Bijlage 3 Ruimtelijke motivering
Tekst van het document
Motivering Kanaaldijk-Noord 1-3 Lierop
Projectgegevens Rapportnummer Datum rapportage
: CRI260028.003/GBS : 29 mei 2026
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop
Onderdeel
: Motivering behorende bij een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA)
Status
: concept
Crijns Rentmeesters B.V. Koningsplein 20 5721 GJ Asten +31 (0)493 - 47 17 77 info@crijns-rentmeesters.nl www.crijns-rentmeesters.nl
Lid van de Nederlandse Vereniging van Rentmeesters Onderdeel van de Aelmans Adviesgroep
Op onze dienstverlening is de Regeling van Rentmeesters van toepassing die u vindt op www.crijns-rentmeesters.nl. Crijns Rentmeesters B.V. is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 22030061. Alleen aan het volledige originele document kunnen rechten worden ontleend door de opdrachtgever. Derden (met uitzondering van bevoegde gezagen) kunnen geen rechten ontlenen aan dit rapport. Crijns Rentmeesters B.V. is niet aansprakelijk voor schade die direct dan wel indirect voortvloeit uit conclusies, aannames en/of aanbevelingen die vermeld staan in dit rapport. Crijns Rentmeesters B.V. is niet aansprakelijk voor mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van dit rapport zelf neemt.
Sjabloonversie januari 2026
Inhoudsopgave 1
Inleiding .............................................................................................................. 1
2
Projectbeschrijving .............................................................................................. 2 2.1 Projectbegrenzing................................................................................................................... 2 2.2 Bestaande situatie .................................................................................................................. 3 2.3 Beoogde situatie ..................................................................................................................... 5
3
Omgevingsplanregels ........................................................................................ 11 3.1 Omgevingsplan gemeente Someren .................................................................................... 11 3.2 Strijdigheid met omgevingsplan ........................................................................................... 12
4
Maatschappelijke doelen .................................................................................. 13 4.1 Rijksdoelen en regelgeving ................................................................................................... 13 4.2 Provinciale doelen en regelgeving Noord-Brabant .............................................................. 16 4.3 Gemeentelijke doelen en regelgeving .................................................................................. 21
5
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving ........................................................... 23 5.1 Activiteiten ........................................................................................................................... 23 5.2 Bodem .................................................................................................................................. 24 5.3 Geluid ................................................................................................................................... 25 5.4 Geur ...................................................................................................................................... 25 5.5 Beschermen van de gezondheid........................................................................................... 26 5.6 Omgevingsveiligheid............................................................................................................. 31 5.7 Toetsing m.e.r.-beoordeling ................................................................................................. 33
6
Goede omgevingskwaliteit ................................................................................ 35 6.1 Water .................................................................................................................................... 35 6.2 Cultureel erfgoed.................................................................................................................. 38 6.3 Natuur................................................................................................................................... 40 6.4 Duurzaamheid en klimaat .................................................................................................... 43 6.5 Positieve gezondheid............................................................................................................ 45
7
Uitvoerbaarheid ................................................................................................ 46 7.1 Advies en instemming .......................................................................................................... 46 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid....................................................................................... 46 7.3 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................. 47
8
Afweging en conclusie ....................................................................................... 48
9
Verwerking in het omgevingsplan...................................................................... 49 9.1 Algemeen.............................................................................................................................. 49 9.2 Wijze waarop deze BOPA verwerkt wordt ........................................................................... 49
Bijlagen Bijlage 1
Bodemonderzoek
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
Bijlage 3
Quickscan flora en fauna
Bijlage 4
Voortoets stikstof
Bijlage 5
Omgevingsdialoog
CRI260028.003/GBS
1
Inleiding Aan de locatie Kanaaldijk-Noord 1-3 Lierop is conform het vigerend planregime sprake van een horecafunctie en een woonfunctie. Het voornemen is om deze locaties te herontwikkelen ten behoeve van een opkomstlocatie voor ambulancepost Zuidoost-Brabant.
Figuur 1: Topografische kaart met aanduiding projectlocatie
Dit voornemen is niet toegestaan binnen het geldende omgevingsplan. Beoogd wordt om met een Buitenplanse Omgevingsplan Activiteit (hierna BOPA) af te wijken van het omgevingsplan, waarmee het voornemen wordt gefaciliteerd. Een BOPA kan verleend worden als sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), zo volgt uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en indien sprake is van een concreet plan. In voorliggende motivering wordt het voornemen toegelicht en is aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
1
CRI260028.003/GBS
2
Projectbeschrijving
2.1
Projectbegrenzing De projectlocatie is gelegen in Lierop, even ten westen van de Zuid-Willemsvaart en de gemeentegrens met Asten. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging.
Figuur 2: Uitsnede van de luchtfoto met aanduiding projectlocatie
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
2
CRI260028.003/GBS
De projectlocatie betreft de percelen kadastraal bekend als: gemeente Someren, sectie N, nummers 458, 784 (ged.) 786, 837 (ged.) en 884.
Figuur 3: Uitsnede van de kadastrale kaart met aanduiding projectlocatie
2.2
Bestaande situatie
2.2.1
Historische situatie Rond 1912 wordt een nieuw huis gebouwd aan Kanaaldijk Noord 1. Na verloop van tijd wordt het gebruikt als café. Het huis is in 2019 gesloopt.
Figuur 4: Historie Kanaaldijk-Noord 1
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
3
CRI260028.003/GBS
Het woonhuis Kanaaldijk 3 is in 1990 gebouwd en is nog steeds aanwezig. 2.2.2
Ruimtelijke structuur De besluitlocatie is gelegen nabij een knooppunt van wegen. Direct ten oosten van de besluitlocatie ligt de N226/N612, met daarnaast de Zuid-Willemsvaart. Ten noorden ligt de Rijksweg A67. Daarmee ligt de locatie tussen de kernen Lierop, Asten, Someren en Helmond. In de omgeving is weinig bebouwing aanwezig.
2.2.3
Huidige situatie projectlocatie Binnen de besluitlocatie is nog één woonhuis aanwezig. De omliggende gronden zijn in gebruik als cultuurgrond. Navolgende figuur betreft een luchtfoto van de locatie.
Figuur 5: Situatie besluitgebied (Bron: Slagboom en Peeters)
Figuur 6: Projectlocatie gezien vanaf de provinciale weg (Bron: Google)
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
4
CRI260028.003/GBS
2.3
Beoogde situatie
2.3.1
Beschrijving van het plan Beoogd wordt de bestaande bebouwing te saneren en ter plaatse een nieuw gebouw op te richten voor een ambulancepost. De bestaande opstallen worden gesloopt. Op navolgende afbeelding wordt de gewenste situatie weergegeven.
Figuur 7: Plattegrond
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
5
CRI260028.003/GBS
Er wordt één gebouw opgericht met daaromheen ruimte voor parkeren en manoeuvreren. De uitrijplaatsen zijn naar de weg gericht. 2.3.2
Noodzaak De GGD ondervindt problemen bij het voldoen aan de genormeerde opkomsttijd van ambulances aan de zuidzijde van de gemeente Helmond, met name bij levensbedreigende situaties (A0- en A1ritten). Door een ambulancepost te situeren in Lierop, dicht bij de A67, wordt een substantiële verbetering van de rijtijden verwacht. De GGD Brabant-Zuidoost (hierna GGD) heeft een locatiestudie uitgevoerd ten behoeve van een ambulancepost in Lierop. Hierbij zijn verschillende locaties bekeken en vergeleken, met als doel een verbeterde prestatie voor de gehele regio te realiseren. Op basis van ervaringscijfers zijn de isochronen en opkomsttijden berekend en visueel weergegeven. Naar aanleiding hiervan wil de GGD de opkomsttijd van ambulances aan de zuidzijde van de gemeente Helmond verbeteren. De gemiddelde rijtijd bij spoedmeldingen is momenteel 12 minuten, wat onderdeel uitmaakt van de wettelijk vastgelegde opkomsttijd van 15 minuten. Lierop is geografisch ideaal gelegen als uitvalsbasis om deze zijde van de regio Brabant-Zuidoost effectief te bedienen. Bij het kiezen van de locatie zijn niet alleen de isochronen onderzocht, maar ook de omgeving en de veiligheid van de rijroute. Belangrijke overwegingen zijn: - Bewoning in de directe omgeving van de ambulancepost kan leiden tot bezwaren van omwonenden, vooral met betrekking tot het gebruik van optische en geluidssignalen (OGS).
Het aantal uitrukken per dag voor de post met vier ambulances is gemiddeld zes ritten. - De route naar de openbare weg moet veilig zijn voor de ambulances en goed zichtbaar voor ander verkeer. - De rijwegen moeten zo min mogelijk obstakels bevatten (zoals verkeerslichten, drempels of snelheidsbeperkingen). - Parkeerverboden in de directe omgeving van de ambulancepost moeten worden ingesteld, zodat het uitrijden niet belemmerd wordt.
2.3.3
Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing De nieuwbouw betreft een milieubewust, bio-based gebouw dat uitstekend geïsoleerd is en een energieneutraal ontwerp heeft. Het pand zal volledig gasloos zijn en beschikt over gebruiksvriendelijke, duurzame installaties. Het dak zal worden voorzien van zonnepanelen om een zo laag mogelijk energieverbruik en een minimale CO2-uitstoot te realiseren.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
6
CRI260028.003/GBS
Figuur 8: Impressie gebouw
Figuur 9: Straatzijde gebouw
Figuur 10: Achterzijde gebouw
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
7
CRI260028.003/GBS
Figuur 11: Beoogde uitstraling
2.3.4
Landschappelijke inpassing Het projectgebied wordt landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting, passend in het beekdal. Navolgende figuur geeft een uitsnede van het beplantingsplan dat als bijlage bij deze motivering is opgenomen.
Figuur 12: Uitsnede beplantingsplan
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
8
CRI260028.003/GBS
2.3.5
Verkeer en parkeren De Kanaaldijk-Noord is een doodlopende weg en wordt beperkt gebruikt door gemotoriseerd verkeer. De verkeersstroom gaat via de Rijksweg de Wilgekant op. Op de Wilgekant komen veel verkeersbewegingen vanuit de richtingen Someren, Helmond, Asten, Lierop, en aangrenzende snelweg. Voor de veiligheid kan ervoor gekozen worden om een verkeersbord neer te zetten op de Wilgekant. Dit kan bestuurders erop attenderen dat de voorrangssituatie dan wijzigt.
Figuur 13: voorbeeld verkeersbord
Daarnaast is bekend dat er 5 ploegen zijn per dag, van minimaal twee medewerkers tegelijkertijd. Mochten deze werknemers allemaal met de auto komen, dan zou dit betekenen dat er voor per persoon 2 verkeersbewegingen per dag zijn (aankomen en vertrekken) per werknemer. Dit betekent dat er 20 verkeersbewegingen zijn voor woon-werkverkeer. Dit is meer dan bij de huidige woonsituatie, maar de verwachting is dat de straat dit aankan. Daarnaast is alleen sprake van lichte verkeersbewegingen (ambulance, auto’s). dit verkeer kan hier allemaal door de straat. Parkeren vindt volledig plaats op eigen terrein. De ambulances parkeren inpandig, tegenover de uitrit. Hiervoor zijn 5 parkeerplekken ingetekend, voor 5 ambulances en een wasruimte. Op de plattegrond zijn ook 17 parkeerplekken voor personeel en eventuele bezoekers ingetekend. Ook voor fietsen is een stalling ingetekend. Er zijn geen separate parkeernormen voor ambulanceposten. Gesteld kan worden dat een ambulance redelijk arbeidsintensief, maar zeer bezoekersextensief is. De shifts worden zeer goed verdeeld waardoor wordt voorkomen dat er veel mensen tegelijkertijd op de locatie aanwezig zijn. 14 parkeerplekken voor 5 ambulances (met 2 inzittenden) wordt hierom als ruim voldoende beoordeeld.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
9
CRI260028.003/GBS
Figuur 14: Plattegrond beoogde situatie, met 14 parkeerplekken aan de achterzijde, en 3 aan de voorzijde van het gebouw.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
10
CRI260028.003/GBS
3
Omgevingsplanregels
3.1
Omgevingsplan gemeente Someren Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Someren van rechtswege onderdeel geworden van één omgevingsplan. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en een nieuw deel. De bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het tijdelijke deel bestaat uit: - (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen; - Rijksregels over activiteiten (aangeduid als ‘de bruidsschat’). Voor de projectlocatie is het Omgevingsplan gemeente Someren hiermee sinds 1 januari 2024 van rechtswege geldend. De projectlocatie is eerder in Buitengebied Someren bestemd, waarmee dit eerder vastgestelde bestemmingsplan geldt als planregime als onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege. De projectlocatie kent thans de functies ‘Wonen’, ‘Horeca’ en ‘Agrarisch met waarden Abiotische waarden’ alsmede ‘Waarde – Archeologie’.
Figuur 15: Uitsnede omgevingsplan Buitengebied Someren met aanduiding projectlocatie
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
11
CRI260028.003/GBS
3.2
Strijdigheid met omgevingsplan Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen. De voorgenomen plannen voor de projectlocatie zijn in strijd met de regels van het Omgevingsplan van rechtswege, voortvloeiend uit de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied Someren. Concreet is sprake van de navolgende strijdigheden: • Voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een horecabedrijf met bijbehorende voorzieningen. • De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de functie woondoeleinden. • De voor ‘Agrarisch met waarden – Abiotische waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik. Het bouwen van een ambulancepost en het gebruik daarvan past niet binnen de vigerende functies.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
12
CRI260028.003/GBS
4
Maatschappelijke doelen
4.1
Rijksdoelen en regelgeving
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. De NOVI gaat uit van vier prioritaire opgaven: - Duurzaam economisch groeipotentieel voor Nederland; - Ruimte voor de klimaatverandering en energietransitie; - Sterke, leefbare en klimaatbestendige steden en regio’s met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. In de visie worden de nationale belangen genoemd die gewaarborgd moeten worden in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het bijvoorbeeld ook om behoud en versterking van cultureel erfgoed en landschappelijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Het Rijk heeft de NOVI opgesteld voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk.
Hierbij worden drie inrichtingsprincipes gehanteerd die helpen om in een specifieke casus of gebied bij botsende belangen een zorgvuldige weging tussen nationale belangen te maken. Die inrichtingsprincipes zijn: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen voorkomen.
4.1.1.1 Rad van de leefomgeving Om de visie en besluitvorming van de NOVI te kunnen beoordelen is daarvoor het Rad van de Leefomgeving opgesteld. Dit Rad van de Leefomgeving biedt een raamwerk van waardecategorieën waarmee de waardecreatie van een project beoordeeld kan worden. Het richt zich daarbij vooral op de impact op de ontwikkeling of bescherming van de leefomgeving. Het Rad van de Leefomgeving biedt twee perspectieven op de leefomgeving, die met elkaar in balans moeten worden gebracht: - Het beschermen van de fysieke leefomgeving door te zorgen voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; - Het vervullen van maatschappelijke behoeften door te richten op ontwikkeling van de woonomgeving en de economische omgeving.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
13
CRI260028.003/GBS
Het Rad van de Leefomgeving biedt een praktisch handvat om invulling te geven aan de ‘omgevingsinclusieve benadering’ van de NOVI en de Omgevingswet. Het Rad geeft de mogelijkheid de beoordeling van de effecten voor de fysieke leefomgeving breed en integraal te benaderen.
Figuur 16: Rad van de Leefomgeving
4.1.1.2 Beoordeling Dit plan ziet op het herontwikkelen van de functies ‘Horeca’ en ‘Wonen’ naar een maatschappelijke functie ten behoeve van een ambulancepost. Dit plan draagt bij aan een veilige en gezonde leefomgeving en de behoefte van goede voorzieningen. 4.1.2
Instructieregels Rijk De Omgevingswet werkt door in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s): het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
4.1.2.1 Omgevingsbesluit Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
14
CRI260028.003/GBS
4.1.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving Het Bal bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd. 4.1.2.3 Besluit bouwwerken leefomgeving Het Bbl bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
4.1.2.4 Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl bevat ter bescherming van de nationale belangen instructieregels, waaronder: - waarborgen van veiligheid; - beschermen van waterbelangen; - beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, geur en bodemkwaliteit; - beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; - het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; - het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, Rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën. 4.1.2.5 Beoordeling Het plan wordt in hoofdstuk 4 van deze motivering getoetst aan de regels van de sectorale aspecten die voorvloeien uit het Omgevingsbesluit, het Bal, het Bbl en het Bkl. Uit die toets blijkt dat de ontwikkeling past binnen de kaders uit deze AMvB’s. 4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Bkl heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit. Dit regelt artikel 8.0b Bkl.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
15
CRI260028.003/GBS
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Over de vraag wanneer precies sprake is van een ’stedelijke ontwikkeling’ heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich gebogen in een overzichtsuitspraak d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724). Van een stedelijke ontwikkeling is onder andere sprake bij een bouwplan met 12 woningen of meer, bij een plan met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m². De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 4.1.3.1 Beoordeling Deze ontwikkeling voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling. Derhalve is toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking voor de beoogde ontwikkeling niet nodig. 4.1.4
Conclusie Rijksdoelen en regelgeving Dit project is niet strijdig met de doelen en regelgeving op Rijksniveau
4.2
Provinciale doelen en regelgeving Noord-Brabant
4.2.1
Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven: a) De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 4. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt. 5. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 6. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Hier moet mee worden omgegaan. 7. Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Provinciale Staten kunnen in een omgevingsverordening (instructie)regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben in dit kader de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving zijn hierin samengevoegd.
4.2.1.1 Beoordeling De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. Gesteld wordt dat gemeenten de eerst verantwoordelijken zijn waar het gaat om ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden zo laag mogelijk weggelegd. Gemeenten en waterschappen moeten een eigen invulling geven aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
16
CRI260028.003/GBS
provincie Noord-Brabant heeft in de Omgevingsverordening Noord-Brabant een vertaalslag gemaakt van de visie naar concreet bindende regels die bij de opgenomen onderwerpen moeten worden getoetst. 4.2.2
Omgevingsverordening Noord-Brabant De Omgevingsverordening Noord-Brabant is op 1 januari 2024 in werking getreden en is een planologische verordening waarin eisen gesteld worden aan op te stellen ruimtelijke plannen. Deze verordening vormt een direct toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. In deze omgevingsverordening zijn de bestaande regels over de fysieke leefomgeving in één verordening ondergebracht. De omgevingsverordening sluit aan op de Omgevingswet en de werkwijze van de Omgevingsvisie. De regels sluiten aan bij het diep, rond en breed kijken uit de omgevingsvisie, maar zijn ook gebaseerd op overig vastgesteld beleid zoals de doelen en ambities voor duurzame energie uit de Energieagenda of bij de uitwerking van beleid in het Regionaal Water- en Bodem Programma. De provinciale omgevingsverordening bevat direct werkende algemene regels en instructieregels. Soms bevatten de instructieregels afwegingscriteria en soms concrete voorwaarden. De instructieregels voor het omgevingsplan in hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening NoordBrabant hebben tot doel dat de gemeenteraad, of in een voorkomend geval het college van burgemeester en wethouders, de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling of afwijken van een omgevingsplan. De instructieregels richten zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving. De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met realisatie van een veilige en gezonde leefomgeving.
4.2.2.1 Beoordeling Aanduiding projectlocatie in Omgevingsverordening Noord-Brabant Navolgend wordt een overzicht gegeven van de aanduidingen binnen de projectlocatie in de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Figuur 17: Uitsnede Omgevingsverordening Noord-Brabant met aanduiding ligging projectlocatie
De projectlocatie is hierop aangeduid als gelegen binnen het landelijk gebied.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
17
CRI260028.003/GBS
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Inleiding Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Voor het realiseren hiervan wordt toepassing gegeven aan: zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering en de meerwaardecreatie. Zorgvuldig ruimtegebruik Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag en dat de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling. Alleen wanneer uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag onder voorwaarden mogelijk. Met dit plan wordt een horecafunctie en woonfunctie omgezet in een maatschappelijke functie. Het ruimtebeslag is niet groter dan de toegestane functies en de bebouwing wordt geclusterd. Er is met dit plan daarmee sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en een meerwaarde creatie De lagenbenadering omvat de effecten op: - de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden; - de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en - de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: - de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; - de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn; - de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, welke deel uit kan maken van de meerwaardecreatie.
De ontwikkeling respecteert de kenmerken van ondergrond, infrastructuur en bestaand landgebruik, maakt efficiënt gebruik van bestaande bouwpercelen, draagt bij aan maatschappelijke voorzieningen en veiligheid en levert daarmee een positieve bijdrage aan de omgevingskwaliteit, zoals beoogd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een omgevingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied moet hiervoor een regeling opnemen.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
18
CRI260028.003/GBS
Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in Brabant hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. Sinds 2018 hanteert de gemeente Someren een Landschapsinvesteringsregeling (LIR). De LIR geeft aan welke tegenprestatie men moet realiseren bij een ruimtelijke ontwikkeling. De LIR is een gemeentelijke uitwerking van het provinciaal beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. Rekening houdend met deze impact op de leefomgeving zijn categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen te onderscheiden. Afhankelijk van de impact op de leefomgeving wordt in de werkafspraken met de provincie bepaald via welke kwaliteitseis invulling kan worden gegeven aan de omgevingsverordening. De volgende drie categorieën worden onderscheiden: -
-
-
Categorie 1. Kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een lage impact op de leefomgeving en die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen. Er wordt geen extra tegenprestatie gevraagd. Categorie 2. Ruimtelijke ontwikkelingen met een normale impact op de leefomgeving, waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap plaats moet vinden door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Categorie 3. Zwaardere ruimtelijke ontwikkelingen met een relatief grote impact op de leefomgeving, waarbij naast een basisinspanning in de vorm van landschappelijke inpassing ook een kwaliteitsverbetering van het landschap nodig is op grond van een forfaitaire berekening en kwalitatieve tegenprestatie (in euro’s uitgedrukt op basis van normbedragen).
Deze ontwikkeling betreft een categorie 3 ontwikkeling. De berekening van de LIR is als bijlage bij deze motivering gevoegd. Er is sprake van een afname in bestemmingswaarde. Daarmee is sprake van een categorie 2 ontwikkeling: Ontwikkelingen behorende tot categorie 3 met een uit te voeren kwaliteitsverbetering van het landschap volgens de forfaitaire berekening uit deze LIR van minder dan € 1.000. Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting Bij de afweging over de ontwikkeling van nieuwe activiteiten en functies in het Landelijk gebied is het belangrijk na te denken of dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt. Om de afweging te kunnen maken in een concreet geval is het nodig dat een gemeente beleid uitwerkt waarin een ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Lid 1 Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in paragraaf 5.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten: a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
19
CRI260028.003/GBS
b.
c. d.
welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in afdeling 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.
De functie binnen het gebied. De functie draagt bij een veilige en gezonde leefomgeving. Er is sprake van een goede aansluiting richting hoofdverkeersaders waardoor een goede verkeersafwikkeling is verzekerd. In de omgeving zijn geen doorontwikkelingen voorzien van gevoelige objecten of bedrijvigheid. In samenhang wordt de omgevingskwaliteit versterkt door het toevoegen van groen. Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een nietagrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als: a. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.12; b. aanwezige, overtollige bebouwing wordt gesloopt; c. dit geen betrekking heeft op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. het toelaten van een nieuwe lawaaisport; 3. een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking. De functie past binnen de ontwikkelrichting van het gebied. Deze draagt bij een veilige en gezonde omgeving. De bestaande bebouwing wordt gesloopt. Is geen sprake van het toevoegen van een kantoor met baliefunctie, het toelaten van een nieuwe lawaaisport of mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking. Lid 2 Het omgevingsplan regelt: a. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan en tot welke omvang; b.
dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in artikel 5.12; c. dat een ontwikkeling naar een functie met grote publieksaantrekkende werking is uitgesloten; d. dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; e. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a. In het omgevingsplan wordt toegestane bebouwing wordt duidelijk afgekaderd. Voorzien wordt in een gebouw dat toekomstbestendig is. Daarmee wordt een duurzame invulling voorzien en is de functie ook in de toekomst volhoudbaar is. De oppervlakte aan bebouwing is relatief beperkt. Van een publieksaantrekkende werking is geen sprake. Van opslag is geen sprake.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
20
CRI260028.003/GBS
Lid 3 Als uitgangspunt voor een bij de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor: a. een bedrijfsmatige activiteit, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De ontwikkeling is kleinschalig en past niet op een bedrijventerrein. De functie is maatschappelijk en betreft geen bedrijvigheid. Van detailhandel is geen sprake. Lid 4 Een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in artikel 5.75 (Mestbewerking), als dat vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving. Er is geen sprake van de uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit. 4.2.3
Conclusie provinciale doelen en regelgeving Noord-Brabant Dit project is niet strijdig met de doelen en regelgeving van de provincie Noord-Brabant.
4.3
Gemeentelijke doelen en regelgeving
4.3.1
Omgevingsvisie Someren De Omgevingsvisie Someren (vastgesteld 4 juli 2024) beschrijft de gewenste ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkeling van de gemeente op de lange termijn. De visie geeft richting aan hoe Someren wil omgaan met thema’s zoals wonen, economie, landschap, mobiliteit en duurzaamheid. De omgevingsvisie dient als toetsingskader voor nieuwe initiatieven van inwoners, bedrijven en ontwikkelaars. Een belangrijke uitgangspositie is dat Someren een groene, dorpse en leefbare gemeente wil blijven met sterke sociale verbanden en een hoge kwaliteit van de leefomgeving. Tegelijkertijd staan er verschillende opgaven centraal, zoals woningbouw, de transitie van de landbouw, duurzame energie en het zorgvuldig omgaan met het landschap. Ontwikkelingen moeten daarom bijdragen aan een balans tussen economische ontwikkeling, leefbaarheid en bescherming van natuur en landschap. Daarnaast zet de gemeente in op: - Leefbare dorpen en sterke kernen, met voorzieningen en passende woningbouw. - Een vitaal buitengebied, waar ruimte is voor agrarische ontwikkeling, natuur, recreatie en passende nieuwe functies.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
21
CRI260028.003/GBS
-
Duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling, bijvoorbeeld door energietransitie en klimaatadaptatie. Bereikbaarheid en verkeersveiligheid, waarbij mobiliteit goed moet aansluiten op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.
Het omschakelen van een locatie met horeca en wonen naar een ambulancepost kan passend worden geacht binnen de uitgangspunten van de omgevingsvisie. De visie biedt ruimte voor maatschappelijke en functionele voorzieningen die bijdragen aan de veiligheid en gezondheid van inwoners, mits deze zorgvuldig worden ingepast in het landschap en aansluiten bij de schaal van het gebied. Een ambulancepost vervult een belangrijke publieke functie binnen de regionale zorgketen en draagt direct bij aan de bereikbaarheid van spoedeisende hulp. 4.3.2
Beeldkwaliteitplan Buitengebied 2022 Het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren (2022) bevat richtlijnen voor de landschappelijke inpassing en vormgeving van bebouwing in het buitengebied. Nieuwe ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij de kenmerken van het landschap, zoals openheid, verkavelingsstructuur en erfbeplanting, zodat de ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van het Somerense landschap behouden en versterkt worden. De projectlocatie is gelegen in een beekdallandschap, dat wordt gekenmerkt door een relatief open en laaggelegen landschap met een duidelijke relatie tussen waterlopen, graslanden en verspreide erven. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door beeklopen, sloten, kleinschalige perceelranden en begeleidende beplanting langs wegen en watergangen. Kenmerkend voor dit landschap is dat bebouwing doorgaans geconcentreerd is op erven, waarbij het omliggende landschap grotendeels open blijft en zichtlijnen langs het beekdal behouden blijven. Een landschappelijke inpassing is uitgewerkt in paragraaf 2.3.4.
4.3.3
Conclusie gemeentelijke doelen en regelgeving Dit project is niet strijdig met de doelen en regelgeving van de gemeente Someren.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
22
CRI260028.003/GBS
5
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
5.1
Activiteiten
5.1.1
Algemeen Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’. In de handreiking wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen, zónder een Lijst van activiteiten. Uitgangspunt is functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten meer of minder milieugebruiksruimte. Hiermee wordt duidelijk welke milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten in een gebied op grond van het omgevingsplan rechtstreeks worden toegelaten. De handreiking is gericht op de volgende soorten gebieden: bedrijventerreinen, andere werkterreinen (niet zijnde bedrijventerreinen), woongebieden en buitengebied.
Voor geluid en geur worden drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of zelfs geschikt is voor functiemenging: - Een inschatting van de feitelijke situatie aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur; - Een indicatie aan de hand van de getransponeerde tabel van Bedrijven en milieuzonering (VNG 2009); - Door het uitvoeren van gericht onderzoek.
5.1.2
Beoordeling De projectlocatie is gelegen nabij hoofdinfrastructuur en is daarmee gelegen binnen het gemengd gebiedstype. Ten opzichte van onderhavige projectlocatie is sprake van bestaande bedrijfsactiviteiten in de omgeving die van invloed kunnen zijn op het project. Het betreft daarbij een drietal (intensieve) veehouderijbedrijven (milieucategorie 4.1). Al deze bedrijven liggen op meer dan 200 meter afstand. Derhalve kan worden voldaan aan de richtafstanden van 100 meter in gemengd gebied. Als gevolg van voorliggend project worden tevens nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in de (directe) omgeving. Conform de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering wordt een ambulancepost/ambulance standplaats ingedeeld in milieucategorie 2. De dichtst tot de projectlocatie gelegen woning betreft Dijkstraat 67 te Asten. De afstand bedraagt 75 meter. Daarmee wordt voldaan aan de vaste afstand.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
23
CRI260028.003/GBS
Gelet op vorenstaande is ten behoeve van het project geen onderzoek uitgevoerd. 5.1.3
Conclusie activiteiten Het aspect ‘activiteiten’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
5.2
Bodem
5.2.1
Algemeen Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen de projectlocatie is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
5.2.2
Beoordeling Voorliggend project voorziet in een planologische functiewijziging. In dat kader is ten behoeve van het project een bodemonderzoek uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 1. Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan: In opdracht van de provincie Noord-Brabant heeft TAUW een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 57401 uitgevoerd aan de Kanaaldijk Noord 1 in Lierop. Navolgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken: Met het onderhavige bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoende vastgesteld. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat: • In de grond zijn geen verontreinigingen aangetoond • Het grondwater is licht verontreinigd met barium De gemeten concentratie aan barium in het grondwater geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek. PM
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
24
CRI260028.003/GBS
5.2.3
Conclusie bodem Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan. PM
5.3
Geluid
5.3.1
Algemeen Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidbelasting is in de Omgevingswet een afweging die gemeenten zelf moeten maken. Gemeenten dienen dus voor elke locatie in de gemeente gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels op te nemen in het omgevingsplan. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer andersom nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 5.1 is ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten.
5.3.2
Beoordeling Bij voorliggend project is in vergelijking met de bestaande situatie geen sprake van het realiseren van een nieuw geluidgevoelig gebouw. In dat kader is ten behoeve van het project geen akoestisch onderzoek uitgevoerd.
5.3.3
Conclusie geluid Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
5.4
Geur
5.4.1
Algemeen Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden. Echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. In het Bal zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie.
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
25
CRI260028.003/GBS
Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. 5.4.2
Beoordeling Een ambulancepost is niet aangemerkt als woonfunctie of voor langdurig verblijf. Er is daarom geen sprake van het toevoegen van een geurgevoelig gebouw.
5.4.3
Conclusie geur Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan.
5.5
Beschermen van de gezondheid
5.5.1
Algemeen Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid.
5.5.2
Beoordeling
5.5.2.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waar endotoxinen onderdeel van uit maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit die veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxinen door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Deze ontwikkeling maakt geen gevoelig gebouw mogelijk.
Dit aspect vormt geen bezwaar. 5.5.2.2 Geitenhouderij Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekingen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
26
CRI260028.003/GBS
nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies. Deze ontwikkeling maakt geen gevoelig gebouw mogelijk. Dit aspect vormt geen bezwaar. 5.5.2.3 Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
Een ambulancepost wordt in principe niet gezien als een drift-gevoelig object bij de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen. Er worden diensten gedraaid van 8 uur, verdeeld over 5 ploegen per dag. Er is dus sprake van tijdelijk verblijf per werknemer. Maar geen langdurig verblijf per persoon. Daarnaast is de aanwezigheid afhankelijk van het aantal oproepen en geplande ritten. Daarbij wordt opgemerkt dat de afstand tot landbouwgrond van derden meer dan 30 meter bedraagt. Deze grond is sinds 2009 onafgebroken in gebruik als grasland. Daarmee kan worden gesproken over ‘blijvend grasland’. Bij dit type agrarisch gebruik vindt slechts beperkt en incidenteel toepassing van gewasbeschermingsmiddelen plaats. Bovendien wordt geconstateerd dat het agrarische perceel grenzend aan de projectlocatie volledig is aangewezen als Natuur Netwerk Brabant. Gebied aangewezen als NNB is gericht op ecologische waarden en kenmerken, en het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling hiervan. Het intensief gebruik van deze grond voor agrarische teelt ligt hierom niet meer in de lijn van verwachting. Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat en worden omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt.
5.5.2.4 Hoogspanningsverbinding Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
27
CRI260028.003/GBS
knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen. De dichtst bij de projectlocatie gelegen hoogspanningslijn is gelegen op een afstand van circa 370 meter tot de projectlocatie en heeft hiermee geen invloed op dit plan. 5.5.2.5 Trillingen In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (paragraaf 5.1.4.4., art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat.
Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Verkeer over een oneffen wegdek kan ook trilling veroorzaken. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheid, zoals bij een brug. Meestal speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Deze ontwikkeling maakt een ambulancepost mogelijk. Dit wordt functioneel gezien als een werkgebouw c.q. bedrijfsgebouw. Daardoor wordt het niet als trillingsgevoelig object beschouwd in dezelfde zin als woningen of zorginstellingen. De aftand van het gebouw tot de provinciale weg bedraagt ca. 30 meter. Een provinciale weg kan trillingen veroorzaken, maar in de meeste situaties zijn deze beperkt en nemen ze snel af met afstand. Op deze afstand zijn trillingen normaliter verwaarloosbaar.
Daarom vormt dit aspect geen bezwaar. 5.5.2.6 Kwaliteit van de buitenlucht Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit mee te nemen in de beoordeling of met een plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Volgens paragraaf 5.1.4.1 gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO²) en fijnstof (PM10).
Motivering Kanaaldijk-Noord 3 Lierop Crijns Rentmeesters B.V.
28
CRI260028.003/GBS
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: - Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarde; - Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl). NIBM Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (NO2 en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.