CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2c notitie spuitzones

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente SomerenBij agendapunt: Definitieve verklaring van geen bedenkingen locatie Hersel 6 in Lierop9.714 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

——_—__\NN oo ï ADROMI

Project: Onderwerp:

Hersel 6 Lierop -

Gezondheidsrisico

blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen wil/R2024137/2501a

Kenmerk:

En

-

GROEP

Adromi

B.V.

Reeweg

146

3343 AP

Hendrik-ldo-Ambacht

1078684

55

55 59

55

Auteurs:

(geanonimiseerd)

F 078-684

Datum:

6-3-2025

algemeen@adromi.nl

Bijlagen:

-

www.adromi.nl

ee

1. Inleiding Onderhavige notitie voor

het

Voor

de

is

opgesteld

oprichten beoogde voorzieningen

in

opdracht van Geling Advies

teeltondersteunende voorzieningen

van

is op 16

mei

B.V.

voor

de

Dit in verband

opkweek

onderhavig zogenaamd locatiespecifiek onderzoek

beoordeeld die

samenhangen

met

worden

in

ruimtelijke ordening

onderhavige

van

notitie waar

de

aan

drift.

mogelijke gezondheidsrisico’s

blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen.

Op de vergunningaanvraag is, overeenkomstig artikel 4.3 Wet

aanvraag

ontwerpvergunning bekend gemaakt,

2024 een

waartegen zienswijzen zijn ingediend vanwege het aspect blootstellingsrisico’s In

met een

frambozenstruiken.

van

toepassing. Echter

vanuit

van

de Invoeringswet omgevingswet,

oogpunt

van

goede ruimtelijke ordening

nog de wordt

relevant ingegaan op de Omgevingswet.

11,

Locatiespecifiek onderzoek In het kader van een locatiespecifiek onderzoek vragen te worden

naar

driftblootstelling dienen

de

volgende

twee

beantwoord:

1)

Of toevoeging

2)

beperkingen leidt bij omliggende functies; Of sprake is van goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1, lid 1 Wet ruimtelijke ordening) een evenwichtige toekenning van functies aan locaties (artikel 2.1 lid 3 onder k van de

van

de teeltondersteunende voorzieningen tot

(verdergaande) potentiële c.q.

Omgevingswet). 1.2.

Drift, gezondheid, aandachtsafstanden In het kader van de goede ruimtelijke ordening worden

dient ook het

gezondheidsaspect

in de

beschouwing

te

betrokken.

Uit

rechtspraak op grond van de Wet ruimtelijke ordening volgt dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening per situatie dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op blootstelling aan drift (d.w.z. onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde

Adromi

B.V.

perceel

via de

lucht).

Pagina 1 van 29

In deze rechtspraak wordt een aandachtszone geformuleerd van 50 meter tussen gevoelige functies

gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt.1 Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. en agrarische percelen waar

,

Een reguliere aanwezigheid in de buitenlucht dient hierbij als het bepalende blootstellingsscenario te

worden beschouwd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in een tuin. Blootstelling in een gebouw is niet bepalend alleen al omdat inpandig geen sprake zal zijn van blootstelling van de huid (druppels) en/of orale blootstelling (hand-mond bewegingen – primair relevant voor kinderen). ,

Onderhavige onderzoeksnotitie beoogt te voorzien in genoemd locatiespecifiek onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd. In deze notitie wordt enkel het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschouwd in bedrijfsmatige context. Particulier gebruik en professionele inzet van gewasbescherming in niet

agrarisch cq. openbaar gebied (zoals op laanbomen parkvegetatie sportvelden natuurgebieden en begraafplaatsen) is niet beschouwd. ,

,

,

1. 3. Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van bedrijfsmatige activiteiten op het woon- en leefklimaat , waaronder ook de

invloed toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te uitgegaan representatieve worden van een invulling van de maximale functiemogelijkheden die het ,

Omgevingsplan biedt.2 Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende of anderszins niet voor de hand liggende omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de bestemde ,

,

teeltmogelijkheden met bijbehorende toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige functies. Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met toegelaten exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet aanvaardbaar is gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn). ,

1

ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855 ABRvS 17 november 2011 ECLI:NL:RVS:2021:2579 r. o. 9. 5. 2

Adromi B. V.

,

,

,

r. o. 4. 3. en ABRvS

25 april 2024 ECLI:NL:RBOVE:2024:2225 ,

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 2 van 29

2.

Locatie en omgeving

2. 1.

Hersel 6 2. 1. 1. Bestaande situatie De Hersel 6 betreft een agrarisch perceel dat is gelegen in het buitengebied ten noorden van de kern van Lierop. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Someren sectie U nummers 656 en 657. ,

,

,

2. 1. 2.

Beoogde situatie Het is de bedoeling om op het perceel teeltondersteuning te realiseren met het oog op de teelt van frambozenstruiken. Voor de goede orde zij vermeld dat het niet gaat om de teelt van frambozen. 2. 2.

Bestemming

Krachtens de Omgevingswet en het overgangsrecht van de Omgevingswet geldt een algemeen deel van het Omgevingsplan en daarnaast gelden ook alle in werking getreden planologische regelingen als onderdeel van het Omgevingsplan. Voor de projectlocatie en de omliggende gronden gelden de regelingen van de volgende planologische

regelingen: ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 4’ – 8 februari 2023 Omgevingsplan gemeente Someren – 25 april 2024 De bestemmingsregeling van het bestemmingsplan Buitengebied bevat de voor de betrokken

agrarische gronden relevante bestemmingsbepalingen.

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 3 van 29

Afbeelding 1: projectgebied Hersel 6 Lierop , weergegeven op verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren Deelgebied 4’ (bron: DSO)

-

2. 2. 1. Aanduidingen De betrokken gronden zijn grotendeels aangeduid voor ‘agrarisch met waarden – landschapswaarden’ en ‘specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch waardevol’. Voor een klein deel zijn de gronden

aangeduid voor ‘agrarisch – agrarisch bedrijf’. Verder zijn de gronden deels aangeduid voor ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 408’. Tot slot is ook sprake van de aanduidingen ‘Vrijwaringszone – invliegfunnel’ ‘overige zone ,

beperkingen veehouderij’ ‘overige zone – stalderingsgebied’ deels ‘Waarde – archeologie 4’ en deels ‘Waarde – archeologie 5’ welke in deze context niet relevant zijn. ,

,

2. 2. 2. Bestemmingen Op grond van de betrokken aanduidingen is sprake van een brede agrarische bestemming welke geen beperkingen stelt qua teeltvoering. Wel geldt dat er op de gronden die zijn aangeduid voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' niet mag worden gebouwd. De gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 408’ zijn bestemd voor landschappelijke inpassing met gebiedseigen beplanting.

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 4 van 29

2. 3. Agrarisch grondgebruik 2. 3. 1. Basisregistratie gewaspercelen Via de basisregistratie gewaspercelen kan een indruk worden verkregen van het agrarische grondgebruik. Verwezen wordt naar afbeelding 2. Voor 2023 blijkt dat op de betrokken gronden frambozen werden geteeld. In de wijdere omgeving is sprake van teelt van aardbeien en van diverse

akkerbouw en sierteelt.

Afbeelding 2: uitsnede basisregistratie gewaspercelen , groene percelen betreffen gras (bron: PDOK)

2. 3. 2. Wateraspecten Verwezen wordt naar afbeelding 3. Blijkens de Legger van het Waterschap Aa en Maas Dommel zijn er geen relevante watergangen aanwezig in de directe omgeving. Aanwezige andere watergangen

betreffen greppels welke niet jaarrond watervoerend zijn. Dit betekent dat geen zogenaamde teeltvrije zones behoeven te worden aangehouden. Verwezen wordt naar paragraaf 3. 2. 1. De locatie is niet gelegen in grondwaterbeschermingsgebied zodat op die grondslag geen beperkingen gelden voor wat betreft de in te zetten gewasbeschermingsmiddelen.3 ,

3

Bepaalde gewasbeschermingsmiddelen mogen niet worden gebruikt in grondwaterbeschermingsgebieden.

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 5 van 29

Afbeelding 3: uitsnede Legger wateren (bron: Waterschap Limburg)

Conclusie bestaande en bestemde situatie Blijkens het voorgaande dient de eerste vraag uit paragraaf 1. 1 negatief te worden beantwoord: gelet op de geldende agrarische bestemming is toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet aan beperkingen onderworpen ook niet indirect doordat bepaalde teelten verboden zijn. 2. 4.

,

Dit betekent dat het toelaten van teeltondersteuning v. w. b. het aspect driftblootstelling niet zal leiden tot aanvullende beperkingen voor omliggende functies.

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 6 van 29

3.

Regelgeving

3. 1. Europees beoordelings- en toelatingskader Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door Verordening 1107/2009/EU en 528/2012/EU. In deze verordeningen is bepaald dat alleen gewasbeschermingsmiddelen op de Europese markt mogen worden toegelaten waarvan voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling

bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld zowel voor betreft toepassers als voor omwonenden waarbij mensen met een bijzondere kwetsbaarheid bepalend zijn voor de normering (artikel 19 en punt 24 van bijlage VI van de Verordening 528/2012/EU). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van deze laatste verordening). ,

,

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden betreft de uitwerking van de Biocidenverordening. Krachtens deze wet is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

(Ctgb) ingesteld. Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde Verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of een middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik aantal toepassingen per jaar toepassingsintervallen veiligheidstermijn – d. w. z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.) maar hierin is ook aangegeven voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet. ,

,

,

,

,

,

Relevant daarbij is dat een beoordeling aan de hand van de Verordening ervan uitgaat dat een gewasbeschermingsmiddel geen gevaar voor de volksgezondheid mag opleveren zonder dat hiervoor aanvullende maatregelen zouden moeten worden getroffen in de vorm van afscherming o.i.d. aangezien in de toelatingsprocedure een reëel worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie artikel 19 lid 2a van de Verordening 528/2012/EU). ,

,

,

,

Bij toelating (en bij periodieke herbeoordeling) wordt een gewasbeschermingsmiddel op alle gezondheidsrisico’s beoordeeld 4 ook gezondheidsrisico’s op de lange termijn (artikel 19 lid 1 onder b ten iii van de Verordening 528/2012/EU). In ieder geval wordt getoetst op neurotoxiciteit en ,

,

immunotoxiciteit (artikel 19 lid 4 onder e van de Verordening) en eventuele hormoonontregelende eigenschappen (bijlage 2 onderdeel 1 8. 9. 4 van de Verordening). Verder wordt getoetst op cumulatieve en synergetische effecten (artikel 19 lid 2 onder d van de Verordening). ,

,

,

Voorgaande betekent dat in maatschappelijk opzicht geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke volgens algemeen aanvaarde toxicologische normen en op basis van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis als

4

De Biocidenverordening is daarbij bedoeld om de menselijke gezondheid als zodanig te beschermen niet als regeling om bij toelating van middelen de beoordeling te beperken tot in de verordening opgenomen beoordelingscriteria zie HvJ 24 april 2024 ECLI:EU:C:2024:356 ov. 78 e. v. ,

een

,

Adromi B. V.

,

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 7 van 29

schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. Dit is anders in de context van planologische besluitvorming aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak het Europese beoordelingskader als niet toepasbaar heeft aangemerkt omwille van wetenschappelijke onzekerheid. Verwezen wordt naar paragraaf 4. 1. ,

Aanvullende regelgeving Zoals beschreven vormen de Europese verordeningen het wettelijke kader voor de bescherming van de volksgezondheid. Aangezien die verordeningen stellen dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen al vanaf de rand van een teeltperceel geen nadelen mag opleveren voor de volksgezondheid zonder extra maatregelen zoals afscherming is geen sprake van een afstand welke (aanvullend) aangehouden zou moeten worden tot gevoelige functies op buurpercelen. 3. 2.

,

Dit is evenmin voorgeschreven in het Omgevingsbesluit of in het van toepassing zijnde Omgevingsplan nu de Nederlandse wetgever gekozen heeft voor hogere eisen aan driftreductie als ,

maatregel ter implementatie van de artikelen 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU (in plaats van bijvoorbeeld extra afstand). De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is inmiddels vervangen door de Omgevingswet en het daarop gebaseerde Besluit activiteiten leefomgeving. In het onderstaande wordt nader ingegaan op

zowel de oude als de geldende Nederlandse regelgeving. Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud) en het daarop gebaseerde

Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) was sprake van aanvullende ecologische bescherming door het aanhouden van zogenaamde teeltvrije zones langs oppervlaktewater. Deze bepalingen zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving dat is gebaseerd op de Omgevingswet. Hierbij is evenwel gespecificeerd dat bepaalde bepalingen zijn bedoeld ter bescherming van zowel ecologie als volksgezondheid. 3. 2. 1. Besluit activiteiten leefomgeving In artikel 1. 3 van de Omgevingswet is onder meer vastgelegd dat deze wet ten doel heeft om een gezonde fysieke leefomgeving te behouden en te bereiken. In artikel 4. 723c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven dat ten minste een driftreducerende techniek dient te worden toegepast van 75%. Bij neerwaarts spuiten mogen de

spuitdoppen zich verder ten hoogste 50 cm boven het te bespuiten oppervlak bevinden. In het artikel is voor verschillende teelten een referentietechniek opgenomen ten opzichte waarvan deze driftreductie dient te worden bepaald. In artikel 4. 723d Bal zijn teeltvrije zones opgenomen langs oppervlaktewateren welke afhankelijk van de teelt en de gebruikte driftreducerende techniek 50 cm tot 5 meter breed dienen te zijn. De artikelen 4. 723f en 4. 723g bevatten uitzonderingen hierop bijvoorbeeld in de vorm van toepassing ,

van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde

Adromi B. V.

dop.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 8 van 29

In artikel 4. 723e Bal is bepaald dat niet mag worden gespoten bij een windsnelheid groter dan 5 m/s met uitzondering van teeltbedreigende situaties of bij inzet van een overkapte beddenspuit.

,

Op grond van artikel 4. 723g mogen gewasbeschermingsmiddelen op een talud uitsluitend pleksgewijs en driftvrij toegepast

worden.

De regeling ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen is primair bedoeld ter bescherming van het waterleven. De artikelen 4. 723c (driftreductie) en 4. 723e (spuiten bij lage windsnelheden) zijn mede bedoeld ter bescherming van de menselijke gezondheid. 3. 2. 2.

Overig

Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (uitsluitend middelen op basis van zogenaamde laag risico stoffen 5 cq. een alternatieve bestrijding van plagen) dan vormt het aspect volksgezondheid geen punt van aandacht. Echter in het kader van deze notitie dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat zogenaamde biologische gewasbeschermingsmiddelen 6 net zo goed toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing waarbij voor die middelen eveneens blootstellingsnormen gelden. ,

,

Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen

enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis- tuin- en keukengebruik. In een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine). ,

,

3. 3.

Evaluatie en herziening milieuregelgeving Gelet op de rapportages ingevolge artikel 18 van verordening 528/2012/EU van de Europese Commissie van 7 maart 2016 7 en 20 mei 2020 8 zijn er geen aanwijzingen dat al dan niet consumptieve blootstelling aan in de EU toegelaten gewasbeschermingsmiddelen 9 gepaard gaat met risico’s voor de ,

5

Gewasbeschermingsmiddel dat blijkens toelating voldoet aan de criteria van bijlage II punt 5 van Verordening EU/1107/2009. 6 Een biologisch gewasbeschermingsmiddel kan chemisch identiek zijn aan een regulier beschermingsmiddel. Enig verschil is dat het middel en de daarin aanwezige werkzame stoffen een biologische oorsprong hebben en niet zijn gesynthetiseerd. 7 Report from the commission on the sustainable use of biocides pursuant to Article 18 of Regulation (EU) No 528/2012 of the European Parliament and of the Council concerning the making available on the market and use of biocidal products COM(2016) 151 https://health. ec. europa. eu/document/download/68a5733b-67b9-4727-a77db2df88b01afb_en?filename=2016_report_sustainableuse_biocides_en.pdf geraadpleegd op 7 februari 2024 8 Report from the commission on the experience gained by Member States on the implementation of national targets established in their National Action Plans and on progress in the implementation of Directive 2009/128/EC on the sustainable use of pesticides COM(2020) 204 final https://food. ec. europa. eu/document/download/e4380b91-8cca-4f0c-b5f4dd9d99692ec6_en?filename=pesticides_sud_report-act_2020_en.

pdf geraadpleegd op 8 februari 2024 9 Relevant is te vermelden dat sommige lidstaten een lange opgebruiktermijn hebben gehanteerd voor gewasbeschermingsmiddelen die al lang onder de Biocidenverordening zijn verboden. Blijkens artikel L258-8 IV van de Code Rural hanteerde Frankrijk bijvoorbeeld een opgebruiktermijn tot 1 januari 2022. Dit betekent dat pas vanaf 1 januari 2022 de Biocidenverordening in volle omvang van toepassing is in Frankrijk terwijl lidstaten ,

,

,

,

,

,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 9 van 29

menselijke gezondheid waaronder de gezondheid van kwetsbare groepen. De gezondheidsverkenningen van RIVM uit 2018 10 en 2020 11 ondersteunen de conclusie van deze evaluatie 12 waarbij in de zogenaamde OBO rapportage van RIVM 13 ook niet is gebleken van een grotere blootstelling dan waarvan bij goedkeuring van gewasbeschermingsmiddelen rekening mee is gehouden. Dat geen sprake is van gezondheidsrisico’s wordt ook onderschreven door Bundesinstitut für Risikobewertung - BfR.14 ,

,

Het is hierbij duidelijk genoeg dat de Nederlandse wetgever in lijn met deze wetenschappelijke data

het beschermingsniveau van de Biocidenverordening afdoende acht mede nu er overeenkomstig artikel 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU uit voorzorg hogere driftreductie verplicht is gesteld in Nederland. Zoals al gebleken is uit paragraaf 3.1 gelden er geen afstandseisen ten aanzien van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen nabij driftgevoelige functies omdat bij toelating van middelen wordt uitgegaan van een hoog beschermingsniveau waarbij een kwetsbare persoon als normpersoon worden aangehouden gekoppeld aan worst case praktijkcondities (los van de in Nederland geldende voorzorgmaatregel t. a. v. extra driftreductie). ,

,

,

,

Er wordt al met al geen rekening gehouden met een relevant humaan restrisico bij toepassing van gewasbescherming overeenkomstig het Unierecht. Wel heeft de Europese Commissie het initiatief genomen om in het kader van de

zogenaamde ‘Green Deal’ de ecologie beter te beschermen tegen

gewasbeschermingsmiddelen. Gelet op het voorgaande is verder duidelijk dat de wetgever de volksgezondheid beschermt via toelating van steeds veiliger middelen (en uitfasering van andere middelen) en op algemene driftreductie 15 niet op afstandseisen 16 of de genoemde aandachtszone van 50 meter welke in planologische context dient te worden gehanteerd. ,

zoals Nederland op basis van reeds voor de Biocidenverordening gehanteerd systeem van periodieke herbeoordeling al vrijwel direct alleen middelen toelieten die onder de Verordening waren (her)beoordeeld. 10 RIVM rapport 2018-0068 Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen 2018 11 RIVM report 2020-0056 Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots: additional analyses 2020 12 Deze conclusies zijn niet geldig voor landen zoals Frankrijk welke na invoering van de Biocidenverordening een opgebruiktermijn hebben gehanteerd zie hiervoor paragraaf 4. 2 13 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 14 Bfr Fernab vom Feld: Gesundheitliche Beeinträchtigungen durch Abdriften von Pflanzenschutzmitteln sind unwahrscheinlich Mitteilung Nr. 054/2020 des BfR vom 23. November 2020 zie: https://www. bfr. bund. de/cm/343/fernab-vom-feld-gesundheitliche-beeintraechtigungen-durch-abdriften-vonpflanzenschutzmitteln-sind-unwahrscheinlich. pdf (geraadpleegd op 1 juni 2023) 15 Voor diverse gewasbeschermingsmiddelen geldt bijvoorbeeld al een eis om aanvullende driftreductie toe te passen (meer dan 75%).

Daarnaast kenden diverse waterschappen in met name de waterrijke gebieden subsidieregelingen voor de aanschaf van 99% driftreducerende spuitapparatuur. Hiervoor kan ook subsidie bij RVO worden verkregen: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (https://www. rvo. nl/sites/default/files/202211/Lijst%20met%20investeringen-Investeringsregeling%20POP3%2B2022_0. pdf) 16 In diverse uitspraken laatstelijk ARRvS 6 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4503 (Meeslouwerpolder) overweegt de Afdeling de noodzaak van wettelijke afstandseisen: “Omdat er geen wettelijke bepalingen gelden over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en woningen is niet uitgesloten dat ook in de bestaande situatie ter plaatse van de bedrijfswoning die als burgerwoning in gebruik is genomen hinder kan worden ondervonden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. ” ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 10 van 29

3. 4. 3. 4. 1.

Conclusies

Mate van bescherming In de Europese verordeningen is geen verminderde bescherming vastgelegd voor bepaalde situaties of omstandigheden. De Europese milieuregelgeving kent de volgende beschermingscategorieën: -

Consumenten; Toepassers;

-

Omwonenden (waaronder begrepen passanten e. d. ).

-

Omwonenden worden gelijkelijk beschermd ongeacht de status of functie van het verblijf of de reden van blootstelling. De milieuregelgeving kent geen groepen van mensen aan wie een verminderde bescherming toekomt maar hanteert enkel het uitgangspunt dat de blootstelling van kwetsbare groepen normbepalend is (artikel 19 lid 1b onder iii van de Verordening). ,

,

,

De vraag of omwonenden wonen of werken bij een bedrijf zelf waar gewasbescherming wordt toegepast dan wel bij een ander bedrijf (waar al dan niet gewasbescherming wordt toegepast) of geen bedrijfsmatige activiteiten ontplooien maakt geen verschil voor de mate van bescherming waar ,

deze bewoners/gebruikers aanspraak op hebben. Hetzelfde geldt voor medewerkers van een bedrijf. Aan deze medewerkers komt eenzelfde bescherming toe ongeacht of sprake is van medewerkers van een agrarisch bedrijf of een ander bedrijf en ongeacht of sprake is van een agrarisch bedrijf waar ook gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. ,

Op grond van de milieuregelgeving is de bescherming tegen drift dus niet afhankelijk gesteld van de status of reden van de aanwezigheid in de nabijheid van percelen waar gewasbescherming kan worden toegepast. Evenmin is kortdurend verblijf noodzakelijkerwijs aanleiding om uit te gaan van

verminderde bescherming. De milieuregelgeving houdt verder geen rekening met aantallen d. w. z. dat aan één persoon evenveel ,

bescherming toekomt als aan honderd personen. In lijn daarmee kan in het kader van planologische besluitvorming dus geen lager beschermingsniveau worden gehanteerd voor bepaalde mensen en functies ten opzichte van andere mensen en functies. Immers voor de milieuregelgeving is iedereen gelijk. De milieuregelgeving werkt daarbij ook twee kanten op in die zin dat zowel toepassers als blootgestelden hier rechten aan kunnen ontlenen. Die rechten dienen in het kader van de goede ruimtelijke ordening gerespecteerd te worden.17 Het enige wat in het kader van planologische besluitvorming dus relevant kan zijn is de vraag of een planologisch besluit ertoe leidt dat voorstelbaar is cq. niet kan worden uitgesloten dat zich ,

veranderingen voordoen qua:

17

Zie in strijd met de Verordening op dit punt: ARRvS 22 november 2023 ECLI:NL:RVS:2023:4331 nu de Afdeling de rechtsopvatting hanteert dat bepaalde functies en mensen minder bescherming toe zou mogen komen. Adromi B. V.

,

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

,

Pagina 11 van 29

-

de verblijftijd van personen 18 ; de verblijfswijze (zoals binnen of buiten); de kwetsbaarheid van personen (zoals woon- of werkomgeving kinderen e. d. ). ,

3. 4. 2.

Gezondheidscriteria De algemeen aanvaarde toxicologische normen en de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis (in de bewoordingen van de Biocidenverordening) waarmee wordt vastgesteld of er een risico is voor de volksgezondheid mogen gelet op de jurisprudentie van de Afdeling niet worden benut ter onderbouwing van planologische besluitvorming. ,

,

,

Door de Afdeling worden in het kader van de ruimtelijke ordening maatschappelijke sentimenten beschouwd bijvoorbeeld ten aanzien van ongemakken die mensen kunnen ervaren wanneer ze dicht op landbouwpercelen wonen zoals geur en/of neerslag van deeltjes. Hier zijn geen gevalideerde ,

,

19 modellen voor want bij dat soort risico’s speelt het aspect gezondheid geen rol. ,

3. 4. 3.

Driftgevoelige functies In de gegeven situatie kunnen de Hersel 34 5 6 7 en 10 worden beschouwd als driftgevoelige functies (d. w. z. bouwpercelen) welke zich binnen een afstand van 50 meter tot het projectgebied bevinden. ,

18

,

,

,

In die strekking ook ABRvS 14 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1575 ov. 11. 5. 1 dat een fietspad vanwege korte verblijfstijd geen voor driftblootstelling relevante functie is. 19 In een recent uitspraak wordt door de Afdeling immers niet langer gesproken van gezondheidsrisico’s die kunnen samenhangen met blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen maar alleen nog van hinder die hierdoor kan worden veroorzaakt. Zie hiervoor bijvoorbeeld: ARRvS 6 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4503 (Meeslouwerpolder) ten opzichte van eerdere uitspraken zoals ARRvS 19 oktober 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3023 (Asdonkterrein) en ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855 (Houten) ,

,

,

,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 12 van 29

Beoordeling gezondheidsaspecten

4.

Verspreidings- en blootstellingsmodellen Als achtergrond bij onderhavige notitie is het volgende van belang. In de zaak Houten 20 heeft de Afdeling overwogen dat in het kader van de ruimtelijke ordening geen gebruik mag worden gemaakt van extrapolatie van gegevens uit de zogenaamde PRI 2012 rapportage 21 aangezien deze rapportage onvoldoende wetenschappelijke basis biedt als het gaat om het aspect driftverspreiding. In de zaak Wijchen heeft de Afdeling overwogen dat ook het nieuwe rapport PRI 2015 22 onvoldoende wetenschappelijke basis biedt voor wat betreft de verspreiding van drift 23 nu dit weliswaar is gebaseerd op PRI 2014 24 maar voor het overige geen aanvullende brede wetenschappelijke basis biedt ten opzichte van PRI 2012. 4. 1.

,

,

In de uitspraak Broedershof Neder-Betuwe 25 heeft de Afdeling bevestigd dat gebruikmaking van het PRI 2015 rapport onvoldoende deugdelijk is voor de ruimtelijke ordening ook al had in deze situatie adviesbureau SPAWNP bij de beoordeling van de driftblootstelling aanvullende voorzorgmarges ,

ingebouwd voor wat betreft verspreiding van druppeldrift afscherming van een haag en cumulatieve effecten. ,

Blijkens de uitspraak Asdonkterrein Beuningen 26 accepteert de Afdeling bestuursrechtspraak de achterliggende toxicologische basis van het zogenaamde EFSA-OPEX model niet voor de ruimtelijke ordening. In de uitspraken Lentsesteeg Rheden 27 Heilig Kempke Lith 28 en Slotstraat Opijnen 29 is deze stellingname bevestigd. ,

Het EFSA-OPEX model betreft het verspreidingsmodel dat is ontwikkeld door de European Food Safety Authority wat in de EU wordt benut om de toelaatbaarheid gewasbeschermingsmiddelen te ,

(her)beoordelen binnen de door de Biocidenverordening gestelde kaders. Het model kent ook erkenning buiten de EU nu het ook in andere landen wordt gebruikt als referentie bij toelating van gewasbeschermingsmiddelen. ,

Mede op basis van het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak 30 waarin wordt verwezen naar een briefrapport van RIVM 31 komt de Afdeling bestuursrechtspraak in de uitspraak Asdonkterrein Beuningen tot de conclusie dat via een beoordeling waarbij gebruik gemaakt wordt van ,

,

20

ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855 Plant Research International Onderzoek naar driftblootstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Tholen maart 2012 PRI rapport 441 22 Plant Research International Driftblootstelling van omstanders en omwonenden bij de bespuiting van veldgewassen met een veldspuit november 2015 PRI rapport 610 23 ABRvS 6 juni 2018 ECLI:NL:RVS:2018:1741 24 Plant Research International Onderzoek naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen Project Skaeve Huse in de gemeente Nijmegen mei 2014 PRI rapport 568 25 ABRvS 16 december 2020 ECLI:NL:RVS:2020:3018 26 ARRvS 19 oktober 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3023 27 ARRvS 23 november 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3387 28 ARRvS 2 augustus 2023 ECLI:NL:RVS:2023:2959 29 ARRvS 6 december 2023 ECLI:NL:RVS:2023:4523 30 STAB 41286 30 september 2021 31 RIVM Modellen om de humane blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te berekenen: een stand van zaken RIVM Briefrapport 2019-0031 https://www. rivm. nl/bibliotheek/rapporten/2019-0031. pdf ,

21

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 13 van 29

het EFSA-OPEX model geen sprake kan zijn van goede planologische besluitvorming voor wat betreft gezondheidsrisico’s van driftblootstelling. De kanttekeningen die de Afdeling plaatst bij het EFSA-OPEX model hebben betrekking op wetenschappelijke onzekerheid over fysische uitgangspunten (de natuurkundige aspecten ten aanzien van de verspreiding van druppels aerosolen en dampen door de lucht) toxicologische uitgangspunten (dosis en norm) en op de gebruiksfunctionaliteit van het model. ,

,

Voor wat betreft fysische aspecten keurt de Afdeling het model af omdat sprake is van wetenschappelijke onzekerheid over in het model gehanteerde standaardwaarden: -

Druppelverspreiding; Nalevering van emissies door uitdamping na toepassing; Drift ten gevolge van lange boombespuitingen.

Voor wat betreft gebruiksfunctionaliteit keurt de Afdeling het model af omdat hiermee geen

berekeningen kunnen worden uitgevoerd voor wat betreft: Cumulatie aggregratie en synergisme; De invloed van (hoge) gebouwen; Het driftreducerende effect van een windhaag. ,

Vanwege de volgende toxicologische aspecten keurt de Afdeling het model af: -

Wetenschappelijke onzekerheid over cumulatieve en geaggregeerde blootstelling aan stoffen. De redenen waarom blootstelling en gezondheidsrisico’s van kinderen uit de leeftijdscategorie 1 tot 3 jaar representatief zijn voor mensen met een bijzondere kwetsbaarheid zijn niet overtuigend.

Voor de goede orde zij vermeld dat in deze context gemakshalve wordt gesproken over uitspraken van de Afdeling over het EFSA-OPEX model maar dat de Afdeling de wetenschappelijke achtergrond en de ,

toxicologische basis die aan dit model ten grondslag ligt negatief heeft beoordeeld: het model past als een schoen aan de voet van de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis in de zin van de Biocidenverordening.32 In het model worden geen eigen keuzen gemaakt: de wegingen die in het model zijn vervat zijn steeds gebaseerd op achterliggende kennis en toxicologische uitgangspunten. ,

Met de huidige versie van het EFSA-OPEX model (versie 1. 0. 2) worden de kritiekpunten van de Afdeling voor wat betreft gebruiksfunctionaliteit en toxicologie niet ondervangen mede omdat de essentie van de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis niet ,

gewijzigd is. Verder blijkt uit de uitspraken Heilig Kempke Lith en Slotstraat Opijnen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van oordeel is dat het hanteren van worst case uitgangspunten ten einde de bekende wetenschappelijke restonzekerheid te ondervangen vanuit planologisch oogpunt onvoldoende is. Uit de uitspraak Heilig Kempke Lith worden afgeleid dat Afdeling voor de beoordeling van cumulatieve en geaggregeerde effecten een gewogen optelling van blootstelling aan stoffen (zonder enige 32

In ABRvS 27 juli 2022 202001586/1/R4 is een gebrek aan wetenschappelijke consensus benoemd om -in dit geval- planologische beperkingen te rechtvaardigen niet toepassing van een bepaald model. ,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 14 van 29

discontering) afwijst. In de uitspraak Bornerbroekseweg 33 nuanceert de Afdeling dit standpunt en volgt de Afdeling de conclusie van de StAB dat in planologische context niet mag worden gecorrigeerd voor bekende wetenschappelijke restonzekerheden zolang deze achterliggende onzekerheden niet zijn ,

weggenomen.

Hiermee wijst de Afdeling vooralsnog ook cumulatiebeoordelingen af welke minder worst case zijn. Enkelvoudige optelling betreft immers een benadering die worst case is ten opzichte van alle andere

methoden waaronder de zogenaamde Monte Carlo Risk Assessment (MCRA).34 Met deze uitspraken komt de Afdeling terug op een ander recent uitgesproken oordeel dat cumulatieve blootstelling niet relevant is voor drift 35 ,

.

Door de in genoemde uitspraken gehanteerde planologische eisen en randvoorwaarden aan

wetenschappelijke en technische kennis het omgaan met restonzekerheden en gebruiksfunctionaliteit van beschikbare modellen is de Afdeling eveneens teruggekomen van het eerdere uitspraken 36 geformuleerde redelijkheidscriterium. Per slot van rekening wordt volstaan met de constatering dat er wetenschappelijke onzekerheid is zonder in te gaan op de weging van de mate van onzekerheid die heeft plaats gevonden en aan te geven om welke redenen deze wetenschappelijke methoden om om te gaan met onzekerheid dienen te worden verworpen. ,

,

,

De toxicologische uitgangspunten volgen uit richtlijnen welke door OECD en/of ECHA zijn vastgesteld. Aangezien de toxicologische uitgangspunten waar ook het EFSA model gebruik van maakt aan de basis

ligt van elke blootstellingsbeoordeling (niet alleen gewasbescherming) zullen vooralsnog geen door de Afdeling in planologische context geaccepteerde kwantitatieve uitspraken kunnen worden gedaan over toxicologische aspecten die spelen bij blootstelling aan omgevingsfactoren. 4. 2. Inpassing zonder kwantitatieve beoordeling Op grond van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan evenwel nog steeds afgeweken worden van de 50 meter middels een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek waarbij kan worden ,

aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd. Hierbij is het een 37 vereiste dat dit alles onderzocht wordt door een milieudeskundige.

33

ABRvS 17 april 2024 202104367/2/R3 EFSA Proposal for a data model for probabilistic cumulative dietary exposure assessments of pesticides in line with the MCRA software 19-04-2018 Efsa Journal 2018-15(4);1375 35 ABRvS 21 april 2021 ECLI:NL:RVS:2021:851 ov. 52.1 in deze uitspraak kon worden volstaan met de beoordeling van blootstelling aan één stof Captan welke vanwege hoge schadelijkheid als representatief kon worden beschouwd. Inmiddels wordt Captan als minder schadelijk beschouwd dan waar in het bestemmingsplan waar onderhavige uitspraak betrekking op had vanuit is gegaan zie: https://doi. org/10. 2903/j. efsa. 2020. 6230. 36 ABRvS 13 mei 2009 ECLI:NL:RVS:2009:BI3702 ABRvS 31 augustus 2016 ABRvS 15 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1648 en ABRvS 7 januari 2015 ECLI:NL:RVS:2015:4. Dit in contrast met de uitspraken ABRvS 16 december 2020 ECLI:NL:RVS:2020:3018 en ABRvS 17 april 2024 202104367/2/R3 waarin de Afdeling iedere wetenschappelijke restonzekerheid onacceptabel beschouwt ook al is deze wetenschappelijke onzekerheid met de rede vastgesteld en ook al werden in de rapportages die in deze beide uitspraken een rol speelden op rede gebaseerde wetenschappelijk gangbare methoden gehanteerd om om te gaan met deze restonzekerheid. 37 ABRVS 24 mei 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1353 34

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 15 van 29

In een andere uitspraak 38 is geoordeeld: “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in een situatie dat een agrarisch perceel 39 zal grenzen aan een perceel met een ,

gevoelige functie door het plaatsen en in stand houden van een struweelhaag voldoende is onderbouwd dat deze kortere afstand van 50 meter kan worden aangehouden. Onderhoud en instandhouding van een dergelijke haag dient daarbij uiteraard te worden verzekerd middels een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) instandhoudingsverplichting. De optie om afscherming toe te passen ten einde een kortere afstand dan 50 meter te rechtvaardigen is ook al in eerdere uitspraken benoemd.40 ,

41 Ook in een uitspraak van De met deze uitspraak ingezette lijn is in een andere uitspraak bevestigd. 19 maart 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie ,

,

toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd.42 In de genoemde uitspraken wordt het belang van het aanbrengen van een vanggewas of een andere vorm van afscherming benadrukt in situaties waarin sprake is van een korte onderlinge afstand of zelfs aan elkaar grenzende tuinen en gewaspercelen. Het plaatsen onderhoud en instandhouding dient ,

ruimtelijk te worden verzekerd. Dit kan door het opnemen van een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) bepaling in het omgevingsplan. In een andere recente uitspraak bevestigt de Afdeling dat rekening mag worden gehouden met de afschermende werking die een haag maar bijvoorbeeld ook aanwezige bebouwing of een dichte ,

bieden.43

erfafscheiding kan In deze zaak had de gemeente de kortere afstand dan 50 meter onderbouwd met het soort teelt dat er plaatsvond (met enkel neerwaartse spuittechniek) dat er sprake was van afschermende niet-woonbebouwing dan wel een schutting met klimplanten en/of een haag aan de zijden waar het woonperceel grensde aan teeltpercelen. Daarnaast werden door de Afdeling nog de milieuregels aangehaald waaruit blijkt dat er bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen driftreductie moet worden toegepast en dat er bij hogere windsnelheden niet gespoten mag worden. ,

,

Ten slotte is de uitspraak van de Afdeling inzake Buitenhuisweg I 44 relevant , waarin wordt overwogen dat indien het gebied met een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie niet uitgebreid wordt er geen sprake kan zijn van een gewijzigd risico op mogelijke beperkingen bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de toekomst. Dat is in deze situatie ook grotendeels het geval ,

,

verwezen

wordt naar paragraaf 5. 3.

38

ABRvS 2 november 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3160 De uitspraak had betrekking op een agrarische bestemming die tevens boomgaarden en boomteelt toelaat. 40 ABRvS 25 april 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BW3921 41 ARRvS 25 januari 2023 ECLI:NL:RVS:2023:269 42 Rechtbank Midden Nederland 19 maart 2023 ECLI:NL:RBMNE:2023:1048 43 ARRvS 27 maart 2024 ECLI:NL:RVS:2024:1263 44 ABRvS 16 augustus 2023 202204200/1/R4 o. v. 13. 4 ,

39

,

,

,

,

,

Adromi B. V.

,

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 16 van 29

In de context van de geldende regelgeving dient verder te worden afgewogen of sprake is van een

evenwichtige toedeling van functies aan locaties door voor bestaande functies heel andere gezondheidscriteria te hanteren dan voor nieuwe functies. 4. 3.

Aandachtzones Zoals aangegeven in paragraaf 1. 2 hanteert de Afdeling bestuursrechtspraak standaard een aandachtzone van 50 meter. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 2002 45 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen aanwezig zouden zijn (de ‘Handreiking bestemmingsplannen’ uit 1996).46 Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963 het daarop ,

gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het Activiteitenbesluit c. q. het huidige Besluit activiteiten leefomgeving dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75% een norm die kortom de helft strenger is geworden 47 waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans minstens kan worden gehalveerd tot 25 meter. Hierbij is ook van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen waren toegelaten welke nu al geruime tijd vanwege herbeoordelingen onder het regime van de Biocidenverordening zijn uitgefaseerd terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen. ,

,

,

,

Bedoelde afstand van 50 meter is gebaseerd op gewasbehandeling bij boomteelt en in boomgaarden. Bij dergelijke teelten is het risico op drift groter omdat dan opwaarts en zijwaarts kan worden gespoten en bepaalde behandelingen ook plaatsvinden buiten het volbladseizoen waardoor bladeren in het gewas zelf geen aanvullende driftreductie bieden. ,

,

In situaties waarin enkel rekening behoeft te worden gehouden met neerwaartse

gewasbehandelingen kan om die reden genoemde afstand nogmaals worden gehalveerd tot 125 meter. Alhoewel de Afdeling op dit vlak geen specifieke afstanden noemt is er steun te vinden in uitspraken dat in situaties waarin enkel rekening moet worden gehouden met neerwaarts spuiten mag worden uitgegaan van een kortere afstand qua mogelijke driftblootstelling 48 Per slot van rekening is in geen van de uitspraken waarin de Afdeling afscherming als goede ruimtelijke ordening heeft geaccepteerd sprake van een afscherming over 50 meter (d. w. z. afscherming op alle posities waar de afstand tussen gewasperceel en driftgevoelige functie minder dan 50 meter bedraagt). Hieruit blijkt dat de Afdeling de 50 metergrens hanteert als aandachtsafstand en niet als normafstand. ,

,

,

.

Driftreductie wordt bereikt door spuitmachines grotere druppels te laten produceren. Grote druppels vallen immers onder invloed van de zwaartekracht uit de lucht terwijl kleine druppels (nevel) ,

45

ABRvS 24 juli 2002 ECLI:NL:RVS:2002:AE5754 In civielrechtelijke context wordt uitgegaan van een procesbelang bij aanwezigheid binnen 500 meter tot een gewasperceel zie: Rechtbank Oost Brabant 19 juli 2024 ECLI:NL:RBOBR:2024:3440 47 Zie ook paragraaf 3. 1. 48 ARRvS 27 maart 2024 ECLI:NL:RVS:2024:1263 ,

46

,

,

,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 17 van 29

gedurende langere tijd in de lucht zullen blijven hangen en dus een veel groter risico in zich sluiten om zich te verspreiden door de lucht (en ook eerder zullen overgaan in de gasfase of naar een aerosol). Uiteraard kan niet volledig worden uitgesloten dat gedurende het spuitproces toch enige vorm van verneveling optreedt (turbulentie in de lucht botsingen druppels met gewas etc. ). Echter op dit vlak kan er zonder meer van worden uitgegaan dat er geen rekening meer hoeft te worden gehouden met relevante blootstelling aan druppeldrift op een afstand van 125 meter uit gewassen die neerwaarts worden gespoten en 25 meter bij opwaarts spuiten. ,

,

Blootstelling op die afstanden zal enkel nog kunnen plaatsvinden in de vorm van blootstelling aan dampen en aerosolen. Het gaat hierbij om zeer kleine hoeveelheden. Immers gewasbeschermingsmiddelen worden ook gekozen op een zo laag mogelijke uitdampbaarheid. Mensen staan uitsluitend nog bloot aan deze dampen en aerosolen bij inademing. Relevante doses door opname via de huid of door hand-mond bewegingen zijn uitgesloten. De aanwezige dampen en aersolen zullen steeds verder verdunnen in de lucht. Een vergelijking met blootstelling aan bijvoorbeeld stikstofdioxiden en fijnstof afkomstig van wegverkeer industrie en veehouderijen gaat maar gedeeltelijk op. Gewasbeschermingsmiddelen breken immers ook relatief snel af onder invloed van zonlicht. Stoffen afkomstig van wegverkeer e. d. blijven evenwel langer aanwezig in de lucht en verdwijnen hier alleen uit middels neerslag. ,

4. 4.

Conclusies Gelet op hoofdstuk 3 is duidelijk dat de milieuregelgeving iedereen gelijkelijk beschermt en dat dat als een gegeven dient te worden beschouwd in de context van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit dit hoofdstuk blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak de mate van bescherming die de milieuregelgeving biedt niet accepteert en in het kader van planologische besluitvorming aanvullende maatregelen eist dit onder meer in anticipatie op mogelijk toekomstige wetgeving. ,

,

Verder blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak een aandachtsafstand hanteert van 50 meter en vanuit het voorzorgbeginsel akkoord gaat met afscherming als driftreducerende maatregel. Tot slot is gebleken dat de Afdeling akkoord is gegaan met afscherming over een kortere afstand (bijvoorbeeld alleen de gedeelde perceelgrens met een gewasperceel) zodat de 50 meter niet kan worden geïnterpreteerd als afschermingsafstand of normafstand. ,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 18 van 29

5.

Omgevingsaspecten

Relevante teeltsituatie Zoals beschreven in paragraaf 2. 2 is sprake van een algemene agrarische bestemming die tal van teelten toelaat maar is de beoogde teeltondersteuning specifiek bedoeld voor de teelt van frambozenstruiken. De frambozenstruiken worden per seizoen opgekweekt en daarna uitgeleverd aan klanten. 5. 1.

,

De betrokken teeltondersteuning bestaat uit palen met een hoogte van 230 meter met daaraan horizontaal bevestigde planken waaraan leidraden kunnen worden gespannen. Verwezen wordt naar afbeelding 5. De frambozen groeien aansluitend op in een V-vorm zie hiervoor afbeelding 6. ,

,

Alhoewel de betrokken teeltondersteuning ook kan worden gebruikt voor de teelt van struiken die qua fysionomie vergelijkbaar zijn is dat niet de bedoeling. ,

Afbeelding 4: foto van beoogde teeltondersteuning , begin seizoen (bron: opdrachtgever)

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 19 van 29

Afbeelding 5: overzicht teelt/teeltondersteuning einde seizoen (bron: opdrachtgever)

Het groeiseizoen loopt globaal van mei tot september. Gedurende het groeiseizoen worden de frambozen regelmatig gespoten ter voorkoming/bestrijding van schimmel en insecten. Het exacte behandelschema is ook weersafhankelijk. Er wordt neerwaarts dan wel zijwaarts gespoten afhankelijk ,

van de hoogte van het gewas. De

,

gebruikte spuitapparatuur biedt bovenwettelijke driftreductie (90%

in plaats van 75%).

Doordat de frambozen in V-vorm worden gekweekt biedt het gewas zelf optimaal driftafscherming. Zie afbeelding 6 voor een schematische voorstelling hiervan. ,

Ten einde de frambozenrijen bereikbaar te houden voor machines is rondom het perceel voorzien in een rijpad. Dit rijpad is op de kopse kanten van een rij breder ten einde de machines ruimte te bieden om ter kunnen keren (de zogenaamde kop- of wendakker zie afbeelding 7 ter illustratie). De breedte van het rijpad is circa 4 meter. De kopakker heeft een breedte van minimaal circa 5 meter. ,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 20 van 29

Afbeelding 6: schematische weergave spuitmachine op frambozen

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 21 van 29

Afbeelding 7: illustratie rijpaden/kopakker oostelijke zijde perceel

Wind Volgens het artikel 3. 83 lid 5 Activiteitenbesluit (oud) en volgens artikel 4. 723e Besluit activiteiten leefomgeving mogen er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bij snelheden hoger dan 5 m/s. Deze windsnelheid komt overeen met windkracht 2 à 3 Beaufort. Alhoewel de overheersende windrichting noordwest gericht is in Nederland geldt die conclusie niet voor de lage windsnelheden waarbij gewasbescherming mag worden toegepast. Bij deze lage windsnelheden kan de wind in feite uit alle richtingen van de kompasroos komen 49 zelfs als rekening wordt gehouden 50 De positie van een teeltperceel ten opzichte van een met de gemiddelde windrichting per seizoen. gevoelige functie is kortom beperkt relevant in relatie tot driftblootstelling. Hierbij is verder relevant dat de behandeling uit de aard der zaak veel minder effectief is als gespoten wordt bij hogere windsnelheden. Bij hogere windsnelheden zal de drift groter zijn maar zich ook veel sneller verspreiden en verdunnen in de buitenlucht. 5. 2.

,

,

,

Zie de afbeeldingen 8 en 9 waarbij weerstation Eindhoven is aangehouden als representatief voor Lierop. ,

49

Zie: https://www. knmi. nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/windrozen/windroos-eindhoven (link gecontroleerd op 16 januari 2025) 50 https://www. weerplaza. nl/weerinhetnieuws/klimaat/wind-in-nederland/6820/ (link gecontroleerd op 20 juli 2023)

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 22 van 29

Afbeelding 8: windroos (bron: KNMI)

Afbeelding 9: gemiddelde windrichting per maand (bron: Weerplaza)

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 23 van 29

5. 3.

Maatregelen Zoals gebleken is uit paragraaf 4.4 dient er in de context van planologische besluitvorming invulling te worden gegeven aan het voorzorgbeginsel voor wat betreft het aspect driftblootstelling. Hierbij kan worden gedacht aan volgende maatregelen in afnemende effectiviteit: ,

,

Bronmaatregelen: Het gaat hierbij om maatregelen die ertoe leiden dat er zo min mogelijk drift ontstaat.

Overdrachtsmaatregelen: Het betreft hier het uit voorzorg aanhouden van extra afstand al dan niet in combinatie met afschermende maatregelen zoals ook onderwerp is geweest van diverse uitspraken van de Afdeling (zie paragraaf 4. 2). ,

,

Maatregelen bij de ontvanger: Dit betreft beperkingen aan bijvoorbeeld menselijk verblijf en/of aan het gebruik van gronden. In de gegeven situatie zal sprake zijn van een combinatie van bron- en overdrachtsmaatregelen. Immers zoals beschreven wordt er in onderhavige situatie gebruik gemaakt van bovenwettelijke

driftreductie van 90% in plaats van 75%. Verder zal worden voorzien in afscherming langs de relevante perceelranden. Er wordt in de volgende paragraaf ingegaan op de configuratieparameters van een afscherming. De wijze waarop in deze situatie de afscherming zal moeten worden vormgegeven komt aan de orde in paragraaf 6. 2. Afscherming Mede gelet op de jurisprudentie welke is aangehaald in paragraaf 4.2 is toepassing van afscherming ook geaccepteerd in het kader van planologische besluitvorming 51 ten einde uit voorzorg te zorgen voor extra driftreductie. In lijn hiermee is uiteraard van belang hoe de effectiviteit van een afscherming dient te worden beoordeeld. 5. 4.

,

5. 4. 1. Algemeen Er zijn de nodige wetenschappelijke gegevens voorhanden als het gaat om de afschermende werking van een

52 windhaag.

Verder is van belang dat een windhaag erkend is als driftreducerende techniek; een windhaag staat als zodanig op de ‘lijst met indeling van spuittechnieken in DriftReducerende Techniek-klassen’ (DRT-lijst)

51

Vergelijk in dit verband ABRvS 28 november 2018 ECLI:NL:RVS:2018:3904 waarin is overwogen dat aannemelijk is dat een driftreducerende voorziening bestaande uit dubbele hagen leidt tot een ruime driftreductie. 52 Vergelijk in dit verband ABRvS 28 november 2018 ECLI:NL:RVS:2018:3904 waarin is overwogen dat aannemelijk is dat een driftreducerende voorziening bestaande uit dubbele hagen leidt tot een ruime driftreductie en zie: Zande J. C. van de en M. Wenneker 2015. Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen. Wageningen the foundation Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek. Plant Research International Wageningen UR (University & Research centre) PRI-rapport 609. 68 blz. ; 7 fig. ; 20 tab. ; 53 ref. ,

,

,

,

,

,

,

,

Adromi B. V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

,

Pagina 24 van 29

Techniekbeoordeling (TCT) van 11 december 2023.53 Dit geldt voor een windhaag voor de periode vanaf 1 mei met 90% bladdichteid tot 50% bladval van de windhaag. In combinatie met de (wettelijk standaard verplichte) 75% driftreductie van een spuitmachine biedt een haag aanvullend 75% driftreductie zodat tot 94% driftreductie mogelijk is. Uit andere wetenschappelijke studies kan een hoger driftreducerend effect van een windhaag worden afgeleid 54 55 ook en hier wordt in het PRI 2015 naar verwezen. Dit betekent dat de 75% driftreductie welke de TCT hanteert kan worden beschouwd als een conservatief uitgangspunt. van de Technische Commissie

,

,

5. 4. 2.

Configuratie op grens teeltgewas In principe is hierbij van belang te kiezen voor een gewas dat een egale dichtheid biedt. Bij een dergelijke bladerdichtheid zal een luchtstroom maximaal worden afgeremd waarbij eventueel aanwezige drift in druppelvorm zo veel mogelijk in de haag zelf zal achterblijven. Elzenhagen welke traditioneel rond fruitboomgaarden worden aangeplant bieden bijvoorbeeld al een dergelijke bladerdichtheid. Een te hoge dichtheid zorgt voor een afname in de filterende werking doordat er niet voldoende lucht door de haag kan stromen 56 57 58 59 60 ,

,

,

,

,

,

,

.

De dichtheid van een windhaag kan worden gemeten als de optische dichtheid door het bepalen van de optische porositeit: de zichtbaarheid achter/door de haag oftewel de som van de “gaten” in het bladerdek. Dit kan worden gemeten met behulp van een digitale camera een witte doek achter de ,

haag en specifieke

(analyse)software.61

Het aansluitend effect van uitdamping uit de haag en aansluitende respiratoire blootstelling wordt

verwaarloosbaar geacht mede nu gewasbeschermingsmiddelen worden toegelaten op hun lage uitdampbaarheid. Daarnaast is relevant dat uitdamping voornamelijk kan plaatsvinden op een droge ,

53

Zie: https://iplo. nl/publish/pages/151722/6-informatieblad-windhaag-20220718. pdf (geraadpleegd op 5 maart 2024) 54 Porskamp H.A.J. Michielsen J.M.G.P. Huismans J.F.M. De invloed van een windhaag op emissies bij fruitteeltspuiten 1999 IMAG-DLO Rapport 94-29 pag. 29 en Wenneker M. Heijne B. Van de Zande J.C. Effect of natural windbreaks on drift reduction in orchard spraying Communications of Applied Biology Science Universiteit Gent 70(2005)4 pag. 961. 55 Plant Research International Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen maart 2015 56 Felsot A. S. Unsworth J. B. Linders J. B. Roberts G. Rautman D. Harris C. & Carazo E. (2010). Agrochemical spray drift; assessment and mitigation—A review. Journal of Environmental Science and Health Part B 46(1) 1-23. 57 Mercer G. N. (2009). Modelling to determine the optimal porosity of shelterbelts for the capture of agricultural spray drift. Environmental modelling & software 24(11) 1349-1352. 58 Hancock J. Bischof M. Coffey T. & Drennan M. The effectiveness of riparian hedgerows at intercepting drift from aerial pesticide application Journal of Environmental Quality 2019 48(4) 1481–1488. https://doi. org/10. 2134/jeq2018. 12. 0447 59 Langenbach T. Mager A. H. Campos M. M. De Falco A. Aucélio R. Campos T. M. & Caldas L. Q. A.

The use of hedgerows to mitigate pesticide exposure of a population living in a rural area Integrated Environmental Assessment and Management 2021 18(1) 19–24. 60 Zie echter ABRvS 6 juni 2018 ECLI:NL:RVS:2018:1741 ov. 16. De overweging dat aannemelijk is dat een volledig dichte muur 99% driftreductie kan bieden is minder correct uitgaande van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis. Het risico is reëel dat wind zal versnellen als deze over de muur heen blaast waardoor per saldo meer druppeldrift over de muur zal worden meegevoerd en veel verder verspreid zal worden dan zonder enige afscherming het geval was geweest. 61 Lazzaro L. Otto S. & Zanin G. (2008). Role of hedgerows in intercepting spray drift: Evaluation and modelling of the effects. Agriculture ecosystems & environment 123(4) 317-327. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

, ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Adromi B. V.

,

,

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 25 van 29

zonnige dag dus op het moment dat afbraak van de betrokken stoffen onder invloed van de zon ook 62 De meeste middelen worden daarbij verspoten aan het begin van het groeiseizoen maximaal is. wanneer temperaturen nog lager liggen niet in het warmere oogstseizoen. ,

,

Er kan voor de verdere configuratie van een haag worden uitgegaan van een overhoogte van 1 meter in situaties waarin sprake is van opwaarts of zijwaarts spuiten. In geval sprake is van uitsluitend neerwaarts spuiten kan worden uitgegaan van een overhoogte van 50 centimeter. In situaties dat tevens buiten het volbladseizoen sprake is van teelten dient te worden gekozen voor een niet

bladverliezende haag. 5. 4. 3.

Configuratie met grotere onderlinge afstand Het effect van dergelijke windhagen wordt in de hiervoor aangehaalde onderzoeken beschouwd wanneer deze direct naast de perceelgrens dan wel (enkele meters) uit het gewas(perceel) zijn geplaatst. In situaties waarbij sprake is van een grotere afstand (meer dan 5 meter bij neerwaarts spuiten en meer dan 10 meter in andere situaties) tot de relevante gewaspercelen zal de drift vooral bestaan uit aerosolen/dampen zoals ook blijkt uit onderzoek.63 Op grotere afstand zal een (relatief) open windhaag dus minder effect hebben dan in de beschreven onderzoeken doordat druppelvormige drift bij toenemende afstand voor een steeds groter deel gedeponeerd zal zijn en drift in de vorm van dampen en aerosolen niet of nauwelijks afneemt en enkel nog zal verdunnen bij verdere verspreiding in de buitenlucht. ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16544273/1