Bijlage 3 Ruimtelijke motivering
Tekst van het document
Daarnaast is er in artikel 5.54 Bkl een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg /m³ of minder als bedoeld in artikel 5.53 Bkl voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: 1. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m²; 2. twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m². 2. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Dit betreft een project in niet betekenende mate. De ambulancepost genereert slechts enkele verkeersbewegingen per dag. Aandachtsgebieden De projectlocatie is niet gelegen binnen een aandachtsgebied in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect is daarmee niet relevant. Uitgezonderde locaties (blootstelling) Binnen de projectlocatie is sprake van de realisatie van een ambulancepost. Er is geen sprake van een uitgezonderde locatie. De luchtkwaliteit dient te worden beoordeeld.
Er gelden de volgende grenswaarden voor fijnstof: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. - de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijnstof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
29
CRI260028.003/GBS
Navolgende figuren betreffen uitsneden van de kaarten met de waarden voor fijnstof voor de projectlocatie en de omgeving hiervan.
Figuur 18: Uitsnede kaart met fijnstof PM10, waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid (RIVM, 2023)
Figuur 19: Uitsnede kaart met fijnstof PM2,5, waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid (RIVM, 2023)
Binnen de projectlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 8-9 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarden. De realisatie van dit plan is in het kader van fijnstof geen bezwaar. Stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft voor stikstofdioxide een maximale grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 40 µg/m³.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
30
CRI260028.003/GBS
Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de waarden voor stikstofdioxide voor de projectlocatie en de omgeving hiervan.
Figuur 20: Uitsnede kaart met Stikstof NO2, waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid (RIVM, 2023)
Binnen de projectlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 14-16 µg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarde. De realisatie van dit plan is in het kader van stikstof geen bezwaar. 5.5.3
Conclusie beschermen van de gezondheid Het aspect ‘beschermen van de gezondheid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
5.6
Omgevingsveiligheid
5.6.1
Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico’s van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de ‘feitelijke’ risico’s (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico’s worden ervaren. Ten behoeve van deze afwijking van het omgevingsplan zijn de relevante risico’s geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crises, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
31
CRI260028.003/GBS
brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening. 5.6.2
Beoordeling De projectlocatie is op de kaarten externe veiligheid van de Atlas Leefomgeving wel gelegen in een aandachtsgebied van een risicovolle bron met betrekking tot de externe veiligheid.
Figuur 21: Uitsnede Kaart omgevingsveiligheid waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid
Activiteiten De projectlocatie is niet gelegen binnen een risicocontour voor activiteiten. Spoorwegen In de wijde omgeving zijn geen spoorlijnen aanwezig. Dit aspect vormt geen bezwaar. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. Voor de N266 is geen aandachtsgebied opgenomen. Voor de Rijksweg A67 geldt dat de projectlocatie is gelegen buiten het gif-, explosie- en brandaandachtsgebied. Dit aspect vormt geen bezwaar. Vervoer over het water In de omgeving liggen geen waterwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Buisleidingen
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
32
CRI260028.003/GBS
De ambulancepost ligt binnen een brandaandachtsgebied van een leiding van de Gasunie. Onder de Omgevingswet geldt voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen dat getoetst moet worden van toetsing aan plaatsgebonden risico (PR) en de aandacht voor groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. Het aandachtsgebied is de afstand waarbinnen personen nog slachtoffer kunnen worden bij een groot leidingincident (bijv. gaswolkbrand of fakkelbrand). Een ambulancepost wordt in het kader van externe veiligheid aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten worden op deze locatie niet mogelijk gemaakt. Gelet op de aard en omvang van de functie en het beperkte aantal aanwezige personen leidt de ontwikkeling niet tot een significante toename van het groepsrisico. Door de functie kan gesteld worden dat de personen zelfredzaam zijn. In geval van een incident (zoals een fakkelbrand) zijn zowel schuilen in het gebouw als vluchten naar de openbare ruimte mogelijk. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar veiligheidsniveau.
5.6.3
Conclusie omgevingsveiligheid Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
5.7
Toetsing m.e.r.-beoordeling
5.7.1
Algemeen Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r. is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (m.e.r.). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r.. Op deze manier vormt de m.e.r. een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: - de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; en - als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1.
de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, zoals degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
33
CRI260028.003/GBS
5.7.2
Beoordeling De ontwikkeling is niet aan te merken als project waarvoor een besluit van een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt). Dit plan is wegens aard en omvang van het plan geen stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van de m.e.r.-beoordeling. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling dan ook niet aan de orde.
5.7.3
Conclusie m.e.r.-beoordeling Het aspect ‘m.e.r.’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
34
CRI260028.003/GBS
6
Goede omgevingskwaliteit
6.1
Water
6.1.1
Algemeen In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen van een plan voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas.
6.1.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 In Nederland zijn er grote opgaven voor het waterdomein. Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor een goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 vastgesteld. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Dit plan wordt door de waterschappen op gebiedsniveau vormgegeven.
6.1.1.2 Principes Waterschap Aa en Maas Het Waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes bij ruimtelijke ontwikkelingen: - gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; - doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; - hydrologisch neutraal bouwen; - water als kans; - meervoudig ruimtegebruik; - voorkomen van vervuiling; - wateroverlastvrij bestemmen; - waterschapsbelangen. 6.1.1.3 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Aa en Maas In het Waterbeheerplan is beschreven welke doelen door het waterschap worden nagestreefd in de periode 2022-2027 en hoe het waterschap deze doelstellingen gaat behalen. Het waterbeheerplan is gebaseerd op de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; 3. Afvalwaterketen.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
35
CRI260028.003/GBS
Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. In het programma ‘Afvalwaterketen’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Om deze doelen te bereiken zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: - het maken van actieplannen met maatregelen gericht op een klimaatrobuust watersysteem; - het verkennen van de mogelijkheden om de hoeveelheid water die vanuit bebouwd gebied wordt afgevoerd op het regionale systeem te beperken; - inzetten op extra maatregelen: ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken; - meedenken met gemeenten bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen, hemelwaterverordeningen en het opnemen van klimaatadaptatie in bestemmingsplannen; - handhaven van de stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied en deze koppelen waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen; - de samenwerking met gemeenten, woningcorporaties, ontwikkelaars en de bouwsector breed opzoeken in het bebouwde gebied; - Intensief samenwerken op de overgang tussen bebouwd gebied en landelijk gebied, ook rondom bedrijventerreinen.
6.1.2
Beoordeling
6.1.2.1 Beschermingsregime De projectlocatie is niet aangeduid als gelegen binnen een attentiegebied voor de waterhuishouding of een beschermd gebied in het kader van de waterhuishouding. Wel is de projectlocatie gelegen direct aansluitend aan een beschermd gebied.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
36
CRI260028.003/GBS
Figuur 22: Kaart uit de Waterschapsverordening, waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid
Omdat de ontwikkeling plaatsvind op een bestaand bouwperceel is er geen sprake van aantasting van het beschermd gebied. 6.1.2.2 Bodem en grondwater De projectlocatie betreft een grondsoort bestaande uit Moerige eerdgronden met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand (zWz) en Meerveengronden op zand zonder humuspodzol. Binnen de projectlocatie is een Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) van ca 27 centimeter centimeter beneden maaiveld. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de GHG, waarin de ligging van de projectlocatie is aangeduid.
Figuur 23: Uitsnede GHG waarop de ligging van de projectlocatie is aangeduid
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
37
CRI260028.003/GBS
6.1.2.3 Huidig en toekomstig verhard oppervlak In de huidige situatie bedraagt het verhard oppervlak circa 550 m². in de nieuwe situatie bedraagt het verhard oppervlak circa 1900 m². 6.1.2.4 Hemelwaterinfiltratievoorziening Het hemelwater dat valt op daken wordt via regengoten afgevoerd naar een infiltratievoorziening. Gelet op de omvang van het perceel en de hoge grondwaterstand wordt een bovengrondse voorziening passend gedacht. Met een verhard oppervlak geldt een benodigde infiltratiecapaciteit van 114 m³. Achter het perceel loopt een b-watergang. Het is mogelijk een noodoverloop aan te sluiten hierop. De aanleg en instandhouding van waterinfiltratievoorzieningen wordt geborgd in de omgevingsvergunning voor deze ontwikkeling.
6.1.3
Conclusie water Het aspect ‘water’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
6.2
Cultureel erfgoed
6.2.1
Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed, voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: - ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; - verplaatsing van beschermde monumenten; - gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; - aantasting van de omgeving van een beschermd monument; - aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; - conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
6.2.2
Beoordeling
6.2.2.1 Archeologie De beleidskaart van de gemeente Someren geeft grotendeels hoge archeologische verwachtingswaarden voor de projectlocatie. De vrijstellingsdrempel is bij de categorie hoge verwachting een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 m.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
38
CRI260028.003/GBS
De aanduiding op de archeologische gemeentelijke beleidskaart betekent dat gezien de daar opgenomen archeologische verwachtingswaarden, wel archeologisch vooronderzoek nodig is.
Figuur 24: Uitsnede archeologische verwachtingskaart met aanduiding projectlocatie
Gelet op vorenstaande is ten behoeve van het project wel/geen een Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 2. [betreft automatische nummering en koppeling naar bijlage --> rechtermuisknop en veld bijwerken] Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan: [Ingaan op conclusies en aanbevelingen onderzoek] 6.2.3
Overig cultureel erfgoed Van overig cultureel erfgoed (monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, e.d.) is ter plekke van onderhavig projectgebied geen sprake. De woning/café stond aangemerkt als ‘overige bouwkunst’, echter dit object is reeds gesloopt. De resterende opstallen kennen geen cultuurhistorische waarden.
6.2.4
Conclusie cultureel erfgoed Het aspect ‘cultuur erfgoed’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
39
CRI260028.003/GBS
6.3
Natuur
6.3.1
Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten-/diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
6.3.1.1 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren: - óf er soorten aanwezig zijn; - en indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming.
Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. 6.3.1.2 Gebiedsbescherming Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
40
CRI260028.003/GBS
6.3.2
Beoordeling
6.3.2.1 Flora en fauna Ten behoeve van onderhavig project is een quickscan verricht naar eventuele aanwezigheid van beschermde soorten flora en/of fauna. De rapportage van deze quickscan is bijgevoegd als bijlage 3. Op grond van de quickscan zijn de volgende conclusies getrokken een aanbevelingen gedaan: PM quickscan 6.3.2.2 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan Rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving).
Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). Het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ is het meest nabij de projectlocatie gelegen Natura 2000-gebied. Dit gebied ligt op een afstand van circa 2,6 kilometer ten westen van de projectlocatie. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de ligging van Natura 2000gebieden ten opzichte van de projectlocatie.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
41
CRI260028.003/GBS
Figuur 25: Uitsnede kaart met de ligging van Natura 2000 gebieden ten opzichte van de projectlocatie (aangeduid met gele stip)
Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow). Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als bijlage 4 bij voorliggende motivering. PM Uit de berekeningen is gebleken dat geen sprake is van negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden ten gevolge van stikstof. Zodoende bestaat geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura2000 gebieden. 6.3.2.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. De projectlocatie ligt aangrenzend aan het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Er vindt geen ruimtebeslag plaats. Naast ruimtebeslag, kunnen door de toepassing van externe werking ook verstoringseffecten van belang zijn. Deze gelden als de werkzaamheden binnen 100 meter van het NNB uitgevoerd worden. Navolgende figuur geeft een kaart met de ligging van NNN en NNB gebieden ten opzichte van de projectlocatie.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
42
CRI260028.003/GBS
Figuur 26: Uitsnede kaart met de ligging van NNN en NNB-gebieden ten opzichte van de projectlocatie
6.3.2.4 Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen Rijksregels. In het omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen. Houtkap is niet aan de orde. Dit aspect vormt geen bezwaar. 6.3.3
Conclusie natuur Het aspect ‘natuur’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
6.4
Duurzaamheid en klimaat
6.4.1
Algemeen Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
43
CRI260028.003/GBS
onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen. Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen; - Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen; - Natuurinclusief bouwen. 6.4.1.1 Klimaat Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Om invulling te geven aan de in de Nationale Omgevingsvisie beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren.
Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. 6.4.2
Beoordeling Bij voorliggend bouwplan wordt voldaan aan de voorwaarden voor duurzaamheid bij verbouw zoals deze zijn voorgeschreven in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij de bouw wordt uitvoering aandacht besteed aan het aspect duurzaamheid.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
44
CRI260028.003/GBS
6.4.3
Conclusie duurzaamheid en klimaat Het aspect ‘duurzaamheid en klimaat’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
6.5
Positieve gezondheid
6.5.1
Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd. Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen.
6.5.2
Beoordeling De realisatie van een ambulancepost draagt bij aan positieve gezondheid door het verbeteren van de bereikbaarheid en responstijden van acute zorg. Hierdoor worden gezondheidsrisico’s beperkt en neemt de overlevingskans bij spoedeisende situaties toe. Daarnaast versterkt de aanwezigheid van deze voorziening het gevoel van veiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Eventuele nadelige effecten, zoals geluid en verkeersbewegingen, zijn beperkt en ruimtelijk inpasbaar, zo volgt uit deze motivering.
6.5.3
Conclusie positieve gezondheid Het aspect ‘positieve gezondheid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
45
CRI260028.003/GBS
7
Uitvoerbaarheid
7.1
Advies en instemming Artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit en artikel 16.15 van de Omgevingswet regelen samen het advies en de instemming van Gedeputeerde Staten bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: ‘Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.’ Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd.
In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij het aanvragen van een omgevingsvergunningen (BOPA) kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
46
CRI260028.003/GBS
initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken. PM participatie.
7.3
Economische uitvoerbaarheid
7.3.1
Kostenverhaal Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Is sprake van een ontwikkeling die niet op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het afwijken van het omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.
7.3.2
Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn het omgevingsplan, een omgevingsvergunning, een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap. Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: - het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of - het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting. - De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. De inschatting is dat deze ontwikkeling niet leidt tot schade die groter is dan het normaal maatschappelijk risico.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
47
CRI260028.003/GBS
8
Afweging en conclusie Het voornemen is om ter plaatse van de locatie Kanaaldijk-Noord 3 Lierop een ambulancepost op te richten. Het voornemen is op grond van het ter plekke geldende omgevingsplan niet mogelijk. Teneinde het voornemen mogelijk te maken, dient te worden afgeweken van het omgevingsplan. Dit is enkel mogelijk indien het voornemen passend is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl). In voorliggende motivering is daarop nader ingegaan. Tegen het project bestaan vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. Het voornemen is niet strijdig met de Rijks-, provinciale, en gemeentelijke doelen en regelgeving. Voorts vormen de diverse te beoordelen normen en omgevingswaarden geen beletsel voor de realisatie van het project. Tot slot worden de financiële consequenties volledig gedragen door de initiatiefnemer. Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat bij realisatie van het voorliggende project sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
48
CRI260028.003/GBS
9
Verwerking in het omgevingsplan
9.1
Algemeen Gemeenten hebben de verplichting om buitenplanse omgevingsplanactiviteiten binnen 5 jaar in het omgevingsplan op te nemen. Daarom bepaalt artikel 4.17 van de Omgevingswet dat gemeenten een voortdurende BOPA verwerken in het omgevingsplan. Dit gebeurt binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de BOPA. Deze verplichting geldt vanaf 1 januari 2032.
9.2
Wijze waarop deze BOPA verwerkt wordt Ter vertaling van deze BOPA is een verbeelding opgenomen als bijlage bij de motivering. Concreet wordt binnen het projectgebied toegestaan: -
Een maatschappelijke functie ten behoeve van een ambulancepost. Binnen het op de verbeelding aangeduide bouwvlak is een gebouw toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 5,2 meter. Op eigen perceel dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De functie dient landschappelijk te worden ingepast conform het bijgesloten beplantingsplan. De bestaande opstallen worden gesloopt.
Bijlagen
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
49
Bijlage 1 Bodemonderzoek
Bijlage 2 Archeologisch onderzoek
Bijlage 3 Quickscan flora en fauna
Bijlage 4 Voortoets stikstof
Bijlage 5 Omgevingsdialoog