CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE 9. 2022-11-11 21110103 Rapportage BO IVO Someren, Vaarselstraat 33 V2.0def

Gemeenteraad 6 juli 2023, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen van bestemmingsplan Vaarselstraat 33 en 39 Someren10.498 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transect-rapport 3847 Someren, Vaarselstraat 33 en 39 Gemeente Someren (NB) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

Overijsselhaven 127 3433PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Colofon Titel

Rapportnummer

Someren, Vaarselstraat 33 en 39. Gemeente Someren (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 3847

Auteur

I. Korver, J. Rap MA

Versie

Definitief

Datum

11-11-2022

Projectnummer

21110103

Onderzoeksmelding Opdrachtgever

5154892100 AROM Laan door de Veste 1 5708 ZZ Helmond

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Bevoegde overheid

Gemeente Someren

Adviseur bevoegde overheid

Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB)

Status rapportage

Versie 2.0 beoordeeld door R. Berkvens op 19-10-2022

Beheer en plaats documentatie

Transect b.v., Nieuwegein Foto van het plangebied op 31 januari 2022 (Fotograaf: J. Rap).

Omslagafbeelding

Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector

Datum 25-08-2022

Paraaf

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Overijsselhaven 127 3433PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van AROM heeft Transect b.v. in januari 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Vaarselstraat 33 en 39 in Someren (gemeente Someren). De aanleiding van het onderzoek is de geplande gedeeltelijke sloop van Vaarselstraat 39 inclusief bijgebouw (160 m2) en de schuur, bekend als Vaarselstraat 33a (230 m2). Tevens wordt er de nieuwbouw van 10 woningen in het plangebied gerealiseerd, waarvan 9 woningen aan een verlengde Sparrestraat worden gebouwd en één vrijstaande woning tussen Vaarselstraat 33 en 39 komt te liggen. De vrijstaande woning bevat mogelijk een souterrain. In totaal beslaat het plangebied circa 5500 m², de precieze omvang en diepte van de bodemingrepen is in dit stadium onbekend. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennende fase, om antwoord te kunnen geven op de volgende vragen: • • • •

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied in een dekzandlandschap dat vanaf het Laat-Paleolithicum B mogelijkheden voor bewoning heeft geboden. Grenzend aan het plangebied is tijdens een proefsleuvenonderzoek aangetoond dat vanaf een diepte 26,1-26,4 m +NAP sprake is van vindplaatsen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd. Op basis van historische kaarten is het bovendien zeer waarschijnlijk dat sprake is geweest bebouwing uit de Late Nieuwe tijd in het plangebied. De resten van bebouwing uit de 18e en 19e eeuw zullen naar alle waarschijnlijkheid echter verstoord zijn geraakt door de realisatie van moderne bebouwing. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied waarschijnlijk ter plaatse van een (dalvormige) laagte ligt. Aan de noordzijde van het plangebied is sprake van verstoringen van de ondergrond tot een diepte van 150-195 cm -Mv (23,4-23,9 m +NAP), aan de zuidzijde van het plangebied tot een diepte van 95-115 cm -Mv (24,1-24,3 m +NAP). Deze verstoringen zijn het gevolg van de realisatie van de bestaande bebouwing en landbouw.

Door deze verstoringen is geen sprake meer van een intact archeologisch relevant niveau en is de verwachting voor alle periodes naar een lage verwachting bij te stellen. Advies In het plangebied bestaat het voornemen een deel van de bestaande bebouwing te slopen en tien nieuwe woningen te realiseren. Op basis van dit onderzoek is sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied. Het is daarmee onwaarschijnlijk dat de voorgenomen ingrepen zullen leiden tot een aantasting van archeologische resten. Daarom adviseren wij om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan wijzen wij de uitvoerder en de initiatiefnemer op de wettelijke plicht dergelijke resten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Someren (Erfgoedwet 2016; artikel 5.10).

Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport zal het bevoegd gezag (de gemeente Someren) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Selectieadvies Het onderstaande is het selectieadvies. Dit wijkt af van hetgeen is geadviseerd door Transect. Gezien de hoge archeologische verwachting van het plangebied luidt ons advies om het gehele plangebied aan archeologisch vervolgonderzoek te onderwerpen. Dit vervolgonderzoek dient plaats te vinden in die gebieden waar bodemingrepen gepland zijn of waar deze door het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt (bouw van nieuwe woningen, mogelijkheden vergunningvrij bouwen en aanleg van kabels/leidingen en waterberging). Het archeologisch onderzoek dient plaats te vinden in de vorm van een karterend en waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek (conform protocol Proefsleuven KNA 4.1) aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) en uitgevoerd te worden door een archeologisch bedrijf dat gecertificeerd is voor het uitvoeren van archeologische opgravingen (Erfgoedwet 2016). Op basis van de uitkomsten van dit proefsleuvenonderzoek beslist de gemeente of de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld.

Indien hierbij archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze veilig gesteld te worden door mogelijke planaanpassing en als dat niet mogelijk is, door het opgraven van de aanwezige archeologische resten. Het besluit hierover ligt bij de gemeente. Aangezien dit besluit meegenomen moet worden in het definitief vast te stellen bestemmingsplan, adviseren wij om de archeologische vooronderzoek zo snel mogelijk uit te laten voeren.

Inhoud 1.

Aanleiding.............................................................................................................................. 7

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 8

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................... 9

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik ........................................................... 11

5.

Beleidskader ........................................................................................................................ 12

6.

Landschap, geomorfologie en bodem ................................................................................. 13

7.

Archeologische verwachtingen en bekende waarden ........................................................ 16

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ............................................... 19

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 24

10.

Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 27

11.

Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................... 29

12.

Conclusie en advies ............................................................................................................. 30

13.

Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 32

Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 34 Beleidskaart Archeologie ..................................................................................................... 35 Geomorfologie .................................................................................................................... 36 Maaiveldhoogte .................................................................................................................. 37 Bodem ................................................................................................................................. 39 Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 40 Naburig onderzoek .............................................................................................................. 41 Kaart verwachte verstoringen ............................................................................................. 42 Boorpuntenkaart ................................................................................................................. 43 Foto’s van boringen ............................................................................................................. 44 Bijlage 11.

Boorbeschrijvingen.............................................................................................................. 45

1.

Aanleiding

In opdracht van AROM heeft Transect b.v. 1 in januari 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Vaarselstraat 33 en 39 in Someren (gemeente Someren). De aanleiding van het onderzoek is de gedeeltelijke sloop van Vaarselstraat 39 inclusief bijgebouw (160 m2) en de schuur, bekend als Vaarselstraat 33a (230 m2). Tevens wordt er de nieuwbouw van 10 woningen in het plangebied gerealiseerd, waarvan 9 woningen aan een verlengde Sparrestraat worden gebouwd en één vrijstaande woning tussen Vaarselstraat 33 en 39 komt te liggen. De vrijstaande woning bevat mogelijk een souterrain. In totaal beslaat het plangebied circa 5500 m². Volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Someren-Dorp’ (2013) geldt voor het plangebied grotendeels Categorie 3 - gebieden van hoge archeologische waarde en een klein gedeelte Categorie 4 – gebieden met een hoge archeologische verwachting (Nota Archeologiebeleid gemeente Someren; Kortlang, 2011; aangepast Berkvens, 2015). Voor beide categorieën geldt dat bij bodemingrepen die groter zijn dan 250 m2 en die dieper reiken dan 40 cm -Mv een archeologische onderzoeksplicht geldt. Tevens dient onderzoek plaats te vinden alvorens grondwerkzaamheden plaatsvinden. Aangezien de voorgenomen ingrepen in het plangebied de vrijstellingsgrenzen zullen overschrijden, is sprake van een archeologische onderzoeksplicht.

Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Korver, 2022).

1

Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

7

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Dit wil zeggen dat de kans bepaald wordt dat binnen het plangebied sprake is van behoudenswaardige archeologische resten. Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en het grondgebruik binnen en rondom het plangebied. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) en archeologische onderzoeken zijn opgenomen. (Cultuur)historische informatie is verkregen uit beschikbare literatuur en historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn bovendien onder andere de bodemkaart en de geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Op 25-01-2022 is per email contact opgenomen met heemkundekring ‘De Vonder’ Asten-Someren. Er is geen informatie ontvangen. Het bouwarchief is niet geraadpleegd.

Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 13. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek. Bij dit onderzoek wordt informatie verzameld over de feitelijke bodemopbouw, het bodemreliëf en de bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden door de mens is gebruikt. De werkwijze van het veldonderzoek is opgenomen in hoofdstuk 10. Het onderzoek probeert hiermee antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? 2. Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? 3. In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? 4.

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

8

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

Plaats

Someren

Toponiem

Vaarselstraat 33, 33a en 39

Gemeente

Someren

Provincie

Noord-Brabant

Kaartblad

51H

Perceelnummer

SMR02 S-1957, 2404 en 2450

Centrumcoördinaat

178.689 / 377470

Oppervlakte plangebied

Circa 5500 m²

Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de bodemingrepen worden uitgevoerd. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied, in een straal van circa 500 m, dat bij het onderzoek wordt betrokken om tot een beter inzicht te komen in de landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische situatie in het plangebied. Het plangebied bevindt zich aan de Vaarselstraat 33, 33a en 39, gemeente Someren. De ligging ervan is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien beslaat het plangebied de kadastrale percelen SMR02-S1957, S-2404 en S-2450. De oppervlakte van het plangebied is circa 5500 m2. De grenzen van het plangebied zijn gevormd door de Vaarselstraat in het noorden en de Loovebaan in het westen; de overige grenzen worden gevormd door de kavelgrenzen met de aanliggende percelen. Het plangebied bevat drie gebouwen (twee woningen, één schuur) met 4 bijgebouwen en is verder in gebruik als (gedeeltelijk verharde) tuin.

9

Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron: www.pdok.nl.

10

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

Kader

Omgevingsvergunning

Verstoringsoppervlakte

Circa 5500 m2

Planvorming

Gedeeltelijk slopen van oude bewoning; bouw nieuwe woningen (10)

Bodemverstorende werkzaamheden

Sloop- en graafwerkzaamheden

Omvang verstoringen

Gedeeltelijk sloop Vaarselstraat 39 en bijgebouw; aanleg fundering; aanleg huisaansluitingen

Verstoringsdiepte

Nog niet bekend; tot de vaste grondslag

Binnen het plangebied bestaat het voornemen om in de toekomst een gedeelte van Vaarselstraat 39 te slopen (circa 160 m2) en geheel Vaarselstraat 33a (230 m2; zie bijlage 9). In het zuidelijke gedeelte van het plangebied worden 9 nieuwe patiowoningen gebouwd en tussen de Vaarselstraat 33 en 39 komt eveneens een nieuwe vrijstaande woning, mogelijk met een half verdiepte kelder. Ten behoeve van de patiowoningen wordt tevens de Sparrestraat verlengd. De precieze ligging en omvang van de woningen is in dit stadium nog niet bekend, hetzelfde geldt voor de diepte en wijze van funderen. De nieuwe funderingen zullen worden aangebracht op de vaste grondslag (bron: AROM). Daarnaast zullen er huisaansluitingen worden aangelegd voor de 10 woningen (waarschijnlijk op 50 – 130 cm -Mv; het traject is echter onbekend). In dit kader is een omgevingsvergunning nodig. De woningen zullen in privégebruik worden genomen. De huidige plannen hebben geen consequenties voor het grondwaterpeil.

11

5.

Beleidskader

Onderzoekskader

Omgevingsvergunning

Beleidskader

Nota Archeologiebeleid gemeente Someren 2011; aangepast Berkvens 2015

Onderzoeksgrenzen

>250 m2 en dieper dan 40 cm -Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Met ingang van juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die (naar verwachting) in 2022 in werking zal treden. Volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Someren-Dorp’ (2013) geldt voor het plangebied grotendeels Categorie 3 - gebieden van hoge archeologische waarde. Voor een klein gedeelte geldt Categorie 4 – gebieden met een hoge archeologische verwachting (Nota Archeologiebeleid gemeente Someren; Kortlang, 2011; aangepast Berkvens, 2015). Voor beide categorieën geldt dat bij bodemingrepen die groter zijn dan 250 m2 en die dieper reiken dan 40 cm -Mv een archeologische onderzoeksplicht geldt.

Tevens dient onderzoek plaats te vinden alvorens grondwerkzaamheden plaatsvinden. Aangezien de voorgenomen ingrepen in het plangebied de vrijstellingsgrenzen zullen overschrijden, is sprake van een archeologische onderzoeksplicht. Uit onderhavig vooronderzoek kan blijken of deze waarde al dan niet kan worden gehandhaafd.

12

6.

Landschap, geomorfologie en bodem

Geologie

Zuid-Nederlands zandgebied

Geomorfologie

Bebouwd; mogelijk een dekzandvlakte of een dekzandrug

Maaiveldhoogte

Circa 24,9 – 25,4 m +NAP

Bodem

Hoge zwarte enkeerdgronden in lemig fijn zand

Grondwatertrap

VI

Landschap Het plangebied ligt landschappelijk gezien in het Brabantse of Zuid-Nederlandse zandgebied en maakt deel uit van het tektonisch dalingsgebied van de Centrale Slenk (Roerdalslenk; Berendsen, 2005). Door tektonische bewegingen is in het gebied een laagte ontstaan. Deze laagte bevindt zich tussen de Peelhorst (in de lijn Roermond – Nistelrode – Lith) en de Kempenhorst (Gilze-Rijen – Oosterhout; Berendsen 2005; De Mulder et al., 2003). Vanaf het midden van het Pleistoceen (circa 850000 jaar geleden) hielden de Rijn en de Maas op door de Slenk te stromen: de loop van deze rivieren verlegde zich in deze periode naar noordelijker terrein. Hierdoor werd het gebied in de Centrale Slenk niet langer opgevuld met sediment vanuit rivieren (de overwegend grofzandige Formatie van Sterksel; Stouthamer et al., 2015). Tijdens het Elsterien (circa 465000 tot 418000 jaar geleden) vormde dit deel van Nederland het voorland van het landijs dat in het noordwesten van het land (en in Scandinavië) aanwezig was. Voor het landijs uit vormden zich meren en door periglaciale rivieren gevoede delta’s. Er vormde zich tijdens deze periode ook een groot ijsmeer in de zuidelijke Noordzee en over Midden-Nederland. Deze werd in het noorden begrensd door het landijsfront en in het zuiden door het kalkreliëf van kliffen.

Een watervalachtige overlaatrivier hieruit voerde het teveel aan rivier- en smeltwater af naar het zuiden (Stouthamer et al., 2015). In dit deel van het land ontstonden onder periglaciale condities ook lokaal dekzand en beekafzettingen: hier vormden zich de oudste afzettingen van de Formatie van Boxtel (onder andere het Best Laagpakket). Deze afzettingen konden ontstaan doordat door periglaciale omstandigheden in het gebied weinig vegetatie aanwezig was. De wind kon dus vrij gemakkelijk zand wegblazen (Berendsen, 2005; Schokker, 2003). Door de relatief hoge bodemdalingssnelheid, het verdwijnen van de erosieve rivieren de Rijn en de Maas uit het gebied, en het buiten bereik blijven van bedekking door landijs werd dit pakket redelijk dik (Stouthamer et al., 2015). Met name in de periode tussen 40000 en 30000 jaar geleden (het Hengelo-Denekamp Interstadiaal, tijdens het Midden-Weichselien) was in het Zuid-Nederlands zandgebied sprake van een kleine klimatologische opwarming en vernatting. Door de vegetatie die als gevolg hiervan kon ontstaan, konden verstuivingen aan banden gelegd worden. Op verschillende plekken kon zo bodemvorming optreden. Gedurende de natte periode was de Slenk een relatief vochtig gebied. Permafrost en ondiepe kleine meren kwamen nog altijd voor (Schokker, 2003).

In deze periode werd door de weinige verstuivingen fijner sediment (silt) ingevangen in de meren in het gebied. Uiteindelijk vormde zich daar een circa 1,0 tot 2,0 m dikke leemlaag, die geologisch gezien tot het Liempde Laagpakket binnen de Formatie van Boxtel wordt gerekend (De Mulder et al., 2003). In dezelfde periode trad lokaal veenvorming op en werd klei afgezet nabij kleine beeklopen. De beeklopen doorsneden het landschap van de toenmalige Slenk. De klei behoort geologisch gezien tot het Laagpakket van Best (ook binnen de Formatie van Boxtel; De Mulder et al., 2003). Na het Hengelo-Denekamp Interstadiaal werd het klimaat kouder en trad opnieuw verdroging op. De bodem van het gebied was bovendien permanent bevroren (permafrost) en vegetatie was vrijwel 13

verdwenen. Onder de periglaciale omstandigheden hadden wind en water vrij spel. Oudere sedimenten werden door verstuiving en sneeuwsmeltwater continu omgewerkt en opnieuw afgezet. Deze zogenaamde fluvio-eolische, fluvioperiglaciale of nat-eolische zanden kenmerken zich in de ondergrond door het voorkomen van grindsnoertjes en leemlaagjes en maken deel uit van de Formatie van Boxtel (De Mulder et al., 2003). Dit type afzettingen werd voorheen ook wel gerekend tot ‘Oud Dekzand’. Tussen 11000 en 9700 jaar v. Chr. (het Jonge Dryas-stadiaal) kende Nederland een toendraklimaat. Er was sprake van discontinue permafrost en het vegetatiedek brak open. Hierdoor kon lokaal zand gaan verstuiven. Tijdens deze periode waren de verstuivingen en afzettingen van zand dermate sterk dat het dekzand werd afgezet in langgerekte en paraboolvormige ruggen (Berendsen, 2005). Deze dekzandruggen lopen dwars door het huidige Noord-Brabant heen, en liggen dwars op de Centrale Slenk (Berendsen, 2005). Het puur eolisch afgezette zand wordt dekzand genoemd en vormt het Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel. Vroeger werd dit zand ook wel ‘Jong Dekzand’ genoemd (De Mulder et al., 2003). De dekzandgordels zorgden er wel voor dat de beken niet goed naar het noorden konden afwateren, waardoor op veel plaatsen kleine meren ontstonden (Berendsen, 2005).

Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 9700 v. Chr.) trad een drastische klimaatsopwarming op. De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger waardoor vegetatiegroei kon toenemen. Door de vegetatiegroei werden in het onderzoeksgebied de zandverstuivingen aan banden gelegd. Bovendien trad in de top van het dekzand bodemvorming (podzolering) op. In de laagste gebiedsdelen rondom de koppen en ruggen stroomden beken en kon als gevolg van de vernatting veenvorming optreden (Berendsen, 2005). Lithologie en geologie Circa 125 m ten oosten van het plangebied is een geologische boring uitgevoerd (B51H0709; 176.860, 377.590 (RD); bron: www.dinoloket.nl). Hieruit blijkt dat de Formatie van Boxtel tot minstens 3,70 m Mv (21,5 m+NAP) aanwezig is, waarvan de bovenste 1,10 m -Mv (24,1 m +NAP) geïdentificeerd is als het Laagpakket van Wierden. Een boring ten noorden van het plangebied (circa 160 m) geeft aan dat de Formatie van Boxtel aan te treffen valt vanaf 0,70 m -Mv (23,3 m +NAP) onder een laag die niet gedefinieerd is (B51H0708; 176.666, 377.666 (RD)). In het zuiden is de ongedefinieerde laag dikker en bevindt de Formatie van Boxtel zich op 2,30 m -Mv / 23,9 m +NAP (afstand: circa 150 m; B51H0711; 176.666, 377.666 (RD)). Geomorfologie Op de geomorfologische kaart is het plangebied grotendeels gekarteerd in een bebouwde zone.

In het zuiden en 15 m ten noorden van het plangebied is er een dekzandrug gekarteerd (kaartcode 3B53yc). Tevens in het westen van het plangebied een dekzandvlakte gekarteerd (kaartcode 2M51). Zodoende ligt het plangebied op de rand van twee geomorfologische zones. In de omgeving van het plangebied is tevens de kaarteenheid 22R23 gekarteerd, die worden omschreven als een dalvormige laagte (Alterra, 2019; bijlage 3). Actueel Hoogtebestand Nederland Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ligt het maaiveld in het plangebied op circa 24,9 – 25,4 m +NAP (bijlage 4; AHN4, bron: www.ahn.nl). Rondom het plangebied stijgt het maaiveld richting het noorden naar ongeveer 26,0 m +NAP en richting het zuiden naar circa 27,0 m +NAP. Dit correspondeert met de locaties van de dekzandruggen die verwacht worden in de omgeving van het plangebied. Ten westen van het plangebied, daar waar de dalvormige laagte verwacht wordt, is het maaiveld eveneens lager (circa 24,2 m +NAP).

14

Bodem Volgens de bodemkaart ligt het plangebied ter plaatse van hoge zwarte enkeerdgronden in lemig fijn zand (kaartcode zEZ23, bijlage 5; Alterra, 2015). Het opgebrachte bouwlanddek diende om te vruchtbaarheid en de waterhuishouding van het gebied te verbeteren (Stouthamer, 2015). Door het bemesten van de bouwlanden met potstalmest, vermengd met (heide)plaggen of plaggen uit de beekdalen, konden enkeerdgronden ontstaan, gronden die zich kenmerken door een donkere humeuze bovenlaag (Doesburg et al. 2007). Het bouwlanddek kan gezorgd hebben voor de bescherming van het onderliggende dekzand, terwijl de aanleg ervan tevens kan hebben gezorgd voor de aantasting van het onderliggende dekzand en de hierin aanwezig bodem. Het uiterste oosten van het plangebied is niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Het is echter de verwachting dat hier dezelfde bodem aanwezig is als in de rest van het plangebied. Grondwatertrap De grondwatertrap is een maat voor de vochttoestand in de bodem. Informatie hieromtrent is vanuit archeologische optiek met name relevant met betrekking tot het bepalen van een verwachte mate van conservering van eventuele archeologische resten in het plangebied. Bij de hoge zwarte enkeerdgronden komt grondwatertrap VI voor.

Dit duidt over het algemeen op relatief droge gronden waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tussen 40 en 80 cm -Mv wordt aangetroffen en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) op een diepte van meer dan 120 cm -Mv. Met dergelijke lage grondwaterstanden en droge omstandigheden zullen in het plangebied alleen anorganische archeologische resten te verwachten zijn. Onverbrande organische resten zullen als gevolg van oxidatie en zure omstandigheden in de bodem binnen 120 cm -Mv grotendeels zijn verdwenen.

15

7.

Archeologische verwachtingen en bekende waarden

Wettelijk beschermde monumenten

Nee

AMK-terreinen

Nee

Archeologische vondstmeldingen

Nee

Archeologische verwachting (gemeente)

Hoog

Archeologische verwachtingen Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Someren (Kortlang, 2011; aangepast Berkvens, 2015; bijlage 2) valt het plangebied binnen gebieden die zijn aangeduid als categorie 3 en 4. Dit komt overeen met een hoge archeologische verwachting (Kortlang, 2011; aangepast Berkvens 2015). Deze verwachting hangt samen met de ligging van het plangebied aan het historische bebouwingslint langs de Vaarselstraat. Bekende waarden Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3; www.archis.nl) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status en is ook niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; bijlage 6). Ook zijn geen vondsten binnen het plangebied bekend en heeft binnen het plangebied nog niet eerder archeologisch onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied zijn wel diverse terreinen van archeologische waarde en vondsten bekend. Degene die vanwege hun nabijheid en landschappelijke ligging relevant zijn voor het onderhavige plangebied, worden hieronder besproken. AMK-terrein • Op circa 300 m ten noordwesten van het plangebied bevinden zich AMK-Terreinen 1363 en 2917. Deze betreffen een gebied waarin de resten van kasteel "De Donk" uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zijn aangetroffen.

Terrein 2917 omsluit een wettelijk beschermd monument (terrein 1363). Op het terrein van het beschermde monument zijn zware funderingen van een kasteel aangetroffen. Vermoedelijk bevinden zich op het grotere terrein resten van bijgebouwen of een nederzetting (zie ook het archeologisch vooronderzoek ter plaatse van Vaarselstraat 54). Onderzoeken • Grenzend aan de zuidzijde van het plangebied heeft archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2195305100), waarin een hoge verwachting is vastgesteld op archeologische resten. Deze verwachting was gebaseerd op de aanwezigheid van een esdek en het grote aantal archeologische waarden wat in de omgeving was aangetroffen. Daarom is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 2328389100). Bij het proefsleuvenonderzoek werd een Romeinse vindplaats aangetroffen in het zuidwesten met een gemiddelde waardering. De sporen tekenden zich af in de C-horizont van het A/C-profiel, dat zich op 50-60 cm -Mv bevindt (maaiveld aanwezig tussen 25,6-26,0 m +NAP).2 De bijbehorende vondsten, bestaande uit twee brokjes handgevormd aardwerk en een scherf Romeins gladwandig aardewerk, gaven deze vindplaats een datering. Tevens is een vindplaats aangetroffen uit de IJzertijd in het noordoosten, die zo was gedateerd op de kleur van de vulling en de vorm van de sporen.

Vondsten toebehorend aan deze periode werden namelijk niet aangetroffen. Deze sporen breidden zich verder uit richting het oosten naar 2

Hoogtes zijn gebaseerd op de profielfoto’s in het rapport van Weterings, 2012 (diepte vanaf maaiveld) en het Actueel Hoogtebestand Nederland 2.

16

•

•

3

het aangrenzende kavel. Ze zijn te identificeren in de C-horizont van het A/C-profiel, dat zich op een diepte bevindt van circa 70-80 cm -Mv (maaiveld aanwezig tussen 25,6-26,0 m +NAP). De vindplaats werd vervolgens echter afgeschreven op basis van de verstoring in dit aangrenzende kavel (ter hoogte van de Postheuvel). De sporen die donkerder van kleur waren, bevatten wel enkele vondsten, die te dateren zijn tot de Nieuwe Tijd (Weterings, 2012, afb. 4; puttenplan en ask opgenomen in bijlage 7). Ten oosten van het plangebied zijn aan de Vaarselstraat verscheidene archeologische onderzoeken uitgevoerd. o Ter plaatse van Vaarselstraat 47 is een bureauonderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 2147434100). Hier zijn alleen geen gegevens van bekend in Dans Easy of Archis. o Ter plaatse van de Vaarselstraat 49 heeft een archeologische begeleiding plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2459074100) en een proefsleuvenonderzoek, nadat de boringen uitwezen dat de bodemopbouw intact was (onderzoeksmeldingen 4647021100 en 4904756100). Tijdens de archeologische begeleiding zijn grondsporen en vondsten uit de Nieuwe Tijd gevonden in het dekzand onder de verstoorde lagen (0,4 m -Mv). Wat betreft vondsten gaat het om een beperkte hoeveelheid die overigens niet nauwkeurig te dateren is. Hierdoor werd de vindplaats niet behoudenswaardig geacht.

In het zuidwesten van het plangebied was echter wel een cultuurlaag intact, evenals de bijbehorende grondsporen (Zielman, 2015). Het aangrenzende proefsleuvenonderzoek trof eveneens grondsporen aan uit de Nieuwe Tijd. Het vondstmateriaal dateert voornamelijk tussen 1300 – 1600 n. Chr. En heeft mogelijk te maken het met noordelijker gelegen huis ‘De Donk’. Aan de perioden Laat Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen was tijdens het vooronderzoek al een lage archeologische verwachting toegekend vanwege de ligging in een vlakte (Hos, 2021). o Ter plaatse van Vaarselstraat 54 (tegenover 49) heeft archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden. Op basis van het bureauonderzoek was een lage archeologische verwachting voor de aanwezigheid van nederzettingsresten uit de perioden LaatPaleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd opgesteld die op grond van de resultaten van het veldonderzoek gehandhaafd kan blijven. Daarnaast was op grond van het bureauonderzoek voor de noordwesthoek van het plangebied een hoge verwachting opgesteld voor resten behorend bij een kasteelterrein, die op grond van de resultaten van het veldonderzoek gehandhaafd kan blijven (Schorn, 2014). Tijdens dit onderzoek werden muurrestanten, een gracht en een uitbraaksleuf aangetroffen behorende tot het 16e eeuw (vondstmelding 3043853100).

o Ter plaatse van de Vaarselstraat 55a en Hollestraat 3 zijn boringen gezet om uit een eerder uitgevoerd onderzoek de archeologische verwachting te toetsen.3 Aan het gebied tussen de Vaarselstraat en de Hollestraat was een algehele lage verwachting toegekend voor de perioden Laat Paleolithicum – Nieuwe Tijd op basis van de landschappelijke ligging binnen een laaggelegen dekzandvlakte. Alleen voor het noordwestelijke uiteinde (de hoek Vaarselstraat – Hollestraat) gold een hoge verwachting voor een huisplaats uit de Nieuwe Tijd. Op basis van de boringen kon deze verwachting gehandhaafd blijven en werden de onderzoekslocaties vrijgegeven (Schorn, 2020). 150 m ten noorden van het plangebied, aan de Lieropsedijk 21-23, is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de middelhoge tot hoge verwachting die bleek uit het archeologisch vooronderzoek door de aanwezigheid van een esdek en de ligging in een gradiëntzone (onderzoeksmeldingen 2126788100 en 2134896100). Tijdens het aanleggen van de proefsleuven werden echter nauwelijks archeologische resten aangetroffen, waardoor de verwachting naar laag werd bijgesteld (Schurmans 2006).

Dit onderzoek is niet aanwezig in Archis of Dans Easy, zodoende komt alle informatie uit het booronderzoek van Schorn, 2020.

17

•

450 m ten zuiden van het plangebied, tussen de Loovebaan en de Hollestraat, zijn proefsleuven gegraven en boringen gezet. Van de proefsleuven zijn geen resultaten beschikbaar in Dans Easy of Archis. Het vooronderzoek gaf echter een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum – Bronstijd, een zeer hoge verwachting voor de IJzertijd en hoge verwachting voor de Romeinse tijd – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) aan. Deze verwachting was op basis van de aanwezigheid van een esdek en de ligging op een dekzandrug (onderzoeksmeldingen 2462281100 en 2431688100; Koeman, 2014).

Vondstmeldingen • 150 m ten zuiden van het plangebied in een akker aan de Loovebaan zijn twee vondstmeldingen gedaan. Vondstmelding 2774901100 betreft een vuurstenen spits (type denneboom) uit het Midden Neolithicum B – Laat Neolithicum A en vondstmelding 2774901100 betreft meerdere voorwerpen. Deze bestaan uit keramiek uit de Romeinse Tijd, IJzertijd en de Vroege en Late Middeleeuwen. Er is tevens een bronzen diertje aangetroffen uit de Romeinse Tijd. Ook hier is een vuurstenen afslag gevonden. • 380 m ten zuiden van het plangebied ter hoogte van de hoek Hollestraat – Loove baan is aardewerk gevonden wat dateert tot de IJzertijd en de Late Middeleeuwen (vondstmelding 3101508100). Tevens zijn hier een aantal archeologische sporen aangetroffen, een huisplattegrond uit de IJzertijd en een paalkuil uit de Middeleeuwen. • 310 ten zuidoosten van het plangebied is ter hoogte van Voorbeemd 4 aardewerk aangetroffen afkomstig uit de IJzertijd (vondstmelding 2774918100). Concluderend bleek uit diverse booronderzoeken in de omgeving een intacte bodemopbouw. Verder zijn archeologische waarden met name aangetroffen op de dekzandruggen (perioden Neolithicum – Vroege Middeleeuwen) en langs de Vaarselstraat (voornamelijk Nieuwe Tijd).

18

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

Historisch gebruik

Huis met erf, tuin, weiland

Huidig gebruik

Bebouwd, tuin

Bekende verstoringen

Bouw huidige bewoning

Historische achtergronden Aan de hand van de talloze onderzoeken die in Someren zijn uitgevoerd, is het duidelijk dat vanaf ongeveer de 8e eeuw het aantal boevenerven toeneemt (Kortlang en Van Ginkel 2016). Vanaf ongeveer de 14e eeuw worden de ‘woeste gronden’ ontgonnen en ontstaat Someren. Uit deze periode stamt de oude Lambertuskerk, met mogelijk een oorsprong in de 11e eeuw. Op de oudst geraadpleegde kaart uit 1791 is al bebouwing te zien ter plaatse van het plangebied, evenals het kasteel Donk, wat nu een AMK-terrein is (www.oldmapsonline.org4). Someren is ontstaan in het lager gelegen beekdal als lintbebouwing langs de huidige Floreffestraat en de Speelheuvelstraat. Op de hogere delen van het landschap werden akkers aangelegd, in noord-zuid georiënteerde percelen. Deze akkers zijn goed te herkennen op de kadastrale Minuut uit 1811 - 1832. Op deze kaart is het plangebied gedeeltelijk bebouwd in . Het plangebied bevindt zich ter plaatse van percelen 936-939, waarbij het slechts een gedeelte van 936 beslaat. Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels waren 936 en 937 in gebruik als weiland en waren de percelen 938 – 939 een huis met tuin, schuur en erf (beeldbank.cultureelerfgoed.nl; figuur 3). Het plangebied is tot op heden continue bebouwd gebleven aan de noordkant van het plangebied, terwijl een gedeelte dienst deed als weiland en later tuin (figuren 4-7).

Ten tijde van onderhavig onderzoek is het plangebied bebouwd met drie gebouwen (twee woningen en één schuur) en vier bijgebouwen. Vaarselstraat 33 en 33a zin gebouwd in respectievelijk 1970 en 1969, terwijl Vaarselstraat 39 gebouwd is in 1965. Van de bijgebouwen is onbekend wanneer deze precies gebouwd zijn (www.bagviewer.kadaster.nl). Het overig deel van het plangebied is onbebouwd en in gebruik als grasland en/of tuin. Militair Erfgoed Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed en het Brabants Historisch Informatie Centrum kunnen binnen het plangebied resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren, zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen uit de Tweede Wereldoorlog (bron: www.ikme.nl; www.bhic.nl). Volgens de overige bronnen (www.tracesofwar.com; www.vergeltungswaffen.nl) zijn er echter geen resten te verwachten uit de Tweede Wereldoorlog. De VEO Bommenkaart geeft geen indicatie dat vooronderzoek / opsporing van explosieven heeft plaatsgevonden in het plangebied (bron: www.explosievenopsporing.nl). Op basis van de Kaart van Verdedigingswerken in Nederland bestaan er geen aanwijzingen voor resten van strijd of verdedigingswerken uit overige periodes (bron: www.landschapinnederland.nl/militaire-landschapskaart).

Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied was ten tijde van het onderzoek gedeeltelijk bebouwd (1125 m2) en gedeeltelijk in gebruik als tuin. Tevens is het deels voorzien van (klinker)verharding. Het gehele verstoringsoppervlak is weergegeven in bijlage 8. • De realisatie van de huidige bebouwing uit de 20e eeuw in het plangebied kan hebben gezorgd voor een verstoring van de ondergrond. Van deze bebouwing zijn geen bouwtekeningen beschikbaar,

4

https://uu.georeferencer.com/maps/1ae6eaa4-fc9f-571f-be3a-8cef3b23be2a/view#

19

maar er wordt van een gebruikelijke diepte van 80 cm -Mv uitgegaan. Het is echter mogelijk dat deze dieper is gelegen indien er grondverbetering is toegepast (bron: Arom). • Van eerdere bebouwing, zoals het gebouw dat aanwezig is op de Kadastrale Minuut zijn geen funderingen bekend. • In het gebied zijn tevens een zwembad (circa 100 m2) en een vijver (circa 20 m2) aanwezig. De precieze diepte van de vijver is onbekend, maar het betreft een vrij ondiepe vijver (< 100 cm -Mv). Het zwembad daarentegen heeft een verstoringsdiepte van circa 200 cm -Mv. • Er zijn geen gegevens bekend waaruit valt af te leiden of, en in hoeverre, de bodem in het plangebied door vroegere werkzaamheden in het terrein is verstoord (noordbrabant.omgevingsrapportage.nl). Voor zover bekend uit de kaart met uitgegeven ontgrondingsvergunning van Noord-Brabant, hebben geen ontgrondingen plaatsgevonden (Provincie Noord-Brabant, 2005, kaartbeeld niet opgenomen).

Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op een uitsnede van een topografische kaart uit 1791, gemaakt door Hendrik Verhees. Bron: www.oldmapsonline.org

20

Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan (1811-1832). Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1880. Bron: www.topotijdreis.nl.

21

Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1910.

Figuur 6. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1950.

22

Figuur 7. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1980.

Figuur 8. Het plangebied (rood omlijnd) op een luchtfoto uit 2021. Bron: PDOK.

23

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Kans op archeologische waarden

Middelhoog

Laat Paleolithicum B – Bronstijd; Vroege Middeleeuwen

Hoog

Romeinse Tijd – IJzertijd; Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd

Complextypen

Nederzettingsterreinen, vondstconcentraties, sporen van landgebruik en terreininrichting, grafvelden

Stratigrafische positie

Top van het dekzand In een mogelijk bouwlanddek

Diepteligging

Circa 50 - 80 cm -Mv

Archeologische verwachting en periode Op grond van de ouderdom van de verwachte afzettingen in het plangebied kunnen theoretisch gezien vindplaatsen uit de periode van het Laat-Paleolithicum B tot en met de Nieuwe tijd aanwezig zijn. Het plangebied ligt mogelijk op de rand van een dekzandrug. Vanaf het Laat-Paleolithicum B vormden de dekzandruggen uitstekende locaties om op te wonen: ze lagen hoog en droog in het landschap. De bewoning vestigde zich vooral op de flanken: op de toppen kon dan akkerbouw worden bedreven. In de omgeving van het plangebied zijn uit de perioden Laat Paleolithicum – Bronstijd en de Vroege Middeleeuwen echter weinig archeologische waarden aangetroffen waardoor de archeologische verwachting voor deze perioden middelhoog is. Grenzend aan de zuidelijke rand van het plangebied zijn twee vindplaatsen aangetroffen, één uit de IJzertijd en één uit de Romeinse Tijd. Het is mogelijk dat deze vindplaatsen doorlopen in het plangebied, waardoor de archeologische verwachting op sporen en resten uit deze perioden hoog is. Voor de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd geldt eveneens een hoge verwachting door de locatie van het plangebied aan een historische weg en binnen de historische kern. Tevens is op historische kaarten te zien dat het plangebied bebouwd is sinds het einde van de 18 e eeuw.

Stratigrafische positie Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum B tot en met de Nieuwe tijd worden verwacht in de top van het dekzand, dat waarschijnlijk aan te treffen is onder een bouwlanddek of humeuze ophooglaag van 50 - 80 cm dikte. Vanaf de onderzijde van de bouwvoor en in een bouwlanddek kunnen reeds archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd worden aangetroffen. In de top van het dekzand kunnen, afhankelijk van de diepteligging en vochthuishouding, sporen van bodemvorming aanwezig zijn (waarschijnlijk B-horizonten). Deze sporen van bodemvorming zijn indicatief voor de mate van intactheid van het archeologisch niveau en de mogelijkheid op het aantreffen van archeologische vindplaatsen met vondststrooiingen, van met name bewerkt vuursteen en/of stenen artefacten, uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum in het plangebied. Complextypen en omvang In het plangebied worden nederzettingsterreinen verwacht, maar ook sporen van landgebruik of grafvelden kunnen aanwezig zijn. •

Archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum worden verwacht in de vorm van kampementen, die zich kenmerken door een strooiing van vuursteen en houtskool en,

24

•

eventueel, door grondsporen in de vorm van haardkuilen. Deze resten worden verwacht in de top van het dekzand, wanneer nog intact aanwezig. Dergelijke vindplaatsen beslaan over het algemeen een oppervlakte van enkele tientallen vierkante meters. Uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd bestaat de kans op het voorkomen van erven en nederzettingsterreinen, bestaande uit onder andere boerderijen, bijgebouwen en waterputten. Dergelijke nederzettingsterreinen, maar ook sporen van landgebruik en grafvelden, kunnen zich kenmerken door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal. Voor wat betreft de Nieuwe tijd is eveneens sprake van een verwachting op sporen van landgebruik.

Aanwezigheid en intactheid Bovenstaande archeologische verwachting is mede afhankelijk van de bodemopbouw en mate van intactheid van het bodemprofiel. Op historische kaarten is te zien dat in het plangebied in de 19e en 20e eeuw bebouwing aanwezig was. Mogelijkerwijs heeft het slopen en bouwen van deze gebouwen geleid tot bodemverstoringen. Volgens het Kadaster stamt de huidige bebouwing uit de jaren ’60 van de 20e eeuw. Deze is waarschijnlijk gefundeerd op circa 80 cm -Mv. Het is echter onduidelijk hoe diep eerdere gebouwen zijn gefundeerd en of deze nog kunnen aanwezig zijn. Verder zijn er (diepwortelende) bomen aanwezig in het gebied die ook een verstoring kunnen zijn voor de bodemopbouw. Om de intactheid van de bodem en de landschappelijke ligging van het plangebied vast te kunnen stellen en daarmee bovenstaande verwachting te kunnen toetsen is een booronderzoek uitgevoerd, dat is uitgewerkt in hoofdstuk 10.

25

Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel

1

Archeologische verwachting Datering

2 3 4 5

Complextype Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

8

Reden Het plangebied ligt waarschijnlijk gedeeltelijk op een dekzandrug. Theoretisch gezien is hier bewoning mogelijk. Middelhoog Het plangebied ligt waarschijnlijk gedeeltelijk op een dekzandrug. Theoretisch gezien is hier bewoning mogelijk en er zijn vondsten bekend uit het onderzoeksgebied daterend uit deze perioden Hoog IJzertijd – Romeinse Ten zuiden van het plangebied bevinden zich twee Tijd vindplaatsen uit deze periode. De nabijheid van deze onderzoek impliceert de mogelijkheid dat deze doorlopen in het plangebied. Verder zijn er veel archeologische waarden uit deze perioden bekend. Hoog Late Middeleeuwen Historische kaart geven bebouwing aan binnen het Nieuwe Tijd plangebied vanaf in ieder geval eind 18e eeuw. Waarschijnlijk is dit al eerder het geval door de ontstaansgeschiedenis van Someren Nederzettingsterreinen, vondstconcentraties, sporen van landgebruik en terreininrichting, grafvelden 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Vanaf maaiveld +/Uit de bekende booronderzoeken blijkt dat de bodemopbouw rondom het plangebied over het algemeen intact is. Het gehele plangebied Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten en grondsporen. Middelhoog

Laat Paleolithicum B Mesolithicum Neolithicum – Bronstijd; Vroege Middeleeuwen

Sloop – en bouwwerkzaamheden; bomen

26

10.

Resultaten veldonderzoek

Onderzoekstrategie

Verkennend booronderzoek

Aantal boringen

5

Type boor

Edelmanboor

Boordiameter

7 cm diameter

Maximale boordiepte

200 cm -Mv

Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het Plan van Aanpak; Korver, 2022). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem te bepalen als om de bodemopbouw vast te stellen. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boringen 1-5). Deze boringen zijn zo gelijkmatig mogelijk verdeeld over het plangebied. De boringen zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Ze hebben een diepte tot maximaal 200 cm -Mv, met als doel ze tot 30 cm in het pleistocene substraat te zetten. In één boring is puin aangetroffen, waardoor deze eerder gestaakt is. De boringen zijn gefotografeerd en beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Alle grondmonsters zijn na beschrijving onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals bot, aardewerk, baksteen, bewerkt vuursteen en houtskool). De foto’s en beschrijvingen van de boringen zijn terug te vinden in bijlage 10 en 11.

De locatie van de boringen is bepaald met behulp van een meetlint aan de hand van de bestaande topografie, de hoogteligging ten opzichte van NAP van de boorpunten is afgeleid van het AHN. De locaties van de boringen zijn weergegeven op kaart in bijlage 9. Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is het plangebied bebouwd, bestraat en in gebruik als tuin. De boringen zijn allen uitgevoerd in de tuin op onbestrate delen. Er zijn geen verschillen in maaiveldhoogte waar te nemen op basis waarvan reeds uitspraken te doen zijn over de archeologische verwachting. Er zijn geen archeologische indicatoren waargenomen aan maaiveld. Foto’s van het plangebied zijn weergegeven in figuur 9.

Figuur 9. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek op 31-01-2022. Links een zicht op de locatie van boring 5, rechts een zicht op de tuin rondom boringen 3 en 4, met op de voorgrond de vijver. Fotograaf: J. Rap.

27

Lithologie en bodemopbouw De bodemopbouw in het plangebied is grofweg op te delen in een noordelijk deel (boring 1-2) en een zuidelijk deel (boring 3-5). •

In het noordelijk deel van het plangebied is tot een diepte van 150-195 cm -Mv (23,4-23,9 m +NAP) sprake van matig grindig, matig siltig en matig fijn zand. Dit is door een grote hoeveelheid humus overwegend donkergrijsbruin tot donkerbruingrijs van kleur, waarbij ook brokken geel, grijs en witgeel zand zijn aangetroffen in dit pakket. In boring 1 is tot een diepte van 130 cm -Mv (24,1 m +NAP) nog sprake van fragmenten zwart plastic folie. Boring 1 is op een diepte van 150 cm -Mv (29,9 m +NAP) gestaakt op vast rood puin. In boring 2 ligt het verstoringspakket op een laag matig siltig zeer fijn zand, dat geel tot witgeel van kleur is. Er zijn geen aanwijzingen voor bodemvorming aangetroffen in deze laag. Dit betreft het dekzand (Laagpakket van Wierden), waarin boring 2 geëindigd is.

•

In het zuidelijk deel van het plangebied is tot een diepte van 45-75 cm -Mv (24,6-24,7 m +NAP) sprake van matig humeus, matig siltig en matig fijn zand, dat homogeen grijsbruin van kleur is. Dit betreft de moderne bouwvoor. Tot een diepte van 95-115 cm -Mv (24,1-24,3 m +NAP) is een laag bruingrijs matig siltig zand aangetroffen, waarin veel brokken en brokjes geelgrijs of oranjegeel zand aanwezig zijn. Dit betreft een ploeg- en verstoringslaag met een zeer scherpe ondergrens naar de natuurlijke afzettingen. De natuurlijke afzettingen bestaan uit slecht gesorteerd matig fijn tot matig grof zand met een enkele siltband, dat matig siltig is en een oranjegele kleur heeft en doorspekt is van roestvlekken. Gezien de slechte sortering en de siltbandjes betreft dit waarschijnlijk verspoeld dekzand, dat is aangetroffen tot een diepte van 130-150 cm -Mv (23,823,9 m +NAP).

Archeologische indicatoren De opgeboorde grondmonsters zijn verbrokkeld en doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Het doorzoeken van de grondmonsters heeft geen bijzonderheden opgeleverd. In de bouwvoor en verstoringslaag was sprake van recent, rood bouwpuin en plastic. Archeologische interpretatie Gezien de aard van de aangetroffen natuurlijke afzettingen is het waarschijnlijk dat het plangebied ter plaatse van een beekdal of dalvormige laagte ligt. Aan de hand van het veldonderzoek is vastgesteld dat tot een diepte van 23,4-24,3 m +NAP sprake is van verstoringen van de top van het dekzand. Tijdens proefsleuvenonderzoek ten zuiden van het plangebied is aangetoond dat archeologische resten aan te treffen zijn vanaf een diepte van 26,1-26,4 m +NAP. Gezien de diepte van de verstoringen is het onwaarschijnlijk dat in het plangebed nog sprake is van intacte archeologische resten uit alle periodes, aangezien het in zijn volledigheid ontbreekt aan een archeologisch relevant niveau.

28

11.

Beantwoording onderzoeksvragen

•

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Op grond van het onderzoek ligt het plangebied waarschijnlijk ter plaatse van een (dalvormige) laagte.

•

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Bij het booronderzoek zijn geen archeologisch relevante niveaus aangetroffen. De bodemopbouw is archeologisch gezien als verstoord te beschouwen.

•

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? De bodemopbouw in het plangebied is volledig verstoord. Dit blijkt uit de scherpe begrenzing waarmee een (sub)recent verstoringspakket met daarin plastic en puin bovenop de natuurlijke C-horizont ligt. Er is geen podzolbodem aangetroffen. De verstoringen zijn vermoedelijk veroorzaakt door ploegwerkzaamheden in het verleden.

•

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Bij het bureauonderzoek is een hoge archeologische verwachting vastgesteld voor alle perioden. Op basis van het booronderzoek kan de verwachting in het geheel naar laag worden bijgesteld.

29

12.

Conclusie en advies

Conclusie Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied in een dekzandlandschap dat vanaf het Laat-Paleolithicum B mogelijkheden voor bewoning heeft geboden. Grenzend aan het plangebied is tijdens een proefsleuvenonderzoek aangetoond dat vanaf een diepte 26,1-26,4 m +NAP sprake is van vindplaatsen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd. Op basis van historische kaarten is het bovendien zeer waarschijnlijk dat sprake is geweest bebouwing uit de Late Nieuwe tijd in het plangebied. De resten van bebouwing uit de 18e en 19e eeuw zullen naar alle waarschijnlijkheid echter verstoord zijn geraakt door de realisatie van moderne bebouwing. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied waarschijnlijk ter plaatse van een (dalvormige) laagte ligt. Aan de noordzijde van het plangebied is sprake van verstoringen van de ondergrond tot een diepte van 150-195 cm -Mv (23,4-23,9 m +NAP), aan de zuidzijde van het plangebied tot een diepte van 95-115 cm -Mv (24,1-24,3 m +NAP). Deze verstoringen zijn het gevolg van de realisatie van de bestaande bebouwing en landbouw.

Door deze verstoringen is geen sprake meer van een intact archeologisch relevant niveau en is de verwachting voor alle periodes naar een lage verwachting bij te stellen. Advies In het plangebied bestaat het voornemen een deel van de bestaande bebouwing te slopen en tien nieuwe woningen te realiseren. Op basis van dit onderzoek is sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied. Het is daarmee onwaarschijnlijk dat de voorgenomen ingrepen zullen leiden tot een aantasting van archeologische resten. Daarom adviseren wij om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan wijzen wij de uitvoerder en de initiatiefnemer op de wettelijke plicht dergelijke resten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Someren (Erfgoedwet 2016; artikel 5.10). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport zal het bevoegd gezag (de gemeente Someren) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Selectieadvies Gezien de hoge archeologische verwachting van het plangebied luidt ons advies om het gehele plangebied aan archeologisch vervolgonderzoek te onderwerpen.

Dit vervolgonderzoek dient plaats te vinden in die gebieden waar bodemingrepen gepland zijn of waar deze door het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt (bouw van nieuwe woningen, mogelijkheden vergunningvrij bouwen en aanleg van kabels/leidingen en waterberging). Het archeologisch onderzoek dient plaats te vinden in de vorm van een karterend en waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek (conform protocol Proefsleuven KNA 4.1) aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) en uitgevoerd te worden door een archeologisch bedrijf dat gecertificeerd is voor het uitvoeren van archeologische opgravingen (Erfgoedwet 2016). Op basis van de uitkomsten van dit proefsleuvenonderzoek beslist de gemeente of de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien hierbij archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze veilig gesteld te worden door mogelijke planaanpassing en als dat niet mogelijk is, door het opgraven van de aanwezige archeologische resten. Het besluit hierover ligt bij de gemeente. Aangezien dit besluit meegenomen moet worden in het definitief vast te stellen 30

bestemmingsplan, adviseren wij om de archeologische vooronderzoek zo snel mogelijk uit te laten voeren.

31

13.

Geraadpleegde bronnen

Archeologische kaarten en databestanden • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. Geologische Overzichtskaart van Nederland (2010), TNO. Geomorfologische kaart van Nederland (2017), Alterra. Bodemkaart van Nederland (2015), Alterra. Ontgrondingenkaart van de Provincie Noord-Brabant (2005). www.ahn.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.planviewer.nl www.dans.easy.knaw.nl www.pdok.nl www.topotijdreis.nl www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl www.edugis.nl www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl www.ikme.nl www.landschapinnederland.nl /militaire-landschapskaart www.noord-brabant.omgevingsrapportage.nl Heemkundevereniging De Hooge Dorpen, www.heemkundevereniging.nl www.bhic.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12852990/1