Bijlage Nota van Zienswijzen
Tekst van het document
3.26.2
Er is op de locatie een omgevingsvergunning verleend voor het
De appellant doet het verzoek om een vormverandering van het
tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het
agrarische bedrijfsfunctievlak mee te nemen in het omgevingsplan. Er is
aanleggen van een sleufsilo. Deze is inmiddels gerealiseerd en
eerder door de appellant een principeverzoek ingediend waarin een
in gebruik genomen. Door appellant is een principeverzoek
gewijzigd agrarisch bedrijfsbestemmingsvlak wordt aangevraagd, de
ingediend om de vorm van het bouwvlak te veranderen met het
gemeente heeft aangegeven dat zij niet akkoord gaat met de voorgestelde
oogmerk daar een sleufsilo te leggen. Het omgevingsplan
vormverandering maar wel mogelijkheden zag in een vormverandering op
doorkruist dit proces. Appellant verzoekt om de aanpassing van
een andere locatie. De gemeente heeft gecommuniceerd dat er na
het bouwvlak zoals dat destijds is voorgesteld nu mee te nemen
inwerkingtreding van de omgevingswet een nieuw principeverzoek kon
bij de vaststelling van het omgevingsplan door het vlak met de
worden ingediend waarin een aangepast functievlak kon worden
functie Agrarisch bedrijf te verschuiven en overeen te laten
aangevraagd, dit is echter niet ingediend.
komen met het bouwvlak waarom is verzocht.
78/123
Appellant kan nog steeds een gewijzigd principeverzoek indienen voor het aanpassen van het agrarische bedrijfsfunctievlak. Deze zal na indiening worden beoordeeld.
3.27
Appellant 27 – Zienswijze inzake locatie Lieropsedijk 70
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Lieropsedijk 70, 5711PS Someren, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024 3.27.1
In het omgevingsplan is er geen gebiedsaanduiding ‘tuin’
Een gebiedsaanwijzing ‘tuin’ komt in het omgevingsplan niet voor. Dit
opgenomen. Appellant vraagt zich af of deze aanduiding nog
gedeelte van het perceel ligt binnen de functie wonen, maar niet binnen de
verwerkt wordt als aanduiding, of dat de borging van het
locatie ‘burgerwoning – buitengebied’. De tuin mag daarmee worden
gebruik van deze gronden als tuin al voldoende is in het
gebruikt ten behoeve van het wonen, maar er mag geen woning of
ontwerp-omgevingsplan.
uitbreiding op dit gedeelte worden gebouwd. Met de locatie ‘bebouwingsvrije zone’ is tevens gewaarborgd dat hier niet gebouwd mag worden.
3.27.2
3.27.3
Appellant heeft geconstateerd dat er meerdere
Voor dit perceel zijn meerdere omgevingsnormen voor het maximum
werkingsgebieden voor het maximum aan oppervlakte voor
oppervlakte aan bijgebouwen opgenomen. Daarentegen is niet de locatie
bijgebouwen is opgenomen. Appellant stelt dat dit tegenstrijdig
bijgebouwen opgenomen. Dit betreft een omissie en wordt hersteld door
is waardoor onduidelijkheid bestaat over de toegestane
het opnemen van de locatie bijgebouwen en een omgevingsnorm
oppervlakte aan bijgebouwen. De aanduiding ‘maximum
‘maximum oppervlakte bijgebouwen 320 m2, waarmee een gezamenlijke
oppervlakte aan bijgebouwen 320’ is correct.
oppervlakte van 320 m2 aan bijgebouwen wordt toegestaan.
Appellant constateert dat het werkingsgebied landschappelijke
Met appellant is de afspraak gemaakt dat het plan voor de
inpassing in het ontwerp-omgevingsplan is opgenomen over de
landschappelijke inpassing na het ontwerp-omgevingsplan verder zal
gehele gebiedsaanwijzing wonen. De landschappelijke inpassing
worden uitgewerkt. Inmiddels is er een uitgewerkt en door de gemeente
wordt, in overleg met de gemeente, nog verder uitgewerkt voor
goedgekeurd landschappelijk inpassingsplan. Dit plan is opgenomen in dit
de vaststelling van het omgevingsplan. Het is vervolgens
omgevingsplan. Het werkingsgebied voor de landschappelijke inpassing is
gewenst om het werkingsgebied voor de landschappelijke
op basis van dit plan ingetekend.
inpassing enkel op te nemen op de locaties waar de landschappelijke inpassing daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
79/123
3.28
Appellant 28 – Zienswijze inzake locatie Houtbroekstraat 9
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Houtbroekstraat 9, 5711PT Someren, d.d. 7 oktober 2024, ingekomen 9 oktober 2024. Aangevuld d.d. 4 november 2024, ingekomen 5 november 2024. 3.28.1
Voor de locatie Houtbroekstraat 9 te Someren is een ruimtelijke
Appellant merkt terecht op dat een aantal wijzigingen niet geheel correct
onderbouwing ingediend ter wijziging van de ter plaatse
zijn verwerkt in het ontwerp-omgevingsplan. Dit betreffen een aantal
aanwezige bestemmingen/functies/aanduidingen. De volgende
omissies en deze worden hersteld:
wijzigingen zijn in ieder geval niet geheel correct verwerkt in het ontwerp-omgevingsplan:
a.
Het klopt dat zowel het oude als het nieuwe functievlak is opgenomen. Dit betreft een technische fout. Dit wordt hersteld en
a.
Zowel het oude als het nieuwe bouwvlak is opgenomen;
het nieuwe functievlak voor het agrarische bedrijf wordt
b.
De aanduiding van de tweede inrit is niet opgenomen;
opgenomen;
c.
De specifieke hoogteaanduiding ter plaatse van de
b.
tussenbouw is niet opgenomen.
De aanduiding voor de tweede inrit is abusievelijk niet opgenomen in het ontwerp-omgevingsplan. Dit wordt hersteld en voor de inrit wordt een werkingsgebied opgenomen.
c.
De omgevingsnormen, met afwijkende goot- en bouwhoogten ter plaatsen van de tussenbouw, zijn abusievelijk niet opgenomen in het ontwerp-omgevingsplan. Dit wordt hersteld en de omgevingsnormen voor de bouwhoogte (11,5 meter) en goothoogte (7,5 meter) worden opgenomen.
3.28.2
De algemene raadpleegbaarheid van de ontwerp-wijziging is
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.3.1.
slecht waardoor appellanten niet kunnen controleren of de
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.3.1.
gevraagde wijzigingen verder correct zijn opgenomen.
80/123
3.29
Appellant 29 – Zienswijze inzake locatie Somerenseweg 44
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Somerenseweg 44 5715 AG Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024 3.29.1
Binnen de regels van ‘agrarisch bedrijf’ is opgenomen dat er
De regeling voor agrarische bedrijven en veehouderijen is aangepast ten
geen veehouderij mogelijk is. Echter heeft de locatie ook de
opzichte van het ontwerp-omgevingsplan. In het ontwerp was aansluiting
aanduiding ‘veehouderij’ waarbij die wel mogelijk is. Dit is
gezocht bij de bestemmingsplansystematiek. Een veehouderij had daarbij
tegenstrijdig. Appellant verzoekt op te nemen dat het
zowel de functie agrarisch bedrijf als veehouderij. Binnen de functie
exploiteren van een veehouderij is toegestaan, zonder dat de
agrarisch bedrijf waren de bepalingen voor het bouwen van agrarische
mogelijkheden voor een agrarisch bedrijf worden beperkt.
bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken opgenomen. Deze waren ook van toepassing op een veehouderij. Binnen de functie veehouderij
Daarnaast zijn de werkgingsgebieden ‘dierenverblijf’ en
waren daarnaast nog specifieke bepalingen opgenomen.
‘veehouderij-gebruik’ niet opgenomen.
Vanwege de leesbaarheid van de regeling is deze aangepast. Een veehouderij heeft in de definitieve regeling alleen de functie veehouderij.
Er zijn geen bouwregels voor dierenverblijven opgenomen.
Binnen de functie veehouderij zijn zowel agrarische bedrijven als veehouderijen toegestaan. Binnen deze functie is bepaald welke
En er zijn geen mogelijkheden opgenomen ten behoeve van de
bouwwerken zijn toegestaan en welke maatvoering daarbij hoort.
activiteiten met betrekking tot het opknappen van landbouwtrekkers/-machines.
Het is een terechte constatering dat de werkingsgebieden ‘dierenverblijf’ en ‘veehouderij-gebruik’ ontbreken. Dit zal worden hersteld. In het omgevingsplan is een bepaling opgenomen voor het bouwen van dierenverblijven. Het realiseren van nieuwe dierenverblijven is niet rechtstreeks toegestaan in het omgevingsplan. Voor het uitbreiden van de bestaande oppervlakte aan dierenverblijven is een vergunningsplicht opgenomen met bijbehorende beoordelingsregels. Deze regeling sluit aan bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2014’ dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en dat op dit perceel van toepassing is.
81/123
Zoals reeds eerder aan appellant is gecommuniceerd zijn bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot het opknappen van landbouwtrekkers/machines niet rechtstreeks toegestaan binnen de functie veehouderij. In het omgevingsplan zijn de vigerende rechten opgenomen. De bestemmingsplannen ‘Buitengebied 2014’ en ‘Parapluplan NAF-beleid Someren’ maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze zijn van toepassing op dit perceel. De hieruit voortvloeiende rechten zijn in het omgevingsplan overgenomen. Dit perceel heeft de functie veehouderij. Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot het opknappen van landbouwtrekkers/-machines zijn niet rechtstreeks toegestaan binnen de functie veehouderij. Indien de activiteiten vallen onder kleinschalige niet-agrarische nevenactiviteiten kan een vergunning worden aangevraagd. Hiervoor is een regeling opgenomen in het omgevingsplan. Deze komt overeen met de regeling in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In deze regeling is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor de uitoefening van kleinschalige niet-agrarische nevenactiviteiten. Indien voldaan wordt aan de bijbehorende beoordelingsregels kan een vergunning worden aangevraagd, die op dat moment beoordeeld zal worden.
Indien de activiteiten niet onder deze regeling vallen, kan appellant eventueel een principeverzoek indienen die dan beoordeeld zal worden. 3.29.2
Veehouderijen worden in de ogen van de cliënt negatief
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.11.3.
beïnvloed door het op nemen van een verbod op
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.11.3.
stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. In de regels is een verbod op een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie opgenomen. Deze regeling is niet werkbaar voor veehouderijen. Appellant verzoekt om uit te gaan van de geldende vergunning Natura2000-activiteit op het moment van vaststellen van het omgevingsplan.
82/123
3.30
Appellant 30 – Zienswijze inzake locatie Vaarsehoef 6
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Vaarsehoef 6 5715 RB Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024 3.30.1
Appellant is van mening dat met het vastleggen van de regels in
Met appellant zijn meerdere gesprekken gevoerd ten tijde van de
het ontwerpplan een te beperkte invulling wordt gegeven aan
voorbereiding van het omgevingsplan. In de punten hieronder zal nader
ontwikkelingen die de afgelopen decennia op het bedrijf hebben
worden ingegaan op deze overleggen en de geboden oplossingsrichtingen.
plaatsgevonden en zijn vergund. Ondanks overleg zijn geen reële oplossingen geboden.
Uitgangspunt voor het omgevingsplan is een beleidsneutrale overzetting van de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, waarbij wel
Appellant is van mening dat het plan zoveel beperkingen kent
het meest actuele vastgestelde beleid is verwerkt. Voor wat betreft de
dat het vrijwel onmogelijk is adequaat op veranderende
regeling voor veehouderijen is geen inhoudelijke wijziging doorgevoerd ten
omstandigheden in bijvoorbeeld de markt of regelgeving in te
opzichte van het huidige gemeentelijke beleid en het provinciale beleid.
spelen. Het plan legt vooral beperkingen op en maakt vrijwel geen ontwikkeling mogelijk.
De gemeente moet binnen de gestelde wettelijke kaders het omgevingsplan opstellen en publiceren op het Digitaal Stelsel
Het is onmogelijk om een overzicht te krijgen van de geldende
Omgevingswet (DSO). De raadpleegbaarheid van de regels is daarmee een
regels.
gegeven. Een overzicht van de geldende regels kan worden verkregen door op het Digitaal Stelsel Omgevingswet, waarop het Omgevingsplan te zien is, op de locatie te klikken en vervolgens door te klikken op de functies en bijbehorende regels en toegestane activiteiten.
3.30.2
Appellant constateert dat op basis van de regeling in het
Het klopt dat op basis van de regels in het ontwerp-omgevingsplan
omgevingsplan sleufsilo’s dienen te worden opgericht op
sleufsilo’s dienen te worden opgericht op ten minste 20 meter uit de as
minimaal 20 meter uit de as van de weg. Feitelijk liggen op het
van de weg. Deze regeling is overgenomen uit het voorgaande
perceel van cliënt de sleufsilo’s en ruwvoeropslagen op een veel
bestemmingsplan ‘Reststroken Someren 2017’. Ook de daaraan
kortere afstand van de weg. Volgens appellant is dit al zo sinds
voorafgaande bestemmingsplannen voor het buitengebied uit 2011, 1998
1983. Appellant verzoekt om een regeling op te nemen voor het
en 1976 kende deze regeling.
oprichten van een sleufsilo op minder dan 20 meter uit de as van de weg, of het vergroten van de functie ‘Agrarisch bedrijf’
Appellant stelt dat de sleufsilo’s op de locatie al sinds 1983 op een kortere
83/123
elders zodat daar ruimte ontstaat om sleufsilo’s op te richten.
afstand dan 20 meter tot de as van de weg liggen. Het gaat om drie sleufsilo’s. Daarbij is voor de middelste sleufsilo moeilijk vast te stellen wanneer deze exact in de huidige vorm en omvang is opgericht. Vastgesteld is dat deze sleufsilo in ieder geval niet zichtbaar is op de luchtfoto uit 1976, wel is de sleufsilo (in vergelijkbare omvang) zichtbaar op de luchtfoto van 1990. Voor de meest westelijke sleufsilo is vastgesteld dat deze tussen 2022 en 2023 is vernieuwd, waarbij de sleufsilo is verbreed en de wanden van de sleufsilo zijn verhoogd. Voor de meest oostelijke sleufsilo geldt dat deze is opgericht tussen 2010 en 2011. De sleufsilo’s zijn zonder vergunning en in afwijking van de voorgaande bestemmingsplannen opgericht. Hierdoor is er geen aanleiding om in het omgevingsplan een specifieke regeling voor de strijdige situatie op te nemen. Het gegeven dat de sleufsilo’s al dan niet geruime tijd aanwezig zijn maakt niet dat deze legaal zijn geworden. Deze strijdigheid is niet eerder door onze toezichthouders geconstateerd, dan wel niet eerder door de afdeling Handhaving geprioriteerd, waardoor niet eerder daartegen is opgetreden. Daaraan kunnen geen rechten worden ontleend. Met appellant zijn in voorbereiding op dit omgevingsplan meerdere gesprekken gevoerd over de situatie. Ook toen is reeds geconstateerd dat de sleufsilo’s in strijd met het plan aanwezig zijn.
In een laatste correspondentie, gedateerd op 24 mei 2024, is door onze projectmedewerker verzocht om in beeld te brengen waar de sleufsilo’s de toegestane regels overschrijden. Verzocht was om met een tekening/luchtfoto in beeld te brengen waar deze 20-metergrens ligt. Daarbij is verzocht om in eerste instantie de sleufsilo’s voor deze grens te verwijderen. Daarbij is de suggestie gewekt om eventueel de meest oostelijke sleufsilo te verlengen of nog de ruimte achter op het perceel bij de overige sleufsilo’s hiervoor in te zetten. Op dit verzoek en voorstel is geen reactie meer gekomen.
84/123
Ook voor het vergroten van het functievlak voor het agrarische bedrijf om zo meer ruimte te creëren voor de sleufsilo’s wordt geen aanleiding gezien. Er is geen sprake van een concreet en uitgewerkt verzoek hieromtrent. Het staat appellant uiteraard vrij om alsnog een concreet en uitgewerkt verzoek in te dienen. 3.30.3
Appellant constateert dat in het ontwerp-omgevingsplan het
De term gebouwerf volgt uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. De
begrip ‘gebouwerf’ is geïntroduceerd. Wat dit toevoegt aan de
VNG heeft geadviseerd deze term te gebruiken. Mede daarom is deze
functie ‘Agrarisch bedrijf’ is voor appellant niet duidelijk.
opgenomen. De strekking van het begrip is gelijk aan het begrip
Appellant verzoekt tot het schrappen van het begrip
‘bouwperceel’ zoals dit terugkomt in het tijdelijke deel van het
‘gebouwerf’.
omgevingsplan waar ook het voorgaande bestemmingsplan ‘Reststroken Someren 2017’ deel van uitmaakt. Er wordt ook geen verschil beoogd met de voorheen geldende bestemmingsplansystematiek. De begrenzing van de bouwmogelijkheden wordt bovendien aangegeven door middel van de gekoppelde werkingsgebieden.
3.30.4
Appellant geeft aan dat aan de zuidwestkant van het vlak met
Met appellant zijn in voorbereiding op dit omgevingsplan meerdere
de functie ‘Agrarisch bedrijf’ bestaande verharding en
gesprekken gevoerd over de situatie. Destijds is ook gesproken over de
bebouwing buiten dit functievlak ligt. Appellant geeft aan eerder
voorzieningen die zich buiten het functievlak voor het agrarische bedrijf
voorstellen gedaan te hebben, om het vlak zodanig te wijzigen
bevinden. Toegelicht is hoe middels een vormverandering de situatie
dat die verharding en bebouwing binnen het vlak Agrarisch
gelegaliseerd kon worden. Op 8 april 2024 is namens appellant een
bedrijf komt te liggen. Appellant stelt voor om ruimte binnen
voorstel gedaan inzake de vormverandering. In reactie op dit voorstel is
het functievlak aan de noordoostkant, die mede door de ligging
door onze projectmedewerker op 24 mei 2024 aangegeven dat niet met
tegen het perceel van de buren en de korte afstand tot
het voorstel ingestemd kon worden. Het voorstel wat door appellant wordt
woningen toch niet benut kan worden ten behoeve van het
gedaan in de zienswijze wijkt niet af van het voorstel van 8 april 2024. Met
agrarische bedrijf, te verschuiven naar de zuidwestkant.
de voorgestelde vormverandering wordt het deel wat wordt ingezet t.b.v.
Doordat het vlak aan de noordoostkant nu toch niet te benutten
de landschappelijke inpassing buiten het functievlak gelegd en ingezet
is, is geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies
voor de functie agrarisch grondgebruik. Dit terwijl de functie agrarisch
aan locaties. Appellant verzoekt om het functievlak ‘agrarisch
grondgebruik op die locatie niet logisch is. Zeker niet als deze geheel
bedrijf’ van vorm te veranderen om verharding erbinnen te
omsloten wordt door de functies agrarisch bedrijf en maatschappelijk.
leggen. Hiervoor zijn tekeningen aangeleverd.
Daar komt bij dat de landschappelijke inpassing een voorziening is ten behoeve van het agrarische bedrijf en dus strikt genomen dan ook binnen
85/123
het functievlak dient te liggen. In de reactie van onze projectmedewerker is eveneens meegegeven dat het voorstelbaarder is dat, als de strook naar agrarisch grondgebruik wordt gewijzigd, deze ook naar achter wordt doorgetrokken zodat deze aansluit op de achterliggende agrarische gronden. Appellant heeft het voorstel niet aangepast aan de hand van de gemaakte opmerkingen en suggesties, hierdoor kan niet worden ingestemd met dit voorstel. 2.30.5
De referentiesituatie van de stikstofregeling houdt geen
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.11.3.
rekening met de situatie zoals die op grond van de
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.11.3.
natuurvergunning is verleend.
3.31
Appellant 31 – Zienswijze inzake locatie Kromvenweg 20
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Kromvenweg 20, 5715RG Lierop, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024 3.31.1
Appellant stelt dat de verbeelding en de regels niet duidelijk
Met appellant is meerdere malen gecorrespondeerd over de situatie op de
waren te benaderen. Appellant kan niet instemmen met een
locatie. Op 22 maart 2024 is door onze projectmedewerker een mail aan
herbestemming waarbij de locatie twee woonvlakken toegedeeld
appellant verstuurd met daarin een uitgewerkt voorstel hoe de locatie
krijgt. De grens wordt als onnodig beschouwd en zou dan ook in
wordt opgenomen in het ontwerp-omgevingsplan. Dit voorstel ziet er op
strijd komen met een bijgebouw wat niet zal voldoen aan de
toe om alle vergunde rechten en/of legaal opgerichte voorzieningen binnen
afstand tot de bestemmingsgrens.
de woonfunctie te leggen. De locatie is ook op die wijze in het ontwerp-
Appellant verzoekt om het wijzigen van de woonfunctie als één
omgevingsplan opgenomen. Er is geen sprake van twee losse
geheel bestemmingsvlak, in plaats van twee losse vlakken.
functievlakken.
Daarnaast is er het verzoek om een bevestiging te verkrijgen dat de aanwezige bebouwing behouden en vervangen kan
In dezelfde mail is ook duidelijk gemaakt welke aanwezige bebouwing op
worden in de toekomst. Tot slot doet appellant het verzoek om
welke wijze wordt opgenomen in het omgevingsplan. Aan de hand van
86/123
hieromtrent nogmaals in contact te treden.
deze correspondentie kan appellant opmaken welke bebouwing behouden kan blijven en welke bebouwing in de toekomst eventueel vervangen kan worden, ook met betrekking tot de vergunningsvrij opgerichte bouwwerken. Volledigheidshalve wordt vermeld dat door een technische omissie de omgevingsnormen voor de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en de bouwhoogte van de veldschuur niet correct waren opgenomen. Dit is hersteld. De omgevingsnorm ‘maximale oppervlakte bijgebouwen 798 m2’ is opgenomen. De omgevingsnorm ‘maximale bouwhoogte 2,8 m’ is opgenomen voor de veldschuur. Het verzoek om hieromtrent nogmaals in contact te treden wordt niet ingewilligd. Niet wordt ingezien wat nogmaals in contact treden bijdraagt aangezien er geen nieuwe feiten of anderszins worden aangedragen.
3.32
Appellant 32 – Zienswijze inzake locatie Meervensedijk 7 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Meervensedijk 7, 5715PZ Lierop, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024. Aanvulling ingediend op 6 november 2024, ingekomen op 8 november 2024 3.32.1
Appellant geeft een achtergrond over de situatie op de locatie
De gemeente heeft kennis genomen van de achtergrond en de
Meervensedijk 7. Daarbij is ook een uiteenzetting opgenomen
uiteenzetting van het tijdspad van de afgelopen jaren.
over wat er de afgelopen jaren rondom deze locatie heeft plaatsgevonden, onder andere ten tijde van de voorbereiding van dit omgevingsplan. 3.32.2
Appellant geeft allereerst een uiteenzetting over de regelingen
Het perceel Meervensedijk 7 is gelegen binnen de gebiedsaanwijzing
87/123
die volgens appellant toegepast zijn in het ontwerp-
‘Landelijk gebied’ waarbinnen inderdaad de functies wonen en recreatie
omgevingsplan.
zijn toegestaan, mits als zodanig aangeduid.
Appellant constateert dat op de locatie Meervensedijk 7 in het
Het perceel Meervensedijk 7 heeft de functie wonen. In hoofdstuk 5 van
ontwerp-omgevingsplan onder andere de functie wonen en de
het omgevingsplan zijn de functies uitgewerkt. In artikel 5.75 is
werkingsgebieden wonen en wonen – gebruik zijn opgenomen.
aangegeven dat locaties met de functie wonen zijn bedoeld voor wonen en daarmee samenhangende activiteiten. Naast de hoofdfunctie zijn een aantal genoemde ondergeschikte voorzieningen toegestaan. Waaronder tuinen, erven, water en landschapselementen. Deze regeling komt overeen met de regeling zoals deze is opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan Buitengebied 2011) onder de doeleindenomschrijving. In artikel 5.76 en verder wordt aangegeven welke activiteiten zijn toegestaan binnen de functie wonen. Dit betreffen de aanleg-, bouw- en gebruiksactiviteiten. De regelingen omtrent de toegestane activiteiten zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van het omgevingsplan. Deze regelingen komen overeen met de aanleg-, bouw- en gebruiksregels zoals deze zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan waarbij tevens het meest actuele beleid is verwerkt. In artikel 6.1 is bepaald dat hoofdstuk 6 van toepassing is op het verrichten van activiteiten. Activiteiten zijn alleen toegestaan indien ze specifiek zijn aangegeven in de regeling en op de kaart door middel van een locatie. In artikel 6.3 is aangegeven dat activiteiten die niet zijn benoemd in het omgevingsplan niet zijn toegestaan.
88/123
3.32.3
3.32.4
Appellant constateert dat twee ontwerplocaties, dan wel
De locatie ’gemeente Someren’ betreft het ambtsgebied. De locatie
werkingsgebieden, ter plaatse van Meervensedijk 7 geen
‘wonen-gebruik’ is gekoppeld aan paragraaf 6.5.11 woonactiviteiten. Dit
grondslag vinden in de planregels. Het gaat om ontwerplocatie
heeft te maken met het onderscheid in de verschillende activiteiten in
‘gemeente Someren’ en ‘wonen – gebruik’.
hoofdstuk 6, namelijk aanleg-, bouw- en gebruiksactiviteiten.
Er is sprake van een onduidelijke systematiek in het
In het bestemmingsplan Buitengebied 2011 waren Meervensedijk 7 en 8
omgevingsplan. Er is een verschil tussen de plankaart op ‘regels
gelegen binnen één bestemmingsvlak wonen. In de regels was bepaald
op de kaart’ en de technische kaart op
dat per bestemmingsvlak één woning was toegestaan.
‘officielebekendmakingen.nl’. De intentie bij het omzetten naar het omgevingsplan is geweest om de vigerende rechten over te nemen op de locatie. Zoals onder punt 3.32.2 aangegeven hebben de percelen Meervensedijk 7 en 8 in het omgevingsplan de functie wonen. Het functievlak wonen is te zien op zowel de kaart in het DSO als op de ‘technische kaart’ die is gepubliceerd op officielebekendmakingen.nl. Dit betekent dat deze percelen onderdeel uitmaken van één woonfunctievlak conform de huidige planologische regeling. 3.32.5
In de algemene artikelen 5.51 en 5.75 worden de termen
In artikel 6.230 van het ontwerp-omgevingsplan is bepaald dat het
functie en activiteiten door elkaar gebruikt, waardoor in het
verboden is om een gebruiksactiviteit te verrichten die niet in
licht van artikel 6.230 verwarring ontstaat.
overeenstemming is met de functie die aan een locatie is toebedeeld. In
Appellant meent dan ook dat deze systematiek, althans de
hoofdstuk 5 wordt per functie aangegeven welke activiteiten binnen de
terminologie, zou moeten wijzigen om tot een zorgvuldig
functie zijn toegestaan. Voor wonen is in het ontwerp-omgevingsplan
omgevingsplan te komen. In de huidige staat meent appellant
aangegeven in artikel 5.75 lid 1 dat locaties met de functie wonen zijn
dat het in strijd is met het lex certa-beginsel.
bedoeld voor wonen. In lid 2 wordt aangegeven welke ondergeschikte activiteiten bij wonen zijn toegestaan (voorheen de doeleindenomschrijving). Deze systematiek betekent voor bijvoorbeeld parkeren dat openbare parkeerplaatsen niet zijn toegestaan, maar de privéparkeerplaats op het perceel bij een woning wel. Vanwege de leesbaarheid is de formulering in het definitieve plan aangepast. In plaats van de formulering ‘de volgende ondergeschikte
89/123
activiteiten bij de functie’ wordt dit nu aangegeven met de formulering ‘met daaronder begrepen de volgende inherent bijbehorende en ondergeschikte voorzieningen en invullingen bij de functie.’ Het betreft alleen de formulering die is aangepast. Dit heeft geen inhoudelijke wijziging tot gevolg. 3.32.6
Op de tweede plaats brengt appellant naar voren dat het
De op een locatie toegestane activiteiten zijn gekoppeld aan een
systeem zo lijkt te zijn ingericht, dat regels voor activiteiten
werkingsgebied op de kaart. In hoofdstuk 6 is bij iedere activiteit in het
tegelijk wel en tegelijk niet gelden. Door deze systematiek zijn
toepassingsbereik aangegeven op welke locaties de betreffende activiteit
ook regels voor activiteiten van toepassing terwijl niet elk van
is toegestaan. Middels het werkingsgebied is te zien welke activiteiten op
deze activiteiten daadwerkelijk op de locatie verricht wordt.
de betreffende locatie zijn toegestaan en welke regels daarvoor gelden. Dit is conform de systematiek van de Omgevingswet die activiteitgericht is.
3.32.7
Gelet op de hiervoor genoemde onduidelijkheden, is het
De intentie is om de vigerende rechten over te nemen op de locatie. Dit
appellant niet exact duidelijk welk gebruik op het perceel
betekent dat de locatie onderdeel uitmaakt van een woonfunctievlak die
Meervensedijk 7 is toegestaan. Het is echter wel duidelijk dat
ook op de percelen N 221 en N 222 geldt. Daarmee dient de grond en de
het huidige gebruik voor overnachting in ieder geval niet is
daarop aanwezige bebouwing in beginsel gebruikt te worden ten behoeve
toegestaan.
van de woonfunctie.
Appellant is nog altijd van mening dat de uitspraak van de
Het college is van mening dat de uitspraak van de Afdeling van 25
Afdeling van 25 november 2015 zo moet worden uitgelegd, dat
november 2015 niet moet leiden tot een positieve bestemming van het
het gebruik van het zomerhuisje voor overnachting positief
vastgestelde strijdige gebruik. In de uitspraak is toegelicht dat er sprake
bestemd moet worden.
is van strijdig gebruik ten opzichte van het bestemmingsplan. Ook is toegelicht dat er geen sprake is van een overgangsrechtelijke situatie. De Afdeling concludeert echter dat, gezien een aantal overwegingen, handhaven op dit strijdige gebruik niet evenredig is. Het college stelt zich op het standpunt dat de constatering dat handhaven op het strijdige gebruik niet evenredig is, niet rechtvaardigt om dit strijdige gebruik duurzaam vast te leggen in het omgevingsplan.
90/123
3.32.8
Appellant concludeert dat uit het ontwerpplan Veegplan IX volgt
Met het besluit tot het ter inzage leggen van het
dat het college eerder van mening was dat het gebruik
ontwerpbestemmingsplan ‘Veegplan IX’ heeft het college inderdaad
inderdaad positief bestemd moet worden. Appellant stelt dat dit
destijds ingezet op het positief bestemmen van de situatie. Uit zowel de
uiteindelijk niet heeft geleid tot een vastgesteld plan, omdat het
verschillende inspraakreacties, zienswijzen, de discussie in de
college erop stond de recreatiebestemming te koppelen aan een
gemeenteraad en commissie bleek echter dat dit ontwerpbestemmingplan
vast aantal overnachtingen. Echter zou volgens appellant een
voor de locatie Meervensedijk 7 niet voldoende was om vast te stellen.
voorschrift over het aantal toegestane overnachtingen niet
Hierdoor heeft het college een heroverweging gemaakt. Mede op basis
opgelegd kunnen en moeten worden.
van de ingediende inspraakreacties en zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan ‘Veegplan IX’ en gesprekken die hebben plaatsgevonden met de belanghebbenden in voorbereiding op dit omgevingsplan. Zoals toegelicht onder 3.32.7 is het college van mening dat de uitspraak van de Afdeling niet moet leiden tot een positieve bestemming. Het opnemen van het aantal toegestane overnachtingen is daarmee ook niet aan de orde.
3.32.9
Appellant stelt dat er nog altijd geen uitvoering wordt gegeven
De gemeenteraad heeft op 7 mei 2020 besloten (in het kader van
aan het besluit van de gemeenteraad van 7 mei 2020. Appellant
Meervensedijk 7):
geeft aan dat volgens het raadsbesluit een oplossing, ‘een uitgekristalliseerd plan’, in een volgend bestemmingsplan worden opgenomen. Appellant concludeert dat het ontwerpomgevingsplan geen oplossing biedt.
1. Om de locatie Meervensedijk 7 in Lierop niet op te nemen in het bestemmingsplan 'Veegplan IX' en vooralsnog terug te vallen op het geldende bestemmingsplan; 2. Om de gesprekken met eigenaresse en overige belanghebbenden verder aan te gaan, om definitief te bepalen wat het gewenste scenario wordt; 3. Om het uitgekristalliseerde plan op te nemen in een volgend veegplan; In voorbereiding van dit omgevingsplan is met deze beslispunten aan de slag gegaan. Er hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden. Daarbij
91/123
is een notitie opgesteld waarin verschillende scenario’s zijn uitgewerkt. In de desbetreffende notitie is ook opgenomen welk scenario het college het meest haalbaar acht. Dit alles heeft echter nog niet geleid tot een uitgekristalliseerd plan, aangezien de belanghebbenden hier niet voor open lijken te staan. Van een uitgekristalliseerd plan opnemen in het omgevingsplan is geen sprake, gezien het feit dat het college van mening is dat het strijdige gebruik niet in een omgevingsplan vastgelegd hoeft en kan worden. 3.32.10
Appellant stelt dat als gevolg van de door de gemeente
De zorgen die appellant heeft over het feit dat appellant blootgesteld blijft
gehanteerde lijn, appellant blootgesteld blijft aan (het risico op)
aan (het risico op) handhavingsprocedures zijn duidelijk. Mede hierdoor
handhavingsprocedures. Appellant licht toe dat deze in zekere
heeft het college ingezet op het scenario om met alle betrokken partijen
zin is overgeleverd aan de genade van de buren, omdat deze
een poging te doen tot het opstellen van goede afspraken. De intentie
elke keer een handhavingsverzoek kunnen doen zodra zij
daarbij is om duidelijke afspraken te maken met en tussen beide
menen dat het gebruik is gewijzigd ten opzichte van het gebruik
eigenaren over het gebruik van het perceel en de recreatievoorziening.
ten tijde van de uitspraak van de Afdeling. Procedures waarvan
Het idee hierbij is om bij beide belanghebbenden duidelijk te maken wat
appellant stelt dat dit voor zowel de gemeenteraad als appellant
er aan de hand is en daarbij als meerwaarde mogelijk de
zelf onwenselijk is. Appellant merkt daarbij op dat
belanghebbenden een handreiking geven over de door hun gewenste
handhavingsprocedures de gemeente veel tijd, mankracht en
oplossing.
gemeenschapsgeld kosten.
3.33
Appellant 33 – Zienswijze inzake locatie Laan ten Boomen 40-42
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Laan ten Boomen 40-42 5715AB Lierop, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024 3.33.1
Op de locatie is geen functie ‘agrarisch bedrijf’ opgenomen. Dit
In het bestemmingsplan Buitengebied 2014 dat onderdeel uitmaakt van
zou betekenen dat er geen agrarisch bedrijf meer is toegestaan
het tijdelijk deel van het omgevingsplan is aan dit perceel de bestemming
anders dan een veehouderij.
‘Agrarisch -Agrarisch bedrijf’ toegekend. Tevens is een veehouderij toegestaan. Het perceel heeft daarnaast de functie-aanduiding ‘specifieke
92/123
In het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft dit perceel de
vorm van agrarisch – agrarisch loonwerkbedrijf’. De maximale
aanduiding specifieke vorm van agrarisch – agrarisch
bebouwingsoppervlakte die gebruikt mag worden voor het agrarisch
loonwerkbedrijf. Dit is in de beoogde situatie alleen nog als
loonbedrijf is 1.250 m2.
ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan bij de veehouderij (art. 6.242, lid 2). Omdat de uitvoering van een agrarisch
De regeling voor agrarische bedrijven en veehouderijen is aangepast ten
bedrijf niet zijnde een veehouderij niet langer is toegestaan als
opzichte van het ontwerp-omgevingsplan. In het ontwerp was aansluiting
hoofdactiviteit wordt het gebruik beperkt.
gezocht bij de bestemmingsplansystematiek. Een veehouderij had daarbij zowel de functie agrarisch bedrijf als veehouderij. Binnen de functie agrarisch bedrijf waren de bepalingen voor het bouwen van agrarische bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken opgenomen. Deze waren ook van toepassing op een veehouderij. Binnen de functie veehouderij waren daarnaast nog specifieke bepalingen opgenomen. Vanwege de leesbaarheid van de regeling is deze aangepast. Een veehouderij heeft in de definitieve regeling alleen de functie veehouderij. Binnen de functie veehouderij zijn zowel agrarische bedrijven als veehouderijen toegestaan. Binnen deze functie is bepaald welke bouwwerken zijn toegestaan en welke maatvoering daarbij hoort. In het omgevingsplan is aan het perceel de locatie ‘agrarisch loonbedrijf’ toegekend. Binnen deze locatie mag maximaal 1.250 m2 van de bouwwerken tevens worden gebruikt als agrarisch loonwerkbedrijf als ondergeschikte nevenactiviteit. De intentie is om de vigerende rechten over te nemen in het omgevingsplan. Deze regeling is aangepast.
3.33.2
In de regels is een verbod op een toename van stikstofdepositie
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.11.3.
ten opzichte van de referentiesituatie opgenomen. Deze
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.11.3.
regeling is niet werkbaar voor veehouderijen. Appellant verzoekt om uit te gaan van de geldende vergunning Natura2000activiteit op het moment van vaststellen van het omgevingsplan.
93/123
3.33.3
Er zijn geen bouwregels opgenomen voor dierenverblijven. Deze
Uitgangspunt van het omgevingsplan is het beleidsneutraal overzetten van
worden uitgezonderd in artikel 6.104. Om deze reden zal met
de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarbij het meest
toepassing van dit artikel nooit een dierenverblijf kunnen
actuele vastgestelde beleid in de regels is verwerkt. Met de regeling voor
worden gebouwd. In paragraaf 6.4.3 zijn geen maximale
het bouwen van dierenverblijven is geen wijziging ten opzichte van de
goothoogte, bouwhoogte, afstanden tot de weg etc.
huidige regeling beoogd. Op basis van het Omgevingsplan is het bouwen
opgenomen. Daarbij ¡s onduidelijk welk artikel nu
van nieuwe dierenverblijven niet toegestaan. Er is een vergunningsplicht
geldend/preferent is.
opgenomen voor het uitbreiden van de bestaande oppervlakte aan dierenverblijven. In de bijbehorende beoordelingsregels is opgenomen dat onder andere voldaan moet zijn aan de regels van een zorgvuldige veehouderij. Dit is conform het huidig gemeentelijk beleid en conform de provinciale Omgevingsverordening. In verband met de leesbaarheid is in de regeling voor het bouwen van agrarische bedrijfsgebouwen specifiek opgenomen dat die paragraaf geen betrekking heeft op het bouwen van dierenverblijven.
3.33.4
In het ontwerp-omgevingsplan is een ontwerplocatie aantal
In de regeling betreffende het bouwen van bedrijfswoningen binnen de
wooneenheden 2 opgenomen. In de regels zijn echter geen van
locatie ‘bedrijfswoning’ is opgenomen dat het aantal bedrijfswoningen per
toepassing zijnde regels voor de Laan ten Boomen 40/42 in
gebouwerf maximaal één mag bedragen, tenzij anders aangegeven met de
combinatie met deze aanduiding opgenomen.
omgevingsnorm ‘aantal bedrijfswoningen’. Aan dit perceel is echter abusievelijk de omgevingsnorm ‘maximum aantal wooneenheden
In de regeling voor het bouwen van bedrijfswoningen staat
opgenomen’. Deze link verwijst naar de regeling betreffende het bouwen
aangegeven dat er per gebouwerf maximaal één bedrijfswoning
van burgerwoningen. Op dit perceel moet de omgevingsnorm ‘aantal
is toegestaan, mits anders aangegeven met de omgevingsnorm
bedrijfswoningen’ worden opgenomen in plaats van ‘aantal
‘aantal bedrijfswoningen’. In de omgevingsnorm aantal
wooneenheden’. Dit zal worden hersteld.
bedrijfswoningen wordt er verwezen naar een externe kaart. In de kaart aantal bedrijfswoningen worden locaties aangemerkt als er meerdere bedrijfswoningen zijn toegestaan, dit is niet het geval voor de locatie aan de Laan ten Boomen 40/42. Om deze reden zou het niet langer toegestaan zijn om een tweede bedrijfswoning in gebruik te hebben.
94/123
3.34
Appellant 34 – Zienswijze inzake Kouterstraat 20
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Kouterstraat 20, 5711PD Someren, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 10 oktober 2024 2.34.1
Het omgevingsplan wordt als onduidelijk ervaren. Appellant
Het bestemmingsplan ‘Veegplan III, gemeente Someren 2017’ maakt
verzoekt om twee woonbestemmingsvlakken tot 2.500 m² op te
onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze regeling
nemen op de percelen Kouterstraat 20 en Kouterstraat ong.
is van toepassing op de percelen Kouterstraat 20 en Kouterstraat ong.
Buiten de woonbestemmingsvlakken een functie tuin. Het
Deze percelen hebben hierbinnen de bestemming ‘Wonen’ met de
opnemen van een bestemming openbaar groen op het eigen
aanduiding ‘vrijstaand’. Het maximum volume van de woning mag 900 m3
perceel van appellant is niet correct. Appellant heeft
bedragen. En er geldt een maximum oppervlakte aan bijgebouwen van
ruimschoots zijn aandeel aan stallensloop, vergroening en
150 m2.
landschappelijke inpassing voldaan. De voorwaarde die is gesteld met betrekking tot het maken van een inpassingsplan
Beide percelen hebben binnen het ontwerp-omgevingsplan de functie
en een berekening voor het afdragen van zgn. normbedragen
wonen. De oppervlakte is hetzelfde gebleven. In het ontwerp-
als bijdrage aan de gemeente wijst appellant van de hand. Dit is
omgevingsplan is de omgevingsnorm maximum inhoud woning 900 m3
onzorgvuldig en onredelijk in de toepassing van het
overgenomen. Voor de oppervlakte bijgebouwen liggen de verschillende
planologische Ruimte voor Ruimte-beleid.
omgevingsnormen abusievelijk over elkaar. Dit wordt hersteld. Op de percelen wordt de omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen 150 m2’ opgenomen. Op een deel van de percelen (de voormalige groenbestemming) zijn de locaties ‘landschappelijke inpassing’ en ‘bebouwingsvrije zone’ opgenomen. Dit is niet correct en wordt hersteld. De appellant doet het verzoek om de woonfuncties van Kouterstraat 20 en Kouterstraat ong. te vergroten naar 2.500 m2 zonder een tegenprestatie te hoeven leveren. Appellant is van mening dat er al voldoende tegenprestatie is geleverd om de gewenste te ontwikkeling te regelen in het omgevingsplan. Appellant verwijst hierbij naar de sloop van stallen,
95/123
echter heeft de appellant hiervoor al het bouwrecht voor meerdere ruimtevoor-ruimte woningen voor teruggekregen. De woonfunctievlakken in het omgevingsplan worden rechtstreeks overgenomen uit de vigerende bestemmingsplannen, waarmee ook appellant akkoord is gegaan ten tijde van het opstellen van de bestemmingsplannen. De gemeente Someren heeft beleid vastgesteld voor het vergroten van een woonfunctievlak tot 2.500 m2, hierin is vastgelegd dat er voor de vergroting van een woonfunctievlak een tegenprestatie wordt vereist. Dit beleidsstuk geldt voor iedereen in het buitengebied, het verzoek van appellant om hierop een uitzondering te zijn wordt dan ook afgewezen.
2.35
Appellant 35 – Zienswijze Waterschap de Dommel Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze Waterschap de Dommel, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 10 oktober 2024 3.35.1
Het waterbelang wordt nauwelijks teruggezien. Een motivering
Naar aanleiding van de zienswijze hebben een aantal overleggen
waarom deze niet zijn opgenomen ontbreekt eveneens.
plaatsgevonden met het waterschap. Daarin zijn de door de gemeente gemaakte keuzes toegelicht. De gemeente heeft per 1 januari 2024 van rechtswege een tijdelijk omgevingsplan. Het uitgangspunt van deze wijziging is met name geweest om de regels voor deelgebied 5 zo veel mogelijk beleidsneutraal over te zetten naar de uiteindelijke structuur van het omgevingsplan. Op deze manier is er een basisset met regels die verder uitgewerkt kan worden. De overige regels in het tijdelijke deel blijven gelden. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om één omgevingsplan op te stellen voor het ambtsgebied. Het omzetten naar het uiteindelijke omgevingsplan betreft een doorlopend proces. Dit is een begin. Er zijn nog veel onderwerpen die verwerkt moeten worden. Water is een gebiedsdekkend thema. Deze zal in de transitiefase verder uitgewerkt
96/123
worden en opgenomen in het omgevingsplan. Een aantal genoemde onderwerpen is in de definitieve regels verwerkt. Deze zullen hierna toegelicht worden. 3.35.2
Er is twijfel over het in- en uitsluiten van activiteiten zoals is
Deze zienswijze komt overeen met de zienswijze van de provincie onder
beschreven in hoofdstuk 6 van de motivering en de regeling.
nummer 3.18.2. Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt
Bovendien leidt de gekozen systematiek tot ongewenste
3.18.2.
gevolgen. 3.35.3
Een actualisatie ten opzichte van beleid en regelgeving van
Uitgangspunt bij het opstellen van het ontwerp-omgevingsplan is een
waterschap en provincie heeft niet plaatsgevonden. Het
beleidsneutrale overzetting geweest van de bestemmingsplannen die
waterschap stemt hier niet mee in en verzoekt om de actuele en
onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
complete ligging van het hoofdwatersysteem (legger
Naast het omgevingsplan blijven er ook regelingen van toepassing van het
Waterschap De Dommel 2023: A-watergangen met
rijk, provincie en waterschappen die rechtstreeks bindende regels
beschermingszones) op te nemen op zowel de verbeelding als in
bevatten. Niet alle instructieregels zijn in deze wijziging meegenomen.
de regels.
Deze zullen uiteindelijk in één van de volgende wijzigingen worden opgenomen.
Ook wordt verzocht om de provinciale
3.35.4
(water)gebiedsaanduidingen herkenbaar op de verbeelding op
Provinciale gebiedsaanduidingen en de bijbehorende instructieregels zijn
te nemen en de bijbehorende instructieregels (volledig) te
gedeeltelijk reeds verwerkt in het ontwerp-omgevingsplan. In de
verwerken in de planregels. Het gaat dan om attentiezone
gewijzigde vast te stellen versie van het omgevingsplan zijn deze
waterhuishouding, behoud en herstel watersystemen,
inmiddels verwerkt. Volledigheidshalve verwijzen wij hierbij tevens naar
ecologische verbindingszones en reserveringsgebied
onze reactie op de zienswijze van de provincie onder nummer 18 voor een
waterberging.
verdere toelichting.
Het waterschap verzoekt om het gemeentelijk regenwaterbeleid
Zoals onder punt 3.35.1 aangegeven betreft het omzetten naar een
en hydrologisch neutraal ontwikkelen in het omgevingsplan uit
uiteindelijk omgevingsplan een doorlopend proces tot 2032. Het
te werken en op te nemen.
gemeentelijk regenwaterbeleid zal in een volgende fase verwerkt worden in het omgevingsplan. Het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen is inmiddels verwerkt. Deze is opgenomen in de subparagraven ‘Landschappelijke inpassing aanleggen, in stand houden of verwijderen’, en ‘Oppervlakteverhardingen aanleggen’. De regeling is tevens opgenomen binnen de algemene bepalingen betreffende bouwactiviteiten.
97/123
3.35.5
Onder het gebiedstype natuurgebied mist de functie water.
Deze constatering is correct. De functie water is toegevoegd aan het gebiedstype natuurgebied.
3.35.6
Enkele artikelen in het omgevingsplan zijn weergeven als
Deze constatering is correct. Zoals eerder aangegeven is het omzetten
gereserveerd artikel. Bijvoorbeeld in de paragrafen 4.3.12.3
naar het omgevingsplan een doorlopend proces. Een aantal
Natura2000-gebied en 4.3.13.3 Aandachtsgebied reservering
instructieregels in de provinciale Omgevingsverordening zijn inmiddels
waterberging. De instructieregels van de provincie zijn niet
verwerkt. Voor een overzicht verwijzen wij naar onze reactie onder punt
vertaald in het plan. De belangen van deze beschermde
18.
gebieden zijn daarmee niet geborgd. 3.35.7
Opeenvolgende regels lijken niet altijd logisch en compleet. Als
Binnen de functies is in het artikel betreffende het toepassingsbereik in lid
voorbeeld de functies Agrarisch bedrijf en Agrarische activiteit.
1 de hoofdfunctie bepaald en in lid 2 de aan de functie ondergeschikte
Bij een agrarisch bedrijf is waterberging, -infiltratie en riolering
invullingen en voorzieningen. Deze zijn overgenomen uit de
een toegestane activiteit (artikel 5.3), bij agrarisch
doeleindenomschrijvingen bij de verschillende bestemmingen zoals die
grondgebruik niet (artikel 5.9). Terwijl de regels van de functie
opgenomen waren in het bestemmingsplan. De bestemming ‘Agrarisch
Agrarisch grondgebruik wel doorverwijzen naar de
bedrijf’ waar voorheen een bouwvlak voor opgenomen was, is verwerkt in
(aanleg)activiteiten in paragraaf 6.3.2.3 Wadi en
de functie agrarisch bedrijf met de bijbehorende locatie. De functie
waterhuishoudkundige voorzieningen aanleggen, in stand
agrarisch grondgebruik is overgenomen uit de eerdere bestemming
houden, of verwijderen en in paragraaf 6.3.2.7 Aanbrengen
‘Agrarisch’ en betreffen gronden waar geen bouwvlak aan gekoppeld was.
oppervlakte verhardingen, het aanleggen en/of verharden van
Dit betekent dat binnen beide functies ook andere ondergeschikte
wegen en/of paden, met HNO-opgave. De regels van de functie
voorzieningen en mogelijkheden zijn toegestaan die passen bij de
Agrarisch bedrijf – die bouwmogelijkheden bevat waarbij
hoofdfunctie. Deze zijn overgenomen uit de eerdere bestemmingen.
regenwaterberging aan de orde hoort te zijn - bevatten deze
In het daaropvolgende artikel worden de aanlegactiviteiten genoemd die
verwijzingen niet.
zijn toegestaan en wordt daarbij doorverwezen naar hoofdstuk 6. Ook deze zijn beleidsneutraal overgenomen en afhankelijk van de aard van de functie wel of niet toegestaan dan wel middels een vergunningsplicht. Zoals hiervoor is aangegeven is het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen toegevoegd aan de definitieve regels. Indien er sprake is van een toename van het verhard oppervlak moet er sprake zijn van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit kan alleen worden verleend indien er sprake is van hydrologisch neutraal ontwikkelen.
98/123
4. Conclusie Gelet op de beantwoording van de zienswijzen uit hoofdstuk 3 concluderen wij de zienswijze van: •
Appellant 1 zienswijze inzake De Wertstraat 8, 5715BA Lierop, d.d. 10 september 2024, datum ingekomen 11 september 2024, ontvankelijk en gegrond.
•
Appellant 2 zienswijze inzake Slievenstraat 36 5711 PK Someren, d.d. 17 september 2024, datum ingekomen 18 september 2024, ontvankelijk en gegrond.
•
Appellant 3 zienswijze inzake Houtbroekstraat 8, 5711PT Someren, d.d. 30 september 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 4 zienswijze inzake Heiveldsestraat 14, 5711PB Someren, d.d. 30 september 2024, datum ingekomen 7 september 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 5 zienswijze inzake Laan ten Boomen 49, 5715AA Lierop, d.d. 30 september 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 6 zienswijze inzake Ekelhofweg 6, 5711PX Someren, d.d. 2 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 7 zienswijze inzake Berkeindje 5, 5715RD Lierop, d.d. 2 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 8 zienswijze inzake Heieind 3, 5715BC Lierop, d.d. 4 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024, ontvankelijk en ongegrond.
•
Appellant 9 zienswijze inzake Perceel M864, d.d. 4 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 10 zienswijze inzake Heesterdijk 11 en 13, 5711PW Someren, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024, ontvankelijk en gegrond.
•
Appellant 11 Zienswijze inzake Varendonkweg 20, 5711PA Someren, d.d. 3 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 12 Zienswijze inzake Varendonkweg 24, 5711PA Someren, d.d. 4 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 13 zienswijze inzake Lieropsedijk 68, 5711PS Someren, d.d. 4 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 14 zienswijze inzake Perceel N34 en Berkeindje 11, d.d. 6 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 15 zienswijze inzake Heiveldsestraat 27, 5711 PB Someren, d.d. 7, oktober 2024, ingekomen 8 oktober 2024, Aanvulling zienswijze d.d. 8 oktober 2024, ingekomen 9 oktober 2024 ontvankelijk en ongegrond.
•
Appellant 16 zienswijze inzake Moorsel 7, 5715PX Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 17 zienswijze inzake Otterdijk 3, 7, Kromvenweg 18, 5715RG Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 08 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 18 zienswijze Provincie Noord-Brabant, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 19 zienswijze inzake Moorsel 3, 5715PX Lierop, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 08 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 20 zienswijze inzake Eindje 6, 5715PK Lierop, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 08 oktober 2024 ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 21 Zienswijze inzake Moorsel 1, 5715PX Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 22 zienswijze inzake Otterdijk 1, 5715RH Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 23 zienswijze inzake Moorsel 5, 5715PX Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 24 zienswijze inzake Laan ten boomen 29, 5715AA Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en gegrond.
•
Appellant 25 zienswijze Waterschap Aa en Maas, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 26 zienswijze inzake Slievenstraat 65, 5711PJ Someren, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en ongegrond.
•
Appellant 27 zienswijze inzake Lieropsedijk 70, 5711PS Someren, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 28 zienswijze inzake Houtbroekstraat 9, 5711PT Someren, d.d. 7 oktober 2024 (pro forma), ingekomen 9 oktober 2024. Aangevuld d.d. 4 november 2024, ingekomen 5 november 2024 , ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 29 zienswijze inzake Somerenseweg 44 5715 AG Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 30 Zienswijze inzake Vaarsehoef 6 5715 RB Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 31 zienswijze inzake Kromvenweg 20, 5715RG Lierop, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 32 zienswijze inzake Meervensedijk 7, 5715PZ Lierop, d.d. 8 oktober 2024 (pro forma), datum ingekomen 9 oktober 2024, aanvulling ingediend op 6 november 2024, ingekomen op 8 november 2024 ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 33 zienswijze inzake Laan ten Boomen 40-42 5715AB Lierop, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 9 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 34 zienswijze inzake Kouterstraat 20, 5711PD Someren, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 10 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
•
Appellant 35 Zienswijze Waterschap de Dommel, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 10 oktober 2024, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
100/123