode 1880-1920. Verspreid in het gebied komen jeneverbessen voor. Plaatselijk vindt spontane opslag van berken en dennen plaats. Het gebied kent een samenhang met het landgoed kasteel Heeze met het beekdal van de Kleine Dommel of Rul en met de omliggende jonge heidebebossingen en ontginningen in de gebieden Braakhuizensche Heide Blauwe Kei en Lieropsche Heide De Weijer en Meerven en met de akkercomplexen bij Moorsel. Een aanzienlijk deel van het gebied is nog in beheer bij de gemeente Someren. ,
,
,
,
,
,
,
,
6. 3. 1. 2 Archeologische waarden Archeologische waarden zijn sporen en vondsten van menselijk handelen in het verleden die in de bodem zijn achtergebleven bijvoorbeeld potscherven resten van voedselbereiding graven maar ook verkleuringen in de grond die duiden op bewoning of infrastructuur. Deze waarden zijn verdeeld in verwachtingswaarden en vastgestelde archeologische waarden (vindplaatsen). De archeologische verwachtingswaarde is een indicatie voor het aantreffen van archeologische resten in dat gebied. Locaties waar mensen zich in het verleden vestigden en werkten (vaak hoger gelegen vruchtbare gebieden) hebben doorgaans een hogere verwachting op archeologische vindplaatsen dan gebieden waar in het verleden geen mensen hebben gewoond. Bij bekende waarden gaat het om archeologische vindplaatsen of terreinen die in eerdere onderzoeken zijn ontdekt en dus als bekende waarden zijn aangegeven. 6 ,
,
,
,
,
Figuur 6. 9 geeft een uitsnede van de gemeentelijke archeologiekaart van Someren weer. In deelgebied 5 van het buitengebied van Someren komen alle beleidscategorieën voor. Gebieden met categorie 4 tot en met 6 beslaan het grootste oppervlakte van deelgebied 5. Hieronder staat de toelichting bij de verschillende categorieën.
6
Kennisbank monumenten beschikbaar via: https://kennisbank. monumentengemeenten. nl/cultuur-enbouwhistorische-waarden/cultuurhistorische-waarden/ 80/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Figuur 6. 9 Uitsnede gemeentelijke archeologiekaart Someren deelgebied 5 (Bron: gemeentelijke archeologiekaart Someren)
Categorie 1: Wettelijk beschermde archeologische monument. Geen bodemverstorende activiteiten toegestaan tenzij een vergunning verlening vooraf van de minister van OCW. Bij de gemeentelijke monumenten: vergunningaanvraag bij de gemeente. ,
Categorie 2: Gebieden van zeer hoge archeologische waarde. Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van 100m2. Categorie 3: Gebieden van hoge archeologische waarde. Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van 250m2. Categorie 4: Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij een bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van 250m2. Categorie 5: Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van 2500m2. Categorie 6: Gebieden met een lage archeologische verwachting. Geen onderzoeksplicht. Categorie 7: Gebieden zonder een archeologische verwachting of archeologisch vrijgegeven. Geen onderzoeksplicht.
81/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
6. 3. 2 Effecten Voor de criteria cultuurhistorie en archeologie is een kwalitatieve beoordeling gedaan op de effecten van het omgevingsplan deelgebied 5. De ontwikkelmogelijkheid met de grootst mogelijke impact in het omgevingsplan is de verdere verdichting binnen agrarische bouwvlakken. Hierna is beschreven wat de effecten zijn voor de bestaande cultuurhistorische en archeologische waarden in het plangebied. In het omgevingsplan deelgebied 5 zijn deze waarden als volgt beschermd: Dubbelbestemming ‘Archeologie’ deze gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen Dubbelbestemming ‘Cultuurhistorie’ waarmee specifieke cultuurhistorisch waardevolle locaties beschermd worden Via een aanlegvergunningenstelsel (omgevingsvergunning) wordt getoetst op archeologie Aanvullende kwaliteitseisen. Zo moet er worden aangetoond dat er geen onevenredige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt waaronder de archeologische en cultuurhistorische waarden ,
Cultuurhistorie De effecten voor het onderdeel cultuurhistorie (historische-geografie en bouwhistorische panden) zullen licht negatief dan wel neutraal zijn aangezien het mede de eis van de gemeente is dat nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het behoud dan wel het herstel van cultuurhistorische waarden. Voor het ontwikkelen van kleinschalige recreatieve- of nevenfuncties is het daarnaast mogelijk de initiatiefnemer om een landschaps- of inpassingsplan te vragen. Door verdere verstening van het landschap als gevolg van schaalvergroting in de landbouw is er de kans aanwezig dat kleine specifieke landschapselementen bijvoorbeeld beplanting in specifieke gevallen in het geding komen. Over het algemeen zijn cultuurhistorische waarden (onder andere door het beeldkwaliteitsplan) in voldoende mate beschermd in het voorliggende omgevingsplan buitengebied. Voor de uitbreidingen binnen de bestaande bouwvlakken is het zeer aan te raden om rekening te houden met de kenmerkende historische lijnen in het gebied. De tussen liggende kenmerkende open vlakken zullen verder gaan verdichten. Het karakter van het historisch ontginningslandschap zal hierdoor plaatselijk gedeeltelijk verdwijnen. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de redelijk tot hoge waarde van de historische lijnen en historisch groen in het gebied.
Echter in het omgevingsplan is er aandacht voor inpassing in het historisch landschap. Hierbij wordt in het omgevingsplan opgemerkt dat het niet voldoende is om alleen de voorwaarden op te nemen in een vergunning daarom worden er ook voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Ook wat betreft waardevolle groenstructuren is een functieaanduiding op verbeelding met een kapverbod voor groenstructuren in het omgevingsplan openomen. De cultuurhistorische elementen zijn via de voorliggende regels afdoende beschermd daarmee is een neutraal effect te verwachten (0). ,
,
,
,
82/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Archeologie De archeologische waarden en verwachtingswaarden zijn opgenomen in de nota archeologiebeleid van de gemeente Someren. Het plangebied kent onderdelen variërende van een archeologisch hoge- middelhoge en lage verwachtingswaarde. Ten aanzien van de uitbreiding van bestaande bedrijven binnen het bestaande bouwvlak is er een kleine kans op aantasting van archeologische waarden. In het omgevingsplan is echter een aanlegvergunningstelsel (omgevingsvergunning) opgenomen voor gebieden met een archeologische verwachtingswaarde inclusief de verplichting tot archeologisch onderzoek. Daardoor is de kans op aantasting van archeologische waarden zoveel mogelijk beperkt binnen de mogelijkheden die het omgevingsplan biedt. Aantasting van archeologische waarden is aldus niet aannemelijk. De te beschermen waarden zijn opgenomen in de Nota archeologiebeleid van de gemeente Someren en geregeld in dit omgevingsplan. Hiermee is behoud van archeologische gebieden en cultuurhistorische structuren voldoende geborgd in het voorliggende plan. Het effect wordt als neutraal beschouwd (0). ,
6. 4
Water en bodem
6. 4. 1
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
Water Oppervlakte- en grondwaterlichamen In onderstaande figuur 6. 9 staan de oppervlaktewaterlichamen en het grondwaterlichaam binnen het plangebied van deelgebied 5. De oppervlaktewaterlichamen in of nabij het plangebied die onder de Kader Richtlijn Water vallen zijn de Vleutloop de Kleine Aa en de Peelrijt. Het grondwaterlichaam dat onder de gemeente Someren en onder het plangebied ligt zijn de grondwaterlichamen Zand Maas en Maas Slenk diep. Verder liggen er in het westen van het plangebied verschillende vennen. Hiervan zijn de Beuven de Starven en de Witven de grootste. ,
,
,
,
83/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Vleutloop
Kleine Aa
Peelrijt
Figuur 6. 10 KRW grondwaterlichamen in Someren plangebied deelgebied 5 (Bron: Kaartbank provincie Noord Brabant)
Waterbergings- en waterwinningsgebieden In het oosten van het plangebied is een gebied aangeduid als reservering voor waterberging zoals weergegeven in figuur 6. 9. Ten noordoosten van het plangebied ligt regionale waterberging. Verder ligt het uiterst zuidwestelijke deel van de gemeente Someren een Waterwingebied en boringsvrije zone. Deze liggen ongeveer 6 kilometer buiten deelgebied 5. ,
Infiltratie en kwel In figuur 6. 11 zijn de infiltratie en kwel gebieden in het plan gebied weergegeven.
84/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Figuur 6. 11 Kwel en infiltratiegebieden deelgebied 5 Someren (Bron: Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren 2022)
Waterbeheer Het waterschap Aa en Maas beheert het water in de gemeente Someren. Het plangebied valt binnen het Peelnetwerk. Dit is een regionaal samenwerkingsverband gericht op het versterken en realiseren van integrale gebiedsontwikkelingen. Ook waterveiligheid is een belangrijk thema van het waterschap Aa en Maas. Er treedt te vaak waterloverlast op op diverse locaties langs de beken kanalen en weteringen. Het kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering en verdroging blijft een belangrijk agendapunt. In samenwerking met het waterschap verkent de gemeente op welke wijze verdroging vernatting en verharding op aantrekkelijke wijze leefbaar kunnen blijven. ,
,
,
,
,
Bodem Het plangebied ligt gemiddeld op een hoogte van ongeveer 22 meter boven NAP. De ondergrond van het plangebied kenmerkt zich door verschillende ondergrond en bodemsoorten. Figuur 6. 12 geeft de geomorfologie van het plangebied weer. De ondergrond bestaat uit een afwisseling van onder andere dekzandruggen landduinen glooiing van beekdalzijden en beekdalbodems. Figuur 6. 13 geeft de bodemsoorten in deelgebied 5 weer. Het westen van het plangebied bestaat met name uit verschillende humuspodzolgronden. De bodemsoorten in het westen van het gebied zijn gevarieerder. Hier komen namelijk enkeerdgronden eerdgronden en vaaggronden voor. Het plan gebied is gelegen op de formatie van Boxtel. ,
,
,
85/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Figuur 6. 12 Geomorfologie deelgebied 5 Someren (Bron: Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren)
86/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Figuur 6. 13 Bodemsoorten deelgebied 5 Someren (Bron: Archeologiekaart van Someren , kaart 4 bodemkaart)
87/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Bodemkwaliteit Figuur 6. 14. laat de bodemkwaliteitszone kaart van het plangebied zien. Deze kaart geeft vier bodemkwaliteitszones weer. De grijze gebieden zijn de uitgesloten gebieden. Hieronder vallen (voormalige) stortplaatsen (zinkassen)wegen en waterbodems. Op de kaart is te zien dat er geen voormalige stortplaatsen aanwezig zijn in het plangebied. ,
Figuur 6. 14 Bodemkwaliteitszonekaart deelgebied 5 Someren (Bron: Bodemkwaliteitskaart en grondwaterkwaliteitskaart gemeente Someren)
6. 4. 2 Effecten Waterkwantiteit De bescherming van het de reservering als waterbergingsgebied is in het omgevingsplan gegarandeerd door de volgende bestemmingen: ‘hydrologisch waardevol’ deze gronden zijn bestemd voor behoud herstel en de ontwikkeling van de aanwezige hydrologische waarden. Reservering voor waterbergingsgebied betekent dat dit gebied in de toekomst kan worden aangewezen als waterbergingsgebied. De bestaande watergangen in het plangebied blijven behouden. ,
Mogelijk neemt het verhard oppervlak toe bij uitbreidingen binnen het plan gebied. In dergelijke gevallen verplichten de planregels tot het verminderen van de belasting van het oppervlaktewater. Maatregelen die daartoe ingezet kunnen worden zijn infiltratie en de opvang van regenwater ten behoeve van de eigen watervoorziening. De werking van dergelijke maatregelen dient verplicht van tevoren te worden getoetst door het waterschap. Zo wordt voorkomen dat een toename van verhard oppervlak ongewenste effecten kan hebben op de lokale waterhuishouding. Het effect op waterkwantiteit is daarom als neutraal (0) beoordeeld. 88/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Waterkwaliteit In het plangebied wordt niet voorzien in maatregelen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit. De Vleutloop Peelrijt en de Kleine Aa zijn beschermd onder de Kader richtlijn water en worden als zodanig beschermd en periodiek beheerd. Grondwaterbeschermingsgebied in deelgebied 2 ligt te ver weg van het plangebied effecten voor de waterkwaliteit in deelgebied 5 zijn uit te sluiten. Er vindt geen uitstoot plaats van (mest-)stoffen naar het oppervlakte- en grondwater mede door het gebruik van vloeistofdichte vloeren bij uitbreiding van bestaande bedrijven. Per saldo zal de (grond)waterkwaliteit dus niet verslechteren door toedoen van verzurende stoffen. Het effect op waterkwaliteit is daarom neutraal (0). ,
,
Bodem Bij het opstellen van omgevingsplannen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. De bodemfunctieklasse van het plangebied deelgebied 5 is ‘Buitengebied’. Dat past goed bij het nieuwe omgevingsplan voor het buitengebied. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet (bijvoorbeeld grondwerkzaamheden). In het gehele plangebied kunnen lichte tot matige verontreinigingen met lood en PAK worden aangetroffen in de toplaag van de bodem. Deze verspreide verontreiniging komt onder andere door het neerslaan van uitlaatgassen van verkeer en industrie en bijvoorbeeld doordat vroeger asladen van kolenkachels geregeld in tuinen werden geleegd. Daarnaast is de bodem op onder en rondom (voormalige) bedrijfslocaties in veel gevallen verontreinigd geraakt door opslag overslag morsen calamiteiten maar ook door doelbewuste lozingen in het verleden. In het omgevingsplan worden geen functiewijzigingen bij recht mogelijk gemaakt. Bodemonderzoek is om deze reden in het kader van het omgevingsplan niet noodzakelijk. In het omgevingsplan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die bijdragen aan vervuiling van de bodem.
Ten aanzien van agrarische activiteiten gelden voorschriften vanuit onder andere het Activiteitenbesluit en het Besluit mestbassins milieubeheer zoals het toepassen van vloeistofdichte vloeren om bodemverontreiniging te voorkomen. De ontwikkelingen die worden geboden in het omgevingsplan hebben dan ook geen gevolgen voor de bodemkwaliteit ter plaatse. Het effect op de bodemkwaliteit als onderdeel van geomorfologie en bodem wordt als neutraal (0) beoordeeld. ,
,
,
,
,
,
,
89/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
6. 5
Verkeer
6. 5. 1
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
Wegen Aan de randen van het plangebied lopen drie belangrijke wegen. De A67 de N266 en de provinciale weg bakenen respectievelijk namelijk de noordelijke oostelijke en zuidelijke zijde af. Binnen in het plangebied is de Lieropse dijk een belangrijke weg. Deze loopt dwars door het plangebied van noord naar zuid. Verder zijn er binnen het plangebied met name ontsluitingswegen van erven die de onderlinge gebieden en kleinere kernen binnen Someren vormen. De ontsluiting voor wegverkeer van en naar de kernen Lierop Someren en SomerenEind gebeurt voornamelijk via de aansluiting van de Hersselseweg die verder loopt in de Somerenseweg en Lieropsedijk. Figuur 6. 15 geeft de wandel- en fietspaden binnen het gebied weer. Hier maken zowel de bewoners als toeristen gebruik van. De gemeente ziet interessante mogelijkheden om route gebonden vormen van recreatie te stimuleren en uit te breiden. Door het wandelroutenetwerk en fietsknooppuntensysteem aan te passen komen mogelijk meer bezoekers naar de kleinschalige en onbekende attractiepunten in de gemeente. ,
,
,
,
Figuur 6. 15 – Regionale fiets- en wandelroutes deelgebied 5 Someren (Bron: atlasleefomgeving. nl)
6. 5. 2 Effecten De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreidingsmogelijkheden (binnen het bouwvlak) van de agrarische bedrijven die verspreid in Deelgebied 5 van Someren liggen is beperkt en zal voor de capaciteit van de lokale wegen niet tot problemen leiden. Dit geldt ook voor de overige ontwikkelingsmogelijkheden. ,
,
90/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Grootschalige recreatieve voorzieningen worden middels het nieuwe omgevingsplan niet toegestaan in het plangebied. De ontwikkelingsruimte die wordt geboden aan kleinschalige recreatieve voorzieningen kan leiden tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Aangezien het hier in alle gevallen kleinschalige ontwikkelingen betreft en er geen sprake mag zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking leiden ook deze ontwikkelingsmogelijkheden niet tot negatieve effecten op het verkeerssysteem. Het effect op verkeer wordt als neutraal (0) beoordeeld. ,
,
6. 6
Woon en Leefmilieu (Geluid , Lucht en Geur)
6. 6. 1 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen Geluid Met name bedrijvigheid bestemmingsverkeer en doorgaand verkeer veroorzaken geluidsbelasting in deelgebied 5. Voor geluidsbelasting maakt men onderscheid tussen geluid dat afkomstig is van geluidsbronnen binnen de inrichtingsgrenzen (laden en lossen) en geluid dat afkomstig is van verkeer rijdend op de openbare weg. De belangrijkste geluidsbelasting in het plangebied is voornamelijk afkomstig van de provinciale en rijkswegen die in en nabij het plangebied liggen. Dit zijn de N266 en de A67. Verder zorgen de Lieropseweg en de provincialeweg voor geluidbelasting. Het stiltegebied Strabrechtse heide ligt ook gedeeltelijk in het plangebied. In onderstaande figuur 6. 16 is de geluidsbelasting door wegverkeer en het stiltegebied in het studiegebied van deelgebied 5 weergegeven. ,
Figuur 6. 16 - Geluidsbelasting door wegverkeer (2019) in gemiddelde decimaal per etmaal (lden) en stiltegebieden in deelgebied 5 (Bron: Atlas leefomgeving , 2021 geraadpleegd op 26-06-2024) 91/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Lucht Met name de achtergrondconcentraties NO2 en PM10 bepalen de luchtkwaliteit. In het plangebied zijn hier verschillende bronnen van aanwezig. Veehouderijen en percelen in landbouwkundig gebruik vormen in de huidige situatie een bron van fijnstof pesticiden en herbiciden. Daarnaast vormen de aanwezige wegen rondom het plangebied een bron van fijnstof. Figuur 6. 17 geeft de achtergrondconcentraties fijnstof PM10 in 2023 weer. De achtergrondconcentratie fijn stof is in het plangebied hoger dan de achtergrondconcentratie NO2. ,
Figuur 6. 17 - Fijn stof (PM10) achtergrondconcentraties 2023 in het plangebied (bron: GCN/RIVM)
Voor fijn stof staan in de Omgevingswet de volgende normen: • Een jaargemiddelde concentratie fijn stof van maximaal 40 μg/m3; • Een daggemiddelde concentratie fijn stof van 50 μg/m3 die maximaal 35 dagen per jaar mag worden overschreden. De concentraties in het gebied overschrijden de huidige grenswaarden niet. ,
Aanscherping normen luchtkwaliteit De verwachting is dat de grenswaarden over enkele jaren aangescherpt worden. In het eerste voorstel van de Europese Commissie (oktober 2022) staat dat uiterlijk in 2030 de jaargemiddelde concentraties PM25 en PM10 moeten zijn gedaald naar respectievelijk 10 en 20 μg/m3 (nu nog 25 en 40 μg/m3). Voor NO2 is een nieuwe waarde voorgesteld van 20 μg/m3 ,
92/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
(nu nog 40 μg/m3). Naar verwachting volgt in de loop van 2024 waarna de lidstaten het definitief besluit moeten implementeren in de nationale regelgeving. ,
De (concept) aangescherpte Europese normen komen overeen met de gezondheidskundige advieswaarden van de WHO uit 2005. In de 2021 heeft de WHO aangescherpte gezondheidskundige advieswaarden gepubliceerd. Voor PM25 en PM10 zijn deze WHO-2021 advieswaarden respectievelijk 5 µg/m3 en 10 µg/m3. Voor NO2 is de WHO-2021 advieswaarde 10 μg/m3 (alle waarden betreffen jaargemiddelde concentratie) ,
Voor de ontwikkelingen in het gebied is waarschijnlijk op kortere termijn een aangescherpte norm voor de jaargemiddelde concentratie PM10 maatgevend (nu 40 μg/m3 over enkele jaren waarschijnlijk maximaal 20 μg/m3) De huidige jaargemiddelde concentratie overschrijdt deze aangescherpte norm “gemiddeld” niet (zie onderstaande afbeelding bron Grootschalige Concentratiekaart RIVM 2024) maar bij hoge piekconcentraties van lokale bronnen zoals stallen van pluimveebedrijven is een overschrijding van de aangescherpte norm niet uit te sluiten. De achtergrondconcentratie PM10 is hoger dan de WHO-2021-advieswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 van 10 μg/m3. ,
,
,
,
,
,
In figuur 6. 18 is een berekening weergegeven van de huidige piek concentraties fijn stof (PM10) uit stallen van veehouderijen. Op korte afstand van bouwvlakken van pluimveehouderijen is er sprake van een hogere concentratie van de fijn stof (PM10). Uitgaande van een gemiddelde achtergrondconcentratie van circa 15 μg/m3 is er bij een lokale (extra) concentratie van 5 μg/m3 sprake van een overschrijding van de (waarschijnlijk) aangescherpte norm van 20 μg/m3. Daar kan uitgaande van de huidige vergunde situatie en de aanscherping van de norm sprake van zijn. Er is bij een dergelijke concentraties geen sprake van een overschrijding van de nu geldende normen (gemiddelde jaarconcentratie en aantal overschrijdingsdagen). Op basis van vuistregels is een gemiddelde jaarconcentratie van ruim 31 μg/m3 maatgevend voor normoverschrijdingen van het aantal overschrijdingsdagen. Die waarde wordt op basis van onderstaande indicatieve berekening niet of nagenoeg niet bereikt buiten de bouwvlakken van de pluimveehouderijen. ,
,
93/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Figuur 6. 18 Indicatieve fijnstof (PM10) van stallen van veehouderijen , huidige vergunde situatie (exclusief bijdrage andere bronnen)
Geur De regelgeving inzake geurhinder van veehouderijen was vastgesteld in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit. Bij de introductie van de Omgevingswet zijn deze geurregels overgeheveld naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente een omgevingsplan met regels die eerst in de rijksregels stonden. Gemeenten kunnen via het vaststellen van afwijkende geurnormen en – afstanden eigen keuzen maken waarbij ze wel de instructieregels uit het Bkl moeten volgen. Geurverordeningen met afwijkende geurnormen en -afstanden die door gemeenten zijn vastgelegd onder de Wgv maken onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan. De gemeente Someren heeft in 2010 een gemeentelijke geurverordening vastgesteld voor het hele gemeentelijke grondgebied. Voor geurgevoelige objecten in het buitengebied is de maximale waarde voor de geurbelasting van een individuele veehouderij met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld 14 Ou betreft. Voor de bebouwde kom en een overgangszone gelden strengere waarden: 2 Ou voor de kern Lierop 3 Ou voor de kern Someren en 6 Ou voor overgangszones rond Lierop en Someren. Zie afbeelding 6. 19. ,
,
94/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Figuur 6. 19 Huidige geurnormen (voorgrondbelasting) gemeente Someren
De landelijke regelgeving kent diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld zoals varkens pluimvee vleeskalveren en geiten. Daarnaast kent de wet diercategorieën zoals melkrundvee en paarden waarvoor een vaste afstand geldt tussen de stal en een geurgevoelig object c. q. geurgevoelig gebouw zoals een woonhuis. De vaste afstand die in acht moet worden genomen voor bijvoorbeeld melkveehouderijen is 50 meter voor een geurgevoelig object in het buitengebied en 100 meter voor een geurgevoelig object in de bebouwde kom. De normstelling voor geurhinder (te berekenen als de achtergrondbelasting) is ook uit te drukken in OU/m3 op basis van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. De in het buitengebied van de gemeente Someren nagestreefde maximale cumulatieve geurbelasting van 28 OU/m3 komt overeen met 25% hinder volgens die handreiking. De door de gemeente in de bebouwde kom nagestreefde cumulatieve geurbelasting van 10 OU/m3 komt volgens die handreiking overeen met 12% hinder. ,
,
,
,
,
,
Gezondheidskundige advieswaarden geur uit stallen Onderzoek GGD en IRAS naar de relatie tussen geurbelasting en kans op hinder Bureau Gezondheid Milieu & Veiligheid van de GGD Brabant/Zeeland (Bureau GMV) en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van Universiteit Utrecht onderzochten in 2014 de relatie tussen geurbelasting afkomstig van veehouderijen en de ervaren geurhinder bij ruim 13. 000 respondenten op het platteland en in kleinere kernen van Noord-Brabant en Noord-Limburg. Deze resultaten bevestigen volgens de GGD signalen dat er bij gegeven geurbelasting aanzienlijk meer geurhinder voorkomt dan op basis van de Handreiking Wgv (Wet geurhinder veehouderij) te verwachten zou zijn. Uitgaande van dezelfde hinderpercentages komt de GGD op veel scherpere waarden t. a. v. de voor- en achtergrondbelasting. De GGD adviseert ,
,
95/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
uitgaande van een maximaal hinderpercentage van 12% voor de bebouwde kom en 20% in het buitengebied uit te gaan van een maximale geurbelasting van 5 Ou (bebouwde kom) respectievelijk 10 Ou (buitengebied). Dit betreft de cumulatieve geurbelasting (= achtergrondbelasting). Voor de geurbelasting van een individuele veehouderij (=voorgrondbelasting) adviseert de GGD uit te gaan van maximaal 2 Ou voor de bebouwde kom en maximaal 5 Ou voor het buitengebied. ,
In het onderstaande figuur is de achtergrondbelasting weergegeven zoals die is berekend voor de huidige (vergunde) situatie. Deze kaart geeft de berekende cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen weer van alle veehouderijen in- en rondom het plangebied. Rondom de intensieve veehouderijen sprake is van een verhoogde geurbelasting. Op de bouwblokken en op korte afstand daarvan bij enkele veehouderijen is de berekende cumulatieve geurbelasting hoger dan de maximale waarde zoals de gemeente te hanteert (28 OU). Voor het grootste deel van het buitengebied is de berekende geurbelasting lager. In de kern Lierop is de berekende cumulatieve geurbelasting lager dan de maximale waarde die de gemeente hanteert voor de bebouwde kom (10 OU). In een groot deel van het buitengebied is de cumulatieve geurbelasting hoger dan de gezondheidskundige advieswaarde voor het buitengebied (10 OU). In de bebouwde kom van Lierop is er in de noordelijke- en oostelijk randen van de kern sprake van een cumulatieve geurbelasting die hoger is dan de gezondheidskundige advieswaarde voor de bebouwde kom (5 OU).
Figuur 6. 20 Berekende indicatieve achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting uit stallen veehouderijen) , huidige vergunde situatie
96/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Provinciale regels maximale achtergrondbelasting In de provinciale omgevingsverordening Noord-Brabant zijn o. a. regels met betrekking tot de maximale achtergrond geurbelasting opgenomen die gelden bij ruimtelijke ontwikkeling van veehouderijen. Dit zijn zogenaamde rechtstreeks werkende regels zodat deze bij iedere nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning betrokken moeten worden. De kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in het buitengebied moet niet meer dan 20% bedragen tenzij er - als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voorgenomen percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage compenseert. De geurnorm is door de provincie opgenomen in de provinciale omgevingsverordening om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Bij ontwikkelingen van veehouderijen die gepaard gaan met uitbreiding van stallen de provinciale norm m. b. t. achtergrondbelasting (maximaal hinderpercentage 20%) vaak maatgevender dan de voorgrondnorm van de gemeente Someren in het buitengebied (14 Ou maximaal hinderpercentage 25%).
De GGD stelt op basis van onderzoeken die zij heeft verricht in samenwerking met de Universiteit van Utrecht blijkt dat een hinderpercentage van 20% overeenkomt met maximaal 10 Ou achtergrondbelasting. ,
,
,
,
,
,
Onderstaande kaart bevat een berekening van de indicatieve voorgrondbelasting (maximale individuele geurbelasting) per veehouderij voor veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor). Ook op basis van de registratie van de vergunde situatie in het KRD (geraadpleegd in juli 2024). ,
Figuur 6. 21 Berekende indicatieve voorgrondbelasting (individuele geurbelasting per veehouderij) , huidige vergunde situatie 97/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Uit de kaart met de indicatieve maximale voorgrond geurbelasting blijkt dat er voor de meeste veehouderijen (met dieren met een geuremissiefactor) geen sprake is van een overschrijding van de gemeentelijke voorgrond geurnorm van 14 Ou. Maar bij 2 tot 3 locaties is er sprake van een (mogelijke) overschrijding van de geurnorm van 14 Ou. Ook is er in zones rondom veehouderijen sprake van een overschrijding van de gezondheidskundige advieswaarde met betrekking tot de voorgrondbelasting (5 Ou voor het buitengebied). De gemeentelijke normen ten aanzien van de voor- en achtergrondbelasting bieden voor de meeste veehouderijen in het plangebied ruimte voor een toename van de geuremissie- en geurbelasting. De provinciale normen met betrekking tot de maximale achtergrondbelasting zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen van (intensieve) veehouderijen (in het plangebied pluimvee- en varkensbedrijven) veelal eerder maatgevend dan de gemeentelijke normen ten aanzien van de voor- en achtergrondbelasting van geur. Opgemerkt wordt dat de input voor de berekeningen gebaseerd is op de generieke aannames vanuit het gebiedsmodel voor wat betreft de eigenschappen van de gebouwen de emissiepunten en dergelijke. De rekenresultaten geven daarom een indicatie van de achtergrondwaardes in (en om) het plangebied.
De uitkomsten zijn daarom niet geschikt voor het beoordelen van de situatie ten behoeve van een eventuele vergunningaanvraag voor een individuele veehouderij of een nieuw voor geurhinder gevoelig gebouw. ,
6. 6. 2
Effecten
Geluid In het omgevingsplan is Geluid direct afkomstig van de agrarische bedrijven gereguleerd en valt onder de noemer industrielawaai. Door middel van geluidgrenswaarden afgestemd op de aard van de omgeving wordt voorkomen dat ondervonden hinder bij geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen en scholen) te hoog wordt. Een aantal bedrijven ligt in de autonome situatie op ruime afstand van geluidgevoelige bestemmingen. Omdat er geen bedrijfsverplaatsingen zijn voorzien zijn er dus geen effecten te verwachten voor het aspect geluid. Voor eventuele bedrijfsuitbreidingen blijven in principe dezelfde geluidgrenswaarden (en daarmee het invloedsgebied van geluid) van toepassing. Daardoor kan het wel noodzakelijk zijn dat geluidreducerende voorzieningen aan de geluidbronnen getroffen worden om hieraan te kunnen voldoen. ,
,
Geluid als gevolg van wegverkeer waaronder het verkeer van en naar de agrarische bedrijven valt ook onder de Omgevingswet. Uit de verkeersparagraaf blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen door toedoen van het nieuwe omgevingsplan naar verwachting niet merkbaar zal zijn met betrekking tot de hinderbeleving vanuit het wegverkeerslawaai. Het effect voor geluid is neutraal (0). ,
,
Luchtkwaliteit Op basis van de worst-case die in hoofdstuk 4 is beschreven (maximale benutting van de bij recht toegekende bouwvlakken) en de mogelijkheid dat veehouderijen omschakelen naar een pluimveehouderij is er de kans op een sterke toename van de emissies en concentraties fijn stof. ,
98/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
Van de fijn stof-emissies PM10 uit stallen wordt 965% veroorzaakt door emissies uit de stallen van de pluimveebedrijven. Omschakeling naar pluimveebedrijven en intensivering van bestaande pluimveebedrijven is een mogelijkheid/onderdeel van het worst-case alternatief. Dit zal leiden tot een sterke toename van de concentratie fijn stof PM10. Lokaal kan dat leiden tot extra overschrijdingen van concentratie van de WHO-advieswaarde voor PM10 uit 2005 totdat deze advieswaarden geïmplementeerd zijn in de nationale regelgeving. De WHO-2021 advieswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 wordt nu al overschreden en zal bij omschakeling naar pluimveehouderijen en intensivering van bestaande pluimveehouderijen extra worden overschreden. ,
,
De huidige grenswaarden ten aanzien van fijn stof sluiten op gebiedsniveau een dergelijke toename niet uit. Maar bij hoge piekconcentraties uit stallen van pluimveebedrijven is een overschrijding van deze norm niet uit te sluiten. Met uitzondering van mogelijk enkele pluimveehouderijen in het plangebied geldt dat de huidige normen met betrekking tot luchtkwaliteit een toename van de emissie - en concentratie van fijn stof niet onmogelijk maken. Het worstcase-alternatief is ‘negatief’ (-) beoordeeld vanwege de mogelijkheid voor toename van de emissies van fijn stof: geen toets aan toename t. o. v. feitelijke ammoniakemissie en daarom milieuruimte voor extra fijn stof emissies. Omschakeling naar pluimveehouderijen (die veel meer fijn stof emissie kennen als melkrundvee- en varkensbedrijven) is mogelijk en het benutten van die mogelijkheden is uitgangspunt van het worstcase-alternatief. Net zoals het opvullen van latente ruimte in vergunningen en intensivering (extra stallen) van de ruimte op de bouwvlakken van bestaande pluimveebedrijven. Dit maakt dat in het worstcase-alternatief de luchtkwaliteit aanzienlijk kan verslechteren binnen de huidige grenswaarden die nog veel ruimte bieden voor verslechtering van de luchtkwaliteit. ,
,
Omdat de stikstofregeling een toename van de ammoniakemissie ten opzichte van de feitelijke situatie niet mogelijk maakt is het planalternatief minder negatief beoordeeld dan het worstcasealternatief. De mogelijke toename van de fijn stof emissie is in het planalternatief minder groot en minder waarschijnlijk maar is wel mogelijk. De trendmatige ontwikkeling van de veehouderij in Someren tussen 2000 en 2024 laat zien dat de emissie van fijn stof uit stallen van veehouderijen per saldo niet is gedaald terwijl het aantal locaties en de emissie van ammoniak uit stallen wel sterk is afgenomen. De milieuregelgeving voor fijn stof uit stallen is minder strikt dan de regelgeving voor de emissie van ammoniak uit stallen. ,
,
,
In het omgevingsplan zijn er geen regels of mogelijkheden opgenomen die erop gericht zijn fijn stof emissies te reduceren of om significatie toenamen van de emissie en concentratie van fijn stof te voorkomen. Dit is wel mogelijk bijvoorbeeld door omschakeling naar pluimveehouderijen niet toe te staan in het omgevingsplan. Ook kan de gemeente bij nieuwe woningen of uitbreidingen van woningen strengere omgevingswaarden opnemen zoals advieswaarden van de WHO die nog niet zijn verwerkt in de landelijke omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. ,
,
De verwachte aanscherping van de Europese en landelijke normen voor luchtkwaliteit (vooral PM10 is relevant voor dit omgevingsplan) beperkt de milieuruimte voor toename van de fijn stof emissies- en concentratie maar ook bij die aangescherpte normen is een verslechtering van de luchtkwaliteit niet uit te sluiten. Het planalternatief is daarom beoordeeld als ‘licht negatief’ (0/-) ,
99/120
Kenmerk
R002-1294663LEH-V01-agv-NL
het feit dat een toename van de fijn stof emissies bij intensivering binnen de bouwvlakken vooral bij pluimveebedrijven binnen het ammoniakemissieplafond mogelijk is. vanwege
,
,
,
Geur Op basis van de worst case die in hoofdstuk 4 is beschreven (maximale benutting van de bij recht toegekende bouwvlakken) en de mogelijkheid dat veehouderijen omschakelen naar een varkensof pluimveehouderij is er de kans op een toename van de geuremissies uit stallen van veehouderijen de geurbelasting voor omliggende woningen en de kans op hinder door geur. De provinciale normen t. a. v. de achtergrondbelasting voorkomen extra toename boven een achtergrondbelasting van 20 Ou en zorgen dat er bij bestaande overschrijdingen van die waarde bij (door)ontwikkeling van intensieve veehouderijen een afname van geurbelasting moet plaatsvinden. Extra / nieuwe overschrijdingen van de gemeentelijke normen t. a. v. de voor- en achtergrondbelasting zijn ook in het worst-case alternatief daarom niet mogelijk. Toch is het worstcase alternatief beoordeeld als ‘negatief’ (-) ten opzichte van de referentie-MER omdat er bij de worstcase-ontwikkelingen sprake zal zijn van extra / nieuwe overschrijdingen van de gezondheidskundige advieswaarden t. a. v. de voor- en achtergrondbelasting. De gemeentelijkeen provinciale normen sluiten een dergelijke toename van de overschrijding van de gezondheidskundige advieswaarden niet uit. Vooral de gemeentelijke normen bieden veel ruimte voor die toenamen. ,
,
Omdat de stikstofregeling een toename van de ammoniakemissie ten opzichte van de feitelijke situatie niet mogelijk maakt is het planalternatief minder negatief beoordeeld dan het worstcasealternatief. De mogelijke toename van de geuremissie is in het planalternatief veel minder groot maar kan wel optreden. De trendmatige ontwikkeling van de veehouderij in Someren tussen 2000 en 2024 laat zien dat de emissie van geur uit stallen van veehouderijen minder sterk is afgenomen dan de emissie van ammoniak uit stallen. ,
,
De provinciale normen t. a. v. de achtergrondbelasting voorkomen extra toename boven een achtergrondbelasting van 20 Ou en zorgen dat er bij bestaande overschrijdingen van die waarde bij (door)ontwikkeling van intensieve veehouderijen een afname van geurbelasting moet plaatsvinden. Toch is het planalternatief beoordeeld als ‘licht negatief’ (0/-) ten opzichte van de referentie-MER omdat er bij de invulling van het planalternatief sprake zal zijn van extra / nieuwe overschrijdingen van de gezondheidskundige advieswaarden t. a. v. de voor- en achtergrondbelasting. In het omgevingsplan zijn er geen regels of mogelijkheden opgenomen die er op gericht zijn bestaande hogere geurbelasting / overschrijdingen te reduceren of om significatie toenamen van de geurbelasting boven gezondheidskundige advieswaarden (maar binnen de huidige normen) te voorkomen. Dit is wel mogelijk bijvoorbeeld door omschakeling naar varkens- en pluimveehouderijen niet toe te staan in het omgevingsplan. Of door de gemeentelijke geurnormen aan te scherpen of de gemeentelijke toetswaarden bij nieuwe woningen of uitbreidingen van woningen aan te scherpen. ,
Het planalternatief is beoordeeld als ‘licht negatief’ (0/-) vanwege het feit dat een toename van de geuremissies en de geurbelasting voor omliggende woningen bij intensivering binnen de bouwvlakken vooral bij varkens- pluimveebedrijven binnen het ammoniakemissieplafond mogelijk is. ,
,
,
100/120