CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4 Ruimtelijke onderbouwing Zandstraat 42 42a en ruiter 27b

Commissie Ruimte 5 april 2023, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Veegplan XIII25.107 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan bij de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: • het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; •

het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten.

Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. pagina 25 van 43

Inventarisatie Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de risicokaart Noord-Brabant. In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart, met daarop het plangebied oranje omlijnd. Hierbij zijn geen risicobronnen gevonden die reiken tot in het plangebied.

Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied oranje omlijnd)

Op circa 300 meter afstand van het plangebied bevindt zich Coöperatieve Tuinbouwvereniging Isidorus (gelegen aan de Zandstraat 25 Someren). Gelet op de in acht te nemen veiligheidsafstand van 20 meter in het kader van het BARIM, in verband met de opslag aldaar van bestrijdingsmiddelen, kan gesteld worden dat ruimschoots aan de in acht te nemen veiligheidsafstand wordt voldaan. Op circa 500 meter afstand van het plangebied, aan de Vlasstraat 5, ligt een pluimveebedrijf met een bovengrondse propaaninstallatie met een inhoud van 20 m³. Uit de contour die rondom de installatie is getekend blijkt dat het plangebied op zeer ruime afstand is gelegen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Bedrijven en Milieuzonering De VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. In deze publicatie worden per bedrijfssoort en milieucompartiment indicatieve afstanden gegeven tot gevoelige objecten. Deze vormen vaak de basis voor de Staat van Inrichtingen van bestemmingsplannen. De afstanden hebben een signalerende werking wat betekent dat, zeker wanneer niet direct duidelijk is óf de nieuwe beoogde situatie inpasbaar is, nader onderzoek noodzakelijk kan zijn. Een goede milieuhygiënische kwaliteit in het gebied kan worden gerealiseerd door een juiste afstemming van de situering van bedrijven ten opzichte van milieugevoelige functies.

pagina 26 van 43

Het gebiedstype waar het plangebied in ligt is te typeren als ‘gemengd gebied’. Het betreft hier namelijk lintbebouwing in het buitengebied, met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Er is sprake van een matige functiemenging, naast woningen komen andere functies zoals kleine bedrijven en agrarische functies voor. Volgens de VNG brochure is dit te typeren als ‘gemengd gebied’. De bedrijven in en nabij het plangebied betreffen: 1. Service Station Van Kol, Zandstraat 42a (SBI 2008, 451, 452 en 454, milieucategorie 2) De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het opslaan van autobanden en het onderhouden en repareren van auto’s. De werkzaamheden zullen in een bedrijfsgebouw plaats vinden dat eerder hoorde bij een bedrijfswoning op nummer 42. Door de beoogde splitsing van dit bedrijfsperceel ontstaat een nieuwe situatie, hoewel de beoogde milieucategorie van dit bedrijf afneemt ten opzichte de bestaande categorie namelijk van categorie 3 naar 2. Ook voor deze bedrijfslocatie geldt dat er een indicatieve richtafstand geldt van 30 meter. Die afstand wordt niet gehaald ten opzichte van de noordelijk gelegen woonfunctie in de langgevelboerderij aan de Zandstraat 44.

Omdat het aspect ’geluid’ de meest bepalende factor is qua mogelijke hinder is een akoestisch rapport opgesteld door Tritium Advies om te bezien of aan de Zandstraat 44 sprake kan zijn van een goed woon- en leefklimaat en of ook het bedrijf op de Zandstraat 44 niet te veel beperkt wordt door het nieuwe geluidgevoelige object (woning) aan Zandstraat 44. 2. Huskens beheer, Zandstraat 44 (maximaal milieucategorie 2) Kleinschalige opslag <2.000 m², onderhoud en reparatie van inventaris tbv bedrijfspanden en woningen), in bijgebouw 3 aan de zuidkant van de langgevelgebouw gelegen. De indicatieve richtafstand bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ voor een categorie 2 bedrijf bedraagt 10 meter. De afstand tot de woonfunctie aan Zandstraat 42 bedraagt zo’n 40 meter en daarmee wordt voldaan aan de minimale richtafstand en daarmee kan gegarandeerd worden dat de bewoners weinig tot geen hinder van deze lichte bedrijfsactiviteiten zullen hebben. Op basis van het akoestisch onderzoeksrapport van Tritium blijkt dat aan beide randvoorwaarden voldaan kan worden. Dit is reeds aangetoond in paragraaf 4.2 ‘Geluid’. Conclusie Op basis van de richtafstanden kan niet worden aangetoond dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Na uitvoering van het akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Daarnaast worden de aanwezige bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van het nieuwe geluidgevoelige object. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige initiatief. De van toepassing zijnde aspecten worden nader getoetst en gemotiveerd in de verschillende paragrafen van dit hoofdstuk.

Watertoets Nationaal beleid Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21 e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en

pagina 27 van 43

meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen.

Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo). Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het ‘Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021’, waarvan de regels thans zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Het plan staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het document vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Brabant. Het plangebied ligt binnen het Provinciaal Milieu- en Waterplan niet binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone, Natura 2000-gebied of Natte Natuurparel.

Beleid Waterschap Aa en Maas Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke effecten van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijk negatieve effecten beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: ✓

gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater;

✓

doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’;

✓

hydrologisch neutraal bouwen;

✓

water als kans;

pagina 28 van 43

✓

meervoudig ruimtegebruik;

✓

voorkomen van vervuiling;

✓

wateroverlastvrij bestemmen;

✓

waterschapsbelangen.

Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Werken met water. Voor nu en later’ In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van vier programma’s: 1.

Veilig en Bewoonbaar beheergebied

Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Voldoende ruimte voor water om de overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen. 2.

Voldoende water en Robuust watersysteem

Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in ons beheergebied voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3.

Gezond en Natuurlijk water

Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. 4.

Schoon water

Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. De Keur De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Hydrologisch neutraal bouwen - Keur 2015 (geactualiseerd 16 november 2018) Bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen of bedrijven of de aanleg van parkeerterreinen en wegen, neemt de hoeveelheid verharding vaak toe. Het waterschap vindt het belangrijk dat deze verhardingstoename niet leidt tot een versnelde afvoer van het regenwater. De ontwikkeling dient daarom ‘hydrologisch neutraal’ te zijn. Per 1 maart 2015 gelden de bepalingen uit de Keur 2015 en ‘de Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Hierbij is de regelgeving versoepeld.

Per 16 november 2018 heeft het waterschap Aa en Maas het keur gewijzigd vastgesteld en gepubliceerd. Dit gezien het feit dat sinds de vaststelling van de ‘Keur’ op 27

pagina 29 van 43

februari 2015 de behoefte is ontstaan om de tekst van de ‘Keur’ op enkele plaatsen te verduidelijken, te nuanceren of taalkundig te verbeteren, zodat de intentie beter tot uitdrukking komt. Inhoudelijk leiden deze aanpassingen niet tot een andere beoordeling van de beoogde ontwikkelingen in het plangebied. In minder gevallen is er sprake van een vergunningplicht en/of het moeten nemen van compenserende maatregelen. Plannen met een verhardingstoename tót 500 m² zijn onder de keur 2015 vrijgesteld van het moeten nemen van compenserende maatregelen. Vanuit het watersysteem geredeneerd bestaat er geen aanleiding om onder deze oppervlaktemaat compenserende maatregelen te eisen. Op het plangebied aan de Zandstraat 44 neemt de hoeveelheid verhard oppervlak niet toe door de (beoogde) ontwikkelingen. Het verhard oppervlak neemt juist af aangezien een bijgebouw wordt gesloopt. Derhalve hoeven er geen aanvullende maatregelen te worden getroffen wat betreft de waterhuishouding. Gemeentelijk Rioleringsplan Someren 2021-2025 Op 6 november 2020 heeft de gemeenteraad van Someren de ‘Actualisatie GRP Someren 2021 – 2025’ vastgesteld. Dit gemeentelijk rioleringsplan (GRP) beschrijft, als verplichte planvorm, op hoofdlijnen hoe de gemeente invulling geeft aan de rioleringszorg. In dit plan wordt ten aanzien van nieuwbouw gesteld dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld.

De burger is in eerste instantie zelf voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem of bergen in bijvoorbeeld een vijver. De gemeente wil mensen stimuleren om deze maatregelen te nemen en hemelwater lokaal op te vangen en te infiltreren. Er wordt gewerkt aan beleid waarbij gebieden kunnen worden aangewezen waar afkoppeling van het verhard oppervlak verplicht wordt. Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld, waarbij de gemeente alleen voorziet in de vuilwaterhuisaansluiting. De gemeente houdt hier de trits vasthouden-bergen-afvoeren aan. Indien een bestemmingswijziging voorziet in het mogelijk maken van meer verhard oppervlak dient een waterberging voor een bui tot 80 mm te worden gedimensioneerd. Het planvoornemen betreft geen nieuwbouw of herbouw. Er is sprake van het behoud van bestaande bebouwing en een afkoppelplicht is niet aan de orde. Conclusie Gelet op de beoogde plannen binnen de grenzen van het plangebied is het treffen van aanvullende maatregelen in het kader van een goede waterhuishouding niet noodzakelijk. Ook geldt er geen afkoppelingsplicht in het kader van het GRP.

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming bevat alle regels rondom de bescherming van natuursoorten en gebieden en houtopstanden. In de wet heeft het Rijk alle verplichtingen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt.

pagina 30 van 43

Flora en fauna Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB en van Natura 2000. De provincie NoordBrabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In het onderzoek wordt bepaald of de ontwikkelingen tot effecten kunnen leiden op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden die vallen onder de Habitatrichtlijn (Natura 2000) en de ecologische hoofdstructuur (NNN). Soorten In onderhavige situatie is geen sprake van sloop- of bouwwerkzaamheden. Er hoeft in het kader van de Wnb niet te worden nagegaan of vaste rust- en verblijfsplaatsen worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder hoeft in deze situatie ook niet gekeken te worden of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren.

Conclusie Natura 2000-gebied Gelet op de kleinschaligheid en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. NNN-gebied (voormalige EHS) Er worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op een geruime afstand. Een nadere toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Eindconclusie In onderhavige situatie is geen sprake van sloop- of bouwwerkzaamheden. Bij uitvoering van eventuele ingrepen wordt geadviseerd het broedseizoen in acht te nemen, indien niet voldoende gegarandeerd kan worden dat nesten van broedende vogels niet beschadigd of vernietigd kunnen worden. Als aanbeveling geldt, om bij wijze van voorzorgsmaatregel elke schade aan broedgevallen uit te sluiten, ingrepen geheel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden.

Gebiedsbescherming In het kader van de gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden), moet worden nagegaan of er een zorgvuldige afweging van belangen heeft plaatsgevonden. Dit heeft met name betrekking op het houden van een tiental stuks rundvee voor hobbymatige activiteiten. In het kader van de stikstofdepositie kan worden gesteld dat er sprake is van is van tien aanwezige vleeskoeien, deze zijn in te delen in categorie A 6.100 namelijk vleesvee. Echter is deze activiteit al ruim 20 jaar aanwezig op deze locatie. Initiatiefnemer van Ruiter 27b heeft van de gemeente een agrarisch bedrijfsnummer en de activiteiten die hier worden ontplooid zijn bij de gemeente bekend. Hiermee stamt de activiteit al van voor de vaststelling van de habitat- en vogelrichtlijngebieden en is geen vergunning voor de Wet natuurbescherming benodigd.

Cultuurhistorie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle

pagina 31 van 43

cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. In navolgende afbeelding is het plangebied in het oranje weergegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Het plangebied is niet gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen complexen van cultuurhistorisch belang gelegen. Het aspect cultuurhistorie vormt in deze zin geen belemmering voor het planvoornemen.

Afbeelding 4.3: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant (plangebied oranje omlijnd)

Op het naastgelegen perceel (Zandstraat 44 en 44a) ligt de woonboerderij met bijbehorende schuur staat op de gemeentelijke monumentenlijst van 31 oktober 1966 en wordt aangeduid als ‘Roncalli-Hoeve’. De boerderij dateert uit het jaar 1851. Het pand vormt, volgens het gemeentelijk besluit, samen met de schuur een beeldbepalend ensemble en gaaf onderdeel van de historische agrarische bebouwing aan de Zandstraat. De locatie is met de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ bestemd voor het behoud en herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Deze is in voorgaande afbeelding te zien met een zwarte stip en ligt buiten het plangebied. Conclusie Onderhavige plannen van initiatiefnemer passen binnen de kaders voor cultuurhistorie en tasten geen cultuurhistorische waarden aan in de omgeving.

Archeologie Gemeente Someren heeft op 28 maart 2012 de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ vastgesteld en in 2015 is de geactualiseerde archeologische waardenkaart vastgesteld. In navolgende afbeelding is in het rood omlijnd te zien waar het plangebied zich binnen deze kaart bevindt. Te zien is dat het hier om een categorie 3 gebied gaat.

pagina 32 van 43

Afbeelding 4.5: Archeologische beleidskaart

De vrijstellingsdrempel bij deze categorie gebieden is bij bodemingrepen met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 meter. Overigens is in de beoogde situatie alleen sprake van het wijzigen van de bestemming van het plangebied en is er geen sprake van bouw- of sloopwerkzaamheden. Nader onderzoek is dan ook niet aan de orde. Conclusie Onderhavig planvoornemen past binnen de kaders voor archeologiebeleid, er worden geen bodemingrepen gepleegd. Een nadere onderzoeksplicht is dan ook niet aan de orde. Mocht er bij werkzaamheden op toevalsvondsten worden gestuit dan wordt dit uiteraard gemeld bij het bevoegd gezag. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ zal worden gehandhaafd zodat eventuele aanwezige waarden in de toekomst beschermd blijven bij ingrepen.

Kabels en leidingen In de direct omgeving van het plangebied is een buisleiding aanwezig, dit onderwerp is reeds behandeld in paragraaf 4.4 over externe veiligheid. Verder zijn er geen relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor het planvoornemen. Wanneer er bodemingrepen zullen zijn wordt een klic-melding gedaan.

pagina 33 van 43

Verkeer en parkeren Het herbestemmen van het plangebied zal niet leiden tot een toename van het aantal vervoersbewegingen. Zowel de bedrijfsactiviteiten als woonfunctie waren reeds aanwezig binnen het plangebied. Als gevolg van de bestemming zal geen toename zijn in het aantal verkeersbewegingen. De wegenstructuur volstaat om de afwikkeling van het bestemmingsverkeer te reguleren. Aan de CROW-norm (2012/2018) van twee parkeerplaatsen per woning wordt voldaan voor de woning aan Zandstraat 42. Ten aanzien van het bedrijfsgebouw aan Zandstraat 42a geldt de parkeernorm voor ‘kleinschalige opslag in het buitengebied’ van 1,3 parkeerplaats per 100 m 2 bruto vloeroppervlak. Gezien de omvang van het bedrijf à 890 m2 kan gesteld worden dat hieraan wordt voldaan. Hiervoor moeten 12 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Conclusie In totaal moeten er in het plangebied 12 parkeerplaatsen aanwezig zijn bij het bedrijf aan Zandstraat 42a. Bij de woning aan Zandstraat 42 moeten twee parkeerplaatsen aanwezig zijn. Aan deze aantallen wordt voldaan. Er is geen sprake van een vergrote verkeersgeneratie. Hiermee vormen de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering voor het planvoornemen.

Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. In het kader van de omgekeerde werking moet bij planherzieningen ook getoetst worden of de beoogde ontwikkelingen geen omliggende veehouderijbedrijven (verder dan bestaand) in hun ontwikkelingen belemmeren. In de directe omgeving bevinden zich geen intensieve veehouderijen. In de directe omgeving bevinden zich geen intensieve veehouderijen. Aan de overzijde van de Zandstraat, ten oosten van het plangebied, bevindt zich wel een agrarisch bouwvlak. Op het perceel liggen enkele veldschuren, waarin momenteel tractoren en ander materieel worden opgeslagen. Momenteel zijn de gebouwen niet in gebruik of vergund als dierenverblijven. Aangezien er geen aanduiding is ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ is het niet mogelijk om hier een veehouderij op te richten. Planologisch gezien is er slecht een mogelijkheid om een productiegerichte paardenhouderij op te richten. Echter mogen nieuwe dierverblijven met paarden niet worden opgericht binnen de wettelijke afstand van 50 meter.

Dit is geregeld in het Activiteitenbesluit en in de Wet geurhinder en veehouderij, waarbij 50 meter de minimumafstand is voor dieren zonder geuremissiefactor zoals bij paarden het geval is. Door de gemeente is in kaart gebracht wat de achtergrondbelasting geur is, navolgend is een afbeelding daarvan opgenomen. Hierop is het plangebied oranje omlijnd. Te zien is dat er sprake is van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat.

pagina 34 van 43

Afbeelding 4.7: Achtergrondbelasting geur 2018

Conclusie Aangezien er geen (intensieve) veehouderijen in de nabije omgeving zijn gelegen, en hiervoor ook geen concrete plannen bestaan, vormt het aspect geur geen belemmering voor het planvoornemen. Op basis van de in kaart gebrachte achtergrondbelasting is te stellen dat er sprake is van een ‘redelijk goed’ woon en leefklimaat.

Endotoxinen Een (landelijk) wettelijk toetsingskader voor intensieve veehouderij en de effecten op de volksgezondheid ontbreekt nog altijd. Er bestaan derhalve nog geen concrete wettelijke normen of aan te houden afstanden die in acht genomen moeten worden bij de vergunningverlening en/of bij de ruimtelijke planning. Verschillende gemeenten in Brabant, de Provincie en de GGD’s in Brabant hebben evenwel bijgedragen aan een toetsingskader om zo rekening te kunnen houden met de gezondheidsaspecten van intensieve veehouderijen bij onder meer ruimtelijke plannen. Daarin wordt geadviseerd om een afstand van 250 meter aan te houden tot intensieve veehouderijen. Er zijn binnen deze afstand hogere concentraties fijn stof, endotoxinen en veespecifieke MRSA-bacterie meetbaar met mogelijk negatieve gezondheidseffecten. Dit betekent dat binnen een straal van 250 meter van intensieve veehouderijbedrijven geen nieuwe gevoelige bouwwerken en bestemmingen kunnen worden gerealiseerd. Andersom geldt dat binnen een straal van 250 meter rond gevoelige bestemmingen of bouwwerken de ontwikkelingsruimte van intensieve veehouderijen verder zouden kunnen beperken als een nieuw gevoelig object zou worden opgericht. De GGD sluit ontwikkeling van veehouderijen binnen 250 meter echter niet uit en ziet de geurnorm en de achtergrond geurbelasting als het toetsingskader om ontwikkelingen toe te staan.

pagina 35 van 43

Net als bij geur geldt voor de endotoxine dat twee kanten op beredeneerd wordt en er ook sprake is van een omgekeerde werking om te voorkomen dat gevoelige objecten zich te dicht bij veehouderijen zouden kunnen vestigen. Hierdoor zou mogelijk de bedrijfsontwikkeling van veehouderijen in het gedrang kunnen komen als ook de gezondheid van omwonenden. In onderhavige situatie is sprake een bestaand aanwezig gevoelig object, namelijk de voormalige bedrijfswoning. Deze bedrijfswoning vormde al voor de bedrijven in de omgeving een gevoelig object, daar verandert de bestemmingswijziging niets aan. De gezondheid van bewoners van Zandstraat 42 wordt door de beoogde ontwikkelingen niet verder verslechterd en andersom geredeneerd worden omliggende veehouderijen door deze ontwikkelingen niet verder in hun bedrijfsvoering belemmerd. Temeer aangezien deze bedrijven zich op een afstand van meer dan 250 meter van het gevoelig object bevinden.

Afbeelding 4.8: Endotoxinen rond veehouderijen 2018

Hoewel het plangebied is niet gelegen is binnen de berekende endotoxine-contouren van veehouderijen, is het wel gelegen binnen 1 kilometer van meerdere pluimveehouderijen. Twee pluimveebedrijven bevinden zich op circa 400 meter afstand: ✓

Boerenkamplaan 34, op 385 meter afstand;

✓

Vlasstraat 4, op 410 meter afstand.

Uit het VGO onderzoek (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden) is gebleken dat tot 500 meter rondom individuele pluimveebedrijven een overschrijding mogelijk is van de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m³ in de buitenlucht. Ook is er sprake van cumulatie in dit geval. Uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 volgt dat het in zo’n situatie wenselijk is om

pagina 36 van 43

advies te vragen aan de GGD. In het laatste VGO-onderzoek is het eerder gevonden verband tussen longontstekingen en de nabijheid van pluimveehouderijen ontkracht. Gelet op de afstand van de veehouderijen tot het plangebied is het niet in de verwachting dat het perceel binnen endotoxinecontouren is gelegen. Verder zijn er woningen dichterbij de veehouderijen gelegen zijn dan het plangebied, zoals woningen in de kern Someren, waardoor door het initiatief de belangen van de veehouderijbedrijven niet (verder) worden geschaad. Hierdoor mag in redelijkheid worden aangenomen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Geitenmoratorium In juni 2017 en in oktober 2018 zijn de onderzoeken Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO 2 en 3) naar buiten gebracht. Deze rapporten tonen gezondheidsrisico’s aan bij omwonenden van geitenhouderijen in een straal van 500 meter tot 2 km. Naar aanleiding van het VGO 2 heeft de provincie op 7 juli 2017 een moratorium afgekondigd, op basis waarvan geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden gevestigd én de gebouwen van bestaande geitenhouderijen niet meer mogen worden uitgebreid Op basis van het VGO 3 onderzoek is het moratorium van kracht gebleven.

Het geitenmoratorium betreft een rechtstreeks werkende regel in de Verordening ruimte, namelijk: “Een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geitenhouderijen door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van gebouwen voor het houden van geiten is niet toegestaan”. Specifiek voor de Somerense situatie hebben we te maken met één geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114 die vanwege de omvang valt onder het Activiteitenbesluit. Een kleine toename van extra geiten is mogelijk op deze locatie, gezien vanuit de dierwelzijnseisen in de combinatie met het geitenmoratorium. De extra geiten moeten namelijk in de huidige geitenstallen gehuisvest kunnen worden. Bij ruimtelijke besluiten (bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik) moet rekening gehouden worden met de omgekeerde werking. Zolang het geitenmoratorium van kracht is, is het advies om binnen de straal van 2 km rondom de geitenhouderij: ✓

Geen woningbouwontwikkelingen toe te staan dichterbij de geitenhouderij dan in de huidige situatie al het geval is;

✓

Voor de ontwikkeling van gevoelige groepen / objecten, te weten kinderen, kwetsbare mensen en ouderen maatwerk toe te passen door het in kaart brengen van de gezondheidslast (risico op longontsteking). Op basis hiervan kan beoordeeld worden of de gezondheidslast door deze ontwikkeling significant toeneemt.

✓

Bij ontwikkelingen voor “grote” woningbouwlocaties ook de gezondheidslast in kaart te brengen, zodat bepaald kan worden of als gevolg van deze ontwikkeling het percentage longontstekingen toeneemt. Het betreffen in dit kader wel grootschalige ontwikkelingen waar de procedure voor het bestemmingsplan nog doorlopen moeten worden. Woningbouwontwikkelingen die met een vergunning rechtstreeks passend zijn in het bestemmingsplan, zijn op basis van de huidige onderzoeken niet tegen te houden.

Het plangebied is gelegen op een afstand van 2,80 kilometer van de geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114 en levert ook het geitenmoratorium geen beperkingen op aan de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. Andersom wordt de geitenhouderij niet verder belemmerd door deze plannen.

pagina 37 van 43

In het kader van endotoxine bestaan er dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de plannen van initiatiefnemer op voornoemd plangebied. Conclusie Wet geurhinder en veehouderij en/of het endotoxinebeleid vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Ook wordt het woon- en leefklimaat van bewoners van het beide woningen in de langgevelboerderij als redelijk goed beschouwd.

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.beoordeling Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welke activiteiten direct een m.e.r.-plicht geldt. Verder zijn in onderdeel D van het Besluit m.e.r.-activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In dit kader zijn voor deze activiteiten in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de ontwikkeling in het plangebied is de categorie stedelijk ontwikkelingsproject het meest relevant. Op de D-lijst van het Besluit m.e.r. is in categorie 11.2 aangegeven dat een stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit is, wanneer de volgende drempelwaarden worden overschreden: •

een oppervlakte van 100 hectare of meer;

•

een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of;

•

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

De ontwikkeling betreft slechts de wijziging van bestemmingen binnen bestaande bebouwing. Onderzoek en conclusies Gelet op de kenmerken van het project, zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten. Voor het plan is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Landschappelijk inpassingsplan Voor onderhavige ontwikkeling dient in het kader van het beeldkwaliteitsplan voor het buitengebied van Someren 2022 en de uitgangspunten van de gemeente Someren en de provincie NoordBrabant de beeldkwaliteit voor de locatie te worden vastgelegd. Hiertoe dient een landschappelijk inpassingsplan te worden opgesteld wat is uitgevoerd door Hoveniersbedrijf de Paashoef. Aangezien de locatie reeds landschappelijk is ingepast betreft het landschappelijk inpassingsplan

pagina 38 van 43

een vastlegging van de huidige situatie. Vastlegging landschappelijke inpassing Aan de voorzijde van de woning (Zandstraat 42) is een siertuin aangelegd, die ingericht is met een structuur van Fagus sylvatica-hagen in diverse hoogtes (zie situatieschets). De voortuin wordt gesplitst door een oprit (naar de parkeerkelder van de woning). Er zijn twee looppaden de tuin in. Eén aan de linkerzijde (zuidzijde) van de woning naar de achtertuin, en één voor de woning naar de entree van huis. Aan de rechterzijde loopt nog een oprit door naar een ruime parkeerplaats naast de woning. De achtertuin is voornamelijk ingevuld als gazon. In het gazon staan een aantal volwassen bomen (zie situatieschets) en er is hier een structuur aangebracht van looppaden. Direct achter de woning is nog een siertuin die aansluit op een groot terras. De beplanting van de voor-/ en achtertuin bestaat uit diverse soorten vaste planten en heesters. De noord-/ westzijde van het perceel grenst (deels) aan het perceel van Ruiter 27b en wordt afgeschermd door een houtwal. Deze houtwal bestaat uit diverse soorten (voornamelijk inheemse) beplanting; Corylus avellana, Betula Pubescens, Quercus robur, Cytsius preacox, Viburnum opulus, Amelanchier lamarckii en Symphoricarpos chenaultii.

De zuidzijde van het perceel grenst aan de Zandstraat 42a en wordt gescheiden door een haag van Fagus sylvatica in twee verschillende hoogtes. De voorzijde heeft een hoogte van circa 250 cm en de achterzijde een hoogte van circa 350 cm. De noordzijde van het perceel in ingericht als dierenweide en wordt aan de zijde van de Zandstraat omsloten door een Fagus sylvatica haag (+120 cm) en aan de westzijde door een haag van Createagus monogynus. Deze haag mag doorgroeien tot een hoogte van circa 150 cm en breder, zodat er meer een ‘Losse haag’ ontstaat. Hierna is in afbeeldingen weergegeven hoe de vastlegging van de landschappelijk inpassing eruit ziet.

Afbeelding 4.9: Landschappelijk inpassingsplan en erfbeplanting Zandstraat 42

pagina 39 van 43

Afbeelding 4.10: Landschappelijk inpassingsplan en erfbeplanting Zandstraat 42a

Afbeelding 4.11: Landschappelijk inpassingsplan en erfbeplanting Ruiter 27b

Conclusie Met de vastlegging van de bestaande landschappelijke inpassing van het plangebied, wordt invulling gegeven aan de provinciale en gemeentelijke randvoorwaarde(n) om ruimtelijke ontwikkelingen landschappelijk in te passen en tevens om bij te dragen aan een kwaliteitsverbetering van het landschap van het buitengebied.

pagina 40 van 43

Economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het veegplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (‘Grexwet’) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijk regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een omgevingsvergunning. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: a. de bouw van één of meer woningen; b.

de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen;

c.

de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1000 m² of met één of meer woningen;

d.

de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;

e.

de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1500 m² bedraagt;

f.

de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m².

Een exploitatieplan is niet noodzakelijk wanneer de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. De gemeente en de infitiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten. Daarmee is kostenverhaal voor de gemeente gedekt en is het plan financieel uitvoerbaar.

pagina 41 van 43

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg In de procedurebepalingen zoals gesteld in artikel 6.18 Bor is bepaald dat ontwerpbestemmingsplannen dienen te worden toegezonden aan provinciale en andere diensten, ten behoeve van overleg, zoals in artikel 3.1.1 de Bro is voorgeschreven. PM vooroverlegreacties Zienswijzen Voor de bestemmingsplanprocedure is de uitgebreide procedure van toepassing. De beslistermijn is 6 maanden. Binnen de eerste 8 weken dient beslist te worden of termijn wordt verlengd met 6 weken. De procedure is als volgt: terinzagelegging van ontwerpbesluit met zienswijzengelegenheid van 6 weken, terinzagelegging besluit, beroep en hoger beroep. De terinzageleggingstermijn van het besluit bedraagt 6 weken en is geen onderdeel van de 6 maanden beslistermijn. PM zienswijzen

pagina 42 van 43

Bijlagen Bijlage 1:

Akoestisch onderzoek, Tritium Advies

Bijlage 2:

Bodemonderzoek, Archimil

Bijlage 3:

Landschappelijk inpassingsplan

pagina 43 van 43

Rapport Verkennend bodemonderzoek @ (locatienaam) projectnummer 1234567 1 januari 2019 revisie 00

Bijlage 1 Akoestisch onderzoek, Tritium Advies

Blad 23 van 25

Akoestisch onderzoek industrielawaai Zandstraat 42 - 44 Someren

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

Akoestisch onderzoek industrielawaai

in opdracht van Valk advies & bemiddeling T.a.v. initiatiefnemers Amer 115 5711 KJ SOMEREN betreffende locatie Zandstraat 42 en 44 Someren documentkenmerk 1902/169/NB-01 versie 3 vestiging Nuenen datum 10 mei 2019

opgesteld door:

gecontroleerd door:

ing. N.H.J. van der Burgt

ir. M. van der Donk

Projectleider geluid & bouwfysica

Senior projectleider geluid & bouwfysica

Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies BV.

Tritium Advies BV Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid

Tritium Advies is gevestigd in:

T.

088 44 02 900

E.

info@tritium.nl

Arkel >> Neer >> Nuenen >>

I.

www.tritium.nl

Prinsenbeek >> Rijkevoort

KvK-nr.

17108024

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

Inhoudsopgave pagina 1

Inleiding

1

2

Opzet van het onderzoek

3

3

Situatie en randvoorwaarden

4

3.1

Situatie

4

3.2

Bedrijfsactiviteiten

4

3.3

Geluideisen

5

4

Metingen en berekeningen

7

4.1

Meet- en berekeningsmethodiek

7

4.2

Bronbeschrijving

7

4.2.1

Stationaire bronnen

7

4.2.2

Mobiele bronnen

8

4.3

Objecten

8

4.4

Ligging van de beoordelingspunten

9

5

Resultaten

10

5.1

Vanwege de inrichting

10

5.2

Toepassing van het BBT-principe

11

5.3

Vanwege het verkeer van en naar de inrichting

12

6

Samenvatting en conclusies

13

Bijlagen 1

Luchtfoto met locatie inrichting en beoogde woonbestemmingen

2

Grafisch overzicht van het akoestisch model

3

Akoestisch model 3A Berekening bronvermogens 3B Invoergegevens akoestisch model 3C Resultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) 3D Resultaten maximale niveaus (LAmax)

4

Indirecte hinder

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

1 Inleiding In opdracht van de initiatiefnemers is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de beoogde omzetting van een bedrijfswoning aan Zandstraat 42 te Someren naar burgerwoning en ten behoeve van de beoogde splitsing van een woonboerderij aan Zandstraat 44. Aan Zandstraat 42A wordt een nevenvestiging van het reeds bestaande Servicestation Van Kol aan Postel 22 te Someren gerealiseerd. Voor de locatie Zandstraat 42 en 42A geldt nu nog één bestemming 'bedrijf - agrarisch verwant' met milieucategorie 3. Voor de huidige bedrijfswoning aan Zandstraat 42 wordt een omzetting beoogd naar een woonbestemming. Het perceel van Zandstraat 42A krijgt de bestemming 'bedrijf'. Voor deze bestemming geldt in de beoogde situatie maximaal milieucategorie 2. Voor de locatie Zandstraat 44 geldt een bestemming 'agrarisch - agrarisch bedrijf' met één bedrijfswoning. Voor het af te splitsen noordelijk deel van de boerderij wordt de bestemming 'wonen' beoogd. Aangezien er reeds een woonbestemming geldt voor de boerderij zal er door de splitsing geen inperking ontstaan voor het bedrijf aan Zandstraat 42A. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld.

Deze bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk / rustig buitengebied. Uitgaande van een categorie 2 bedrijf kan voor geluid worden uitgegaan van een richtafstand van 30 meter behorende bij het gebiedstype 'rustig buitengebied'. Voor beide beoogde woonbestemmingen wordt niet voldaan aan deze richtafstand. Derhalve dient middels een akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat zowel voor de beoogde burgerwoning aan Zandstraat 42 als de beoogde woning aan Zandstraat 44 het aspect geluid (industrielawaai) geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat. In onderhavig onderzoek wordt op de gevels van beide beoogde woningen de geluidbelasting bepaald ten gevolge van alle geluidrelevante activiteiten van het bedrijf aan Zandstraat 42A. Aan de hand hiervan is bepaald of er in de toekomstige situatie sprake is van een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat en dus van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van de beoogde woningen. Naast de splitsing van boerderij aan Zandstraat 44 wordt voor het perceel behorende bij het zuidelijke deel van de boerderij een bestemming 'wonen-plus' beoogd, waarbij naast de woonbestemming mogelijkheid is voor een klein bedrijf. De bedrijfsactiviteiten richten zich op het beheer van vastgoed.

In de ten zuiden van de boerderij gelegen schuur zal, enkel in de dagperiode en op beperkte schaal, kleinschalige opslag, onderhoud en reparatie van inventaris ten behoeve van bedrijfspanden en woningen plaatsvinden. Gezien de beperkte activiteiten en de afstand van minimaal 25 meter tot het af te splitsen deel van de boerderij, wordt verder akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het geluidonderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, uitgave 1999 (verder: HMRI).

pagina 1 van 14

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

Door enkele wijzigingen naar aanleiding van opmerkingen van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is het eerder door ons opgestelde rapport 1902/169/NB-01, versie 2 d.d. 19 maart 2019 in zijn geheel komen te vervallen.

pagina 2 van 14

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

2 Opzet van het onderzoek In onderhavig onderzoek is de huidige akoestische situatie beoordeeld na de voorgenomen ontwikkelingen. Daartoe omvat het onderzoek de geluiduitstraling van alle mogelijke (bedrijfs)activiteiten, met inbegrip van de relevante verkeersbewegingen op het bedrijfsterrein van de nevenvestiging van het servicestation. Bovendien is de indirecte hinder beschouwd vanwege het verkeer van en naar de inrichting conform de ‘Circulaire Indirecte Geluidhinder’ d.d. 29 februari 1996. Bezien is of de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed heeft op het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde geluidgevoelige bestemmingen en of er dus sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er is hierbij aansluiting gezocht bij: 

het stappenplan en de bijbehorende geluideisen uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, editie 2009 (verder: VNG-uitgave);

de eisen uit het ‘Activiteitenbesluit milieubeheer’ (verder: Activiteitenbesluit).

Er heeft een inventarisatie van geluidbronnen plaatsgevonden in de toekomstige situatie. Hierbij is gebruik gemaakt van: 

de informatie die werd verstrekt door de heer Van Kol van Servicestation Van Kol. Deze informatie betreft met name de activiteiten, de aantallen en tijdstippen van de verkeersbewegingen en de bedrijfstijden;

archiefgegevens en kentallen.

Voor het verwerken van deze gegevens en het berekenen van de immissieniveaus is gebruik gemaakt van het programma Geomilieu, ontwikkeld door DGMR. De immissieniveaus zijn bepaald op de meest relevante beoordelingsposities, zijnde de toetspunten gelegen ter plaatse van beoogde burgerwoning aan Zandstraat 42 en de beoogde woonfunctie aan Zandstraat 44.

pagina 3 van 14

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

3 Situatie en randvoorwaarden 3.1 Situatie In bijlage 1 is een luchtfoto opgenomen met locatie van de nevenvestiging van het Servicestation, de beoogde burgerwoning en af te splitsen deel van de boerderij.

3.2 Bedrijfsactiviteiten De te beschouwen inrichting betreft een nevenvestiging van Servicestation Van Kol. Het perceel behorende bij de inrichting is toegankelijk via twee inritten en omvat één bedrijfshal. De meest zuidelijke inrit zal tevens met behulp van het recht van overpad gebruikt worden als inrit naar het perceel behorende bij het af te splitsen gedeelte van Zandstraat 44. Het voorste gedeelte van de bedrijfshal (met enkel gevelopeningen in de oostgevel) betreft een afgesloten ruimte. In dit deel van de hal zullen langdurige reparaties aan personen- en of bestelwagens worden uitgevoerd en kunnen tevens tijdelijk personen- en/of bestelwagens worden gestald. De reparatiewerkzaamheden kunnen zowel in de dag- als in de avondperiode plaatsvinden. Het middendeel van de hal is toegankelijk via de roldeur in de zuidgevel. Dit gedeelte wordt gebruikt voor het tijdelijk stallen van personen- en bestelwagens en de opslag van banden (statische opslag). Activiteiten rondom deze stalling en opslag vinden enkel in de dag- en avondperiode plaats. Naast de stalling binnen is het tevens mogelijk dat een enkel voertuig buiten zal worden geparkeerd. Naast de eigenaar zal geen personeel werkzaam zijn op onderhavige nevenvestiging. Sporadisch zal een klant komen kijken naar de vorderingen van de reparaties. De klant kan parkeren op het voorterrein.

Het achterste gedeelte van de hal is ingericht met barinrichting, meubilair en biljart. Dit gedeelte wordt niet bedrijfsmatig gebruikt, maar enkel privé door familieleden als verlengstuk van de woning. De roldeur in de westgevel wordt derhalve niet bedrijfsmatig gebruikt. Voor bezoek (per personenwagen) aan de inrichting maakt de eigenaar nagenoeg altijd gebruik van de zuidelijke inrit. De personenwagen zal veelal geparkeerd worden net voor de op de inrit aanwezige poort. Deze zuidelijke inrit wordt tevens gebruikt voor het stallen van personen- en bestelwagens in het middendeel van de bedrijfshal. De eigenaar zal tevens een aantal keer in de dagperiode en soms in de avondperiode de inrichting aandoen ten behoeve van het voederen van de op het achtergelegen perceel aanwezige hobbydieren. Dagelijkse representatieve situatie (verder: RBS) Op reguliere dagelijkse basis wordt de geluidproductie van het bedrijf bepaald door: 

het af- en aanrijden via de zuidelijke inrit van 10 personen- en 5 bestelwagens in de dagperiode en 4 personen- en 3 bestelwagens in de avondperiode;

het af- en aanrijden via de noordelijke inrit van 12 personen- en 12 bestelwagens in de dagperiode en 3 personen- en 3 bestelwagens in de avondperiode;

uitstralende gevel- en dakdelen als gevolg van inpandig uitgevoerde reparatiewerkzaamheden in het voorste gedeelte van de bedrijfshal in zowel dag- als avondperiode. De roldeur in de voorgevel zal tijdens werkzaamheden gesloten blijven.

pagina 4 van 14

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

Op het inrichtingsterrein zijn geen buiten opgestelde installaties aanwezig. In de nachtperiode vinden geen activiteiten plaats binnen de inrichting.

3.3 Geluideisen Zoals in de inleiding omschreven kan de locatie van de beoogde woonbestemmingen worden aangemerkt als gebiedstype 'rustig buitengebied'. Voor deze omgeving gelden volgens de VNG-uitgave de volgende geluideisen (stap 2): 

45 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau;

65 dB(A) etmaalwaarde voor maximale (piek)niveaus;

50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking.

Indien vorenstaande niet toereikend blijkt, zijn onder nadere voorwaarden afwijkingen tot maximaal de volgende waarden mogelijk (stap 3): 

50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau;

70 dB(A) etmaalwaarde voor maximale (piek)niveaus;

50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking.

Zijn ook deze waarden niet toereikend, dan is doorgaans inpassing niet mogelijk tenzij dit (door het bevoegd gezag) grondig wordt onderzocht en onderbouwd. In de rapportage zal ook een doorkijk worden gegeven naar de eventuele inperking van de bedrijfsactiviteiten van de nevenvestiging aan Zandstraat 42A. Voor het bepalen hiervan is uitgegaan van de volgende geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Artikel 2.17 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat: 

de niveaus op de in tabel 3.1 genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in tabel 3.1 aangegeven waarden Tabel 3.1: Geluidgrenswaarden Activiteitenbesluit

dagperiode

avondperiode

nachtperiode

07.00 - 19.00 uur

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 07.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

de in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur in tabel 3.1 opgenomen maximale geluidniveaus (LA,max) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;

Geluidbeleid gemeente Someren Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met de documenten "Geluidbeleid Industrielawaai en vergunningverlening, Gemeente Someren" d.d. 15 oktober 2007 van SRE Milieudienst en "Nota Industrielawaai 2013, Geluidbeleid Industrielawaai en vergunningverlening, actualisatie-evaluatie 2013, Gemeente Someren" d.d. 5 oktober 2013 van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

pagina 5 van 14

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

De gemeente heeft per gebied richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau vastgelegd. De inrichting is gelegen in het gebiedstype 'landelijk' met een bijbehorende richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. Deze richtwaarde geldt ter plaatse van gevels van woningen van derden of andere geluidgevoelige bestemmingen of, indien binnen een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen, op 50 meter van de grens van de inrichting. Bijzondere geluiden Indien er impulsachtige geluiden bij geluidgevoelige objecten hoorbaar zouden kunnen zijn, dient rekening te worden gehouden met een toeslag van 5 dB (straffactor). Deze toeslag is tevens aan de orde indien er tonale geluiden hoorbaar zijn. Bij een combinatie van tonaal en impulsachtig geluid wordt de toeslag maar één keer toegepast. Indirecte hinder Conform de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’ geldt voor de indirecte hinder ten gevolge van het aan- en afrijdend verkeer een beperking van de reikwijdte tot die afstand waarbinnen de herkomst van het verkeer in alle redelijkheid kan worden teruggevoerd op de aanwezigheid van de inrichting. Met name in de directe omgeving geeft afremmend en optrekkend verkeer een duidelijke afwijking van het normale verkeersbeeld.

Als toetsingskader voor het beoordelen van de geluidbelasting van woningen vanwege het wegverkeer van en naar de inrichting geldt de Circulaire Indirecte Geluidhinder d.d. 29 februari 1996. De voorkeursgrenswaarde voor indirecte hinder bedraagt conform de circulaire evenals de VNG-uitgave 50 dB(A) etmaalwaarde op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen. Hierbij mag geen aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder worden toegepast.

pagina 6 van 14

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

4 Metingen en berekeningen 4.1 Meet- en berekeningsmethodiek Ter bepaling van de geluiduitstraling van de geluidrelevante activiteiten is gebruik gemaakt van in het verleden elders uitgevoerde metingen. De geluidrelevante activiteiten betreffen in onderhavige situatie voertuigbewegingen en het binnenniveau bij reparatiewerkzaamheden aan personen- en bestelwagens. De berekeningen van de geluidemissie van de inrichting zijn uitgevoerd conform de voorschriften van methode II in de HMRI.

4.2 Bronbeschrijving Bij geluidbronnen wordt onderscheid gemaakt tussen stationaire bronnen en mobiele geluidbronnen, behorende bij de transportbewegingen op het inrichtingsterrein. In bijlage 2 zijn de locaties van de stationaire en mobiele bronnen in het akoestisch model grafisch weergegeven. In bijlage 3A zijn de bronvermogens van de gebruikte geluidbronnen berekend en/of weergegeven. In bijlage 3B wordt een overzicht gegeven van de invoergegevens van alle geluidbronnen, die een relevante bijdrage leveren aan de emissieniveaus. In de navolgende paragrafen worden alle gebruikte stationaire en mobiele bronnen besproken welke in de RBS actief zijn.

4.2.1 Stationaire bronnen Uitstralende dak- en geveldelen (ug01 t/m ug04 en ud01 t/m ud10) Voor het binnenniveau van een hal waarin reparatiewerkzaamheden aan personen- en bestelwagens plaatsvinden kan op basis van vergelijkbare projecten 75 dB(A) worden aangehouden. In onderhavig bedrijf worden slechts door één persoon reparatiewerkzaamheden uitgevoerd, waardoor voornoemd gemiddelde binnenniveau als worst-case aanname kan worden beschouwd. De piekverhoging kan worden gesteld op 25 dB op het binnenniveau. Het hellend dak van het voorste deel van de hal bestaat uit een sandwichplaat met 60 mm PIR-isolatie en is met puntbronnen gemodelleerd. De kozijnen en de overheaddeur in de oostgevel zijn als uitstralende geveldelen gemodelleerd. Voor de geluidproducerende werkzaamheden is 4 en 1,5 uur voor respectievelijk de dag- en avondperiode aangehouden. Voor het middendeel van de hal vindt, vanwege het gebruik voor statische opslag, geen relevante geluiduitstraling plaats. Ook bij het privégebruik in het achterste deel van de hal vindt geen relevante geluiduitstraling plaats. Derhalve zijn er geen uitstralende gevel- en dakdelen voor deze gedeelten van de hal meegenomen. De gedeelten van de hal uitgevoerd als steenachtige spouwmuur zijn zodanig goed geïsoleerd dat hiervan geen geluidrelevante uitstraling naar de omgeving kan plaatsvinden.

Het aantal impulsen welke zullen voorkomen tijdens reparatiewerkzaamheden door één persoon zullen beperkt zijn in aantal en zullen vanwege de handmatige arbeid niet gekenmerkt worden door pagina 7 van 14

documentkenmerk: 1902/169/NB-01, versie 3

een zekere repetitie. Alle reparatiewerkzaamheden vinden binnen (met gesloten deuren) plaats. Derhalve is het niet aannemelijk dat ter plaatse van de toetspunten sprake zal zijn van een herkenbaar tonaal geluid. Derhalve is voor zowel impulsachtig als tonaal geluid geen toeslag opgenomen.

4.2.2 Mobiele bronnen In tabel 4.1 staat een overzicht van de vervoersbewegingen op het inrichtingsterrein in de RBS. Aan-/afrijden personenwagens: bron mb01 t/m mb04 Voor het bronvermogen van een langzaam rijdende personenwagen (10 km/uur) is Lw = 87 dB(A) representatief. Piekverhogingen zijn met name afkomstig van het dichtslaan van portieren. Bij vergelijkbare projecten zijn deze piekniveaus vastgesteld op 96 dB(A). Deze piekniveaus zijn met behulp van puntbronnen op de betreffende locaties gemodelleerd. Aan-/afrijden bestelwagens: bron mb05 t/m mb08 Voor het bronvermogen van een wegrijdende bestelwagen is Lw = 92 dB(A) representatief. Piekverhogingen zijn met name afkomstig van het dichtslaan van portieren. Derhalve zijn dezelfde piekniveaus gehanteerd als bij de personenwagens. Deze piekniveaus zijn met behulp van puntbronnen op de betreffende locaties gemodelleerd. Tabel 4.1: Voertuigbewegingen op het inrichtingsterrein vervoersbewegingen in de RBS

bron-

bronvermogens

aantal aan- en afvoer voertuigen1)

nummer Lw

Lw,max

dag

avond

nacht

voertuigen zuidelijke inrit (eigen) personenwagen

mb01

87

96

10

4

-

bestelwagen

mb05

92

96

5

3

-

4

-

-

87

96

4

3

-

voertuigen noordelijke inrit personenwagen parkeren zuidzijde buitenterrein

mb02

personenwagen t.b.v. reparatie / stallen binnen

mb03

personenwagen parkeren noordzijde buitenterrein

mb04

4

-

-

bestelwagen parkeren zuidzijde buitenterrein

mb06

4

-

-

bestelwagen t.b.v. reparatie / stallen binnen

mb07

4

3

-

bestelwagen parkeren noordzijde buitenterrein

mb08

4

-

-

92

96

Opmerking tabel 4.1: 1)

Dit betreft retourbewegingen, derhalve zijn in het model dubbele aantallen ingevoerd.

4.3 Objecten In bijlage 2 zijn de objecten grafisch weergegeven. In bijlage 3B zijn de bijbehorende invoergegevens weergegeven. Voor de onmiddellijke omgeving van de inrichting is gebruik gemaakt van een akoestisch model in Geomilieu, versie 4.50. Alle relevante gebouwen zijn als rechthoekige of polygone objecten ingevoerd met een hoogte ten opzichte van het maaiveld. De hellende daken van de gebouwen behorende bij de inrichting zijn middels rechthoekige nokken en een scherm voor de nok gemodelleerd met een profielcorrectie van 2 dB en een reflectiefactor van 0,2. Voor de overige gebouwen geldt een profielcorrectie van 0 dB (geen correctie) en een reflectiefactor van 0,8.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12544889/1