CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Algemene motivering

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen wijziging Omgevingsplan Buitengebied Someren - deelgebied 5.29.423 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Het werkingsgebied ‘overtollige bebouwing’ opnemen.

Otterdijk 8

Opnemen werkingsgebied ‘paardenbak’ aansluitend aan het woonfunctievlak.

De overmaat aan vergunde of overgangsrechtelijke beschermde bebouwing wordt beperkt in bouwen en gebruik. Zie toelichting in § 4.3.2.2. Aangrenzend aan de woonfunctie is een rijbak gesitueerd. Deze rijbak past binnen de gemeentelijke regelgeving en krijgt in het omgevingsplan een aanduiding.

79

Otterdijkseweg 1

Het werkingsgebied ‘schuilgelegenheid' opnemen.

Een plan voor een schuilgelegenheid welke passend is binnen het gemeentelijke beleid is ingediend. De schuilgelegenheid wordt door middel van een werkingsgebied positief bestemd als schuilgelegenheid.

Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Voor het opnemen van het werkingsgebied schuilgelegenheid wordt een kwaliteitsverbetering geleverd in de vorm van een landschappelijke inpassing. Het beplantingsplan wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd. Op basis van vergund recht dient de omgevingsnorm voor het maximum aan bijgebouwen aangepast te worden.

De omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen: 257 m²’ opnemen. Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Slievenstraat 36

De omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte aan bijgebouwen: 333 m²’ opnemen.

Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Slievenstraat 44

De omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen: 152 m²’ opnemen.

Aan de verleende vergunning is een kwaliteitsverbetering gekoppeld in de vorm van een landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd. Op de locatie is 333 m² aan vergunde dan wel overgangsrechtelijk beschermde bebouwing aanwezig welke niet volledig is opgericht ten behoeve van de woonfunctie. Het vergroten van dit oppervlak aan bijgebouwen wordt gezien als een categorie 3-ontwikkeling in het kader van de LIR. Zie toelichting in § 4.3.2.2. Voor het opplussen van de bijgebouwen wordt een kwaliteitsverbetering geleverd in de vorm van een landschappelijke inpassing. Het beplantingsplan wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd. Op de locatie is 152 m² aan vergunde dan wel overgangsrechtelijk beschermde bebouwing aanwezig welke niet volledig is opgericht ten behoeve van de woonfunctie. Het vergroten van dit oppervlak aan bijgebouwen wordt gezien als een categorie 2-ontwikkeling in het kader van de LIR. Hierdoor moet de

80

Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Slievenstraat 46

De omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte aan bijgebouwen: 153 m²’ opnemen

Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Slievenstraat 58

Functievlak ‘Wonen’ vergroten.

Het werkingsgebied ‘veldschuur’ opnemen.

Slievenstraat 59

Functievlak ‘Wonen’ vergroten.

Slievenstraat 60

Functievlak ‘Wonen’ vergroten.

Slievenstraat 61

Functievlak ‘Wonen’ vergroten.

locatie voorzien worden van een goede landschappelijke inpassing. Zie toelichting in § 4.3.2.2. Voor het opplussen van de bijgebouwen wordt een kwaliteitsverbetering geleverd in de vorm van een landschappelijke inpassing. Het beplantingsplan wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd. Het vergroten van het oppervlak aan bijgebouwen bij een woning wordt in het kader van de LIR Someren gezien als een categorie 3-ontwikkeling. Zie toelichting in § 4.3.2.2. Voor het opplussen van de bijgebouwen wordt een kwaliteitsverbetering geleverd in de vorm van een landschappelijke inpassing. Het beplantingsplan wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd. Het vergroten van het woonfunctievlak wordt gezien als een categorie 1ontwikkeling volgens de LIR, aangezien deze onder de 1.500 m² blijft. Hiervoor hoeft geen tegenprestatie te worden geleverd. Zie toelichting in § 4.3.2.3. Op de locatie is een overgangsrechtelijk beschermde velschuur aanwezig. De veldschuur wordt door middel van een werkingsgebied positief bestemd als veldschuur. Het vergroten van het woonfunctievlak wordt gezien als een categorie 1ontwikkeling volgens de LIR, aangezien deze onder de 1.500 m² blijft. Hiervoor hoeft geen tegenprestatie te worden geleverd. Zie toelichting in § 4.3.2.3.

Het vergroten van het woonfunctievlak wordt gezien als een categorie 1ontwikkeling volgens de LIR, aangezien deze onder de 1.500 m² blijft. Hiervoor hoeft geen tegenprestatie te worden geleverd. Zie toelichting in § 4.3.2.3. Het vergroten van het woonfunctievlak wordt gezien als een categorie 1ontwikkeling volgens de LIR, aangezien deze onder de 1.500 m² blijft. Hiervoor hoeft

81

Slievenstraat 68

Het bestemmingsplan 'Slievenstraat 68 te Someren' overnemen. Functievlak opsplitsen op basis van kadastrale grenzen. Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Slievenstraat 70

De omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen: 220 m²’ opnemen. Het bestemmingsplan 'Slievenstraat 68 te Someren' overnemen. Functievlak opsplitsen op basis van kadastrale grenzen. Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Slievenstraat 71

Het werkingsgebied ‘overtollige bebouwing’ opnemen.

Slievenstraat 72

Het bestemmingsplan 'Slievenstraat 68 te Someren' overnemen. Functievlak opsplitsen op basis van kadastrale grenzen. Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Somerenseweg 40

De omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte aan bijgebouwen: 250 m²’ opnemen.

geen tegenprestatie te worden geleverd. Zie toelichting in § 4.3.2.3. Het bestemmingsplan 'Slievenstraat 68 te Someren' wordt overgenomen en de bouwregels worden aangepast en omgeschreven naar het omgevingsplan.

De landschappelijke inpassing wordt opgenomen op basis van het bestemmingsplan 'Slievenstraat 68 te Someren' en daarmee geborgd. Op basis van vergund recht dient de omgevingsnorm voor het maximum aan bijgebouwen aangepast te worden. Het bestemmingsplan 'Slievenstraat 68 te Someren' wordt overgenomen en de bouwregels worden aangepast en omgeschreven naar het omgevingsplan.

De landschappelijke inpassing wordt opgenomen op basis van het bestemmingsplan 'Slievenstraat 68 te Someren' en daarmee geborgd. De overmaat aan vergunde of overgangsrechtelijke beschermde bebouwing wordt beperkt in bouwen en gebruik. Zie toelichting in § 4.3.2.2. Het bestemmingsplan 'Slievenstraat 68 te Someren' wordt overgenomen en de bouwregels worden aangepast en omgeschreven naar het omgevingsplan.

De landschappelijke inpassing wordt opgenomen op basis van het bestemmingsplan 'Slievenstraat 68 te Someren' en daarmee geborgd. Op de locatie is 250 m² aan vergunde dan wel overgangsrechtelijk beschermde bebouwing aanwezig welke niet volledig is opgericht ten behoeve van de woonfunctie. Het vergroten van dit oppervlak aan bijgebouwen wordt gezien als een categorie 2-ontwikkeling in het kader van de LIR. Hierdoor moet de locatie voorzien worden van een goede

82

Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Het werkingsgebied ‘overtollige bebouwing’ opnemen.

Vaarsehoefweg 31

Vaarsehoefweg 33-33z

Functievlak ‘Wonen’ van vorm veranderen.

landschappelijke inpassing. Zie toelichting in § 4.3.2.2. Voor het opplussen van de bijgebouwen wordt een kwaliteitsverbetering geleverd in de vorm van een landschappelijke inpassing. Het beplantingsplan wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd. De overmaat aan vergunde of overgangsrechtelijke beschermde bebouwing wordt beperkt in bouwen en gebruik. Zie toelichting in § 4.3.2.2. Voor toekomst plannen wat betreft het oprichten van een nieuw bijgebouw is er een verzoek ingediend en goedgekeurd om het woonfunctievlak van vorm te veranderen. De vormverandering van het woonfunctievlak wordt gezien als een categorie 2-ontwikkeling volgens de LIR. Hierdoor moet de locatie voorzien worden van een goede landschappelijke inpassing. Zie toelichting in § 4.3.2.3.

De omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte aan bijgebouwen: 227 m²’ opnemen.

Op basis van vergund recht dient de omgevingsnorm voor het maximum aan bijgebouwen aangepast te worden. Daarnaast wordt het oppervlak opgeplust voor toekomstige bebouwing door middel van de Sloopbank. Het vergroten van het oppervlak aan bijgebouwen bij een woning wordt in dit kader van de LIR Someren gezien als een categorie 2-ontwikkeling. Zie toelichting in § 4.3.2.2.

Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Voor het opplussen van de bijgebouwen en de vormverandering van het woonfunctievlak wordt een kwaliteitsverbetering geleverd in de vorm van een landschappelijke inpassing. Het landschappelijke inpassingsplan wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd. Een deel van de verharding en de tuin liggen buiten het woonfunctievlak. De vormverandering van het woonfunctievlak wordt gezien als een categorie 3ontwikkeling volgens de LIR. Zie toelichting

Functievlak ‘Wonen’ vergroten.

83

in § 4.3.2.3.

Varendonkweg 2

Varendonkweg 14

De omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte aan bijgebouwen: 237 m²’ wordt opgenomen.

Op basis van vergund recht dient de omgevingsnorm voor het maximum aan bijgebouwen aangepast te worden. Daarnaast wordt het oppervlak opgeplust voor de reeds aanwezige overige bebouwing. Het vergroten van het oppervlak aan bijgebouwen bij een woning wordt in het kader van de LIR Someren gezien als een categorie 3-ontwikkeling. Zie toelichting in § 4.3.2.2.

Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Voor het opplussen van de bijgebouwen en de vergroting van het woonfunctievlak wordt een kwaliteitsverbetering geleverd in de vorm van een landschappelijke inpassing. Het landschappelijke inpassingsplan wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd. Een bijgebouw en de tuin liggen buiten het woonfunctievlak. Het betreft een vergund bouwwerk en de situatie dateert van voor het huidige bestemmingsplan. De vormverandering van het woonfunctievlak wordt gezien als een categorie 2ontwikkeling volgens de LIR. Hierdoor moet de locatie voorzien worden van een goede landschappelijke inpassing. Zie toelichting in § 4.3.2.3.

Functievlak ‘Wonen’ van vorm veranderen.

De omgevingsnorm ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ opnemen.

In 2024 is een vergunning verleend voor het splitsen en verbouwen van een woonboerderij. Op basis van dit vergunde recht wordt er een omgevingsnorm opgenomen voor twee woningen.

Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Voor de vormverandering van het woonfunctievlak wordt een kwaliteitsverbetering geleverd in de vorm van een landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd. Een bijgebouw ligt buiten het woonfunctievlak. Het betreft een bouwwerk welke is opgericht voor het huidige bestemmingsplan. De vormverandering van het woonfunctievlak wordt gezien als een

Functievlak ‘Wonen’ van vorm veranderen.

84

categorie 2-ontwikkeling volgens de LIR. Hierdoor moet de locatie voorzien worden van een goede landschappelijke inpassing. Zie toelichting in § 4.3.2.3. De omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen: 153 m²’ opnemen.

Het vergroten van het oppervlak aan bijgebouwen bij een woning wordt in het kader van de LIR Someren gezien als een categorie 3-ontwikkeling. Zie toelichting in § 4.3.2.2.

Werkingsgebied ‘landschappelijke inpassing’ opnemen.

Voor het opplussen van de bijgebouwen en de vormverandering van het woonfunctievlak wordt een kwaliteitsverbetering geleverd in de vorm van een landschappelijke inpassing. Het landschappelijke inpassingsplan wordt in het omgevingsplan opgenomen en daarmee geborgd.

TABEL 16. WIJZIGING FUNCTIE WONEN

5.2 Nieuwe ontwikkelingen De initiatiefnemers zijn verantwoordelijk voor het aanleveren van de ruimtelijke motivering voor de ontwikkelingen inclusief de bijbehorende onderzoeken. De toetsing van de ruimtelijke motivering en daarmee de haalbaarheid van de ontwikkeling is een taak van de gemeente. In de bijlagen bij deze motivatie zijn de verschillende motivaties van de onderstaande ontwikkelingen opgenomen. Deze zijn beoordeeld door de gemeente en akkoord bevonden. Op basis van deze motivaties per locatie kunnen de ontwikkelingen doorgang vinden. De ontwikkelingen voldoen aan de betreffende instructieregels uit het Bkl en de omgevingsverordening en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locaties. De volgende ontwikkelingslocaties zijn opgenomen in deelgebied 5: Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3.

Ruimtelijke motivering Heesvenstraat 21-21a; Ruimtelijke motivering Houtbroekstraat 9; Ruimtelijke motivering Lieropsedijk 66.

5.2.1 Nieuwe ontwikkeling Heesvenstraat 21-21a De locatie Heesvenstraat 21-21a heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijf’, echter vinden er op de locatie geen bedrijfs- maar recreatieve activiteiten plaats. In de voormalige bedrijfsbebouwing bevindt zich een indoorcurlinghal, waarmee de bestemming niet overeen komt met het gebruik. Het verzoek is gedaan om de bestemming “Bedrijf” in het omgevingsplan om te zetten naar de functie “Recreatie” in het omgevingsplan, waarbij ondersteunende horeca wordt mogelijk gemaakt. Een deel van de achtergelegen gronden welke nu de bestemming “Bedrijf” hebben worden omgezet naar een agrarische functie. De initiatiefnemers krijgen in ruil hiervoor een compacter, logischer recreatief functievlak waarbinnen zij hun recreatieve bedrijfsfuncties kunnen uitvoeren. Daarnaast wordt de bedrijfswoning, welke is aangeduid als een cultuurhistorisch 85

waardevolle langgevelboerderij, gesplitst in twee woningen: één ten behoeve van de bedrijfswoning en één als reguliere burgerwoning. Met de beoogde herontwikkeling wordt voor wat betreft de bedrijfsvoering de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Daarbij wordt de cultuurhistorische waardevolle langgevelboerderij gesplitst in twee wooneenheden. De bestaande bebouwing en bouwperceel worden hiervoor gebruikt. Er is dus sprake van zorgvuldig ruimte gebruik. Daarbij wordt met de splitsing van het cultuurhistorisch waardevolle pand een meerwaarde gecreëerd voor de omgeving. Verdere toelichting over hoe de verschillende omgevingswaarden (bodem, natuur, veiligheid etc.) worden beïnvloed door deze ontwikkeling is na te lezen in de ruimtelijke motivering voor deze ontwikkeling in Bijlage 1 bij deze motivering.

5.2.2 Nieuwe ontwikkeling Houtbroekstraat 9 Voor de Houtbroekstraat 9 is er een motivering ingediend die toeziet op het herbestemmen de intensieve veehouderij, bestaande uit een vleeskuikenhouderij, naar een opfokbedrijf voor paarden. Om de bijbehorende faciliteiten op een geschikte manier in te passen in het beekdallandschap is er de wens uitgesproken vanuit de gemeente en de provincie om het functievlak van vorm te veranderen. Verdere toelichting over hoe de verschillende omgevingswaarden (bodem, natuur, veiligheid etc.) worden beïnvloed door deze ontwikkeling is na te lezen in de ruimtelijke motivering voor deze ontwikkeling in Bijlage 2 bij deze motivering.

5.2.3 Nieuwe ontwikkeling Lieropsedijk 66 Op de Lieropsedijk 66 bevindt zich een agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een paardenhouderij, waarbij er twee bedrijfswoningen aanwezig zijn. Eén van de twee bedrijfswoningen wordt bewoond door personen die geen binding hebben met het agrarische bedrijf, wat in strijd is met de regels van het vigerende bestemmingsplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is de aanduiding ‘plattelandswoning’, een regeling waarbij derden onder voorwaarden voormalige bedrijfswoningen mochten bewonen, vervallen. De twee strijdigheden welke geregeld zijn met deze ontwikkelingen zien toe op het regelen van de bewoning van de bedrijfswoning door een derde en de bepaling van een ‘voormalige functionele binding’ van de bedrijfswoning met het agrarische bedrijf. De ontwikkeling behelst alleen de wijziging van een bestaande bedrijfswoning naar een bedrijfswoning met een voormalige functionele binding. Het bestaande ruimtebeslag wordt niet uitgebreid en er vindt geen intensivering plaats van het bestaande ruimtebeslag. Verder wordt er meerwaarde gecreëerd door de voormalige bedrijfswoning door derden te laten bewonen, het voorkomt leegstand en verloedering in het buitengebied. Daarnaast is er een landschappelijke inpassingsplicht aan de ontwikkeling gekoppeld welke toeziet op de verfraaiing van de omgeving.

De ontwikkeling is onder andere getoetst aan het gemeentelijke beleid voor ‘plattelandswoningen’. Inmiddels spreekt de wetgeving over ‘voormalige functionele binding’. Uit de toetsing blijkt de ontwikkeling te voldoen aan de landelijke normen en de gemeentelijke criteria uit het beleid voor toepassing van de status ‘plattelandswoning’.

86

Verdere toelichting over hoe de verschillende omgevingswaarden (bodem, natuur, veiligheid etc.) worden beïnvloed door deze ontwikkeling is na te lezen in de ruimtelijke motivering, Bijlage 3 van deze motivering.

5.3 Borging verplichtingen In de gevallen dat bij het wijzigen van een functie, waar sprake is van een waardevermeerdering en op grond hiervan een kwaliteitsverbetering van het landschap vereist is, én in die gevallen waar gebruik wordt gemaakt van de lokale sloopbonusregeling, kan er noodzaak zijn om de vereiste kwaliteitsverbetering of sloop ook planologisch te borgen. Die borging moet dan normaliter plaatsvinden in het publiekrechtelijke spoor, dus in het omgevingsplan. Daarnaast wordt voor een aantal gevallen met betrokken initiatiefnemers een (anterieure) uitvoeringsovereenkomst gesloten. Nog voordat het college van burgemeester en wethouders het omgevingsplan zal aanbieden aan de gemeenteraad ter vaststelling. Het wijzigen van een functie in het omgevingsplan is in bovenbedoelde situaties gebonden aan bepaalde voorwaardelijke verplichtingen. Dit op grond van de volgende gemeentelijke en/of provinciale regelingen.

5.3.1 De Somerense sloopbonusregeling Er wordt op de betreffende locatie ofwel elders oppervlak aan bebouwing gesloopt. In ruil hiervoor kan er bijvoorbeeld extra oppervlak bijgebouwen bij een woning worden gerealiseerd. Het slopen van gebouwen moet worden geborgd. Dit wordt geregeld via de volgende zaken: 

Een sloopverplichting of zelfs een gebodsregel voor sloop opnemen in de regels van het omgevingsplan voor: o Gebruiksactiviteiten; en/of o Bouwactiviteiten; en/of o Aanlegactiviteiten. Een sloopverplichting in de (anterieure) uitvoeringsovereenkomst opnemen met daaraan gekoppeld een boeteclausule van tenminste de hoogte van de ingeschatte sloopkosten van de sloop.

5.3.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap, omgevingsverordening De verplichting die geldt op basis van artikel 5.11 uit de omgevingsverordening voor ontwikkelingen die in het landelijke gebied plaatsvinden en een bepaalde impact hebben op de leefomgeving die vraagt om een bepaalde inspanning. Zie hiervoor onder andere paragraaf 4.2.2 over de instructieregels uit de Omgevingsverordening Brabant en paragraaf 4.3.5 over het Overige aspecten van de leefomgeving van de gemeente Someren. In het geval dat er meer dan alleen een landschappelijke inpassing noodzakelijk is, wordt er over het algemeen zowel in het planologische spoor als het anterieure spoor borging gevraagd.

87

5.3.3 Landschapsinvesteringsregeling Someren 2020 De vereiste kwaliteitsverbetering wordt, voor zover mogelijk, opgenomen als bijlage bij het omgevingsplan. Hieraan wordt een termijn van uitvoer gesteld. In de regels wordt een voorwaardelijke bepaling of een gebodsregel voor het gebruik, bouwen en/of aanleggen opgenomen, gekoppeld aan de verplichting tot het aanleggen en voor onbepaalde tijd in stand houden van de landschappelijke inpassing en eventuele andere maatregelen voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Bij de nieuwe ontwikkelingen wordt in de anterieure overeenkomst de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap beschreven en opgenomen als uitvoeringsverplichting voor de locatie. Hieraan wordt een termijn van uitvoer gesteld, er wordt een boetebeding opgelegd, inclusief kettingbeding en het uitvoeringsplan wordt als bijlage opgenomen in de overeenkomst.

5.4 Conclusie De genoemde ontwikkelingen voldoen aan de instructieregels van het Rijk en de provinciale omgevingsverordening. De genoemde ontwikkelingen voldoen aan de lokale beleidsregels. Er kan worden geconcludeerd dat er sprake is van evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij deze ontwikkelingen.

88

6 Hoe gaan we het regelen? 6.1 Inleiding Hoe de evenwichtige toedeling van functies aan locaties uiteindelijk wordt geregeld staat uitgewerkt in de regels van het omgevingsplan. Bij die regels van het omgevingsplan hoort ook een toelichting. Deze toelichting bij de regels bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijze toelichting. Deze toelichting op de regels maken onderdeel uit van de regeling zelf en zitten dus in het omgevingsplan. Beiden kunnen via het landelijke DSO worden geraadpleegd. Het omgevingsplan regelt de inrichting van en mogelijkheden binnen de fysieke leefomgeving op een andere manier dan de bestemmingsplannen deden voor invoering van de omgevingswet. Echter, een andere manier van regelen (de ‘hoe-vraag’) wil nog niet zeggen dat er iets anders is geregeld (de ‘wat-vraag’). Binnen de mogelijkheden en omstandigheden die de wetgever bij invoering van de omgevingswet heeft geboden

6.1.1 Beleidsneutrale wijziging Het uitgangspunt van deze wijziging is dat de inhoudelijke ruimtelijke regels (uit de bestemmingsplannen) beleidsneutraal verhuisd worden naar omgevingsplanregels. Voor het overgrote deels is dat ook gebeurd. Het is echter niet uitgesloten dat inhoudelijk andere mogelijkheden ontstaan door een andere manier van regelen. Die andere mogelijkheden hangen echter voor het overgrote deel samen met de invoering van de omgevingswet en de daarmee samenhangende overdracht van bevoegdheden en regels door het rijk naar de gemeenten. Het overgrote deel van die ‘erfenis’ zit in de regels uit de zogenaamde bruidsschat. Dat zijn de regels die in hoofdstuk 22 van de regeling zijn opgenomen. Belangrijk is dat de gemeente geen wijzigingen heeft doorgevoerd in de bruidsschatregels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.

6.1.2 Actualisatie buitengebied Deze wijziging van het omgevingsplan bevat meerdere wijzigingen in de mogelijkheden en toekenning van functies aan locaties. Dit is het resultaat van de uitgebreide actualisatieslag en inventarisatie die gemaakt is in deelgebied 5. Zoals in voorgaande hoofdstuk uitgebreid beschreven en verantwoord zijn er op verschillende locaties aanpassingen gedaan ten opzichte van wat er onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan (lees: bestemmingsplan) mogelijk en/of toegestaan was. Dit in lijn met de processen die ook voor deelgebied 1 tot en met 4 van het buitengebied zijn doorlopen. Deze nieuwe mogelijkheden passen echter wel allemaal binnen de bestaande beleidskaders van de gemeente Someren. Hiermee is er sprake van een beleidsneutrale wijziging van het omgevingsplan. De veranderde onderdelen en locaties ten opzichte van de oude situatie zijn beschreven en verantwoord in hoofdstuk 5 Ontwikkelingen in deelgebied 5. Meest relevant zijn daarbij de ontwikkelingen die zijn opgenomen in paragraaf 5.2 Nieuwe ontwikkelingen.

89

6.2 Opbouw van het omgevingsplan 6.2.1 Structuur Hoe de toedeling van functies aan locaties geregeld is, staat in de regels van het omgevingsplan en wordt verder toegelicht in de toelichting bij de regels. Hierbij heeft de gemeente Someren een vaste structuur gebruikt die komende jaren zal dienen als uitgangspunt om alle (noodzakelijke) regels aan op te gaan hangen. Deze structuur is hieronder schematisch weergeven in Figuur 13. Structuur omgevingsplan Someren

FIGUUR 13. STRUCTUUR OMGEVINGSPLAN SOMEREN

6.2.2 Organisch groeimodel Nu bestaat de invulling van die structuur alleen nog maar uit de verhuizing van de bestaande ruimtelijke regels (lees: de voormalige bestemmingsplannen) naar omgevingsplanregels. Om die reden zijn niet alle hoofdstukken uit de structuur al gevuld. De andere hoofdstukken zullen 90

gaandeweg langzaamaan worden gevuld met regels. Al dan niet uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In sommige gevallen als de uitwerking van bestaande beleidslijnen of -regels die ook al gelden in de gemeente Someren. Zo wordt het omgevingsplan stap voor stap gevuld met regels uit de verschillende delen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan en uit het beleid van de gemeente. Ook worden te zijner tijd de regels van de bruidsschat eventueel nog aangepast of verplaatst naar de juiste plek binnen de structuur van het omgevingsplan en zullen regels wijzigen als gevolg van beleidskeuzes van de gemeente in de omgevingsvisie. Op die wijze moet het omgevingsplan Someren op organische wijze gaan groeien tot een volwaardig en alles omvattend omgevingsplan. Zowel als het gaat om de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving als voor het ambtsgebied van de gemeente Someren.

FIGUUR 14. ORGANISCH GROEIMODEL OMGEVINGSPLAN

6.2.3 Functies toedelen In het omgevingsplan worden dus functies toegekend aan locaties in de fysieke leefomgeving. Dit gebeurt op verschillende abstractieniveaus. Dit is ook herkenbaar in de structuur van het omgevingsplan. In hoofdstuk 4 worden verschillende gebieden aangewezen. Het gaat dan om drie soorten gebieden: de gebiedstypen, beperkingengebieden en thematische gebiedsaanwijzingen. De gebiedstypen in de gemeente vormen een hoofdindeling van de fysieke leefomgeving. In algemene termen. Zo zijn er ‘woongebieden’, ‘bedrijventerreinen’, ‘natuur’ en ‘gemengd landelijk gebied’. Niet alle geïnventariseerde gebiedstypen komen nu al voor in deze eerste wijziging en zijn dus ook nog niet voorzien van regels. Voor de wel voorkomende gebiedstypen zijn in hoofdstuk 4 ook 91

de voorkomende functies opgenomen. Zo komt er in ‘natuur’ geen functie ‘bedrijventerrein’ voor. Die functie is daar immers niet aanwezig en ook niet wenselijk. In beperkingengebieden zijn gebieden aangewezen waarvoor vanuit andere regelgeving of instructies regels moeten worden gesteld. Bijvoorbeeld voor het ‘beperkingengebied aardgasleiding’ en het ‘beperkingengebied rioolleiding’. Ook worden voor die gebieden functies toegewezen die kunnen voorkomen of juist verboden zijn. Tot slot zijn er de thematische gebiedsaanwijzingen. Veelal de opvolger van de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen uit de bestemmingsplannen terug, zoals ‘Cultureel erfgoed’ of ‘Archeologische waarden’ en aanwijzingen door provinciale instructieregels, zoals het ‘Natuurnetwerk Brabant’. Deze aanduidingen leggen meestal een link naar de omgevingskenmerken en -kwaliteiten of doelen die aanwezig zijn. Om die reden kunnen voor die gebieden ook bepaalde functies worden toegelaten of uitgesloten. Bij de gebiedsaanwijzing worden dus In de regels functies, oogmerken, doelen en/of algemene regels opgenomen. Het gaat dan bij de functietoedeling in hoofdstuk 4 dus nog niet om activiteiten die al dan niet zijn toegestaan. Het gaat om aan te geven welke doelen er specifiek in die gebieden gelden, welke algemene regels er sowieso zijn en welke functies kunnen voorkomen.

In hoofdstuk 5 Functies worden vervolgens de functies beschreven en wordt aangegeven welke regels voor activiteiten binnen die functies van toepassing zijn; dus welke activiteiten er binnen die functies mogelijk zijn of juist niet. Globaal wordt per functie in principe geregeld: 1) Toepassingsbereik:  Waar en wanneer de betreffende functie van toepassing is of kan zijn; 2) Doelen:  Welke doelen de functie mede beoogt te dienen; 3) Activiteiten:  welke activiteiten er onder welke voorwaarden) toestaan zijn of juist niet:  Algemene regels voor activiteiten  Aanlegactiviteiten  Bouwactiviteiten  Gebruiksactiviteiten  Sloopactiviteiten  Overige activiteiten; 4) Specifieke regels in voorkomende gevallen.

6.2.4 Activiteiten regelen In hoofdstuk 6 worden alle toegestane activiteiten geregeld. Uitgangspunt hierbij is dat ‘als het omgevingsplan niet zegt dat het mag of kan, dan mag het ook niet’ (insluiten van activiteiten genoemd). Er is bewust voor ‘insluiten’ gekozen door de gemeente om met name de nog onbekende risico’s van het ‘uitsluiten’ uit te sluiten. De regels voor activiteiten zijn verdeeld over verschillende afdelingen. Met name om in de transitiefase van de omgevingswet enige herkenbaarheid en leesbaarheid voor de gebruiker te creëren. Dit heeft geleid tot de volgende acht afdelingen:  

Afdeling 6.1 Algemene bepalingen Afdeling 6.2 Waarden bij activiteiten 92

     

Afdeling 6.3 Aanlegactiviteiten Afdeling 6.4 Bouwactiviteiten Afdeling 6.5 Gebruiksactiviteiten Afdeling 6.6 Milieubelastende activiteiten Afdeling 6.7 Sloopactiviteiten Afdeling 6.8 Overige activiteiten en

Per activiteit is vervolgens een paragraaf met artikelen opgenomen die de regels bevat die voor die specifieke activiteit of groep van activiteiten (bij een meer algemeen geldende regeling) gelden. Die paragrafen zijn als volgt opgebouwd: Artikel X.1 Artikel X.2 Artikel X.3 Artikel X.4 Artikel X.5 Artikel X.6 Artikel X.7 Artikel X.8

Toepassingsbereik van de regels uit deze paragraaf Oogmerken van de regeling Algemene regels die gelden voor de activiteit Aanwijzing vergunningsplicht /meldingsplicht / informatieplicht voor deze activiteit Aanwijzing van een omgevingsplanactiviteit bij deze activiteit Beoordelingsregels van een aanvraag omgevingsvergunning Advisering over de aanvraag aan het bevoegde gezag Maatwerkvoorschriften die het bevoegde gezag kan opnemen in de omgevingsvergunning

93

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15608614/3