CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage PlanMER

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen wijziging Omgevingsplan Buitengebied Someren - deelgebied 5.31.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

,

,

,

,

,

50/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Dagvlinders Kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde vochtige gemengde bossen of loofbossen. De waardplant is wilde kamperfoelie. Spiegeldikkopje komt voor in vochtige ruigten langs bospaden en bosranden open bossen en hoogvenen. Bruine eikenpage is zeer zeldzaam maar komt voor in bosranden met zomereik of eikenhakhout. Grote vos komt vooral voor in bosrijke omgevingen met voldoende overwinteringsplekken als holle bomen of stapels hout. De soort gebruikt iep zoete kers en bepaalde wilgensoorten als waardplant. Grote weerschijnvlinder komt voor in vochtige loofbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. Kleine ijsvogelvlinder en grote vos komen mogelijk verspreid in de agrarische delen van het plangebied voor. De overige soorten zijn niet te verwachten in het agrarische gebied. ,

,

,

,

Grondgebonden zoogdieren Een aantal grondgebonden zoogdieren kan voorkomen in het agrarisch gebied waaronder bunzing boommarter das eekhoorn hermelijn steenmarter en wezel. Steenmarter heeft onder meer verblijfplaatsen in gebouwen zoals agrarische schuurtjes. Bunzing hermelijn en wezel hebben een scala aan verblijfplaatsen in holen zoals oude konijnen- of muizenholen of onder boomwortels maar ook oude gebouwen en schuren. Ze foerageren vaak op randzones tussen bos en agrarisch gebied en maken gebruik van lijnelementen zoals watergangen en structuren met voldoende dekking als houtwallen. Boommarter en eekhoorn hebben verblijfplaatsen in bomen maar foerageren hierbij ook in het agrarisch gebied. Das maakt verblijfplaatsen in vergraafbare grond vaak in niet-verstoorde delen van bosschages maar ook op de rand van agrarische percelen. De das foerageert ook in het agrarisch gebied. Bever kan voorkomen in het gebied in de nabijheid van waterlichamen. Vaste rust- en verblijfplaatsen worden niet verwacht op of direct rondom bestaande bouwvlakken van veehouderijen. Wild zwijn leeft in voedselrijke bossen (zowel gemengd bos als loofbos). Foerageren doen wilde zwijnen ook op agrarische percelen aan de randen van een bos. Waterspitsmuis komt voor in schone wateren met voldoende onderwater- en oevervegetatie.

Daarnaast moet er voldoende schuilmogelijkheden in de buurt van de oever aanwezig zijn. De soort kan daarom in watergangen nabij agrarische percelen voorkomen. De otter leeft in diverse soorten wateren met een goede dekking op de oever en rust. De soort kan in dergelijke wateren ook nabij agrarische percelen leven of deze passeren maar komt normaliter voor in natuurgebieden en natuurlijke wateren. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Kevers De vermiljoenkever komt voor in vochtige bossen houtwallen en lanen met bomen en dikke takken die recentelijk zijn doodgegaan. De soort is niet te verwachten in de open delen van het agrarische gebied. Aangezien de soort niet erg kritisch is ten aanzien van de boomsoort is het voorkomen nabij bomenrij en lanen niet uitgesloten. ,

Libellen Gevlekte glanslibel komt voor in sterk verlande vennen petgaten en in moerasbossen. Gevlekte witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen. Bosbeekjuffer komt voor in bovenlopen van beschaduwde en zuurstofrijke beken die gekenmerkt worden door een natuurlijke morfologie. Beekrombout komt voor in grotere alsook kleinere rivieren en in kanalen. De soorten zijn niet te verwachten in het agrarische gebied. ,

51/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Vaatplanten In het agrarisch gebied kunnen (zwaarder) beschermde vaatplanten voorkomen. Drijvende waterweegbree is een vrij zeldzame soort maar komt in Noord-Brabant verspreid voor. De soort komt voor in natuurgebieden (vennen en laaglandbeken) maar incidenteel ook in sloten en beken in het agrarisch gebied. ,

,

Vissen Grote modderkruiper kan incidenteel voorkomen in waterlopen in het agrarisch gebied meestal in de wat bredere watergangen met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. ,

Vleermuizen Diverse vleermuissoorten kunnen voorkomen in het agrarisch buitengebied. Een deel van deze soorten maakt gebruik van bebouwing als rust- en verblijfplaats. Andere soorten gebruiken bomen als rust- en verblijfplaats. Daarnaast kunnen alle genoemde soorten gebruik maken van bijvoorbeeld bomenrijen en wateren in het agrarisch gebied als vliegroute of als foerageergebied. Vogels met jaarrond beschermde nesten In het agrarisch buitengebied kunnen een aantal vogelsoorten broeden waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Zo broedt de kerkuil in grotere schuren de steenuil in grotere schuren en oude knotwilgen en de huismus en gierzwaluw in en onder dakbedekking. Boomvalk buizerd havik roek sperwer en ransuil broeden in hogere bomen zoals in houtwallen in het agrarisch gebied. Ooievaar broedt in oude bomen of op palen nabij agrarische percelen of bosterreinen. Slechtvalk broedt op hoge gebouwen en objecten zoals hoogspanningsmasten. Grote gele kwikstaart broedt bij stromend water in nissen van bruggen en muren of tussen boomwortels in de oever. Wespendief wordt in Nederland vooral als doortrekker waargenomen maar lokaal wordt in grotere bosgebieden ook gebroed. De soort is in Nederland aanwezig in de periode mei tot en met oktober. ,

,

,

,

,

,

,

Reptielen Levendbarende hagedis komt voor in structuurrijke weg- en spoorbermen heideterreinen halfopen bosranden met ruigten. ,

,

veen en

Rode lijst soorten Binnen het plangebied bevinden zich ook vele soorten die op de rode lijst staan. Clusters van deze soorten bevinden zich voornamelijk binnen het Natura 2000-gebied en de bosjes die als NNN aangewezen zijn. 5. 3. 5 Beschermde houtopstanden Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are zijn beschermd met enkele uitzonderingen. Dit heeft als doel de totale bosoppervlakte in Nederland te behouden. De wet verbiedt het vellen van een houtopstand buiten de bebouwde kom buiten erven of tuinen zonder voorafgaande melding uitzonderingen daargelaten. Daarnaast kent de wet een plicht tot herbeplanting. Deelgebied 5 bevat diverse houtopstanden groter dan 10 are waarvan het overgrote deel is bestemd als natuur binnen het Natura 2000-gebied en/of NNB. ,

,

,

,

52/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Daarnaast bevat het agrarische gebied enkele een houtopstand groter dan 10 are en veel bomenrijen langer dan 20 bomen waarvan de natuurwaarden zijn beschermd op basis van een enkelbestemming ‘bos’ enkelbestemming ‘natuur’ en/of dubbelbestemming ‘waarde-ecologie’. ,

Biodiversiteit 5. 3. 6 Op 17 juni 2024 heeft de (Europese) Raad van ministers ingestemd met de Europese Natuurherstelverordening. Deze verordening is aanvullende op de Europese Habitatrichtlijn en beoogt de achteruitgang van biodiversiteit te stoppen. Om deze achteruitgang te stoppen wordt van de lidstaten een reeks maatregelen gevraagd. Voorbeelden zijn het voorkomen van verslechtering van natuur binnen en buiten de Natura 2000-gebieden (in de vorm van een inspanningsverplichting) en maatregelen ter bevordering van biodiversiteit in stedelijk gebied landbouw- en bosecosystemen en in riviersystemen. In 2030 moeten volgens het oorspronkelijke voorstel voor de Natuurherstelverordening uit 2022 in 20% van de ecosystemen die moeten worden hersteld maatregelen getroffen zijn (in 2050 is dat 100%). De maatregelen moeten worden uitgewerkt in een Natuurherstelplan per lidstaat. ,

,

,

Binnen deelgebied 5 zijn verschillende natuurtypen aanwezig waarbij herstel in de toekomst de achteruitgang van de biodiversiteit zou kunnen tegengaan.

5. 4

Ecologische effectbeoordeling

5. 4. 1

Effecten Natura 2000-gebieden (Passende beoordeling)

Toetsing De toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden betreft een Passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 3. 85 Bkl van de Omgevingswet Natura 2000-gebieden zijn getoetst op basis van de instandhoudingsdoelen De ontwikkelingsmogelijkheden die het omgevingsplan biedt kunnen van invloed zijn op verschillende typen gevoeligheden van Natura 2000-gebieden. Deze mogelijke effecten zijn schematisch samengevat in tabel 5. 4. In de navolgende alinea’s zijn de effecten verder toegelicht. De effecten zijn beoordeeld aan de hand van de instandhoudingsdoelen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (zie bijlage 3). Hierbij worden de mogelijke effectcategorieën uit de effectenindicator (Ministerie van EZ 2016) in combinatie met de ontwikkelingsmogelijkheden uit paragraaf 5. 2 behandeld. Op basis van de ontwikkelingsmogelijkheden worden overige effecten op Natura 2000-gebieden zoals verandering van populatiedynamiek en bewuste veranderen van soortensamenstelling verontreiniging en hydrologische effecten niet verwacht. ,

,

,

,

,

53/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Ontwikkelingsmogelijkheid

Mogelijk effect

Bebouwen bestaand bouwvlak (mits verleend)

Intensivering recreatief medegebruik

Mestbewerking (mits afkomstig van eigen land) Kleinschalige ontwikkelingen

Gevoeligheid Directe effecten Oppervlakteverlies en versnippering

Indirecte effecten Verzuring en Verstoring vermesting

Verharde oppervlakte

X

-

X

Toename

X

X

-

stikstofdepositie Verstoring door gebruik

-

Toename betreding

X

-

X

Toename

X

X

-

stikstofdepositie door recreatief verkeer Geen*

-

-

-

X

-

X

Strabrechtse Heide & Beuven

Alle nabijgelegen

Alle nabijgelegen

gebieden

gebieden

Aantasting habitats en verstoring

Mogelijk beïnvloede Natura 2000-gebieden

X

* Mestbewerking op en afkomstig van eigen land , leidt eerder tot een afname in stikstofdepositie dan een toename en

effecten worden daarom niet verwacht

Directe effecten Het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven ligt deels binnen het plangebied. Om deze reden zijn directe effecten als gevolg van het omgevingsplan niet uit te sluiten. Indirecte effecten (externe werking) Verstoring door geluid licht trilling of optische verstoring door bebouwen bouwvlakken Het omgevingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een toename van verstoring van soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. De ontwikkelingen vinden buiten de beschermde natuurgebieden plaats in gebieden waar in de huidige situatie al menselijk gebruik plaatsvindt. Het omgevingsplan maakt het bebouwen van agrarische bouwvlakken mogelijk onder de voorwaarde dat de bescherming van natuurwaarden van aangrenzende bos- en natuurgebieden en/of voor verdroging gevoelige natte natuur- en bosgebieden niet onevenredig worden aangetast. Daarbij worden in het omgevingsplan eisen gesteld die externe effecten voorkomen. De uitbreidingsmogelijkheden op agrarische bouwvlakken zijn daarnaast van dusdanig lokale aard dat deze niet van wezenlijk invloed zijn op de Natura 2000-gebieden via verstoring door geluid licht trilling of optische verstoring. ,

,

,

,

Verzuring of vermesting t. g. v. stikstofuitstoot veehouderijen en verkeer aantrekkende werking In en nabij het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen op korte afstand. Daarom zijn daar effecten te verwachten door veranderingen in de stikstofdepositie. Stikstofdepositie draagt op dit moment sterk bij aan verzuring en vermesting in natuurgebieden. Met name landbouw en verkeer vormen de belangrijkste bronnen van stikstofuitstoot. 54/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Verzuring en vermesting kunnen worden veroorzaakt door: Het houden van vee en de opslag aanwending en bewerking van mest Intensivering van (recreatief) verkeer ,

Het houden van vee en de opslag aanwending en bewerking van mest Het houden van meer dieren op de bestaande bouwvlakken en een toename van de opslag aanwending en bewerking van mest t. g. v. die toename van het aantal dieren kan leiden tot toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Het omgevingsplan maakt het verder bebouwen van agrarische bouwvlakken mogelijk onder de voorwaarde dat er vooraf dient te worden aangetoond dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakdepositie in een Natura 2000-gebied t. o. v. de legale en feitelijke situatie ten tijde van vaststelling van het omgevingsplan. Dit gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden en de stikstofoverbelasting van die gebieden. ,

,

,

Voor de onderbouwing van deze conclusie van wat betreft de emissies uit stallen wordt verwezen naar hoofdstuk 4. Maar de hiervoor genoemde regel betreft ook de emissies- depositie van stikstof uit andere bronnen zoals de opslag van mest de aanwending van mest op agrarische percelen en de bewerking van mest. Dit omdat ook die activiteiten een significante bijdrage hebben of kunnen hebben in de emissie- en depositie van stikstof. Dit blijkt o. a. uit onderstaande grafiek waarin de herkomst van de depositie uit sub-sectoren uit de landbouw is gepresenteerd in kilometer-zones rondom het Natura2000-gebied Strabrechtse Heide en Beuven. ,

,

Figuur 5. 5 Herkomst depositie vanuit bufferzones per sub-sector uit de landbouw , Strabechtse Heide & Beuven. Bron: RIVM DASH-bestanden 2023 , bewerking kennisconsortium Tauw-Pouderoyen-Tonnaer-WING-WUR in opdracht van de provincie Noord-Brabant

55/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Intensivering recreatief verkeer Door de uitbreidingsmogelijkheden van recreatief medegebruik kan de recreatiedruk toenemen. Dit kan leiden tot intensivering van recreatief verkeer. Daardoor kan de stikstofdepositie in Natura 2000-gebied toenemen. (Significant negatieve) effecten op instandhoudingsdoelen door intensivering van recreatief verkeer zijn echter uitgesloten omdat er sinds 2005 geen toenemende trend in aantal recreatieve overnachtingen is in gemeente Someren. De gemeentelijke statistieken laten zien dat het aantal overnachtingen de afgelopen jaren schommelt rond de 90. 000 per jaar Een trend die zou wijzen op een toename tekent zich in deze statistieken niet af. Opgemerkt wordt dat er in 2020 sprake is van een relatief laag aantal overnachtingen van minder dan 50. 000 overnachtingen. Dit lijkt toe te schrijven aan de COVID-19 pandemie. ,

.

Door de stikstofregeling ook van toepassing te laten zijn op andere dan agrarische functies zoals recreatie kan worden geborgd dat het omgevingsplan geen planologische mogelijkheden biedt voor ontwikkelingen die leiden tot een toename van de emissie- en depositie van stikstof. Uit onderstaand figuur blijkt immers dat ook andere functies dan de landbouw een bijdrage hebben aan de stikstofedepositie op het Natura2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven ,

,

Figuur 5. 6 Herkomst depositie vanuit bufferzones per sector , Strabechtse Heide & Beuven. Bron: RIVM DASHbestanden 2023 , bewerking kennisconsortium Tauw-Pouderoyen-Tonnaer-WING-WUR in opdracht van de provincie Noord-Brabant

56/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Verstoring door recreatief medegebruik Recreatief medegebruik kan leiden tot verstoring door bijvoorbeeld geluid licht trilling of optische verstoring. Dit kan op twee manieren: 1. Toename betreding 2. Toename van recreatief verkeer ,

,

Toename betreding Uitbreiding van recreatief medegebruik kan leiden tot betreding in Natura 2000-gebieden. Dit kan kwalificerende soorten verstoren middels geluid licht trilling of optische verstoring. Verstoring heeft vooral effect op vogels. Ook kan de betreding leiden tot vertrapping of vervuiling van kwetsbare plantengemeenschappen in kwalificerende habitattypen. Effecten op instandhoudingsdoelen zijn echter uitgesloten omdat: Op basis van de trend in het aantal recreatieve overnachtingen tussen 2005 en 2020 wordt geen wezenlijk toename aan recreanten verwacht Eventuele toename van recreatiedruk is verwaarloosbaar ten opzichte van het bestaand (recreatief) gebruik Het behoud van natuurwaarden is vastgelegd als regel in de bestemmingen van het Natura 2000-gebied binnen de gemeente Eventuele toename van recreatiedruk zal zich beperken tot de paden en wegen in de omliggende Natura 2000-gebieden De gebieden worden zó beheerd en gezoneerd dat recreatiedruk niet leidt tot aantasting van kwetsbare natuurwaarden ,

,

,

,

Toename recreatief verkeer Toename aan recreatief verkeer kan leiden tot verstoring van kwalificerende soorten (vooral vogels). Effecten op instandhoudingsdoelen zijn echter uitgesloten omdat: De redenen zoals genoemd in de bovenstaande alinea ‘toename betreding’ ,

Door de stikstofregeling ook van toepassing te laten zijn op andere dan agrarische functies zoals recreatie kan worden geborgd dat het omgevingsplan geen planologische mogelijkheden biedt voor ontwikkelingen die leiden tot een toename van de emissie- en depositie van stikstof ,

,

Conclusie Het omgevingsplan Buitengebied Someren Deelgebied 5 is wat betreft de bescherming van Natura 2000-gebieden uitvoerbaar. Via de stikstofgebruiksregel en de naleving daarvan zal er geen sprake kunnen zijn van significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden in de directe omgeving. Echter: intensivering van veehouderijlocaties is mogelijk en hierdoor is er een reële kans dat de afname van de stikstofemissies uit stallen vanwege de verplichte verduurzaming van stallen in dit deelgebied deels teniet wordt gedaan door uitbreiding van het aantal dieren. De stikstofemissie op basis van het planalternatief is hoger dan op basis van de MER-referentie. Voor het halen van de doelen m. b. t. stikstofreductie is een (zeer) sterke afname van de emissie van stikstof nodig. Het deels opvullen van bereikte emissiereducties past daar niet bij. In het omgevingsplan zijn er geen regels of mogelijkheden opgenomen die er op gericht zijn stikstofemissies te reduceren en opvulling van bereikte afnames zo veel mogelijk te voorkomen. Gelet op het feit dat het plangebied op korte afstand van een voor stikstof kwetsbaar en -overbelast Natura2000-gebied ligt is de opgave om stikstofemissies blijvend te reduceren extra van belang. ,

,

57/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

De beschermde natuur- en landschapswaarden zijn voldoende vastgelegd in de omgevingsplanregels. Verder is op basis van een set randvoorwaarden voor de te verwachten dynamiek in het gebied dat als die randvoorwaarden en de stikstofgebruiksregel gerespecteerd worden er geen sprake zal zijn significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden in de directe omgeving. Dat betekent dat er ook op de gebieden die verder weg liggen geen significant negatief effecten op kunnen treden. Daarnaast worden er geen andere ontwikkelingen mogelijk gemaakt die schadelijk zullen zijn voor Natura 2000-gebieden. ,

,

,

,

Het uiteindelijk effect van het planalternatief is vanwege het voorkomen van negatieve effecten maar door de bieden van de mogelijkheid om bereikte emissiereducties deels op te vullen ten opzichte van de referentie-MER als ‘licht-negatief (0/-) ’ beoordeeld. Voor de Passende boordeling is een vergelijking van het planalternatief met de referentie-natuur relevant. Ten opzichte van de referentie-natuur is het planalternatief “neutraal (0)” beoordeeld. Effecten gebiedsbescherming - provinciaal beleid 5. 4. 2 In deze paragraaf is getoetst wat de effecten van het omgevingsplan zijn op het Natuurnetwerk Nederland / Natuurnetwerk Brabant en overige provinciaal beschermde gebieden. Het omgevingsplan maakt een aantal ontwikkelingen mogelijk. Dit kan op de volgende manieren van invloed zijn op het NNN en/of overige gebieden: Directe effecten door ruimtegebruik (oppervlakteverlies en versnippering) Indirecte effecten door verstoring door uitbreidingsmogelijkheden agrarische bedrijven Indirecte effecten door mestbewerking Indirecte effecten door stikstofdepositie Indirecte effecten door vernatting of verdroging Overige indirecte effecten door verstoring door geluid licht trillingen optische verstoring of mechanische effecten ,

,

,

Direct effect door ruimtegebruik NNN en Werkingsgebied ‘Behoud en herstel watersystemen’: bestemming Het areaal aan NNN en de ecologische Verbindingszones binnen het plangebied zijn als aparte vlakken opgenomen binnen de nieuwe omgevingsplankaart met de enkelbestemming ‘Natuur’ enkelbestemming ‘Bos’ en of dubbelbestemming ‘Waarde – ecologie’ of enkelbestemming ‘Water’. Negatieve effecten op het oppervlak NNN en het werkingsgebied ‘behoud en herstel watersystemen’ zijn zodoende uitgesloten. ,

Direct effect door ruimtegebruik NNN en Werkingsgebied ‘Behoud en herstel watersystemen’: uitbreidingsmogelijkheden Binnen het NNN en het Werkingsgebied ‘Behoud en herstel watersystemen’ zijn geen uitbreidingen van agrarische bedrijven mogelijk. Evenmin worden andere ontwikkelingen toegestaan die leiden tot een afname in het areaal. Effecten door ruimtegebruik door uitbreidingsmogelijkheden zijn daarom uitgesloten en wordt daarom als ‘neutraal’ beoordeeld.

58/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Indirecte effecten (verstoring) door uitbreidingsmogelijkheden agrarische bedrijven Bebouwing van het bestaande bouwvlak kan tijdens de realisatiefase en gebruiksfase extra verstoring in de vorm van geluid licht en trillingen met zich mee brengen. Eventuele verstoringstoename zal in de meeste gevallen opgaan in de huidige hoeveelheid licht geluid en trillingen die al op het bouwvlak aanwezig zijn. Daarnaast zal elk voornemen getoetst moeten worden en maatregelen genomen worden indien eventuele verstoring en daarmee aantasting van de ecologische waarden en kenmerken niet met zekerheid is uit te sluiten. Dit punt vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan. ,

,

,

,

,

Indirecte effecten door mestbewerking Voor de mogelijkheid van mestbewerking mits de mest afkomstig is van een op dezelfde locatie gevestigde veehouderij zijn voorwaarden gesteld met betrekking tot natuur (milieu en landschap) om aantastingen daarvan uit te sluiten. Daarnaast leidt (snellere) mestbewerking in plaats van langdurige opslag van mest eerder tot een afname van de stikstofemissies (minder vorming van ammoniak). De stikstofgebruiksregel borgt dat er geen sprake mag zijn van een toename. Deze mogelijkheid vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan. ,

,

Indirecte effecten door stikstofdepositie Zoals in hoofdstuk 4 is uitgewerkt kan in de worst case sprake zijn van een toename van de depositie op de nabij gelegen kwalificerende habitats in Natura 2000-gebieden. Buiten Natura 2000 kunnen ook NNN-gebieden verzurings-/vermestings gevoelige gebieden bevatten. Ondanks dat er vanuit provinciaal beleid geen toetsing noodzakelijk is op externe werking van stoffen die zich via de lucht verspreiden is dit wel een mogelijk milieueffect. In de figuur 5. 4 zijn de gebieden binnen het NNN in het plangebied weergegeven die beschermd werden vanuit de voormalige Wet ammoniak en veehouderij (Wav) vanwege gevoeligheid voor stikstof. Rondom deze gebieden gold een beschermingszone van 250 m waarin geen nieuwe veehouderijen zich kunnen vestigen en waar alleen ontwikkelingen mogelijk zijn als deze op basis van interne saldering geen toename van de emissie veroorzaken. ,

,

,

Op basis van de gegevens uit WEB-BVB is vastgesteld dat er geen veehouderijen in deelgebied 5 gevestigd in de voormalige Wav-gebieden (delen van het NNN). Wel zijn er veehouderijen gevestigd in de beschermingszone van 250 m rondom de voormalige Wav-gebieden (zie figuur 5. 4).

59/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Figuur 5. 4 Ligging van de vanuit de voormalige Wet ammoniak en veehouderij (Wav) beschermde gebieden

Van de in het plan opgenomen gebruiksregel (het in gebruik nemen van nieuwe dierverblijfplaatsen mag als de emissie/depositie maar niet toeneemt ten opzichte van de referentie situatie de feitelijke en legale emissie) gaat een generieke bescherming uit die zich verder uitstrekt dan de Natura 2000-gebieden. Door een toename van de emissie/depositie op Natura 2000-gebieden tot strijdig gebruik te verklaren worden verzurende en eutrofiërende effecten door een toename van de stikstofdepositie ook op de stikstofgevoelige NNN-gebieden voorkomen. Maar net als voor de stikstofdepositie op Naura2000-gebieden is de stikstofemissie en -depositie in het planalternatief hoger dan in de referentie-MER. ,

,

In het kader van de stikstofproblematiek diverse maatregelen getroffen om de stikstofdepositie in heel Nederland te verlagen onder andere door sanering van veehouderijen. Maar deze zijn onderdeel van de autonome ontwikkeling. In het omgevingsplan zijn er geen regels of mogelijkheden opgenomen die er op gericht zijn stikstofemissies te reduceren en opvulling van bereikte afnames zo veel mogelijk te voorkomen. Het planalternatief is daarom voor dit aspect als “licht-negatief (0/-)” beoordeeld. ,

Indirecte effecten door vernatting of verdroging Het omgevingsplan heeft een overwegend conserverend karakter. Grootschalige ingrepen in de waterhuishouding in het gebied bijvoorbeeld door een toename van waterwinning worden niet binnen het omgevingsplan mogelijk gemaakt mede door de bestemming als NNN Groenblauwe Waarden en Attentiezone waterhuishouding. Mogelijk neemt het verhard oppervlak toe bij uitbreidingen van agrarische bedrijven maar hiervoor zijn regels opgenomen met betrekking tot bergings- en infiltratievoorzieningen. ,

,

,

,

60/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Overige indirecte effecten verstoring De gebieden die zijn aangewezen als NNN hebben tevens een recreatieve (mede)functie. Door de uitbreidingsmogelijkheden van recreatief medegebruik kan de recreatiedruk toenemen. Dit kan leiden tot intensivering van betreding en stikstofdepositie door recreatief verkeer. Dit kan leiden tot aantasting van ecologische waarden en kenmerken van de NNN. Naar verwachting zal de ontwikkelingsmogelijkheid echter niet op grote schaal worden benut. Er is namelijk geen positieve trend in het aantal recreanten. De gemeentelijke statistieken laten zien dat het aantal overnachtingen de afgelopen 15 jaar schommelt rond de 90. 000 per jaar. Een trend die zou wijzen op een toename tekent zich in deze statistieken niet af. Daarom leidt deze regel op dit punt niet tot beperkingen van de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan. Het effect is daarom beoordeeld als ‘neutraal’. Conclusie Het omgevingsplan heeft de bescherming van het NNN de zogenaamde ‘attentiezone waterhuishouding’ Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’ en de Groenblauwe Waarden voldoende ingepast in de gebiedszonering en de planregels. Het plan voorziet niet in een netto toename of afname van provinciaal beschermde gebieden. Er ligt wel een natuurambitie voor natuurontwikkeling maar deze vindt plaats binnen bestaande grenzen van het NNN.

Het effect op provinciaal beschermde gebieden is per saldo als ‘neutraal’ beoordeeld. ,

,

,

Maar net als voor de stikstofdepositie op Naura2000-gebieden is de stikstofemissie en -depositie in het planalternatief hoger dan in de referentie-MER. In het omgevingsplan zijn er geen regels of mogelijkheden opgenomen die er op gericht zijn stikstofemissies te reduceren en opvulling van bereikte afnames zo veel mogelijk te voorkomen. ,

5. 4. 3 Effecten beschermde soorten Bij toetsing aan de soortbescherming onder de Omgevingswet wordt doorgaans gekeken naar overtreding van verbodsbepalingen en de mogelijk hieruit volgende ontheffingsplicht. Bij een omgevingsplan zal hiervan geen sprake zijn. In dit geval wordt bepaald of de ontwikkelingen die het omgevingsplan mogelijk maakt redelijkerwijs uitvoerbaar zijn op dit punt. ,

Belang van het plangebied als leefgebied Het leefgebied van zwaarder beschermde soorten die kunnen voorkomen in het plangebied is grofweg onder te verdelen in twee groepen (zie ook paragraaf 5. 3. 4): Bosrijke natuurgebieden en waterrijke gebieden als beekdalen Het agrarisch gebied Grote (bosrijke en waterrijke) natuurgebieden Effecten op soorten die vooral voorkomen in grote bos- en natuurgebieden worden voorkomen door de beperkende bouw- en gebruiksregels in deze gebieden (bestemming natuur). Hierbinnen worden dusdanig weinig ontwikkelingen mogelijk gemaakt dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan. Het effect is daarom beoordeeld als ‘neutraal’. ,

61/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Het agrarisch buitengebied Bescherming van het leefgebied van soorten die tevens voorkomen in overige delen van het agrarisch gebied is in de omgevingsplanregels slechts beperkt vastgelegd. Dit is ook niet noodzakelijk want vastgelegd in de Omgevingswet. Ontwikkelingsmogelijkheden die effect kunnen hebben op deze soorten zijn vooral beperkt tot agrarische bouwblokken. Lokaal kunnen de volgende typen werkzaamheden effect hebben op beschermde soorten: bouw- en sloopwerkzaamheden het kappen van beplanting of het kleinschalig aanpassen van ontwatering. Hoewel door het lokale karakter van deze ontwikkelingen de duurzame instandhouding op gebiedsniveau niet snel in het geding is kan bij uitvoering wel sprake zijn van een overtreding van verbodsbepalingen Omgevingswet. Hierdoor kan het nodig zijn mitigerende (verzachtende) maatregelen te treffen en te voldoen aan de daaruit volgende ontheffingsplicht. Het effect is daarom beoordeeld als ‘neutraal’ met inachtneming van het nemen van maatregelen indien nodig. ,

,

,

,

Uitvoeringspraktijk De uitvoeringspraktijk van de ontheffingsverlening Omgevingswet leert dat er doorgaans een duidelijke voorkeur is voor het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van de negatieve effecten. Dit geldt dan ook als voorwaarde voor het voorkomen van een ontheffingsplicht of het verkrijgen van een ontheffing als dit onverhoopt toch nodig is. Voor alle genoemde beschermde soorten bestaan er in de praktijk (ruime) mogelijkheden om effecten te voorkomen of te minimaliseren (mitigatie) door een passende locatiekeuze inrichting en uitvoeringstijdstip. Zo nodig kunnen aanvullend ook andere compenserende maatregelen worden getroffen zoals het aanbieden van alternatieve broed- of verblijfsgelegenheid (bijvoorbeeld nestkasten) en kan de kwaliteit van het omringende leefgebied worden behouden of zelfs verbeterd (zie tabel 5. 5). Dit betekent wel dat bij de aanwezigheid van beschermde soorten een gericht plan en/of werkprotocol opgesteld moet worden waarbij de aanwezige waarden worden ontzien en het leefgebied wordt ingepast in de ruimtelijke ontwikkeling. ,

,

Soort

Inschatting geschikt leefgebied

Mogelijke effecten

Mogelijke mitigerende maatregelen

Vaatplanten

Sporadisch zijn geschikte standplaatsen aanwezig in watergangen

Vernietigen standplaatsen door kleinschalige aanpassingen aan

Verplaatsen van planten naar geschikte standplaatsen. Conform

waterhuishouding

verschillende door het bevoegd gezag goedgekeurde

Boommarter , das , eekhoorn

Verblijfplaatsen in bossen foerageergebied (deels)

Kleinschalige effecten in foerageergebied

in agrarische gebieden

gedragscodes. Niet nodig , betreft kleinschalige effecten in foerageergebied. Voldoende leefgebied blijft aanwezig en verblijfplaatsen blijven onaangetast.

Steenmarter

Verblijfplaatsen in schuren , kelders en

Bij sloop of grootschalige verbouwing kunnen

Ontoegankelijk maken gebouwen of gebruik 62/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Soort

Inschatting geschikt

Mogelijke effecten

Mogelijke mitigerende

leefgebied zolders in of nabij het buitengebied

verblijfplaatsen verdwijnen

maatregelen afweermiddelen op basis van gemeentelijke ontheffing en aanbieden alternatieve verblijfplaatsen

Bunzing , hermelijn , wezel

Boomvalk , buizerd , havik , sperwer , boomvalk

Ransuil

Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied in bossen , struweel , hagen

Bij rooien van struweel , hagen of andere ruigtes kunnen verblijfplaatsen

Aanbieden alternatieve verblijfplaatsen en alternatief leefgebied.

en andere

ruigtes onder andere in agrarische gebieden

en essentieel

leefgebied

verdwijnen

Optimalisatie bestaand of inrichten nieuw leefgebied.

Op en direct rond agrarische bouwvlakken is doorgaans hoog

Bij het kappen van hoge bomen op en langs agrarische bouwvlakken

Aanbieden kunstnest , verplaatsen nesten en soms niet van toepassing

opgaande beplanting aanwezig. Buizerd , havik , sperwer , ransuil en

verdwijnt nestgelegenheid en mogelijk een jaarrond beschermd nest.

mits voldoende bomen en bosschages op en rond deze agrarische

boomvalk kunnen in deze erfbeplanting tot broeden

bouwvlakken blijven staan. Eventueel

komen.

aanplanten van bomen en bosschages. Zie ook kennisdocumenten BIJ12

Bosschages en dichte naaldbomen in tuinen zijn geschikt als nestlocatie en rust- en verblijfplaats. Voldoende nesten van zwarte kraai en ekster die

Door het kappen van bomen verdwijnt broedgelegenheid en

Aanbieden kunstnest , verplaatsen nesten. Behoud van voldoende

mogelijk een jaarrond beschermde verblijfplaats.

bosschages en open landschap om te foerageren. Eventueel

als nest van de ransuil kunnen dienen. Uitgestrekt agrarisch

Steenuil

aanplanten van bomen in de nabijheid van geschikt foerageergebied.

gebied biedt voldoende foerageermogelijkheden. Het plangebied biedt

Zeer gevoelig voor

Inventariseren van

geschikt leefgebied in de vorm van erven met schuren die in

ruimtelijke ontwikkelingen door de onlosmakelijke samenhang tussen de

territoria van steenuilen. Plekken waar geen steenuilen zitten of waar

nestgelegenheid voorzien. Boerderijen met

vaste verblijfplaats en de functionele leefomgeving (foerageergebied) in de

gebouwd wordt geschikt maken voor steenuilen in

bomenrijen , paaltjes , grasland , rommelhoekjes voorzien in geschikt foerageergebied.

directe omgeving van vaste verblijfplaats.

de

combinatie met het aanbieden van alternatieve vaste verblijfplaatsen

63/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Soort

Inschatting geschikt

Mogelijke effecten

leefgebied

Kerkuil

maatregelen (nestkasten). Zie ook kennisdocument BIJ12.

Het plangebied biedt geschikt leefgebied in de vorm van erven met

Gevoelig voor ruimtelijke ontwikkelingen. Vergelijkbaar met steenuil

Inventariseren van territoria van kerkuilen. Op plekken waar geen

schuren die in nestgelegenheid voorzien. Boerderijen met

maar kerkuil is in staat

kerkuilen zitten of waar gebouwd wordt kan een alternatieve vaste

bomenrijen , paaltjes , grasland , rommelhoekjes en uitgestrekt agrarisch

zijn vaste verblijfplaats af liggen.

foerageergebieden te bereiken die verder van om

gebied voorzien in geschikt foerageergebied.

Huismus

Mogelijke mitigerende

verblijfplaats (nestkast) worden aangeboden in een gebouw dat geschikt is als broedlocatie en binnen het bereik van geschikt foerageergebied

Veel type gebouwen

Bij aantasting

(woningen , schuren et cetera) herbergen potentiële verblijfplaatsen.

verblijfplaatsen (sloop , renovatie , onderhoud woningen) kunnen effecten optreden. Het omgevingsplan maakt dat niet rechtstreeks mogelijk.

ligt. Zie ook kennisdocument BIJ12. Inventariseren van verblijfplaatsen en functionele leefomgeving. Mitigerende maatregelen bestaan uit het aanbrengen van alternatieve verblijfplaatsen (vogelkasten) en optimaliseren leefgebied. Zie ook kennisdocumenten voor

Gierzwaluw

Veel type gebouwen (woningen , schuren et

Bij aantasting verblijfplaatsen (sloop ,

huismus BIJ12 Inventariseren van verblijfplaatsen.

cetera) herbergen potentiële verblijfplaatsen.

renovatie , onderhoud woningen) kunnen effecten optreden. Het

Mitigerende maatregelen bestaan uit het aanbrengen van

omgevingsplan maakt dat niet rechtstreeks mogelijk.

alternatieve verblijfplaatsen (vogelkasten). Zie ook kennisdocumenten voor gierzwaluw BIJ12

Roek

Bosjes of bomenrijen in agrarisch gebied zijn geschikte locaties voor

Koloniebroeder , daardoor gevoelig voor kap van bomen. Hierdoor kan een

Inventariseren broedkolonies. Zo nodig bomen met broedkolonie

broedkolonies

hele broedkolonie verdwijnen

ontzien , of aanbieden alternatieven nestlocaties. 64/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Soort

Inschatting geschikt

Mogelijke effecten

leefgebied

Ooievaar

Vleermuizen

Rugstreeppad

Mogelijke mitigerende maatregelen Zie ook soortenstandaard BIJ12

Bomen of nestpalen op of nabij veehouderijen kunnen als nestlocatie in

Door het kappen van bomen verdwijnt broedgelegenheid en

Aanbieden kunstnest , verplaatsen nesten. Behoud van voldoende

gebruik zijn en het agrarisch gebied dient als foerageergebied

mogelijk een jaarrond beschermde verblijfplaats.

open

landschap om te foerageren. Eventueel plaatsen nestpaal in de

Veel type gebouwen

Bij aantasting

nabijheid van geschikt foerageergebied. Gebiedsdekkende

(woningen , schuren et cetera) herbergen potentiële verblijfplaatsen.

verblijfplaatsen (sloop , renovatie , onderhoud woningen en kap bomen)

inventarisatie. Mitigerende maatregelen bestaan uit het

Daarnaast kunnen de bomen op en om agrarische bouwvlakken

kunnen effecten optreden. Het omgevingsplan maakt dat

aanbrengen van alternatieve verblijfplaatsen (onder

een rol spelen als

verblijfplaats voor

niet rechtstreeks mogelijk. Kap van bomen kan

vleermuizen , foerageergebied en als onderdeel van

resulteren in aantasting van foerageergebied en vliegroutes.

andere vleermuiskasten) en behouden , versterken en/of compenseren

vliegroutes. Geschikt leefgebied komt voor in het gehele gebied.

In staat om snel nieuw leefgebied te koloniseren.

Afschermen van werkgebieden zodat

Voortplantingswateren bestaan uit de -kleinewatergangen en ondiepe

Bij de beperkte ruimtelijke ontwikkelingen die het omgevingsplan toestaat is

kolonisatie wordt voorkomen. Eventueel aanwezige

poelen. Landhabitat kan onder andere bestaan uit schuilplaatsen onder of

een

kans dat de rugstreeppad het gebied koloniseert , voortzetting

dieren wegvangen en in tijdelijk alternatief habitat (evt. nieuwe

nabij bebouwing , rommelhoekjes e. d.

van de

werkzaamheden is dan in overtreding van de Wnb. Bij vergraven

watergangen) uit zetten. Bij vergraven van watergangen dient

van watergangen

aangrenzend alternatief leefgebied voorhanden te zijn en/of kunnen de

kan

schade optreden.

groenstructuren. Zie ook kennisdocumenten BIJ12

watergangen geschikt gehouden blijven. Zie ook Alpenwater-salamander vinpootsalamander , heikikker , poelkikker , en kamsalamander

,

Geschikt leefgebied in de

Aantasting van

vorm van

voortplantingswater door

kennisdocument BIJ12 Afschermen van werkgebied zodat

voortplantingswater als watergangen met rijke

werkzaamheden aan waterpartijen en

amfibieën (in de trektijd) niet worden gedood. 65/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Soort

Inschatting geschikt

Mogelijke effecten

Mogelijke mitigerende

onderwatervegetatie en

aantasting van winterhabitat door

maatregelen Behouden van voldoende leefgebied of creëren van

poelen. Landhabitat kan onder andere bestaan uit

aantasten van locaties met geschikt schuilmogelijkheden.

voldoende leefgebied in de directe nabijheid van het huidige leefgebied.

leefgebied oever- en

schuilplaatsen onder stronken hout , holtes in de grond of onder en Grote vos en kleine ijsvogelvlinder

Grote modderkruiper

Zie ook kennisdocumenten BIJ12

nabij bebouwing. Geschikt leefgebied in de vorm van (holle) bomen ,

Aantasting van waardplanten en

Behouden van voldoende leefgebied of creëren van

stapels hout en wilde kamperfoelie

beschuttingsplekken

voldoende leefgebied in de directe nabijheid van het huidige leefgebied.

Geschikt leefgebied is aanwezig in alle deelgebieden.

Bij vergraven van watergangen kan schade optreden.

Mitigerende maatregelen bestaan uit het creëren van geschikt alternatief

Voortplantingswateren bestaan uit de kleinere en

leefgebied (watergangen) en/of geschikt houden

grotere watergangen.

van

de te vergraven watergang en tijdens uitvoering voorkomen van verwonding en doding van individuen. Zie ook kennisdocument BIJ12

Conclusie Op basis van de eisen die aan individuele ontwikkelingen worden gesteld en de praktische mogelijkheden om beschermde soorten in te passen in lokale ontwikkelingen zijn als gevolg van het omgevingsplan geen wezenlijke effecten op beschermde soorten te verwachten door overige ontwikkelingen (‘neutraal’). Dit betekent dat ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan aan de orde zijn. Het effect van alle ontwikkelingen tezamen is als ‘neutraal’ beoordeeld. ,

5. 4. 4 Effectbeoordeling beschermde houtopstanden Het omgevingsplan heeft een conserverend karakter en maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarvan op voorhand een negatief effect op beschermde houtopstanden wordt verwacht. Incidenteel kunnen ruimtelijke ontwikkelingen die voortvloeien uit het nieuwe omgevingsplan een effect hebben op beschermde houtopstanden. In dit geval kan door in- en aanpassing van de ontwikkeling overtreding van de wet worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is volgt hieruit een kapmelding en herplantplicht. Vanwege het conserverende karakter van het omgevingsplan en een parallel lopend beleidsspoor onder de Omgevingswet is het effect als ‘neutraal’ beoordeeld. ,

,

,

66/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

5. 4. 5 Effecten op biodiversiteit Binnen deelgebied 5 liggen verschillende landschapstypen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen natte landschapstypen/water voedselarme droge zandgronden en voedselrijke droge zandgronden. Het vast te stellen omgevingsplan kan effecten hebben op de mogelijkheden tot herstel van deze landschapstypen en de bijbehorende biodiversiteit. Effecten zullen met name veroorzaakt worden door een toename aan nutriënten. De voedselrijke zandgronden zullen weinig beïnvloed worden door een toename aan nutriënten. Voor de voedselarme droge zandgronden en natte zandgronden/wateren zal dit grote effecten kunnen hebben op het systeem de biodiversiteit en de herstelmogelijkheden. ,

,

5. 5

Samenvatting

In onderstaande tabel is de beoordeling van de effecten op natuur samengevat. De beoordeling is toegelicht in onderstaande paragrafen. Tabel 5. 6 Beoordeling effecten op natuur , per onderdeel Aspect Beoordelingscriterium Referentiesituatie

Worst case

Planalternatief (met mitigerende maatregelen en stikstofregeling)

Natuur

Gebiedsbescherming – Natura 2000 Gebiedsbescherming -

0

-

0/-

0

-

0

0

-

0

0

0

0

0

-

0

provinciaal beleid: NNN , Natte Natuurparels , Attentiezone waterhuishouding , Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’ , de Groenblauwe mantel Beschermde soorten Beschermde houtopstanden Biodiversiteit

Natura 2000-gebieden

In en rondom het omgevingsplangebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden. Ontwikkelingsmogelijkheden zoals uitbreiding van agrarische bouwvlakken leiden in het planalternatief niet tot (significant) negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van habitattypenen soorten. Het omgevingsplan Buitengebied Someren Deelgebied 5 is wat betreft de bescherming van Natura 2000-gebieden uitvoerbaar. Echter: intensivering van veehouderijlocaties is mogelijk en hierdoor is er een reële kans dat de afname van de stikstofemissies uit stallen vanwege de verplichte verduurzaming van stallen in dit deelgebied deels teniet wordt gedaan door uitbreiding van het aantal dieren. ,

,

67/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Voor het halen van de doelen m. b. t. stikstofreductie is een (zeer) sterke afname van de emissie van stikstof nodig. Het deels opvullen van bereikte emissiereducties past daar niet bij. Het planalternatief is daarom t. o. v. de referentie MER als ‘licht negatief’ (0/-) beoordeeld. Het worstcase alternatief sluit een toename van de emissie en depositie van stikstof ten opzichte van de referentie-natuur niet uit en de emissie- en depositie neemt sterk toe t. o. v. de referentieMER. Het worstcase alternatief is daarom negatief (-) beoordeeld. Gebiedsbescherming - provinciaal beleid Het omgevingsplan heeft de bescherming van het NNN EVZ de zogenaamde ‘attentiezone waterhuishouding’ Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’ en de Groenblauwe Waarden voldoende ingepast in de gebiedszonering en de planregels. Het effect op provinciaal beschermde gebieden daarom voor het planalternatief per saldo als neutraal (0) beoordeeld Maar net als voor de stikstofdepositie op Naura2000-gebieden geldt ook voor de provinciaal beschermde gebieden dat de stikstofdepositie in het planalternatief hoger dan in de referentieMER. Het worst-case alternatief sluit een sterkere toename van de emissie en depositie van stikstof niet uit en is daarom negatief (-) beoordeeld. ,

,

,

,

Beschermde soorten Het onderdeel soortbescherming onder de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van plant- en diersoorten in Nederland. Het omgevingsplan heeft een conserverend karakter en maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarvan op voorhand een negatief effect op beschermde soorten wordt verwacht. Incidenteel kunnen ruimtelijke ontwikkelingen die voortvloeien uit het nieuwe omgevingsplan een effect hebben op beschermde soorten of de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen hiervan. In dit geval kan in de planning- en uitvoeringsfase overtreding van de wet worden voorkomen. Afhankelijk van de soort(en) en het project kan dit door te werken met een ecologische gedragscode het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing. Het effect op beschermde soorten is voor het planalternatief daarom als neutraal (0) beoordeeld. ,

,

,

,

,

,

Beschermde houtopstanden Vanwege het conserverende karakter van het omgevingsplan en een parallel lopend beleidsspoor onder de Omgevingswet is het effect voor het planalternatief als ‘neutraal’ (0) beoordeeld.

68/120

Kenmerk

6

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Effecten overige milieuthema’s

Dit hoofdstuk beschrijft de effecten voor de overige milieuthema’s. De thema’s Landschap , Cultuurhistorie , Archeologie , Geluid , Luchtkwaliteit & gezondheid en Klimaat , Duurzaamheid en Energie komen achtereenvolgens aan de orde.

6. 1

Effectenonderzoek

De milieueffecten gaan over het plan- en studiegebied. De reikwijdte van het studiegebied verschilt per milieuaspect. Om de effecten nauwkeurig te kunnen bepalen is allereerst een duidelijke referentiesituatie vastgelegd. Daarmee is er vergelijkingsmateriaal om te kijken ten opzichte van wat de alternatieven beter of slechter scoren. De referentiesituatie is de huidige situatie samen met de autonome ontwikkeling. Deze zijn al eerder in hoofdstuk 3 (globaal) en hoofdstuk 4 (emissies uit stallen van veehouderijen) beschreven. Dit hoofdstuk licht voor de afzonderlijke milieuaspecten van de meer specifieke referentiesituatie toe. ,

Tabel 6. 1 De te beschouwen thema’s inclusief beoordelingscriteria Relevante te beschouwen thema’s Water en bodem

Beoordelingscriteria Aantasting/verduurzaming waterstructuren , ontstaan knelpunten/oplossingen waterhuishouding

Woon- en leefmilieu

Verslechtering en verbetering niveaus geluid , geur , luchtkwaliteit

Verkeer

Knelpunten binnen verkeersstructuur , onderscheid in (recreatieve en agrarische) verkeersstromen

Gezondheid

Gevolgen uitvoering omgevingsplan voor luchtkwaliteit , geur , geluid en zoönosen

bezien vanuit gezondheidsperspectief Gezondheidsbevordering , bijdrage plan aan doelstellingen m. b. t ,

gezondheidsbevordering (kwalitatieve beoordeling) mede op basis van informatie van de gemeente of regio (bijvoorbeeld doelstellingen van de GGD. Klimaat en duurzaamheid

Robuustheid plan voor klimaatverandering Bijdrage plan aan duurzaamheidsdoelstellingen (kwalitatieve beoordeling) mede op basis van informatie van de gemeente (bijvoorbeeld de gemeentelijke klimaatstresstest)

Energie

Bijdrage plan aan energieambitie van de gemeente

69/120

Kenmerk

6. 2

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Landschap

6. 2. 1 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen Het landschap binnen de plangrenzen van deelgebied 5 bestaat met name uit Natuurnetwerk Nederland gebied landbouw en Natura 2000-gebied. Zoals hieronder weergegeven in figuur 6. 1. Het buitengebied van Someren kenmerkt zich door intensieve landbouw. Het gebied is door de jaren heen geleidelijk ontgonnen. De dynamiek in de landbouw is groot. Aan de ene kant willen of moeten boeren vanuit economische overwegingen uitbreiden. Aan de andere kant stoppen veel agrariërs of zoeken neveninkomsten. Kortom wat betreft gebiedsindeling in het buitengebied zijn er een aantal onderdelen die ook raken aan de landschappelijke structuren en -indeling. ,

Figuur 6. 1 Rechts: Natuurnetwerk Nederland. Links: Gewaspercelen (Bron: atlasleefomgeving. nl)

Landschapstypen gemeente Someren In het buitengebied van de gemeente Someren onderscheiden zich meerdere landschapstypen. Een landschapstype is een karakteristieke combinatie van landschapskenmerken en -elementen die in een bepaalde samenhang voorkomen. Someren als geheel ligt in het grotendeels verdwenen hoogveengebied van De Peel. Het landschap bestaat uit grote aaneengesloten boscomplexen en natuurgebieden op hogere gronden met daartussen de lager gelegen beekdalen van de (Kleine) Dommel de kleine Aa en de Peelrijt die overwegend van zuid naar noord lopen. Op de overgangen van hoog naar laag concentreerden zich van oorsprong de landbouw en bewoning. ,

,

Landschapstypen deelgebied 5 De belangrijkste landschapstypen in het plangebied van deelgebied 5 staan weergegeven op onderstaand figuur 6. 2. In het westen van het plangebied ligt een Bos- en Heidegebied. Dit is onderdeel van Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide en Beuven. Hierbij is het heide gebied omgeven door bosgebied. In het oosten van het plangebied wisselen oudere heideontginningen beekdal- en kampenlandschappen elkaar af.

,

70/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Figuur 6. 2 Gebiedsindeling landschap deelgebied 5 buitengebied Someren (Bron: beeldkwaliteitsplan buitengebied Someren 2022)

Kampenlandschap De oostelijke helft van het plangebied bestaat voornamelijk uit het Kampenlandschap zoals te zien is in figuur 6. 3. Dit historische agrarische landschap heeft een onregelmatige structuur. De verkaveling is kleinschalig en op sommige plaatsen grillig van vorm. In de loop der tijd is het landschap meer open geworden. Vroeger waren er veel meer landschapselementen aanwezig zoals houtsingels en bosjes. Het gebied heeft een gevarieerde mix van groene gebieden en bebouwing. ,

,

Figuur 6. 3 Kampenlandschap deelgebied 5 (Bron: beeldkwaliteitsplan buitengebied Someren 2022)

71/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Oudere Heideontginningen De oudere heideontginningen fungeren als een overgangslandschap tussen de jongere heideontginningen en het kampenlandschap. Deze gebieden werden ontgonnen rond de overgang van de 19e naar de 20e eeuw gedreven door de vooruitstrevende pioniersgeest van die tijd. Het landschap vertoont minder organische lijnen dan het kampenlandschap en heeft ook een iets grotere schaal. Het karakter van dit landschap is echter duidelijk minder grootschalig en weids dan de rechte ontginningslijnen van de jongere heideontginningen. Weelderige groenstructuren van houtsingels lanen en bospercelen kenmerken de oudere heideontginningen. ,

,

Figuur 6. 4 Oud Heideontginningen deelgebied 5 (Bron: beeldkwaliteitsplan buitengebied Someren 2022)

Beekdallandschap De beken stromen van zuid naar noord door het deelgebied en vormen als groene aders nog steeds de aanwezige beekdalen. Echter door de jaren heen zijn veel kenmerkende elementen uit het beekdallandschap verdwenen waardoor de herkenbaarheid ervan verloren is gegaan. Het Beekdallandschap was oorspronkelijk een laaggelegen nat en kleinschalig landschap waar traditioneel niet werd gebouwd vanwege de gevoeligheid voor hoogwater. Veel beken in de gemeente Someren zijn in de loop der jaren gekanaliseerd tot rechte sloten en watergangen. In tegenstelling tot vroeger is er nu weinig beplanting te vinden in de beekdalen maar er zijn nog steeds veel beekbegeleidende bosstructuren aanwezig. Vanwege de beperkte omvang van de beekdalen horen ook de broekgebieden bij dit landschapstype. Broekgebieden zijn lager gelegen gebieden in een beekdal die regelmatig overstromen en 's winters vaak langere tijd onder water staan. ,

,

,

,

,

Figuur 6. 5 Beekdallandschap deelgebied 5 (Bron: beeldkwaliteitsplan buitengebied Someren 2022) 72/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Heide- en boslandschap De Strabrechtse heide is het belangrijkste onderdeel van het heide- en boslandschap in deelgebied 5. Dit landschap heeft zowel een hoge recreatieve als ecologische waarde. Daarom beschermen verschillende regels waaronder de Natura 2000-aanduiding dit gebied. Het gebied bestaat uit uitgestrekte natte en droge heidegebieden met enkele grote vennen die als enclaves in de bossen van Someren liggen. Het behoud van de natuurwaarden en het beheer ervan staan hier centraal. Het beheer streeft naar transformatie van naaldbos naar gemengd loofbos maar ook de omzetting naar heide of stuifzandgebieden behoort tot de mogelijkheden. Grafheuvels en padenstelsels van zandpaden zijn belangrijke elementen met cultuurhistorische waarden in dit landschap. ,

,

,

Figuur 6. 6 Heide- en Boslandschap deelgebied 5 (Bron: beeldkwaliteitsplan buitengebied Someren 2022)

Effecten 6. 2. 2 Voor het criterium landschap is een kwalitatieve beoordeling gedaan op de effecten van het omgevingsplan voor deelgebied 5. De ontwikkelmogelijkheid met de grootst mogelijke impact in het omgevingsplan is het verder benutten van de bij recht toegekende bouwvlakken en de uitbreiding van de veehouderij. Daarnaast zijn kleinschalige recreatieve ontwikkelingen voor woningen en agrarische bedrijven via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk zoals een minicamping tot 25 kampeermiddelen. Hieronder is beschreven wat de effecten zijn voor de bestaande landschappelijke waarden in het buitengebied van Someren. ,

Onderdeel van de provinciale richtlijnen voor agrarisch landgebruik vormt de verplichting om een percentage van het agrarisch bouwblok in te zetten voor landschappelijke inpassing. Dit percentage kan verschillen in de te onderscheiden zones extensivering verweving en landbouwontwikkeling. Het omgevingsplan stelt hiervoor de norm en het Beeldkwaliteitsplan biedt de landschappelijke (ontwerp)kaders voor verdere invulling. ,

73/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Randvoorwaarden De bestaande landschapswaarden zijn als volgt beschermd: Bestemming ‘Agrarisch met landschapswaarden’ Hierbij gaat het om de landschappelijke kenmerken van een gebied in de zin van karakteristieke verschijningsvorm herkenbaarheid/ identiteit en diversiteit (bestaande uit aardkundige cultuurhistorische archeologische en visueel-ruimtelijke waarden) afzonderlijk of in onderlinge samenhang te behouden en te versterken. Niet toegestaan op deze bestemming zijn overkappingen permanente teeltondersteunende voorzieningen mest- en voerplaten (sleuf-)silo’s mestopslagsilo’s en vergelijkbare voorzieningen Via de aanduidingen ‘visueel waardevol - besloten’ en ‘visueel waardevol - openheid’. Niet toegestaan in gebieden met deze aanduiding zijn tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Via een omgevingsvergunning wordt getoetst op het effect op landschap Aanvullende kwaliteitseisen aangaande de ruimtelijke kwaliteit. Bij het toepassen van de flexibiliteitbepalingen (afwijken en wijzigen) vindt in alle gevallen een toets plaats aan het beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022.

Een nieuwe ontwikkeling moet voldoen aan de uitgangspunten hiervan Voor de ruimtelijke rechten en plichten wordt verwezen naar het betreffende omgevingsplan deelgebied 5 De richtlijnen zijn bedoeld om ingrediënten aan te bieden waarmee de voorgestane ontwikkeling tezamen met een goede landschappelijke inpassing tot een integraal ontwerp kunnen worden samengebracht waardoor voldaan kan worden aan de in het omgevingsplan gestelde eisen. De ontwerprichtlijnen vormen het toetsingskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied ,

,

,

,

,

,

,

,

Effectbeschrijving op landschap ten gevolge verdere uitbreiding binnen het bouwvlak Concentraties van agrarische bedrijven bevinden zich langs de verschillende ontsluitingswegen in het plangebied en komen in ieder landschapstype voor behalve het bos-en heide landschap. Binnen Beekdallandschap Oude Heide ontginningen en het Kampenlandschap zullen nieuwe uitbreidingen van agrarische bedrijven het gebied niet wezenlijk veranderen. De agrarische bedrijven liggen in dit plangebied grotendeels buiten de waardevolle open landschappen waardoor de deze niet verder worden aangetast. Daarnaast worden kwaliteitseisen gesteld aan uitbreidingen waardoor er geen verdere achteruitgang van het landschap plaatsvindt en waar mogelijk een versterking plaatsvindt. ,

,

Het van oudsher kleinschalige landschap van de beekdalen zal door uitvoering van het omgevingsplan niet negatief worden beïnvloed. In deelgebied 5 geldt dat uitbreiding van bouwvlakken kan leiden tot verdere verstening van het landschap maar dat de gestelde kwaliteitseisen anderzijds leiden tot het versterken van de landschappelijke structuur en karakteristiek. De kwaliteitsverbetering zal zich in dit landschapstype vooral richten op de kleinschaligheid en de specifieke landschappelijke patronen waaronder de specifieke erfinrichting en de houtwallenstructuur. Juist deze karakteristiek is door de ruilverkaveling en schaalvergroting in de vorige eeuw aangetast en kan hier mogelijk deels worden hersteld. Aan de ene kant kan het voornemen leiden tot verdere verstening in het landschap aan de andere kant leiden de gestelde kwaliteitseisen tot verbetering van de landschappelijke karakteristieke structuur. Onder de streep leidt dit tot een neutraal effect (0). ,

,

,

74/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Effectbeschrijving op landschap t. g. v. Nevenfuncties en recreatieve ontwikkelingen Neven activiteiten en een verbrede landbouw zijn mogelijk in de landschapstypen ‘Beekdalen/broekgebieden’ ‘Kampenlandschap’ en ‘Oudere Heide-ontginningen’ in Jongere Heide-Ontginningen is dit beperkt mogelijk. Extensieve recreatie en toerisme bieden belangrijke kansen voor de agrarische sector en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied van Someren. Het buitengebied kent allerlei groene kwaliteiten die een kwalitatief kader bieden voor een breed scala aan extensieve vormen van recreatie en toerisme. Nevenfuncties en nieuwe recreatieontwikkelingen zijn in afwijking van het omgevingsplan mogelijk. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een minicamping tot 25 kampeermiddelen. ,

,

De kleinschalige recreatieve nevenfuncties zoals deze onder voorwaarden mogelijk worden gemaakt in het omgevingsplan leiden niet tot negatieve effecten op de landschappelijke karakteristieken in het gebied. Dit met het oog op de eis dat de ruimtelijke kwaliteit en daarmee de landschappelijke waarden niet onevenredig aangetast mogen worden en waarbij nieuwe ontwikkelingen getoetst worden aan het Beeldkwaliteitsplan. Door de beperkte omvang van recreatieve nevenfuncties en de kwaliteitseisen zoals deze aan landschap en cultuurhistorie worden gesteld wordt het effect van nieuwe recreatieve ontwikkelingen als neutraal beschouwd (0). ,

Conclusie effectbeschouwing landschap en mitigerende maatregelen Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is in het omgevingsplan deelgebied 5 van Someren niet mogelijk. Het benutten van de nu bij recht toegekende uitbreidingsmogelijkheden binnen bestaande bouwvlakken van agrarische bedrijven leiden niet tot negatieve effecten op het landschap aangezien de landschappelijke waarden nadrukkelijk worden beschermd in het omgevingsplan. Dit geldt ook voor nevenfuncties en kleinschalige recreatieve voorzieningen. Ook hier geldt dat nieuwe ontwikkelingen niet mogen leiden tot onevenredige aantasting van het landschap en dienen deze ontwikkelingen te worden getoetst aan het Beeldkwaliteitsplan buitengebied 2022. In het omgevingsplan is expliciet de relatie gelegd met dit beeldkwaliteitsplan dit om de omgevingskwaliteit te verbeteren en als inspiratie voor toekomstige ontwikkelingen. Wel geldt dat alle mogelijke uitbreidingsmogelijkheden tezamen kunnen leiden tot verdere verdichting van het landschap een afname van de kleinschaligheid intensivering van het grondgebruik en afname van de beweiding. Dit kan leiden tot een afname van de ecologische en landschappelijke variëteit.

De landschappelijke inpassing is binnen de bestaande percelen geborgd en er zijn afwegingscriteria in het omgevingsplan geformuleerd voor vergunningaanvraag van activiteiten met een mogelijk effect op de landschappelijke waarden. Vanwege deze borging in het omgevingsplan en de relatie met het Beeldkwaliteitsplan leidt dit tot een neutraal effect op het onderdeel landschap (0). ,

,

,

,

,

75/120

Kenmerk

6. 3

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Cultuurhistorie en archeologie

6. 3. 1 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen Cultuurhistorie is zichtbaar in het landschap. De patronen in het landschap van de verkaveling van wegen waterlopen bebouwing en beplanting laten de geschiedenis van een gebied zien. De patronen die nu nog zichtbaar zijn in het landschap zijn voornamelijk ontstaan door menselijk ingrijpen in het landschap. Deze patronen hebben daarmee een historisch-geografische waarde. ,

,

,

6. 3. 1. 1 Cultuurhistorische waarden De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed definieert cultuurhistorische waarden als: sporen objecten patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. 5 In veel gevallen zijn deze waarden bepalend voor de identiteit van een plek of gebied. Deze structuren patronen of elementen weerspiegelen de invloed van de mens op de vorming van het landschap. Dit kunnen landschapselementen zijn maar ook gebouwde objecten zoals monumenten. Historischegeografie valt hier als discipline onder. De cultuurhistorische waarden in deelgebied 5 zijn weergegeven in figuur 6. 7. Vervolgens lichten we de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied toe. ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15608599/1