CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage b Minima EffectenRapportage (MER) Someren 2022

Gemeenteraad 26 januari 2023, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen van de Minimaverordening Meedoen 2023 en van de verordening Individuele Inkomenstoeslag 202315.446 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Minima-effectrapportage gemeente Someren 2022 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Nouschka Veerman, Marcel Warnaar

1 september 2022

Minima-effectrapportage gemeente Someren 2022

De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Auteurs Nouschka Veerman Marcel Warnaar

Nibud, 1 september 2022 In opdracht van de gemeente Someren

Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld, zoals gedragsaspecten. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid.

Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Someren. Met dit onderzoek wil de gemeente Someren inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, september 2022

Samenvatting Doel en opzet onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat het effect is van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Someren. In dit onderzoek is voor zeven verschillende huishoudtypen op vier verschillende inkomensniveaus (100, 110, 120 en 130 procent van het wettelijk sociaal minimum) doorgerekend hoe de maandbegrotingen eruitzien. In de begrotingen hebben we rekening gehouden met de volgende lokale regelingen: • Kwijtschelding van lokale lasten; • De gemeentelijke bijdrage aan een collectieve aanvullende zorgverzekering; • Regeling Meedoen; • Een bijdrage voor kinderen van de Stichting Leergeld; • Individuele Inkomenstoeslag; • De eenmalige energietoeslag Hierbij gaan we er bij de berekeningen vanuit dat de betreffende huishoudens van alle voor hen beschikbare regelingen gebruik maken. In dit onderzoek is ook gekeken naar het effect van het verruimen van de minimaregelingen naar inkomen op 120 procent van de norm. Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van juli 2022.

Het Nibud volgt de ontwikkelingen op de voet en past uitgavencijfers gedurende het jaar aan als actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten. Resultaten De meeste huishoudens met een laag inkomen (van bijstandsniveau tot en met 120 procent van de geldende bijstandsnorm) in de gemeente Someren zijn in staat om de noodzakelijke uitgaven uit het basispakket plus de uitgaven voor sociale participatie te bekostigen. Dit geldt echter niet voor paren met oudere kinderen (14 en 16 jaar). Zij kunnen wel het basispakket bekostigen, maar op een aantal inkomensniveaus niet ook het bedrag voor sociale participatie. Paren met oudere kinderen financieel zijn het meest kwetsbaar Paren met oudere kinderen die van een laag inkomen moeten rondkomen zijn financieel het meest kwetsbaar. Als zij naast de noodzakelijke uitgaven ook alle uitgaven voor sociale participatie willen bekostigen, komen zij op bijstandsniveau 39 euro per maand tekort. Op 130 procent van de norm zijn de maandelijkse tekorten groter, namelijk 150 euro.

Ondanks dat het saldo op 110 en 120 procent positief is, is dit huishouden erg

kwetsbaar. Als er sprake is van persoonlijk onvermijdbare uitgaven (extra zorgkosten, een hogere huur, schulden etc.) dan zal dit al snel leiden tot een tekort. Alleenstaande ouders met twee jonge kinderen en de alleenstaande oudere hebben de meeste bestedingsruimte Alleenstaande ouders met twee jonge kinderen hebben in de gemeente Someren de meeste bestedingsruimte. Dit kan voor een groot deel worden toegeschreven aan landelijke beleid; met name het hogere kindgebonden budget voor alleenstaande ouders heeft een positief effect op de financiële positie van deze huishoudens. Hoewel de kindgebonden toeslagen voor oudere kinderen hoger zijn dan voor jonge kinderen, heeft het eenoudergezin met oudere kinderen minder bestedingsruimte vanwege de hogere kosten voor onder meer onderwijs, voeding en vervoer. Ook de AOW-gerechtigde houdt op alle onderzochte inkomensniveaus per maand 284 euro of meer over. Dit is voornamelijk het gevolg van de hogere AOW-uitkering; een AOWuitkering is ruim 200 euro hoger dan een bijstandsuitkering. Armoedevallen Tot een inkomensniveau van 120 procent van de bijstand doet zich voor geen van de onderzochte huishoudens een armoedeval voor. Op 130 procent zien we echter uitstroomvallen (wanneer het saldo lager is dan op het laagste inkomensniveau (bijstand of AOW) en doorstroomvallen (wanneer het saldo lager is dan het inkomensniveau daaronder).

Uitstroomvallen doen zich voor bij paren met kinderen en het eenoudergezin met twee oudere kinderen. Daarnaast zien we ook dat de individuele inkomenstoeslag een extra uitstroomval veroorzaakt op 130 procent voor het eenoudergezin met twee oudere kinderen en het paar zonder kinderen als zij daarvoor niet meer in aanmerking komen. Bij de overige huishoudens is een doorstroomval te zien tussen 120 en 130 procent wat mede het gevolg is van de eenmalige energietoeslag die loopt tot 120 procent. Aandachtspunten De gemeente Someren ondersteunt met haar minimabeleid gezinnen om de kosten voor zorg, onderwijs, sociale participatie en energie te kunnen doen. Deze vormen van inkomensondersteuning hebben een positief effect op de bestedingsruimte en zijn zelfs voor de meeste onderzochte huishoudens nodig om rond te kunnen komen. Het Nibud raadt de gemeente Someren aan om met name extra aandacht te hebben voor paren met oudere kinderen. Paren met oudere kinderen hebben tekorten. Dit is voor een groot deel toe te schrijven aan het Rijksbeleid. Met de bijstandsnorm voor paren moeten de kosten voor twee volwassenen worden gedragen. Ter vergelijking, een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm.

De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Als er kinderen in het gezin zijn, worden de tekorten hoger. De kosten van kinderen worden niet volledig gecompenseerd door kindgebonden toeslagen. Gemeenten kunnen de bestedingsruimte van gezinnen met een laag inkomen, die vanuit het rijksbeleid worden genormeerd, aanvullen en daarnaast integraal inspelen op

armoedeproblematiek. De gemeente Someren heeft al diverse minimaregelingen die de bestedingsruimte van huishoudens met kinderen verruimen. Toch is het saldo voor paren met oudere kinderen niet voldoende om op alle inkomensniveaus op papier rond te komen. Daarvoor is niet alleen een goede afstemming van de gemeentelijke regelingen nodig die passen bij de kosten en tekorten van het huishouden, maar vooral ook structurelere oplossingen dan de eenmalige energietoeslag en het tijdelijk verlagen van de btw op energie. Een structurele oplossing zal, indien politiek gewenst, vanuit het Rijk moeten komen. Om de bestedingsruimte van paren met kinderen te vergroten, kan de gemeente: 1. inzetten op begeleiding naar werk van tenminste één van de partners; 2. het verhogen en goed afstemmen van de vergoedingen vanuit de regeling Meedoen en Stichting Leergeld; 3. individuele bijzondere bijstand extra onder de aandacht brengen; 4. de Individuele Inkomenstoeslag verder differentiëren waarbij rekening wordt gehouden met het aantal kinderen en leeftijd van de kinderen, bijvoorbeeld door een basisbedrag vast te stellen en daar bovenop een extra bedrag toe te kennen voor elk ten laste komend kind eventueel onder en boven 12 jaar

Aanbevelingen Voor elk van de regelingen in de gemeente Someren benoemt het Nibud in dit rapport de positieve aspecten en diverse aanbevelingen. Zo adviseert het Nibud: • Verminder het niet-gebruik van gemeentelijke regelingen; • Stimuleer goed financieel beheer; • Help de energielasten te verlagen; • Breng duidelijk de voordelen van de collectieve zorgverzekering en de verschillende pakketten onder de aandacht; • Stel de individuele inkomenstoeslag apart af op paren met kinderen; • Stem de vergoedingen vanuit Regeling Meedoen en Stichting Leergeld helder op elkaar af; • Aangezien de kosten van (oudere) kinderen niet volledig gecompenseerd worden door kindgebonden toeslagen, kan de gemeente ervoor kiezen om één basisbedrag vast te stellen en daar bovenop een extra bedrag toe te kennen voor elk ten laste komend kind; • Onderzoek en herijk de hoogte van vergoedingen voor oudere kinderen, die zwaarder op de begroting drukken dan jonge kinderen; • Overweeg een onverdeeld budget voor sociale participatie kinderen (zoals het is geregeld voor volwassenen) voor een gebruiksvriendelijke regeling met meer bestedingsvrijheid; • Maak een gedegen afweging tussen een goed uitvoerbaar minimabeleid en het voorkomen van een armoedeval; • Biedt ruime ondersteuning aan paren met oudere kinderen.

Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.2.5 Inflatie en bestedingsruimte 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Regeling Meedoen 3.2.4 Stichting Leergeld Asten Someren 3.2.5 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.6 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.2.8 Energietoeslag 3.2.9. Bijzondere bijstand 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Bestedingsruimte 4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 4.3 Armoedeval 4.4 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 4.5 Verhoogde inkomensgrens minimaregeling naar 120 procent 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies 5.2 Aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen Bijlage 3 | Overzicht saldo inkomsten minus uitgaven

1 Inleiding 1.1

Centrale vraag

Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Someren? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.

1.2

Kern minima-effectrapportage

Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.

1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Someren is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Een paar zonder kinderen; f. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); g. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar).

1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Someren is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 110 procent en 120 en 130 procent van de geldende bijstandsnorm.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt meestal niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.

1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. De gemiddelde huurprijs is 556 euro.

1.2.5 Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van juli 2022, inclusief de CBS-gegevens over energieprijzen. Het Nibud volgt de ontwikkelingen op de voet en past uitgavencijfers gedurende het jaar aan als actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.

2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1

Inleiding

Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.

2.2

Inkomsten

In deze rapportage worden op drie inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent en 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Daarnaast kijken we naar een eventuele armoedeval op 130 procent wanneer de minimaregelingen van de gemeente Someren tot en met 120 procent van de toepasselijke biistandsnorm worden verhoogd. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende alleenstaande ouders met jonge kinderen wordt apart getoond als voorlopige aanslag. Het loon plus de voorlopige aanslag is gelijk aan het desbetreffende percentage van de bijstandsnorm. De kinderbijslag en het kindgebonden budget komen hier nog bovenop. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie.

Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2.

In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke.

2.3

Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie

De noodzakelijke uitgaven bestaan uit een basispakket aangevuld met een apart pakket voor sociale participatie. Het basispakket bevat uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op afhankelijk van het type huishouden. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn.

Bijvoorbeeld wanneer iemand schulden moet aflossen. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum. Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens. Op basis van deze ontwikkelingen heeft het Nibud de uitgavencijfers, en daarmee de begrotingen ook in dit onderzoek, aangepast en zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van juli 2022. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.

2.4

Uitgavensoorten

In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen van gemeente en waterschap en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.

2.5

Voorwaarden aan de begrotingen

Als uitgangspunt bij de berekende begrotingen gaan we uit van de volgende drie belangrijke voorwaarden. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Verstandig omgaan met het beperkte inkomen is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Dat betekent dat huishoudens de kennis, kunde en motivatie moeten hebben om grip te houden op hun huishoudbudget. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of hoge woonlasten , kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven.

Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan.

Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.

2.6

De begrotingen

Volgens de methodiek van budgetteren die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.

3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.

3.1

Landelijk beleid

Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2022) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 jaar die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.888 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.494 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 4.260 euro per jaar. Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.534 euro per jaar. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Voor iedere AOW-gerechtigde. De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.726 euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 449 euro per jaar.

Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals inkomen. De volgende toeslagen (2022) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 31.998 euro of minder. Voor samenwonenden is deze grens 40.944 euro. Voor jongeren vanaf 18 jaar die bij hun ouders wonen geldt het inkomen van de jongere zelf en niet dat van hun ouders.

Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2022 bedraagt deze voor alleenstaanden 120.020 euro en voor paren 151.767 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 111 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 212 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 31.747 euro per persoon is strenger dan voor de zorgtoeslag. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur1 volledige huurtoeslag tot een huur van 442,46 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent van de huur tot 633,25 euro vergoed. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit tot een huur van 678,66 euro. Alleenstaanden of ouderen/hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 763,47 euro vervolgens nog 40 procent vergoed.

In de begroting is gerekend met een gemiddelde huurprijs van 556 euro per maand in overleg met de gemeente Someren voor alle huishoudens. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,50 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 7,31 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Dit is afhankelijk van het aantal uur dat men werkt. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget.

Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de

____________________

kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Alleenstaande ouders met een verzamelinkomen tot 22.356 euro ontvangen het maximale kindgebonden budget. Voor paren met kinderen ligt de inkomensgrens op 39.596 euro. Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren, omdat zij recht hebben op een extra vast bedrag van 273,75 euro per maand. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 329,56 euro. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 280,13 euro en 230,69 euro.

3.2

Lokaal minimabeleid

Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Someren voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Een aantal regelingen is in opdracht van de gemeente niet opgenomen in de begrotingen omdat deze afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie of niet van toepassing zijn op de onderzochte huishoudtypen. Voor de volledigheid komen deze regelingen aan de orde in paragraaf 3.2.9.

3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Someren kan kwijtschelding worden aangevraagd voor het vastrecht van de afvalstoffenheffing. De afvalstoffenheffing bestaat uit een vast deel en een variabel deel. Naast het vaste bedrag per perceel van 152,76 euro kent de gemeente een tarief per lediging van 12,25 euro voor restafval (eens per maand) en 1,00 euro voor GFT-afval (om de week). Dit komt neer op een bedrag van maximaal: 173 euro per jaar. In de begrotingen gaan we uit van 6 ledigingen per jaar voor restafval en 12 ledigingen voor GFT-afval voor de huishoudens zonder kinderen. Voor huishoudens met kinderen rekenen we met 12 ledigingen voor restafval en 24 ledigingen voor GFT-afval. Kwijtschelding is alleen mogelijk voor het vastrecht, niet voor de ledigingen. De kwijtscheldingsnorm bedraagt 100 procent van het sociaal minimum. Dit is hoger dan de wettelijk voorgeschreven norm van 90 procent. Bij een inkomen hierboven wordt betalingscapaciteit verondersteld. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto

AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Someren maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers en houdt ook rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Bij het waterschap Aa en Maas is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing/ verontreinigingsheffing en voor de watersysteemheffing ingezetenen. Dit wordt geregeld via de Belastingsamenwerking Oost-Brabant Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en het waterschap worden gezamenlijk berekend. Wanneer een inwoner recht heeft op kwijtschelding van gemeentelijke belasting geldt het verzoek ook voor de zuiveringsheffing en watersysteemheffing. Ze hoeven deze kwijtschelding niet opnieuw aan te vragen.

3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom bieden veel gemeenten inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan. De gemeente Someren biedt in dit kader vier polissen met aanvullende verzekering aan van verzekeraar CZ: Extra Zorgbewustpolis, Extra Uitgebreid Zorgbewustpolis, Extra Zorgop-maatpolis en Extra Uitgebreid Zorg-op-maatpolis. In de begrotingen gaan we er vanuit dat huishoudens kiezen voor de Extra Uitgebreide Zorgbewustpolis, die iets goedkoper is dan de Extra Zorgbewustpolis en de Zorg-opmaatpolissen. Hiervoor draagt de gemeente per maand 33 euro per maand aan bij voor huishoudens met een inkomen tot 120 procent, bovenop de collectiviteitskorting. De maandelijkse premie bedraagt daarmee 148,20 euro. Daarnaast gaan we ervan uit dat huishoudens maandelijks moeten reserveren voor het eigen risico van 385 euro per jaar, omdat zij dit geld waarschijnlijk niet beschikbaar hebben, als zij dit (onverwacht) nodig hebben. Bij de collectieve verzekering van CZ wordt deze reservering maandelijks afgeschreven. Als het eigen risico niet volledig wordt gebruikt, dan krijgt het huishouden achteraf het bedrag (deels) terug. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”.

De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. Het eigen risico is in de begrotingen opgenomen onder de post “eigen risico zorgverzekering”.

3.2.3 Regeling Meedoen De gemeente Someren vindt het belangrijk dat alle inwoners mee kunnen doen aan sociale, sportieve, culturele en maatschappelijke activiteiten. De gemeente heeft daarom de Regeling Meedoen. Deze regeling is een bijdrage van maximaal 200 euro per kalenderjaar per persoon, van alle leeftijden, met een netto gezinsinkomen dat niet hoger is dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm. De gemeente verstrekt (een deel van) dit bedrag op declaratiebasis met coulance en brede inzetbaarheid. Daarom wordt in de begroting ook de vergoeding voor kinderen onder 4 jaar meegenomen. In de begrotingen is de bijdrage verrekend met de post “sociale participatie”.

3.2.4 Stichting Leergeld Asten Someren Ouders of verzorgers met een inkomen niet hoger dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm uit de gemeente Someren kunnen bij de Stichting Leergeld Someren een aanvraag indienen om hun kind(eren) deel te laten nemen aan binnen- en buitenschoolse activiteiten. Het is voor schoolgaande kinderen van 4 tot 18 jaar oud. De bijdrage vanuit Stichting Leergeld vult de Regeling Meedoen aan. Er is geen maximum bedrag voor een gezin of kind. Naast vergoedingen voor onderwijsactiviteiten, vergoedt Stichting Leergeld ook de contributie en eventuele attributen voor sport, cultuur en welzijn. In de begroting wordt ervan uitgegaan dat de vergoedingen vanuit Stichting Leergeld zo ruim mogelijk worden afgestemd met de Regeling Meedoen. Onder de post “onderwijs” zijn de ouderbijdrage, schoolexcursies of schoolreis uit de begroting gehaald. Bij kinderen in het voortgezet onderwijs zijn ook de aanschafkosten van een laptop en fiets verrekend. Bij de laptop gaan we uit van een levensduur van 5 jaar. Daarnaast wordt in de begrotingen voor ieder gezinslid vanaf 4 jaar gerekend met een lidmaatschap van één vereniging (sport óf cultuur). We gaan ervan uit dat deze kosten voor kinderen vergoed worden via Stichting Leergeld.

Daarmee vergoedt Stichting Leergeld voor kinderen in het voortgezet onderwijs 51 euro per maand en voor kinderen op de basisschool 18 euro per maand. 3.2.5 Individuele Inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag in de gemeente Someren is bedoeld voor huishoudens vanaf 21 jaar die weinig zicht hebben op extra inkomen in de toekomst en die wel inzet hebben getoond om meer inkomen te krijgen en van wie het inkomen in de afgelopen drie jaar niet hoger was dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. De hoogte van Individuele Inkomenstoeslag bedraagt: • 598,13 euro voor paren (38 procent van de Participatie Wet artikel 21 onderdeel b) • 418,69 euro voor alleenstaanden (70 procent van paren) • 538,32 euro voor alleenstaande ouders (90 procent van paren) Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die recht hebben op de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd, omdat niet elke inwoner van Someren met een laag inkomen hiervoor in aanmerking komt: de IIT is alleen bedoeld voor huishoudens waarvan het inkomen minimaal drie jaar niet hoger was dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Daarbij wordt bij de alleenstaande ouders rekening gehouden met een verhoogde inkomensnorm conform de 90 procent van de bijstandsnorm voor gehuwden.

3.2.6 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot en met de basisschoolleeftijd een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten.

Voor enkele specifieke doelgroepen verstrekt de gemeente een vergoeding voor de eigen bijdrage, maar in deze rapportage wordt niet van deze bijzondere doelgroepen uitgegaan.2 Daarom wordt voor alleenstaande ouders met jonge kinderen de eigen bijdrage voor kinderopvang in de begrotingen opgenomen. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en op 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering, die geen traject naar werk volgt, hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken. Daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat voor het kind van drie jaar één dagdeel per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen op 110, 120 of 130 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. 3 Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag.

Kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar van deze ouders gaan wel naar de peuteropvang voor een dagdeel per week. De eigen bijdrage voor de kinderopvang en de bijdrage voor de peuteropvang zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. Voor de huishoudens die in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag, is dit in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.8 Energietoeslag De afgelopen maanden zijn de gemiddelde huishoudelijke kosten van energie sterk gestegen. De verwachting is dat de energieprijzen voorlopig hoog zullen blijven. Het kabinet heeft aangegeven dat de gevolgen voor huishoudens gedempt zullen gaan worden. Zo is vanaf 1 juli dit jaar de btw op energie voor een halfjaar verlaagd van 21 procent naar 9 procent. Voor huishoudens met een laag inkomen kunnen gemeenten een (eenmalige) energietoeslag uitkeren. Het Rijk heeft aan gemeenten geld ter beschikking gesteld om huishoudens met een laag inkomen een eenmalige tegemoetkoming te geven vanwege de ____________________ 2

Voor de volgende doelgroepen verstrekt de gemeente een vergoeding voor de eigen bijdrage: o

Inwoners met inkomen uit werk en een aanvullende bijstandsuitkering.

o

Inwoners met een bijstandsuitkering die een traject richting werk volgen.

o

Inwoners jonger dan 18 jaar die naar school gaan of een opleiding volgen.

o

Inwoners die staan ingeschreven bij een school of onderwijsinstelling (student) en die geen inkomen uit werk hebben.

3

o

Inwoners die kinderopvang gebruiken op grond van een sociaal medische indicatie (via de WMO).

o

Statushouders in het kader van een inburgeringstraject

o

Inwoners met kinderen met een voorschoolse of vroegschoolse educatie (VVE)-indicatie

Dit is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

gestegen energiekosten. Gemeenten kunnen zelf invulling geven aan welke groepen ze welk bedrag geven. Voor het verstrekken van deze energietoeslag wordt van de categoriale bijzondere bijstand gebruik gemaakt. Zo kan de gemeente huishoudens de toeslag uitkeren aan inwoners die aan de voorwaarde voldoen, zonder te controleren of de energiekosten daadwerkelijk gestegen zijn of voldoende middelen (vermogen) beschikken de energierekening te betalen. De gemeente Someren volgt de richtlijn van het Rijk en keert eerst 800 euro (standaard tot 120 procent) uit. Na de recente toezegging van een extra toeslag vanuit het Rijk wordt dit najaar nogmaals 500 euro uitgekeerd. In de berekeningen is de energietoeslag eenmalig verrekend met de post “gas” als een bedrag van 1.300 euro dat wordt toegekend aan huishoudens met een inkomen niet hoger dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. 3.2.9. Bijzondere bijstand De gemeente Someren verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Het inkomen tot 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm wordt niet als draagkracht aangemerkt; van het inkomen daarboven wordt 100 procent als draagkracht aangemerkt. Daarnaast geldt de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet.

De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie.

4 Resultaten 4.1

Saldo inkomsten min uitgaven

Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); Een aanname bij de uitkomsten van tabel 1 is dat huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke. In praktijk is dit niet het geval. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van juli 2022. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.

Een eenmalige energietoeslag van 1.300 euro tot 120 procent is meegenomen in deze saldi. Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 149 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, dan is er een bestedingsruimte van 62 euro. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen.

4.2

Bestedingsruimte

4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Uit de tweede kolom (‘saldo na basispakket’) blijkt dat alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen.

Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand

4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie a. Alleenstaande Een alleenstaande met een bijstandsuitkering heeft nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan een positief saldo van 62 euro per maand. Op 110 procent en de hogere inkomens is het saldo ook positief. b. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) Wanneer iemand de leeftijd bereikt waarop hij of zij AOW kan krijgen, stopt de bijstandsuitkering. Het maandelijkse bedrag van de AOW-uitkering is hoger dan die van een bijstandsuitkering. Daarom wordt het saldo van uitgaven versus inkomsten gunstiger bij de overgang van een alleenstaande van de bijstand naar de AOW. We gaan voor ouderen in de AOW-leeftijd weliswaar uit van iets hogere uitgaven voor energie en nietvergoede ziektekosten (zelfzorgmiddelen), maar dat wordt gedempt door iets lagere uitgaven aan verzekeringen en vervoer. c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met 2 jongere kinderen houdt op elk inkomensniveau voldoende saldo over om alle uitgaven uit het basispakket en alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te doen. Op bijstandsniveau houdt het gezin na de uitgaven voor sociale participatie 298 euro over. d.

Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met kinderen van 14 en 16 jaar kan zowel het basispakket als de kosten voor sociale participatie bekostigen. Op bijstandsniveau houdt het gezin 131 euro over. De bestedingsruimte per maand is lager dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer. De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget) en ruimer gemeentelijk beleid. e. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van 38 euro. Op 110 procent is dat 99 euro. Een belangrijke oorzaak van de lage bestedingsruimte ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande. f. Paar met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft voldoende bestedingsruimte om naast alle uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te kunnen doen. Op bijstandsniveau is het restsaldo 104 euro per maand, wat lager is dan bij het eenoudergezin.

Een belangrijke oorzaak hiervan is dat de kosten van de peuteropvang voor dit huishouden, anders dan bij het eenoudergezin, volledig voor rekening van het huishouden komen. In individuele situaties is wel vergoeding hiervoor mogelijk. g. Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar)

Het paar met twee oudere kinderen kan op bijstandsniveau de maandbegroting niet rondkrijgen en kom maandelijks 39 euro tekort. Daarna wordt het saldo daarna positief wordt met 22 euro en 31 euro op respectievelijk 110 en 120 procent. Wel heeft dit huishouden op 130 procent weer een negatief saldo van 150 euro. Dit komt door zowel het wegvallen van het recht op de gemeentelijke vergoedingen en de eenmalige energietoeslag. De bestedingsruimte is op alle onderzochte inkomensniveaus lager dan voor het paar met jonge kinderen. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen, aan onder meer voeding, kleding en in mindere mate onderwijs. Ook de ruimere (school- en sportgerelateerde) vergoedingen voor oudere kinderen uit het minimabeleid kunnen dit niet compenseren. Conclusie Alle huishoudens kunnen de basisuitgaven bekostigen en de meeste huishoudens kunnen daarnaast ook de uitgaven voor sociale participatie doen. Alleen voor het paar met oudere kinderen op bijstandsniveau schiet de bestedingsruimte tekort met maandelijks 39 euro. Hoewel het saldo op 110 en 120 procent weer positief wordt, krijgt dit huishouden op 130 procent te maken met een groot maandelijks tekort. Dit huishouden is daarmee extra kwetsbaar voor tegenslagen of onvermijdbare uitgaven.

Verder houdt het paar zonder kinderen op bijstandsniveau een krappe bestedingsruimte over van 38 euro. De positieve balans zal sneller omslaan in een tekort op de maandbegroting wanneer er niet aan de drie eerder genoemde voorwaarden wordt voldaan (zie paragraaf 2.5).

4.3

Armoedeval

Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. Wanneer we alleen kijken naar de bestedingsruimte nadat de uitgaven in het basispakket zijn gedaan, zien we een uitstroomval bij het paar met oudere kinderen op 130 procent. Wanneer we daarnaast ook kijken naar de uitgaven van sociale participatie zien we ook een uitstroomval op 130 procent bij het eenoudergezin met oudere kinderen en paren met jonge én oudere kinderen. Daarmee is een uitstroomval hoofdzakelijk te zien bij gezinnen met (oudere) kinderen wat (deels) kan worden verklaard door het wegvallen of verlagen van ondersteuning vanuit de kindregelingen en de energietoeslag. De gemeentelijke ondersteuning vanuit de Regeling Meedoen en Stichting Leergeld is per gezin met twee oudere kinderen 101 euro per maand. Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In dit onderzoek zien we bij alle huishoudens doorstroomvallen tussen 120 procent en 130 procent. In deze gevallen is de bestedingsruimte op 130 procent lager dan op 120 procent. Dit komt door het wegvallen van de zorg-, de huurtoeslag en de eenmalige energietoeslag bij de overgang van 120 naar 130 procent, in combinatie met het wegvallen van een

aantal lokale minimaregelingen, zoals de regelingen van Stichting Leergeld en de collectieve verzekering. Zeker de eenmalige energietoeslag van 108 euro per maand levert een belangrijke (en noodzakelijke) bijdrage aan het bekostigen van de maandelijkse uitgaven. Deze regelingen hebben allemaal een inkomensgrens van 120 procent van de bijstandsnorm en daarboven is er geen recht meer.

4.4

Huishoudens met langdurig een laag inkomen

Huishoudens in de gemeente Someren die 3 jaar of langer van een inkomen moeten leven dat niet hoger is dan een bepaald percentage van de geldende bijstandsnorm, komen in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de toeslag hangt af van het huishoudtype. In tabel 1 staan in de laatste 2 kolommen de saldi van de inkomsten min de uitgaven uitgewerkt waarbij ook rekening is gehouden met de IIT. Als we kijken naar de bestedingsruimte inclusief de IIT zien we dat het negatieve saldo van paren met twee oudere kinderen van 14 en 16 jaar omslaat naar een positief saldo. Het IIT compenseert dit tekort daarmee volledig, hoewel het saldo met 11 euro wel krap is. De IIT kan een extra armoedeval veroorzaken: een huishouden met recht op IIT kan een hogere bestedingsruimte hebben dan een huishouden op een hoger inkomensniveau, zonder recht op IIT. In de gemeente Someren doet dit verschijnsel zich niet voor. Wel zien we dat de doorstroomval 130 procent, die zonder IIT ook zichtbaar is, nu groter wordt. Bij het eenoudergezin met twee oudere kinderen is de doorstroomval een uitstroomval geworden. Daarmee is het saldo van dit huishouden op 130 procent lager dan het saldo op bijstandsniveau inclusief IIT.

Overigens kan erover gediscussieerd worden in hoeverre er gesproken kan worden van een doorstroomval als het saldo inclusief IIT vergeleken wordt met een hoger inkomensniveau waarin er geen recht op de IIT bestaat. De IIT is immers bedoeld voor huishoudens die langdurig op het minimum leven en zeer weinig kans hebben om hun inkomen te verhogen.

4.5

Verhoogde inkomensgrens minimaregeling naar 120 procent

Door de inkomensnorm voor de Regeling Meedoen te verhogen van 110 naar 120 procent

worden de inkomensnormen voor gemeentelijke minimaregelingen in de gemeente Someren gelijk getrokken. De gemeente Someren heeft het Nibud gevraagd te onderzoeken wat het effect op de begrotingen is als deze inkomensgrens wordt verschoven naar 120 procent. In tabel 2 zijn de resultaten van deze verschuiving opgenomen waarbij ook in beeld wordt gebracht wat dit betekent voor huishoudens met een inkomen daarboven, op 130 procent. In de huidige situatie, wanneer de regeling tot 110 procent loopt, hebben alle huishoudens op 120 procent voldoende bestedingsruimte om alle basisuitgaven én uitgaven voor sociale participatie te kunnen doen (zie tabel 1). Alleen het paar met twee oudere

kinderen heeft op 120 procent een krappe bestedingsruimte van 31 euro. De alleenstaande oudere heeft de ruimste bestedingsruimte van 390 euro op 120 procent. Bij het verschuiven van de inkomensgrens naar 120 procent is de bijdrage voor grotere gezinnen hoger omdat de Regeling Meedoen in de begrotingen voor alle personen in het huishouden is meegenomen. Paren met kinderen krijgen dan een (maximale) bijdrage van bijna 70 euro per maand. Daarmee wordt dit huishouden minder kwetsbaar. Voor het paar zonder kinderen op 120 procent zorgt de verschuiving voor een bestedingsruimte van 174 euro in plaats van 141 euro. Voor het paar met jonge kinderen is de maandelijkse bestedingsruimte dan 240 euro in plaats van 174 euro. Als we kijken naar armoedevallen zien we dat het verhogen van de inkomensgrens de verschillen tussen 120 en 130 procent verscherpt. Wel moet bij het interpreteren van deze resultaten rekening worden gehouden met de eenmalige aard van de energietoeslag, die ook tot 120 procent doorloopt. Wanneer deze bijdrage voor de energiekosten van 108 euro per maand wegvalt zal dit te voelen zijn in de huishoudportemonnee. Als we dan alleen naar de huishoudens op 120 procent kijken, zullen vooral paren en paren met kinderen een relatief krappere bestedingsruimte hebben. De resultaten geven aan dat vooral ondersteuning van het paar met oudere kinderen nodig is.

Dit huishouden heeft een tekort op bijstandsniveau en wanneer het recht op de gemeentelijke minimaregelingen bij 130 procent niet meer bestaat. Paren zonder kinderen, de alleenstaande, en paren met twee jonge kinderen volgen daarna als de meer kwetsbare huishoudens. Zij hebben baat bij extra ondersteuning, zeker wanneer de eenmalige energietoeslag wegvalt.

Tabel 2. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand met regelingen tot 120 procent a. Alleenstaande

100% 110% 120% 130%

€ € € €

saldo na basispakket 149 172 282 246

saldo na basispakket en participatie € 62 € 84 € 195 € 142

saldo na basispakket 372 393 494 454

saldo na basispakket en participatie € 284 € 306 € 407 € 350

saldo na basispakket 184 206 317 246

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 97 € 119 € 229 € 142

saldo na basispakket

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie

€ € € €

saldo na basispakket 480 514 579 562

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 342 € 377 € 442 € 362

€ € € €

saldo na basispakket 318 332 442 366

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 175 € 189 € 299 € 136

€ € € €

saldo na basispakket 221 282 358 228

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 87 € 148 € 224 € 61

€ € € €

saldo na basispakket 338 399 474 339

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 154 € 215 € 290 € 76

€ € € €

saldo na basispakket 200 261 337 143

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 11 € 72 € 148 € -150

€ € € €

b. Alleenstaande oudere

100% 110% 120% 130%

€ € € €

c. eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 435 € 298 110% € 469 € 332 120% € 534 € 397 130% € 517 € 317 d. eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 273 € 131 110% € 287 € 144 120% € 397 € 255 130% € 321 € 91

e. Paar zonder kinderen saldo na basispakket 171 232 308 228

saldo na basispakket en participatie € 38 € 99 € 174 € 61

f. paar met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na basispakket 100% € 288 110% € 349 120% € 424 130% € 339

saldo na basispakket en participatie € 104 € 165 € 240 € 76

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12336571/3