Bijlage bij algemene motivering 2 Ruimtelijke motivering Houtbroekstraat 9
Tekst van het document
Uit artikel 5. 53 en 5. 54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bedraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM 10 niet hoger is dan 12, ug/m.3 Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden , dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In artikel 5. 54 van het Bkl is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM) , tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1. 500 woningen (grenswaarde nibm). Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op het plangebied zal het aantal voertuigbewegingen toenemen. Deze bevatten een weekdaggemiddelde van 31 bewegingen. Per dag zullen 29 lichte voertuigen per dag , 4 middelzware per maand en 55 zware voertuigen per maand van en naar het plangebied komen.
28
Worst-case berekening voor de bijdrage van het verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit , GCN2022 Jaar van planrealisatie
2024
Voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
31
61%
NO 2 in μg/m 3
004 ,
PM 10 in μg/m 3
001 ,
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
Grens voor " Niet In Betekenende
,
Mate " in μg/m 3
12 ,
Conclusie De bijdrage van het verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Tabel 8 NIBM-tool
Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2020) ligt de concentratie PM 10 terplaatse op tussen 18-20 μg/m³ en de PM 25 op tussen 10-11 μg/m³ , zie afbeelding 9 en 10. Daarnaast ligt de concentratie NO 2 ter plaatse tussen 10 - 12 μg/m³ , zie afbeelding 11. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 10 40 μg/m³ en voor PM 25 25 μg/m³. Voor NO 2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende. ,
,
Afbeelding 9 Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10)
29
Afbeelding 10 Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM25). ,
Afbeelding 11 Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NO2)
4. 5.
Gezondheid
Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Binnen gemeente Someren worden ruimtelijke ontwikkelingen tevens getoetst aan het endotoxine toetsingskader. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de 30
endotoxine-norm gaat ook een omgekeerde werking uit. Dit betekent concreet dat voor de ontwikkeling aan Houtbroekstraat 9 bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i. v. m. hun endotoxines-uitstoot. Veehouderijen met endotoxine-uitstoot Houtbroekstraat 9 Functie PM10 kg/jaar Minimale afstanden tot plangebied (m) Vergunde situatie Mestkuikens 2. 472 303 Beoogde situatie Mestkuikens 972 191
Tabel 9 Uitwerking bedrijven met endotoxine-uitstoot
Binnen de afstand van 191 meter vanaf de ventilatoren van de pluimveestallen is enkel de bedrijfswoning gelegen van een tegenovergelegen vleeskuikenhouderij welke tevens reeds in zijn eigen cirkel is gelegen. Gezien in de nieuwe situatie een sterke daling in fijnstof teweegbrengt kan worden gesteld dat er voldaan wordt aan het toetsingskader. Tevens is er door de beoogde ontwikkeling geen wijziging in de afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt tot deze woning. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4. 6.
Geluid
In de fysieke leefomgeving hebben veel functies te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen en functies. In het omgevingsplan is het aspect geluid opgenomen in paragraaf 22. 3. 4. Hierin zijn de regels opgenomen voor geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegestaan.
In afdeling 3. 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels van toepassing op beheersing van geluid een weg , spoorweg of industrieterrein (artikel 3. 18 lid 1 van Bkl). Er wordt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidsproductieplafond als omgevingswaarden en bronnen meet een basisgeluidsemissie. Geluid afkomstig van wegen , spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed omgeving. Het geluid van deze bronnen moet worden beoordeelt bij geluidsgevoelige gebouwen. Voor een aantal geluidsgevoelige gebouwen heeft het rijk specifieke regels gesteld. De regels voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidsgevoelige gebouwen (artikel 3. 20 Bkl) en stiltegebieden. Bij de aanwijzing is het functie bepalend , de instructieregels zijn onder andere geldend voor functies zoals wonen , onderwijs en zorg. Vanuit het bedrijf kan geluidshinder ontstaan voor ander geluidsgevoelige objecten. Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor het aspect geluid conform de handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’. Zie paragraaf 4. 2. Om de geluidsbelasting te bepalen en te beoordelen is een akoestisch rapport industrielawaai opgesteld. Hieronder is de samenvatting en conclusie van dit onderzoek opgenomen , het volledige rapport is toegevoegd in bijlage 4. “SAMENVATTING EN CONCLUSIES Het voorliggende akoestische rapport is opgesteld in opdracht van Arvalis B.V.
, te Deurne voor de bestaande inrichting Mts. Sleegers gelegen aan de Houtbroekstraat 9 te Someren. De inrichting betreft momenteel een vleeskuikenhouderij waarbij een uitbreiding met een stal voor het houden van vleeskuikens is vergund en maar 31
gedeeltelijk is gerealiseerd. De initiatiefnemer is voornemens om in deze betreffende stal geen vleeskuikens te houden maar paarden. Tevens wordt het nog niet gerealiseerde gedeelte van de stal voor het houden van vleeskuikens op een andere locatie binnen hetzelfde perceel voorzien voor het houden van paarden. De gewenste ontwikkeling is niet zondermeer mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan “Houtbroekstraat 9” en is een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk. In het kader hiervan vraagt de gemeente Someren om middels een akoestisch onderzoek aan te tonen of kan worden voldaan aan de geluidnormstelling. De planlocatie is gelegen aan de Houtbroekstraat 9 , 5711 PT Someren , kadastraal bekend onder Sectie M , percelen 87 en 88. De dichtstbijzijnde (bedrijfs)woningen zijn gelegen op een afstand van respectievelijk circa 32 (Houtbroekstraat 8) en 53 meter (Hoijserstraat 2) , aan de noordoost en noordwestzijde van de grens van de inrichting. Overige relevante woningen zijn gelegen op een afstand van ca. 110 en 300 meter aan noordoost en noordwestzijde van de planlocatie (Hoijserstraat 4 en Houtbroekstraat 4). Bij de inrichting zal o. a. geluid worden geproduceerd door de ventilatoren , de verkeersbewegingen samenhangend met het transport van de dieren het bulkvoer en de laad- en loshandelingen en de activiteiten in samenhang met de paardenhouderij.
Uit het onderzoek kunnen de onderstaande conclusies worden getrokken:
32
•
De beschouwde situatie voldoet aan het BBT principe daar er redelijkerwijs geen maatregelen te treffen zijn om de geluidbelasting in de omgeving verder terug te dringen;
•
Conform de VNG-publicatie wordt een paardenhouderij aangemerkt als behorend tot milieucategorie met een richtafstand van 30 meter. Deze afstand heeft betrekking op het aspect geluid en het van toepassing zijnde omgevingstype ‘gemengd gebied’. Aan deze afstand wordt voldaan waarmee ter plaatse van de bestaande woningen een akoestisch goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd;
•
Het hoogste langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LArLT) , tijdens de representatieve bedrijfssituatie treedt op op de voorgevel van de woning Houtbroekstraat 8 en bedraagt Letmaal = 40 dB(A) met piekgeluidniveaus tot maximaal 63 dB(A) in de dagperiode;
•
Uit de resultaten blijkt dat wordt voldaan aan de richtwaarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LArLT) , en het maximale geluidsniveau (LAmax) waarmee wordt voldaan aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en het geluidbeleid van de gemeente Someren;
•
Binnen de inrichting vinden naast de regelmatige activiteiten behorende tot de representatieve bedrijfssituatie (RBS) ook een aantal activiteiten met een beperkte frequentie plaats , waarbij in combinatie een hogere geluidsbelasting optreedt dan onder de representatieve bedrijfsomstandigheden (aan- en afvoer vleeskuikens na cyclus) en waarvoor binnen de huidige stand der techniek redelijkerwijs geen geluidreducerende maatregelen zijn te treffen;
•
Het betreft hier reeds bestaande en vergunde activiteiten , die geen onderdeel uitmaken van de wijziging van de inrichting en die voor zover bij de gemeente Someren bekend tot op heden geen aanleiding hebben gegeven tot klachten. Voor deze incidentele bedrijfssituatie wordt het op grond van een bestuurlijke afweging toelaatbaar geacht dat vergunning wordt verleend tot hogere waarden dan in de representatieve bedrijfssituatie;
•
Het geluidsniveau ten gevolge van de voertuigbewegingen over de openbare weg bedraagt ter plaatse van de maatgevende woning Houtbroekstraat 8 maximaal (Letmaal) 35 dB(A) en voldoet daarmee aan de voorkeursgrenswaarde uit de VROM-circulaire van 29 februari 1996. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder vanwege de verkeersaantrekkende werking van de inrichting;
Geconcludeerd kan worden dat met het realiseren van de beschreven plannen het milieuaspect geluid geen belemmering vormt voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan. Tevens wordt in de toekomstige situatie ruimschoots voldaan aan de geluidgrenswaarden conform de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (VROM , 1998) en het geluidbeleid van de gemeente Someren. ” Spoorweg- en industrielawaai In nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gelegen. De dichtstbijzijnde spoorverbinding (Eindhoven-Maastricht) ligt op 77, kilometer van het plangebied. Het plangebied is verder niet gelegen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Gezien het bovenstaande en de aanbevelingen en conclusies van het akoestisch rapport zijn er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4. 7.
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren , zoals milieurisico’s , transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie , het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. De regels voor externe veiligheid zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 zijn van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare , kwatsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit als bedoeld in die paragrafen die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven , vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor , over de weg , het water) , hoogspanningslijnen en (ondergrondse) buisleidingen.
33
Afbeelding 12 Uitsnede plangebied Veilige omgeving
Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er een risicovolle inrichting in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Het beoogde plan ligt buiten de invloedssfeer van de inrichting. Op het plangebied is een risicovolle inrichting aanwezig , dit door de aanwezigheid van een propaantank. In de beoogde situatie wordt de propaantank gesaneerd. Daarnaast zal er een bluswatervoorziening worden gerealiseerd op eigenterrein met een capaciteit van 90 m3/uur. Bij de aanvraag van de nieuw te bouwen bedrijfsbebouwing zal de brandcompartimentering opnieuw worden bekeken en zal de exacte positie van de bluswatervoorziening worden bepaald. Transportroutes Het dichtstbijzijnde spoortracé betreft het spoortracé Eindhoven-Maastricht. De afstand tussen dit spoortracé en het plangebied bedraagt 77 , kilometer. De afstand is zodanig dat beïnvloeding niet zal plaats vinden. Transport van gevaarlijke stoffen moet hoofdzakelijk via het hoofdwegennet plaatsvinden. De dichtstbijzijnde weg waarover deze transporten plaatsvinden is de Rijksweg A67 op een afstand van 33, kilometer. In de nabijheid van het plangebied is geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd kunnen worden. Buisleidingen Er zijn in de nabijheid van het plangebied twee gasbuisleidingen opgenomen op de risicokaart. Het beoogde plan ligt buiten de invloedssfeer van de opgenomen buisleidingen.
Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4. 8.
Cultuurhistorie en archeologie
4. 8. 1. Cultuurhistorie
34
Gemeenten moeten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In artikel 5. 130 lid 2 van het Bkl zijn hiervoor instructieregels opgenomen. Deze regels gaan over: • Ontsiering , beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten • • • • •
Verplaatsen van beschermde monumenten Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand Aantasting van de omgeving van een beschermd monument Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
De provincie Noord-Brabant heeft voor haar grondgebied de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld. Volgens de CHW is de is het plangebied niet gelegen in cultuurhistorische waardevol gebied. Het plangebied is wel gelegen in het cultuurhistorisch landschap ‘Dommeldal’. Het Dommeldal betreft een samenhangend en relatief gaaf oud zandlandschap met beekdalen , akkercomplexen , landgoederen , woeste gronden en jonge ontginningen. Bijzonder voor dit gebied zijn de vloeiweides en viskwekerijen langs de Tongelreep en de Beekloop. Verder zijn er watermolens en plaatsen van oude watermolens. Daarnaast liggen er voordes waar landwegen de beken passeerden.
Afbeelding 13 Uitsnede plangebied cultuurhistorische waardevol gebeid en cultuurhistorische landschappen
Gezien de aarde en de locatie van het initiatief vindt er geen nadelige invloed plaats op de genoemde elementen , zoals watermolens of vloeiweides. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4. 8. 2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Omgevingswet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ , dus in de grond , te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Bij het opstellen van het Omgevingsplan houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook:
35
-
Regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden; en
-
Gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking.
De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Archeologie binnen het bestemmingsplan is gebaseerd op het archeologiebeleid van gemeente Someren. Op de archeologische waardenkaart is ter plaatse van Houtbroekstraat 9 sprake van een hoge archeologische verwachting. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer van 40cm en een verstoringsoppervlakte van 250 m.2 Voor de beoogde ontwikkeling is nader onderzoek noodzakelijk.
Afbeelding 14 Uitsnede gemeentelijke archeologische waardenkaart
Om te beoordelen of er archeologisch resten aanwezig zijn in het plangebied is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het gehele archeologisch onderzoek is weergegeven in bijlage 5. Uit het archeologisch onderzoek volgen de volgende conclusies en aanbevelingen: “Conclusies en aanbevelingen (VS07) Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied in verband met de ligging in een klassieke gradiëntzone een hoge verwachting voor resten van jagers-verzamelaars uit het paleolithicum tot en met het mesolithicum. Resten uit het neolithicum tot en met de vroege-middeleeuwen zullen eerder hebben gelegen op de 36
hoger gelegen delen van de zandrug ten westen van het plangebied. Voor resten uit het neolithicum tot en met de vroege-middeleeuwen geldt derhalve een middelhoge verwachting. De ligging van oudsher op een akker maar wel (bijna) grenzend aan historische wegen , geeft het plangebied een middelhoge verwachting voor resten van bewoning uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Om het gespecificeerd archeologische verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied zestien boringen gezet en is tevens een profielput gegraven. Door het direct volstromen met grondwater van deze laatste bleek het uitgraven van profielputten binnen het plangebied weinig zinvol en zijn geen verdere putten uitgegraven. Aan de hand van de resultaten van het booronderzoek kunnen de onderzoeksvragen als volgt beantwoord worden: -Hoe is de bodem opgebouwd binnen het plangebied? De bodem binnen het plangebied bestaat uit een rommelige toplaag van overwegend humusrijk zand met een dikte van veertig centimeter tot ruim een meter. Hieronder is een rommelige laag aangetroffen die bestaat uit brokken zand van uiteenlopend humusgehalte. De dikte hiervan loopt uiteen van tien tot veertig centimeter. Het lijkt hier te gaan om een laag die is ontstaan door het mengwoelen van de bodem en die ook is vastgesteld op het door Econsultancy onderzochte , direct aangrenzende terrein.
Hieronder is geelgrijs , ongeoxideerd zand aanwezig waarvan de bovenste decimeters veelal zijn meegewoeld. Resten van podzolvorming ontbreken. Waarschijnlijk zijn binnen het plangebied oorspronkelijk dan ook beekeerdgronden ontstaan en geen podzolgronden. -In welke mate is de bodem verstoord? Op alle boorpunten is de bodem tot in de C-horizont gediepwoeld. De diepte tot waarop dit het geval is loopt uiteen van enkele decimeters tot ruim een halve meter. De gemiddelde dikte tot waar de bodem tot onder het maaiveld is verstoord bedraagt ongeveer een meter. Dit komt overeen met wat door Econsultancy op het direct aangrenzende terrein is vastgesteld. -Kunnen binnen het plangebied nog behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn? Zo ja , in welke zones en op welke diepten is dit het geval? De bodemverstoring tot minimaal enkele decimeters in de C-horizont betekent dat van archeologische sporen nauwelijks iets bewaard kan zijn gebleven. Dit geldt zeker voor de veelal ondiepe sporen van jagers-verzamelaars waarvoor hier de verwachting het hoogst was. Hiervoor kan de verwachting dan ook worden bijgesteld tot laag. Dit geldt gezien de bodemverstoring en de relatief lage ligging van het plangebied ten opzichte van de westelijker gelegen dekzandrug , ook voor resten uit latere perioden.
Selectieadvies Gezien het bovenstaande geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn archeologische waarden aangetroffen waarmee met de toekomstige inrichtingswerkzaamheden rekening moet worden gehouden. In alle gevallen blijft echter onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen , deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016 , artikel 5. 10 & 5. 11. ” Gezien de conclusies en aanbevelingen van het archeologisch onderzoek vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4. 9.
Flora en Fauna
4. 9. 1. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000- gebieden. Op grond van artikel 2. 43 van de Omgevingswet zijn de instandhoudingsdoelstelling vastgelegd. Gelet op de instandhoudingsdoelstellingen , de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de 37
habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7 , tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten westen van de initiatieflocatie is het Natura2000 gebied Strabrechtse Heide en Beuven gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 18, kilometer. Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. In dit kader is een stikstofberekening gemaakt met het rekenprogramma Aerius. Hieruit blijkt dat er een daling is van depositie op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. De uitkomsten van deze berekening zijn bijgevoegd in bijlage 6. Daarnaast wordt het plangebied Houtbroekstraat 9 landschappelijk ingepast , zie bijlage 8.
Afbeelding 15 Uitsnede plangebied kaartlaag Natuur
Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4. 9. 2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Omgevingswet. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. In afdeling 11. 2 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name de regels de paragrafen 11. 2. 2 tot en met 11. 2. 4 van belang. •
•
38
Paragraaf 11. 2. 2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Paragraaf 11. 2. 3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn. Dit zijn soorten , genoemd in bijlage IV , onder a , bij de habitatrichtlijn , bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn.
•
Paragraaf 11. 2. 4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten. Dit zijn alle in Nederland in het wild levende soorten waaronder zoogdieren , amfibieën , reptielen , vissen , dagvlinders , libellen , kevers en vaatplanten zoals genoemd in het Bal , bijlage IX.
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen , moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een planvoornemen waarbij functies gewijzigd worden , moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Hiervoor is een quickscan flora en fauna uitgevoerd , zie bijlage 7 voor de gehele quickscan. Uit de quickscan volgend de volgende conclusies en aanbevelingen: “Conclusies en aanbevelingen 5. 1 Soorten Vogelrichtlijn 5. 1. 1 Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied (de te ontwikkelen kavel) is niet geschikt bevonden/ er zijn geen nesten aangetroffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten. Nader onderzoek wordt dan ook niet nodig geacht. Jaarrond beschermde nesten in bomen zijn binnen- en nabij het plangebied niet aangetroffen. 5. 1. 2 Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied (de te ontwikkelen kavel) is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten in aangrenzende bebouwingen en nestkasten aan bebouwingen , waaronder de boerenzwaluw , spreeuw , koolmees en pimpelmees.
Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om , als de broedplaats verloren is gegaan , zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn , dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen. 5. 1.
3 Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bomen en heesters welke aanwezig zijn binnen en nabij het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 39
15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn , dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen. 5. 2 Soorten Habitatrichtlijn 5. 2. 1 Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen van de Omgevingswet niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt dan ook niet nodig geacht. 5. 2. 2 Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. 5. 3 Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig , waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt , door het ontbreken van een geschikt habitat. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt als egel , konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. 5. 4 Aanbevelingen/ natuur-inclusief bouwen Door niet alleen te kijken naar ‘wat er niet is’ , is het juist belangrijk om te kijken naar mogelijkheden voor flora en fauna voor en na ontwikkeling van de nieuwe bebouwing. Er zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe) soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen. Zo kun je denken aan het ophangen van nestkasten voor onder andere huismussen , maar ook voor mezen en andere soorten is van alles te verkrijgen. Om vleermuizen een mogelijkheid te bieden zich te vestigen/ in stand te houden in het gebied kunnen vleermuiskasten opgehangen worden tegen , of ingebouwd worden in de gevel van de bebouwing of tegen de bomen in de aangrenzende tuin. Er zijn speciale vleermuiskasten te koop via internet: www. vivarapro. nl / www. waveka. nl welke onderdak kunnen bieden aan de diverse soorten vleermuizen.
De kasten welke mogelijk geplaatst kunnen worden: Vleermuiskast inbouw type: IB VL 06 (Vivarapro) Vleermuiskast opbouw type: 1FTH-zwart (Waveka) Huismus inbouw type: NK MU 07 (Vivarapro) Huismus opbouw type: NK MU 08 (Vivarapro) 6. Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen , is er geen aanleiding om direct een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Er kan op dit moment zonder voorziene problemen begonnen worden de geplande werkzaamheden.
40
Belangrijk
is
hoofdstuk
5.4
Tijdens
werkzaamheden
de
om
veranderende Vanuit
binnen
mee
te
ontwikkeling
te allen dient te allen tijde
situatie
het aspect
de
de
van
nieuwe
bebouwing,
de
adviezen
uit
nemen.
blijft
tijde een
gebiedsbescherming zijn
er
de
zorgplicht van kracht en bij een ecoloog ingeschakeld te worden.” geen
belemmeringen
voor
de
beoogde
ontwikkeling. 4.10.
Landschappelijke inpassing
Zoals
aangegeven in paragraaf betreft de beoogde ontwikkeling een categorie 2 De landschappelijke inpassing van het beoogde initiatief is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het landschap in de omgeving van het plangebied. Met het
ontwikkeling.
landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering vanuit de provincie en gemeente. In afbeelding 16 is het beplantingsplan weergegeven, het landschappelijke inpassingsplan is als bijlage 8 toegevoegd.
Landschappelijk inpassingsplan Houtbroekstraat 9, Someren
mats Arden vaast Houtbroekstraot
Houtsingel en
bestoond Boom struikvermere Opperviakte. 520 m2
Pentmoa! Aant stie:
27
itectuur en ecologisch
Cemchng_—rsichoppelkhoonngmen) c
7
(geanonimiseerd)
)
C
zal 2808204) widata
]
5
nn 16
Afbeelding
Landschappelijk inpassingsplan
4.11.
Waterparagraaf
4.11.1.
Relevant
waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op
gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten en uitvoeren. Per 18 maart 2022 is het Nationaal Waterprogramma 2022implementeren 2027 vastgesteld. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een een
duurzame
manier
KRW
wordt
die alle
arvalis
uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de Stroomgebiedbeheerplannen , het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland voor staat , de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor de 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta; • Een concurrerende , duurzame en circulaire delta; • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027 vastgesteld. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland , samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig , schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: • wonen en werken; • infrastructuur en mobiliteit; • landbouw en voedsel; natuur en biodiversiteit; • • erfgoed; • een concurrerende en duurzame economie; • de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking.
Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem , en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. 4. 11. 2.
Gemeentelijk RioleringsPlan 2021-2025
In het Gemeentelijk RioleringsPlan 2021-2025 (GRP) is voor een periode van vijfjaar het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Someren vastgelegd. Het voorgaande beleid en ambities blijven in het GRP op hoofdlijnen ongewijzigd , het betreft met name een verdieping op de wijze hoe de gemeente op doelmatige wijze invulling geeft aan de zorgplichten voor de periode 2021-2025. Voor het planvoornemen zijn de hiernavolgende punten van belang. Afvalwaterlozingen bedrijven buitengebied Voor het lozen van afvalwater van bedrijven in het buitengebied hanteert de gemeente Someren aanvullende voorwaarden op het activiteitenbesluit. Elk bedrijf mag één aansluiting op de drukriolering met een afvoer van maximaal 05, m³ per uur afvalwater op de drukriolering en een maximum van 15, m³ per dag. Bij een aanbod groter dan 05, m³ per uur dient het afvalwater op eigen terrein te worden gebufferd. Wanneer dit niet doelmatig is , wordt gekeken naar de mogelijkheid om tot een maatwerkovereenkomst te komen , waarbij het uitgangspunt is dat de meerkosten voor rekening van de perceeleigenaar zijn. Het planvoornemen betreft de omschakeling van een agrarisch bedrijf. De afvoer via de 3 per uur afvalwater en niet meer dan drukriolering zal niet meer bedragen dan 05m , 3 15m , per dag.
Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld , waarbij de gemeente alleen voorziet in een vuilwaterhuisaansluiting. 42
De gemeente houdt hierbij de trits vasthouden – bergen – afvoeren aan. Ter voorkoming van overlast en schade op particulier terrein en uit oogpunt van doelmatigheid vertaalt de gemeente een redelijke inspanning van particulieren als volgt: Bij ver- en nieuwbouw moet tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m² afstromende verharding) van een bui binnen het perceel worden vastgehouden en lokaal verwerkt worden. Vanuit waterbelang , i. v. m. zichtbaarheid , bij voorkeur door bufferen op het oppervlak (vijver , wadi of lagergelegen grond) waarna het water kan infiltreren. Binnen het plangebied worden gebouw 6 (2.740m)2 , stapmolen (250m)2 , longeercirkel 2 vaste mestopslag (250m)2 nieuw gebouwd. Hierdoor is er voor 3. 490m 2 (250m)en waterberging nodig. Zoals beschreven is er voor de eerste 30 mm regen (30 liter per m 2 afstromende verharding) een hemelwaterinfiltratievoorziening nodig met een grote van 3. 490 m 2 x 0. 03= 105m.3 Binnen het plangebied wordt een hemelwaterinfiltratievoorziening gerealiseerd van 140m 3 hiermee wordt aan de voorwaarde van het GRP voldaan. Buitengebied In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen stedelijk afvalwater , is het niet toegestaan om regenwater op de riolering aan te sluiten of aangesloten te hebben.
De pompcapaciteiten en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van regenwater. In beginsel zorgt de perceeleigenaar zelf voor de verwerking van hemelwater (volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren). In de meeste gevallen zijn er voldoende mogelijkheden om het hemelwater in de bodem te brengen. Alleen wanneer geen andere oplossingen mogelijk zijn , biedt de gemeente de mogelijkheid om het hemelwater (indirect) via bermsloten af te voeren. Voor de bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven. Zo kan voldoende water geborgen worden op de omliggende in eigendom zijnde gronden. 4. 11. 3.
Waterbeheerplan Aa en Maas
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig , robuust , veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen , het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; in het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • Schoon water niet naar de zuivering gaat , maar het grondwater voedt; • De waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna , maar ook voor recreatie en evenementen; •
43
De kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
De betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners , bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur , legger , communicatie en stimuleringsmiddelen. •
4. 11. 4.
Waterschapsverordening Aa en Maas 2024 en Legger
De waterschapsverordening Aa en Maas 2024 is op 17 november 2023 vastgesteld en dient als een aanvulling op regels uit de Omgevingswet. De waterschapsverordening stelt regels t. a. v. de inrichting , het gebruik , beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren , beken , sloten , grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het Waterschap , maar ook die in eigendom zijn van derden (burgers , agrariërs etcetra). De Brabantse waterschappen hebben gezamenlijk de Waterschapsverordening overgenomen om te zorgen voor uniformiteit in de regelgeving. De voorschriften in de Omgevingswet en de Waterschapsverordening geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater , het onttrekken van grondwater , het dempen van een sloot , of het plaatsen van een duiker of brug. Vanuit de Waterschapsverordening wordt regelmatig verbinding gelegd met de ‘legger’. Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: • •
•
Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen , bruggen , etcetra) Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. Waar de beschermingszone ligt , die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen , volgens de Waterschapsverordening , van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.
In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele B watergangen en een A watergang gelegen die in de legger zijn opgenomen. In afbeelding 17 zijn in groen de B watergangen en in blauw de A watergang weergegeven. Het plangebied is echter niet gelegen binnen de beschermingszones van deze watergangen.
44
Afbeelding 17 Uitsnede Legger
Voor het afvoeren van hemelwater heeft Waterschap Aa en Maas regels opgesteld omtrent het afvoeren van het hemelwater. De grote van de infiltratievoorziening is aan de hand van deze regels berekend. Verhard oppervlak In de aangevraagd situatie zal er 20. 769m 2 verhard oppervlak aanwezig zijn , in de 2 bestaande 18. 583maanwezig. Gescheiden houden van water en schoon hemelwater Het huishoudelijk afvalwater zal op de bestaande drukriolering worden geloosd. Het schoon hemelwater infiltreert in de eigen bodem. Hydrologisch neutraal bouwen Betreffende bodemstructuren genieten geen specifieke bescherming en in het kader van hydrologisch neutraal bouwen zijn ter plaatse voldoende mogelijkheden tot infiltratie van hemelwater.
Woonhuis Gebouw 1 Gebouw 2 Gebouw 3 Gebouw 4 Gebouw 5. 1 Gebouw 5. 2 Gebouw 6 Stapmolen Longeercirkel Vaste mestopslag Erfverharding
Verhard oppervlak Bestaande situatie 190 1. 031 1. 006 781 478 8. 238 0 0 0 0 0 6. 859 18. 583
Tabel 10 Oppervlakte verhard oppervlak
45
m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2
Beoogde situatie 190 1. 031 1. 006 781 478 8. 238 0 2. 740 250 250 250 5. 555 20. 769
m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2 m 2
2 Zoals blijkt uit tabel 10 blijkt dat er in de beoogde situatie in totaal 20. 769 mverhard 2 oppervlak aanwezig zal zijn en dat er in de bestaande situatie 18. 583 mverhard oppervalk aanwezig is. Hieruit blijkt dat er een toename van 2. 186 m 2 verhard oppervalk is. In verband met de toename van het verhard oppervlak zal er een nieuwe infiltratievoorziening worden gerealiseerd.
Om de benodigde compensatie (in m)3 te berekenen wordt de volgende formule toegepast. Benodigde compensatie (in m)3 = Toename verhard oppervlak (in m)2 * Gevoeligheidsfactor * 006 , (in m). Op de kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft de gevoeligheidsfactor weer. Voor het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1/4 , waardoor de benodigde compensatie 2. 186 m 2 * 1/4 * 006m , =33 m 3 groot moet zijn. De infiltratiewadi op het plangebied zal 140 m 2 groot worden. De infiltratiewadi langs de bomenrij gerealiseerd zoals is aangegeven in afbeelding 18 , hier is de gemiddelde hoogste grondwaterstand GHG 110-135 cm. De maximale capaciteit van de infiltratiewadi is 140m 2 * 1 m = 140 m.3 Daarnaast zal er hemelwater kunnen infiltreren in omliggende gronden. Op het plangebied is sprake van dekzandrug , waarbij de grond geen belemmeringen geeft voor infiltratie van hemelwater. Hiermee wordt voldaan aan de eisen voor het bergen van hemelwater.
Afbeelding 18 Hemelwaterinfiltratievoorziening.
46
Afbeelding 19 Uitsnede Keur waterschap Aa en Maas
Afbeelding 20 Uitsnede Grondwaterspiegeldiepte BROloket
47
Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het plangebied zal , net als in de huidige situatie , worden afgevoerd via het gemeentelijke rioleringsstelstel. In de beoogde situatie zal er geen bedrijfsafvalwater ontstaan. Conclusie Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de watersituatie in de beoogde situatie niet verslechterd. Hiermee voldoet het planvoornemen aan de eisen die worden gesteld vanuit de waterschapsverordening. 4. 11. 5.
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie
Binnen het plangebied is reeds een veehouderij aanwezig. De locatie is voldoende hoog en droog is gelegen waardoor wateroverlast niet is te verwachten. Het planvoornemen voorziet in een uitbreiding aan verhard oppervlak , om de geen nadelige invloed te hebben op de watersituatie zal er een infiltratie voorziening worden gerealiseerd. Door de waterinfiltratie in de bodem heeft het planvoornemen een positief effect op het aanvullen van het grondwater. Hiermee zal het planvoornemen de grondwaterstand niet verlagen. Hiermee is er sprake van een hydrologische neutrale ontwikkeling. De woning blijft onveranderd aangesloten op het riool en het hemelwater zal in eigen bodem infiltreren , hiermee is het vuil water en hemelwater gescheiden. Binnen het planvoornemen is er hergebruik van hemelwater niet aan de orde , het hemelwater zal via de infiltratievoorziening binnen het plangebied infiltreren in eigen bodem. Hieruit wordt geconcludeerd dat er voldoende rekening is gehouden met de waterbelangen. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.
4. 12.
Mobiliteit en parkeren
Verkeersbewegingen Het plangebied is gelegen aan Houtbroekstraat 9 te Someren. De locatie ontsloten richting Someren en Lierop via de Lieropsedijk , richting Heeze en Asten via Lieropsedijk en vervolgens via Provincialeweg. Het aantal verkeersbewegingen nemen toe ten opzichte van de huidige situatie , echter de Lieropsedijk en Provincialeweg is een bovenlokale verbindingsweg. Onderstaand zijn de verkeersbewegingen weergegeven: Activiteiten en werkzaamheden • • • • • • • • • •
Maximaal 2 x per week bezoekt een vrachtauto de inrichting voor het leveren van bulkvoer; Vrachtauto afvoer van vaste mest 2x per maand; Vrachtauto aan- en afvoer paarden 5x per week; Vrachtauto 2x per week diversen; Vrachtauto 3x per maand afvoer afval; Vrachtauto 1x per 4 weken destructor; Vrachtauto 1x per 7 weken aanvoer houtvezel; Vrachtauto 4x per jaar aanvoer diesel; Vrachtauto 4x per jaar aanvoer hooi en stro; Personen- en bestelauto’s 32x bezoekers per etmaal;
Incidentele bedrijfssituatie Onder de incidentele bedrijfssituatie dienen die activiteiten te worden begrepen die zich op niet meer dan 12 etmalen per jaar voordoen en welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie.
48
Onderstaand volgt een opsomming van de verschillende activiteiten met betrekking tot de bedrijfscyclus die kan worden beschouwd als één activiteit en plaatsvindt gedurende een etmaal , maximaal 7x per jaar , onder de noemer van de incidentele bedrijfssituatie: •
• •
Aan het einde van de cyclus , maximaal 7 etmalen per jaar in de 8e week van de groeironde worden alle kuikens met behulp van maximaal 10 vrachtwagencombinaties afgevoerd. De vangploeg arriveert met 2 bestelauto’s. Wanneer alle dieren gevangen zijn wordt de mest met behulp van een verreiker en 2 vrachtwagencombinaties afgevoerd. De aanvoer van de nieuwe dieren vindt plaats met maximaal 2 vrachtwagencombinaties;
Het aantal verkeersbewegingen is beperkt en daarmee vanuit verkeersoptiek passend voor de locatie. Inritten In de beoogde situatie blijven de reeds gerealiseerde inritten behouden , er zal geen nieuwe inrit worden gerealiseerd. De noodzaak van deze twee inritten is beschreven in paragraaf 2. 2. In afbeelding 20 zijn de inritten weergeven.
Afbeelding 21 Weergave inritten
Het plangebied betreft een productiegerichte paardenhouderij , hiermee valt het bedrijf onder een agrarische functie. In het CROW zijn voor agrarische bedrijven geen parkeernormen opgenomen. Gelet op de omvang van de beoogde ontwikkeling zullen er voor het parkeren van auto’s van bezoekers en personeel 16 parkeerplaatsen binnen de eigen inrichting worden gerealiseerd. Hierdoor is er geen negatief effect voor de omgeving te verwachten. De parkeerplaatsen zijn weergegeven in afbeelding 21 en zijn weergegeven op de situatietekening welke is toegevoegd in bijlage 1.
49
Afbeelding 22 Uitsnede situatietekening
Vanuit het aspect Mobiliteit en parkeren ontwikkeling.
50
zijn er geen belemmeringen voor de beoogde
Bijlagen
51
Arvalis Roermond
Arvalis Den Bosch
Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info @arvalis.nl
Onderwijsboulevard 225 5223 DE ‘s Hertogenbosch +31 (0)732173580 infozbg @arvalis.nl
Arvalis Venlo
Arvalis Colijnsplaat
Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info @arvalis.nl
Noordlangeweg 42-B 4486 PR Colijnsplaat +31 (0)113247747 infozbg @arvalis.nl
Arvalis Maastricht Airport
Arvalis Deurne
Europalaan 24 6199 AB Maastricht Airport +31 (0)43 450 5100 info @arvalis.nl
Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info @arvalis.nl
52
857 415
416 H o u tb ro e ● ●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
k s t ra a t ●
●
▲
●
● ● ▲ ●▲ ▲▲▲ ● ▲ ▲ ● ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲● ● ▲ ● ▲ ▲ ●▲ ●▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲▲ ▲ ▲ 9▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲▲ ▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ●
●
▲ ▲ ▲ ▲
●
●
▲ ▲ ▲ ▲▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲▲ ▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ●▲ ▲ ▲ ●▲ ▲ ▲▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲ ● ▲▲ ▲ ▲ ▲ ● ▲ ▲▲ ▲ ●▲ ▲ ▲ ● ▲▲ ▲ ▲ ●▲ ▲ ▲● ▲▲ ● ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ●▲ ● ▲ ▲ ▲▲ ▲ ● ▲ ▲● ▲ ● ▲▲ ▲ ▲ ●▲ ▲ ● ●▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲ ● ▲ ●▲ ● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ N ●▲ ▲ ▲ NNW NNO ● ▲ ▲ ▲ ▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ NW ▲ NO ● ▲ ▲ ▲▲ ▲ ▲ ▲ ● WNW ONO ▲ ▲ ▲ ▲▲ ●▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ● W O ▲ ▲ ▲ ▲ ● WZW OZO ● ▲ ▲ ▲ ▲ ● ZW ZZW ▲ ▲ ▲ ▲ ● ZZO ZO ▲ ● ▲ ▲ Z ▲ ● ▲ ▲ ●▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲ ▲ ● ▲ ●▲ ▲ SITUATIE ▲ ● ▲ ▲ ▲ ▲ ● : Someren gemeente ● ▲ ▲ ▲ ▲ sectie : M ● ▲ ▲ ▲ ▲ ● : 87/88 nummer(s) ▲ ●▲ ▲ ● ▲ 0m 50m ▲ ▲ ●▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲ ▲▲ ▲ ● ▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲ 1:1000 ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ●▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ● ▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲ ●▲ ▲ ● ● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ●▲ ▲ ▲ ● = Plangebied ▲ ▲ ● ● ▲ ● ▲ ▲ ▲ ▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ●▲ ▲ ● ● ●▲ ▲ ●▲ = Gewenst bouwvlak 2,5ha ●▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ●▲ ●▲ ●▲ ▲ ▲ ▲ ▲ = Enkelbestemming agrarisch bedrijf ▲ ● ▲ ● ▲ ●▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ●▲ ▲ = Functieaanduiding inrit ●▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ ▲▲▲ ▲ ●▲ ▲ ▲ ●▲ ●▲ ▲ ▲ Functieaanduiding landschappelijke inpassing ▲ = ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲▲▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ● ▲ ▲ ▲ ▲ ▲● ▲ = Functieaanduiding voorwaarde sanering verharding ▲ ▲ ▲ ▲ ▲▲▲ ● ▲● ▲ ▲ ▲● ▲ ▲ ▲ ▲●▲ ▲ ▲ = Functieaanduiding productiegerichte paardenveehouderij ● ▲ ▲ en ▲▲▲ ▲ ▲▲● ▲● = Maatvoering ▲ ▲ ▲▲▲ ▲ - maximum bouwhoogte: 11,5m - maximum goothoogte : 7,5m ●
Project
Bestemmingsplan
Cont. pers. Tekenaar
Projectlocatie
Onderdeel
Houtbroekstraat 9 5711 PT Someren
Situatietekening
Bezoek-/postadres
Heuvelstraat 12
5751 HN DEURNE
arvalis O Niet
NTWERP van
tekening
meten,
T. 0493-242133 I. www. arvalis. nl
E.info @arvalis.nl
& afmetingen
B O aan
de
U
hand
WADVIE van
aangegeven
S
maatvoering
LK PB
Proj. nr. Fase Blad nr.
240059-001-001
Schaal
1:1000
Formaat Datum
11-07-2024
Gew-1 Gew-2 Gew-3 Gew-4 Gew-5 Gew-6
VO
857 415
416 H o u tb ro e
k s t ra a t 9
▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲
▲ ▲
▲
▲ ▲ ▲ ▲
▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲
▲ ▲ ▲
▲ ▲
▲ ▲ ▲ ▲ ▲
NW
NNW
N NNO
▲ ▲▲ ▲ ▲ ▲ ▲
▲ ▲ ▲ ▲ ▲
▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲ ▲
▲
NO
WNW
ONO
WZW
OZO
W
O ZW
ZZW
Z
ZZO
ZO
SITUATIE gemeente sectie
: : :
nummer(s) 0m
Someren M
87/88 50m
1:1000 Project
Bestemmingsplan
Cont. pers. Tekenaar
▲ ▲ ▲▲▲ ▲
=
LK PB
Functieaanduiding voorwaarde sanering verharding Projectlocatie
Onderdeel
Houtbroekstraat 9 5711 PT Someren
Situatietekening
Bezoek-/postadres
Heuvelstraat 12
5751 HN DEURNE
arvalis O Niet
NTWERP van
tekening
meten,
T. 0493-242133 I. www. arvalis. nl
E.info @arvalis.nl
& afmetingen
B O aan
de
U
hand
WADVIE van
aangegeven
S
maatvoering
Proj. nr. Fase Blad nr.
240059-001-001
Schaal
1:1000
Formaat Datum
11-07-2024
Gew-1 Gew-2 Gew-3 Gew-4 Gew-5 Gew-6
VO
857 415
416 H o u tb r o e
k s t ra a t 9
16
NW
NNW
N NNO
rk pa
e e rp
l a ats
en
NO
WNW
ONO
WZW
OZO
W
O ZW
ZZW
ZZO
Z
ZO
SITUATIE gemeente sectie
:
nummer(s)
:
Project
Someren
Bestemmingsplan
Cont. pers. Tekenaar
:M
BS MG
87/88
0m
50m Projectlocatie
1:1000
= Huidig
Bouwvlak 2,5ha
= Gewenst
Onderdeel
Houtbroekstraat 9 5711 PT Someren
SLWXDWLHWHNHQLQJ
Proj. nr. Fase Blad nr.
220046-001-005
Schaal
1:1000
Formaat Datum
14-05-2024
9O
bouwvlak 2,5ha
= Functieaanduiding
Bezoek-/postadres
inrit
Heuvelstraat 12
5751 HN
arvalis O Niet
NTWERP van
tekening
meten,
DEURNE
T. 0493-242133 I. www. arvalis. nl
& afmetingen
B aan
O U de
hand
WADVIE van
aangegeven
S
maatvoering
Gew-1 Gew-2 Gew-3 Gew-4 Gew-5 Gew-6
24-05-2024 05-06-2024
PB
MG
A
Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen
Aan het College van Burgemeester van de gemeente Someren
Wethouders
(geanonimiseerd)
Dhr.
tav.
en
Coördinator
vergunningen Afdeling Dienstverlening
(verzonden
e-mail)
per
Uw kenmerk
G.
e-mail,
Ons
der Kant
van
Behandeld door
H.
4 november 2021
Onderwerp
Bijlage
Gerlings/TS
Geacht
College,
Naar te
Datum
nummer
BA9696
aanleiding van uw schrijven van 4 oktober 2021, Someren, delen wij u het volgende mede.
inzake het verzoek
van
mts.
Sleegers, Houtbroekstraat
9
Op 19 oktober 2021 heeft een vertegenwoordiger van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen de bedrijfslocatie aan de Houtbroekstraat 9 te Someren bezocht. Op basis van aldaar mc (geanonimiseerd) zijn adviseur, de heer B. Spreeuwenberg van Roba Advies, gevoerd overleg, de door uw gemeente toegezonden stukken en nader onderzoek komt de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen tot de volgende bevindingen. Bedrijfsbeschrijvin
(geanonimiseerd) exploiteert in maatschap met zijn echtgenote, (geanonimiseerd)aan de
De Houtbroekstraat 9 een
gelegen
locatie
over
agrarisch bedrijf. Het bedrijf beschikte
een
aantal oudere
stallen voor het houden
aan
de Houtbroekstraat 9 en de direct naast-
van
vleeskuikens.
Oorspronkelijk betrof dit circa
175.000
vleeskuikens die traditioneel (met een hogere bezettingsgraad) werden gehouden. In 2016 is overgeschakeld naar het houden van circa 120.000 conceptkippen, hetgeen in dit geval de Goed Nest Kip (GNK) betreft. Inmiddels worden, na de sloop van een aantal stallen, circa 85.000 Goed Nest Kippen gehouden. De bedoeling is om alle oude stallen te slopen, met uitzondering van twee meer courante stallen aan de Houtbroekstraat
en
TN
er
9, in welk geval
circa 35.000 Goed Nest
info@AABbrabant.nl
www.AABbrabant.nl
Postbus 1153
KvK
5200
BE
‘s-Hertogenbosch
{BAN
nummer
Kippen gehouden
41098657
NL82ABNA0429952457
zullen kunnen worden.
Op al onze diensten zijn algemene voorwaarden van toepassing die zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel in Woerden. Op verzoek wordt hiervan een exemplaar toegezonden.
BA 9696 Blad 2
In 2014 is het bestemmingsplan gewijzigd, waarbij het bouwvlak van vorm is gewijzigd en is vergroot tot 2.50 ha. Het onderliggende bouwplan betrof de bouw van twee pluimveestallen van 40 x 90 meter aan de voorzijde, een
centrale tussenbouw
van
13
x
85 meter,
en
twee
pluimveestallen
40
van
x
90 meter
de
aan
achterzijde.
De
in deze stallen circa 300.000 vleeskuikens te gaan houden. geleden is de oostelijke helft van dit gebouwencomplex gebouwd, in die zin dat de bovenbouw is
bedoeling Enkele jaren geplaatst en van een dak van sandwichpanelen is voorzien. Op het dak zijn 4200 zonnepanelen geplaatst op basis van de SDE-subsidieregeling. Voor de westelijke helft van het gebouwencomplex is de omgevingsvergunning bouwen verleend. De overige bebouwing aan de Houtbroekstraat 9 bestaat uit een bedrijfswoning, een werkplaats/berging en een was
om
machineloods annex voerkeuken. Het bedrijf beschikt over een huiskavel Inmiddels is 5 ha
ingezaaid
als
van
13 ha die de
afgelopen jaren in gebruik was
voor
akkerbouwteelten.
grasland.
Verzoek De heer (geanonimiseerd) B
ichtte toe dat om een aantal redenen de investeringen in de pluimveehouderij niet zijn doorgezet. Om die reden wordt een herstemming gezocht voor de nagenoeg 4000 m° aan overkapping die aanwezig is, en voor de nagenoeg 4000 m° aan bebouwing die wel is vergund maar nog niet is gebouwd. In een eerder stadium is een herbestemming aangevraagd als grootschalige paardensportlocatie. Toegelicht werd dat dit plan inmiddels niet meer aan de orde 1s. hallen, waardoor er vier hallen van 40 x 90 meter met de beschreven tussenbouw aanwezig zullen zijn. Het plan gaat uit van het in gebruik nemen van de bebouwing voor de opfok van paarden en voor de training van paarden. In één loods zijn 50 indtviduele paardenboxen voorzien en een rijbak van 30 x 60 meter. In een tweede loods zijn 16 groepshokken van circa 10 x 14 meter voorzien en wordt uitgegaan van de huisvesting van 168 opfokpaarden en 40 volwassen paarden. In een derde loods is een tweede rijbak van 30 x 60 meter voorzien in combinatie met circa 1200 m* voor de opslag van hooi en stro. In de vierde loods zijn een stapmolen en een longeercirkel voorzien en circa 800 m* aan opslag voor paardenhouderijbenodigdheden. Het geheel kent vanwege de afmetingen van de loodsen een erg ruime opzet met veel loze ruimte.
Dit maakt dat de bebouwing ruimte laat voor een toekomstige intenstvering van het ruimtegebruik, bijvoorbeeld door het uitbreiden van het aantal paardenboxen. Voor de beide resterende pluimveestallen wordt uitgegaan van het vergunnen van 21.750 vleeskuikens per stal. Het
huidige plan gaat uit van
het bouwen
van
de tweede helft van de
NN
De heer (geanonimiseerd) lichtte toe dat hij de te bouwen faciliteiten wenst te verhuren aan paardenbedrijven die elders ruimte zoeken voor het onderbrengen van opfokpaarden en voor het trainen van paarden. In dat kader gaf hij aan dat de heren
(geanonimiseerd) gebruik seline dagelijkse verzorging hebben
bedoeling is dat (geanonimiseerd) voeren, het uitmesten van de stallen,
Bverantwoordelijk en
daar
is voor de
waar
nodig
om
te maken
van
de locatie. De
de dieren in de vorm van het weidegang. Hij is verantwoordelijk voor van
aanbieden
van
de
algemene gang van zaken en de dierverzorging op de locatie. De eigenaren van de paarden zijn verantwoordelijk voor de paarden en dragen het risico van de meer of minder succesvolle ontwikkeling van de dieren. Zij bepalen welke behandelingen hun paard ondergaat, of een paard voldoende perspectiefvol is om verder op te fokken en in training te nemen, op welke wijze de training wordt vormgegeven, en wanneer een paard wordt verkocht of naar een andere bedrijfslocatie wordt verplaatst. De trainingsfaciliteiten zullen in combinatie met individuele paardenboxen worden verhuurd. Toegelicht werd dat te zijner tijd zal blijken aan hoeveel ruiters/bedrijven deze faciliteiten zullen worden verhuurd. Advies
Op basis van de voorgaande bevindingen komt de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen tot de volgende conclusie. Het ingediende verzoek betreft de wijziging van de huidige vergunning voor het houden van vleeskuikens naar een vergunning voor het houden van een kleiner aantal vleeskuikens in combinatie met paarden.
BA 9696 Blad 3
In het
bestemmingsplan ‘Houtbroekstraat 9’ vastgesteld op 28 mei 2014 is een begripsbepaling opgenomen voor gebruiksgerichte paardenhouderij. gebruiksgerichte paardenhouderij: Een paardenhouderij waar het accent ligt op het bedrijfsmatig houden en stallen van paarden en pony's met als ondergeschikte nevenactiviteit het fokken en africhten ervan. Voorbeelden zijn: stalhouderijen en paardenpensions. In dit bestemmingsplan is geen specifieke definitie ingenomen voor productiegerichte wel opgenomen in de door uw gemeente eerder opgestelde deelgebieden.
paardenhouderij.
Deze is
productiegerichte paardenhouderij: Een vorm van agrarisch bedrijf waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voorbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Ook paardenmelkerijen vallen hieronder. De Adviescommissie constateert dat de door vorm van de opfok van paarden en het trainen