CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Zienswijze 2

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Verklaren geen bedenkingen te hebben tegen 24 appartementen locatie Dorpsweg 2 / Dorpstraat 1 Someren17.077 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

ir f*

%

y ^

t I Plangebied

g

Landelijke kern

t

i» ï

'1, w

ï "s

iB; ^.

^sï

De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwloca­ ties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de ver­ antwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. 21

t­lierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteït. Te­ vens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de

nieuwbouw van woningen

De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te pas­ sen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderdelo­ caties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden. In de Interim omgevingsverordening Noord­Brabant is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stede­ lijk gebied mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhan­ gende zoekgebieden mogelijk. Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaar­ den wordt voldaan. Doorwerkino

planfaebied)

Onderhavig planvoornemen betreft een transformatie van een bestaande locatie, waarbij een stedelijke functie in de vorm van detailhandel wordt vervangen door woningbouw, binnen een bestaande locatie binnen de stedelijke zone. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen een landelijke kern.

Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld " Instructieregels gemeenten: speciffeke gebieden voor agrarische ontwikkelingen' is het plangebi'ed aangeduid als 'staldenngsgebied'. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

^ y C] Pl»g" ebied

^

I.

t. ^^fc*. D Staldenngsgebied

,ï K

­«.

BI

»*s

K

I f»

»•,

3^ SS' s

i!':'<

­I»

y

^ ••I'

De aanduiding 'stalderingsgebied' heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de opnchting van een woningen in bestaande stedelijk gebied van Someren, De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen

22

invloed op, en andersom doet onderhavig planvoomemen geen afbreuk aan deze be­ leidsregels.

Doorwerking olan(Qebied)

De aanduidingen binnen het kaartbeeld 'Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden agrarische ontwikkelingen' zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling.

voor

Watersystemen, ­veiligheid en ­berging

Binnen het kaartöeeld 'Watersystemen, ­veiligheid en ­berging' is het plangebied aange­ duid als 'norm wateroverlast Stedelijk gebied'. Dit is geïllustreerd in navolgend kaart­ beeld.

»

^

Wff

Norm wateroverlast Stedelijk j gebied

J'l

^ s

•

^

É

t

^

^ n Plangebied

t

.­

'v

fc

:f< f

f^w

ï«S •

t y ^•:s .

y t <

Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. On­ derhavig plangebied is gelegen in het stedelijke gebied van Someren. De norm ten aan­ zien van wateroverlast binnen het stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings­ en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimteiijk plan bestemd zijn voor de doelein­ den bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/10 per jaar voor overige gebieden. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. DoorwerkinQ olan(Qebied)

De genoemde inspanningsverplichting is van toepassing op onderhavig planvoornemen. Er is sprake van transformatie binnen het plangebied waarbij sloop en nieuwbouw plaatsvindt. In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan de omgang met hemelwater

binnen het plangebied, De watertoets als geheel is als bijlage 9 aan de ruimtelijke onder­ bouwing toegevoegd. Conclusie

De gemeente Someren streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructure­ ring, herontwikkeling en transformatie vóór uitleg, 23

Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied, betreft intensiever ruimtege­ bruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw.

De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie na­ streeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord­Brabant en de Omgevïngsver­ ordening Noord­Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelsteilingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie

en de verordening.

Onderhavig plan sluit aan bij c. q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doel­ stellingen en ­uitgangspunten, zoals verwoord in de Omgevingsverordening Noord­Bra­ bant.

De mimtelijk­fysieke, logistieke en milieu­hygiënische aanvaardbaarheid van onderha­ vige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 4 en 5.

3. 4 Gemeentelijk

beleid

Structuurvisie Someren Toetsingskader

2028

De Structuurvisie Someren 2028 is op 24 april 2013 door de raad vastgesteld. In deze structuun/isie wordt aan de hand van thema's omschreven wat de ambities van de ge­ meente Someren zijn voor het jaar 2028. Onderdeel van de 'Structuurvisie Someren 2028' is de 'Algemene Structuurvisiekaart Someren 2028', waarop het de aanliggende straten van het plangebied zijn aangeduid als dorpstinten waarbij het versterken en be­ houden van het karakter als belangrijk ruimtelijke aspect wordt aangegeven. Doorwerking ptanl'aebied)

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de plankaart. De ligging van het plan­ gebied is aangegeven.

B

^­'^ ^^

o

^ \

\

> 1­;^.1.< ;5^^B O Globale ligeing plangebied •^•' ïf" ^^^^H ••." ." '•+11

ï^­^

\

< > " WM^Mi^hiw »t trii*—ipr)i,ntt> »*4*w t«w»< w " «^»«iwt»»«pt

\

ÏÊ­

,s

^ f^T.K^."

^Af^./ > ',

. »­

:0

^^

\

24

—••­ tw. ^st. 't »• ï»'*t»flf *•»!

*;

v1 ,

'^

'­­^r

^

'Al f^

•. . «ntru'TWliwitróing i c < »t ÉW^I r tx ftHBti

In de structuurvisie is het perceel niet specifiek aangeduid als herstructureringslocatie naar wonen. Wel is de voorzijde van het perceel gelegen in de aanduiding 'Dorpslint', Hierin wordt ingezet op het behoud en versterken van het karakter. Qua invulling van het woningbouwprogramma anticipeert de structuurvisie er op dat er in bestaand stede­ lijk gebied locaties gaan ontstaan voor woningbouw die ten tijde van de vaststelling van de visie nog niet in beeld waren. Het ontbreken van een specifieke aanduiding 'Herstrijc­ turering naar wonen' wordt daardoor genuanceerd. Toetsend aan het leidende principe van zorgvuldig ruimtegebruik in een goede ruimtelijke ordening, waardoor herstructure­ ringen en inbreidingen prioriteit hebben op uitbreiding van het stedelijk gebied, het initi­ atief wordt daarmee beschouwd als in lijn met de structuurvisie. Mede omdat de huidige uitstraling wordt versterkt door het oprichten van eigentijdse woningen, in plaats van een commerciële uitbating van het bestaande pand met veel verkeersbewegingen tot ge­ volg en reciame­uitingen die de uitstraling mogelijk negatief beïnvloeden. Het initiatief tot transformatie versterkt hiermee de structuur van Someren.

Het beoogde bouwplan voorziet in de bouw van 24 appartementen geschikt voor starters op de woningnnarkt en senioren. Dit initiatief kan worden aangemerkt als een kleine in­ breiding. De prognoses zijn inmiddels al wel geactualiseerd in de gemeentelijke Woonvi­ sie Someren 2030. De voor de projectlocatie relevante uitgangspunten van de gemeen­ telijke structuurvisie vormen geen belemmering voor het planvoomemen op de project­ locatie.

Conclusie

Onderhavig (bouw)plan sluit aan bij c. q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (be­ leids)doelsteliingen en ­uitgangspunten, zoals verwoord in de StmctuLirvisie Someren 2028. Woonvisie Someren Toetsingskader

2030

Op het beleidsterrein van volkshuisvesting heeft de gemeente Someren nog relatief veel eigen inbreng voor het eigen grondgebied. Wel moet rekening worden gehouden met het beleid van het Rijk (o. a. Nationale Woonagenda 2018 ­ 2021) en de provincie Noord­ Brabant (Interim omgevingsverordening en de Brabantse Agenda Wonen) en de woning­ bouwafspraken in Subregio De Peel. In de Woonvisie Someren 2030 (december 2019), zijn met betrekking tot woningen voor senioren / medioren de volgende beleidsuitgangspunten geformuleerd; levensloopbestendige woningen zijn zelfstandige woningen die geschikt zijn voor be­ woning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoner(s). De woning past in alle levensfasen bij de behoeften die de bewoner op dat moment heeft. Een levensloopbestendige woning voldoet aan de eisen van Woonkeur, mobiliteitsklasse C: 'Nultredenwoning met voldoende bewegingsruimte en zonder obstakels binnenshuis om met een rolstoel te kunnen manoeuvreren'; i indicatief wordt ingezet om 40% van het nieuwbouwprogramma in te zetten voor medioren / senioren;

•

het propageren van het aanbrengen van voorzieningen tijdens de bouw om woningen levensloop gereed te krijgen, zodat bijvoorbeeld wanneer het gewenst is om met ge­ ringere aanpassingen van een garage een slaap­ en badkamer te maken; actief er op sturen dat plannen voor levensloopbestendige woningen in de projectma­ tige bouw en de particuliere bouw beoordeeld worden door VAC­punt wonen Some­ ren­Asten;

•

in samenwerking met het VAC­punt wonen en de KBO's wordt een onderzoek verricht naar de woonwensen

25

van medioren

/ senioren;

•.

medewerking wordt verleend aan een collectieve woonvoorziening, mits aangetoond wordt door de initiatiefnemers dat er een toekomstige vraag is naar een dergelijke woonvorm.

Doorwerking plan(Qebied)

Nieuwbouw biijft wenselijk voor de leefbaarheid in de kernen. Nieuwbouw heeft namelijk zijn aantrekkingskracht op starters en jonge gezinnen, welke weer een positieve invloed hebben op het verenigingsleven en de voorzieningen in de dorpen. De bouw van 24 gelijkvloerse, betaalbare woningen zijn uitermate geschikt voor starters en senioren op de woningmarkt. De woningen uit onderhavig planvoomemen worden le­ vensloopbestendig opgeleverd. Ook passen de woningen zowel kwalitatief als kwantita­ tief binnen het indicatieve globale woningbouwprogramma 2020 ­ 2030, die als bijlage 2 in de Woonvisie Someren 2030 is opgenomen (zie ook paragraaf 3. 13 Ladder voor duur­ zame verstedelijking). Conclusie

Onderhavig (boijw)plan sluit aan bij c. q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (be­ leids)doelstel!ingen en ­uitgangspunten, zoals verwoord in de Woonvisie Someren

2028.

Parapluplan Parkeren in de bebouwde kommen In het plangebied is tevens het " Parapluplan Parkeren in de bebouwde kommen " van kracht. In de planbeschrijving heeft deze zijn plek en toelichting al gekregen. Verwezen wordt naar 2. 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Klimaatadaptatie Het klimaat verandert. Dit noopt tot aanpassingen in ruimtelijke ontwikkelingen. Kembe­ grippen zijn mitigatie en adaptatie. Mitigatie is het tegengaan en verminderen van nega­ tieve effecten op het klimaat. Dit kan door energiegebruik te beperken en/of duurzame energiebronnen te gebruiken en door gebruik te maken van materialen uit vernieuwbare bronnen. Adaptatie is het aanpassen aan de zich wijzigende omstandigheden zoals extre­ mere weersomstandigheden en een stijgende energieprijs. Voorbeelden hiervan zijn het voorkomen van oververhitting, aandacht voor windklimaat, tegengaan van verdroging en het realiseren van grotere piekbergingen voor neerslag. Het microklimaat wordt bepaald door de verhouding tussen bebouwd en " groen " oppervlak en de relatie tussen bebouwde en groene structuren. Een goed groenontwerp helpt over­ verhitting tegen te gaan en vangt neerslag en iLichtverontreiniging op. Groen kan in de (beperkte) onbebouwde ruimte zorgen voor een betere uitstraling en een gezonder ver­ blijfsklimaat.

Voorbeelden van maatregelen die genomen kunnen worden zijn: overhoeken en ruimtereserveringen niet bestraten maar groen inrichten; erfgrenzen en hekken groen aankleden (bijvoorbeeld begroeid met een haag); parkeerterreinen voorzien van beplanting zodat er voldoende beschaduwing is; Het toepassen van groen daken. (Dit kan in combinatie met zonnepanelen. ) Afkoppelen van dak­ en oppervlaktewater is een krachtige klimaatadaptatie maatregel, Bij het afkoppelen wordt uitgegaan van de drietraps­strategie vasthouden, bergen en af­ voeren.

Vasthouden betekent dat het regenwater zoveel mogelijk vast wordt gehouden op de lo­ catie waar het valt. Bergen betekent dat het regenwater naar een plek wordt gebracht waar voldoende ruimte is om het tijdelijk op te vangen en waar mogelijk te laten infiltre­ ren. Afvoeren betekent dat het regenwater naar een andere plek wordt gebracht waar het op het watersysteem gezet kan worden.

26

De samenhang van deze drie strategieën zorgt er mede voor dat wateroverlast en verdro­ ging wordt verminderd en hittestress tegen wordt gegaan. Het heeft de voorkeur om wa­ ter, mits mogelijk vast te houden zodat de klimaateffecten droogte en wateroverlast alle­ bei worden verminderd.

Het is van belang om de dimensionenng van de watersystemen niet te krap te nemen zodat medegebruik mogelijk is en de toekomstige zwaardere belastingen inderdaad opge­ vangen

kunnen worden.

Meervoudig ruimtegebruik en meekoppel kansen zijn uitgangspunten om de omgeving leefbaar en toekomstbestendig in te richten. Verantwoord materiaalgebruik, beperking van

ene­gievraag en een verstandige positionering van functies dragen mede bij aan de kli­ maatdoelstellingen.

Bij het ontwerp van de openbare ruimte en het uitgeven van gronden zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met het aspect klimaatadaptatie,

3. 5 Conclusie De voorgenomen herontwikkeling past binnen het vigerend ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Noord­Brabant en de gemeente Someren.

27

4. Milieu­

en

omgevingsaspecten

Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient met betrekking tot de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling inzicht te worden gegeven in de relevante milieu­hygiënische planologische aspecten. Deze sectorale aspecten komen in dit hoofdstuk aan de orde,

en

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleids­ velden groeien naar elkaar toe. De nnilieukwaliteit vormt een belangrijke ahveging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke mi­ lieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoe­ lige functies, zoals woningen.

Ten behoeve van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is door De Roever Omgevings­ advies een milieuscan uitgevoerd naarde milieu­hygiënische gevolgen van het planvoor­ nemen op de omgeving en andersom. Daar waar expliciete verdieping in de materie heeft plaatsgevonden, middels het uitvoeren van een nader (deel)onderzoek, is dat als zodanig vermeld. In de milieuscan, welke als bijlage l, aan deze niïmtelijke onderbou­

wing is toegevoegd, wordt aandacht besteed aan de aspecten bedrijven en milieuzone­ ring, geur, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, stikstof en volksgezondheid. 4. 1 Geluid Wegverkeers­

en railverkeerslawaai

Bij een nieuwe geluidgevoelige ontwikkeling dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh) en dat er, op grond van de Wet ruimtelijke orde­ ning, sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Indien van toepassing, dient aanvul­ lend te worden aangetoond dat voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is daarom alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een weg en waarbij sprake is van geluid­ gevoelig bestemmingen. De geluidbelasting dient per gezoneerde weg te worden ge­

toetst aan de wettelijke grenswaarden.

Econsultancy heeft een onderzoek uitgevoegd naar het wegverkeerslawaai in relatie tot het gewenste planvoomemen. Het volledige onderzoeksrapport (s a!s biilaqe 2 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd, de conclusie is navolgend integraal uit dit rapport overgenomen.

l­1ettreffen van bron­ en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de Dorpsweg en het Wilhelminaplein dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Voor de appartementen dient het akoestisch klimaat in het appartement (het zoge­ naamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de appartementen is een nader onderzoek naar de geluid­ wering van de gevels noodzakelijk. Vanwege de Dorpsweg en het Withelminaplein vindt een overschrijding plaats van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting en dient een hogere waarde te worden aange­ vraagd. Daarnaast dient het akoestisch klimaat binnen de appartementen (het binnenni­ veau) te worden gegarandeerd, voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de appartementen is daarom een nader onderzoek naar de geluidwering van de ge­ vels noodzakelijk.

28

Industrielawaai

Econsultancy heeft een onderzoek uitgevoegd naar de invloed van het industrielawaai op het bouwplan en andersom. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 3 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd, de conclusie is navolgend integraal uit dit rapport overgenomen.

Beoogd

wordt om de bestaande

bebouwing

te a moveren

ën^^^^^^

met 24 appartementen te realiseren. Het akoestisch onderzoek heeft als doel het bepa­ | len van de geluidsbelasting op het beoogde appartementencomplex afkomstig van de naastgelegen inrichting Zwemschool de Abeel en deze te toetsen aan de nchtwaarden uiï de VNG­publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) en de grenswaarden uit het Activï­ teitenbesluit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt het woon­ en leef­

klimaat ter hoogte van de beoogde appartementen inzichtelijk gemaakt. Tevens dienen | de bestaande rechten van de inrichting te worden gerespecteerd. De berekeningen zijn | uitgevoerd conform methode 11. 8 van de Handleiding meten en rekenen industnelawaai | (VROM, 1999) met behulp van het softwarepakket Geomilieu versie 2023. 12. Er is sprake van een goed akoestisch woon­ en leefklimaat ter hoogte van het plan. Ook na de realisatie van het plan worden de rechten van Zwemschool de Abeel gerespecteerd, l Industrielawaai vormt op voorhand geen belemmering voor het planvoornemen 4. 2 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Het planvoornemen voor­ ziet in de tenietdoening van een bestaande bouwmarkt met bovenwoning en de oprich­ ting van een appartementencomplex met 24 wooneenheden. Hierbij zijn bodemingrepen noodzakelijk.

In 2023 heeft MILON een indicatief bodem­ en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 4 aan deze mimtetïjke onderbouwing ge­ voegd, de conclusie en aanbeveling zijn navolgend integraal uit dit rapport overgeno­ men.

MILON heeft een indicatief bodem­ en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de parkeerplaats, gelegen aan de Dorpsstraat 2 te Someren. Kadastraal is de onderzoekslocatie bekend als gemeente Someren, sectie B, nummers 4956 en 5186 ged. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikke­ ling van de locatie.

In de grond en het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten van de onder­ zachte parameters aangetoond. Het aangetroffen asfaitgranulaat is niet teerhoudend. In het menggranulaat is in de fijne fractie geen asbest aangetoond. Plaatselijk is as­ besthoudend plaatmateriaal in het menggranulaat aangetroffen. De gewogen asbest­ gehalten overschrijden niet de grens voor nader asbestonderzoek. Het menggranulaat wordt bestempeid als zijnde niet asbesthoudend ( < 100 mg/kg. ds. ). Op basis van onderhavige onderzoeksresultaten wordt indicatief vastgesteld dat de bo­ dem ter plaatse van het parkeerplaats niet significant verontreinigd is. Gezien de

" iii

spoedeisendheid heeft geen volledig vooronderzoek conform NEN5725 plaatsgevon­ den, waardoor eventueel aanwezige verdachte deellocaties kunnen worden gemist. Derhalve heeft onderhavig bodemonderzoek een indicatief karakter. Geadviseerd wordt om na de sloop van de huidige panden de gehele locatie conform de vigerende regelgeving te onderzoeken, In april van 2024 heeft MILON opnieuw een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als biilaae 4. 1 aan deze ruimtelijke onderbouwing ge­ voegd, de conclusie en aanbeveling zijn navolgend integraal uit dit rapport overgeno­ men.

Het indicatief bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen realisatie van 24 appartementen. Het doel van het indicatief bodemonderzoek is om voor de sloop van de huidige bebouwing al een representatief beeld te verkrijgen van de milieuhygiëni­

Ische kwaliteit van de bodem.

i Uit de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat in de grond maximaal licht ver­ l hoogde gehalten aan zware metalen, minerale olie, PCB en PAK zijn aangetoond. Ver­ jmoedelijk zijn deze verhogingen te relateren aan de waargenomen bijmengingen. In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties molybdeen aangetoond. De verhoogde concentraties zijn niet eenduidig te relateren aan de voormalige bedrijfs­ l activiteiten. Vermoedelijk is sprake van een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. Middels onderhavig bodemonderzoek is indicatief vastgesteld dat onderhavige locatie | l niet significant verontreinigd is. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen in het kader van de geplande ontwikkelingen. MILON adviseert om na de sloop van de | huidige panden de gehele locatie conform de vigerende regelgeving te onderzoeken. De bodemkwaliteit vormt op voorhand geen belemmering voor het planvoornemen, re­ kening houdend met eventuele vervolgrraatregelen.

4. 3 Milieueffectrapportage Het instrument milieueffectrapportage (m. e. r. ) is ontwikkeld om het milieubelang vol­ waardig in de besluitvorming te betrekken. De milieueffectrapportage is wettelijk veran­ kerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (artikel 7. 1 tot en met artikel 7,42). In ar­ tikel 7. 2, lid l is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuurde activiteiten worden aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu en ten aanzien waan/an het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevol­ gen voor het milieu kunnen hebben. Voor deze activiteiten zijn in de bijlage bij het Be­ sluit milieueffectrapportage (AMvB) categorieën van plannen aangewezen waarvoor een m. e. r. ­ plicht of een m. e. r. ­beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikke­ ling zijn in principe niet m. e. r. ­(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een na­ dere motivering vereist zijn. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet herziening m. e. r. ­richtlijn in werking getreden. Met deze wet is de herziene Europese m. e. r,­richtlijn in Nederlandse wetgeving vertaald. Het doel van de herziene m. e. r. richtlijn is de m. e. r. ­beoordelingsprocedure te verduide­ lijken, de kwaliteit en de inhoud van het MER te verbeteren en de m. e. r. ­procedure te stroomlijnen met mitieubeoordelingen van andere EU regelingen.

Op basis van deze wet­ geving worden voor de vormvrije m. e. r,­beoordeling enkele procedurele vereisten uit de 30

Wet milieubeheer van toepassing. Dit betekent dat de initiatiefnemer voortaan een mel­ ding moet doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren die beneden de drem­ petwaarde van de D­lijst van het Besluit m,e. r. blijft.

Gelet op kleinschalige karaktervan het plan ­ geen sprake van een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. 000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200. 000 m2 of meer ­ in vergelijking met de piandrempels uit het Besluit m. e. r. , de ligging van het plangebied en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke ne­ gatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieiiaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelings­ project, categorie D. 11. 2) van de bijlage bij het Bestuit m. e. r. De locatie is reeds bebouwd en met de wijziging neemt het bebouwd oppervlak niet toe. Het planvoomemen is gelegen in het centrum van Someren. In feite is er hiermee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er hoeft daarmee ook niet getoetst te worden aan de drempelwaarde.

4. 4 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer en de bijbehorende algemene maatregelen van

bestuur (annvb's) en ministeriële regelingen is de regelgeving met betrekking tot lucht­ kwaliteit vastgesteld. Op grond van artikel 5. 16 lid l van de Wet milieubeheer is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevi'ngsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt af­ geweken met toepassing van artikel 2. 12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. er is geen sprake

waarde;

van een feitelijke of dreigende

overschrijding van een grens­

b. er is ­ al dan niet per saldo ­ geen verslechtering van de luchtkwaliteit; c. de bijdrage aan de concentratie van een stof is 'niet in betekenende mate' (NIBM); d. het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen, In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vast­ gelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per l augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor­ en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt ook voor onderhavig initiatief, omdat de ruimtelijke ontwikkeling enkel voorziet in de bouw van 5 grondgebonden seniorenwoningen.

Voor fijnstof PM10 t's er een jaargemiddelde grenswaarde van 40 |jg/m3 die niet mag worden overschreden en er is een etmaalgemiddelde grenswaarde van 50 |jg/m3die niet meer dan 35 keer per jaar mag worden overschreden. De jaarlijkse grenswaarde wordt in Nederland zelden overschreden. Voor fi'jnstof PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 pg/m3. In Nederland wordt daar al aan voldaan. Voor stikstofdioxide N02 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 pg/m3.

" iTT

Uit de uitsnede van de Atlas Leefomgeving op navolgende afbeelding blijkt dat de lucht­ kwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is, er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden. Uit oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. o

»lT­^k^< r,­

a " . ' 'il . iy. . 'ï »I;1­ ^ . ­. • < > \t­kh*tb*M»t /0;1 ih0,'i

••0. ^•fVWUf ' • • W^^f^A­ '­•rft:'. )tiAr­l,i'r. t, 4

9

MWHf infoffn^ti^ op (oc*t^

o

* '^ ;:^ 't^ k'AA/7 '< ­ü^< < T­­*< ^ < t'ü< fH'i­Jt. ^ '. . . fXdl'e < i­ . •3­80C S98. 't; •W,: 4­;72S < ;i(n»!t)in t)|n»e20.

fc fil­nlof csw. »n!nt« • 6 • i70' »;0!T},< 35 (mtTrogryr PV^O;m3l

o

ItViM»n

a

(rrfOTfTKÜC Op ÏW. MM f •* ­­(­. . It rA,1Kl /­. ­K. ' rr*?» tn».^' " T!,ATt» ,•. ;, . •*:^ '. y A''r

''" :

i y ­•­•^•s 5?«s'?­

tt,!

•^)W. s'!'r:A «CWKrf^O^t (WAT » > ti

I A > tfK­ ^SW­i.i*:^^ " '­^ ••?'^T. ^;^'fft». if^r­'. cjtrr •­•, 'Vi ­. n. }, !

o

Wt'

4. 5 Wet

natuurbescherming

Zorg voor alle inheemse planten­ en diersoorten en voorde natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door de naleving van de wet­ en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. De instrumenten die deze bescherming mogelijk maken zijn op Eu­ ropees niveau vertaald in Natura 2000. De Europese Habitatrichtlijn en de Europese Vo­ gelrichtlijn zijn in Natura 2000 opgenomen. De Europese wetgevingen waren in Neder­ land tot l januari 2017 vertaald in de Flora­ en faunawet voor de soortbescherming en in de Natuurbeschermingswet 1988 voor de gebiedsbescherming. Nederland had daarmee 32

de Europese wetgeving in de nationale wetgeving verankerd. Per l januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1988 en de Fiora en Faunawet samen met de Boswet vervangen door de Wet natuurbescherming. In deze wet is de provincie aangewezen als bevoegd gezag voor de uitvoering van deze nieuwe wet. Per l januari 2017 is ook de provinciale Verordening natuurbescherming Noord­Brabant inwerking getreden. In deze verordening staan alle regels voor natuurbescherming in Brabant, zowel voor Natura 2000­gebieden als in het wild levende dieren en bossen of andere houtopstanden. In de Verordening na­ tuurbescherming zijn ook vrijstellingen opgenomen. Dit betekent dat bepaalde activitei­ ten uitgevoerd kunnen worden zonder vergunning, ontheffing of melding. Aan de vrij­ stellingen zijn in de Verordening natuurbescherming wel voorwaarden verbonden. Stikstof in relatie tot Natura 2000­gebieden

Ten behoeve

van

het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies

positieberekening uitgevoerd.

een

stikstofde­

In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de herontwikkeling van de locatie Dorpsweg 2 in Someren de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natu'a 2000­ gebieden berekend.

Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofde­ positie op de stikstofgevoelige Natura 2000­gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op groncf van de Wet natuurbescherming, Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. De integrale rapportage is als bh'lage 5 opgenomen. Flora en fauna

De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 3 de bescherming van dier­ en plantsoor­ ten en bevat regels over de bescherming van vogels op grond van de Europese Vogel­ richtlijn, de bescherming van soorten dieren en planten op grond van de Europese Habi­ tatrichtlijn, de bescherming van soorten planten en dieren die niet voorkomen in de Ha­ bitatnchtlijn, schadebestrijding, overlastbestrijding en faunabeheer, jacht, het vangen en doden van dieren, in het wild levende dieren en planten en handel en bezit van dieren en

planten.

De bescherming van wilde dier­ en plantensoorten in Nederland was tot l januari 2017 geregeld in de Flora­ en faunawet. Deze wet bevatte een aantal verbodsbepalingen om de in het wild voorkomende planten­ en diersoorten te beschermen. De Flora­ en fauna­ wet hanteerde een drietal beschermingscategorieën (algemeen beschermde soorten, overige beschermde soorten en strikt beschermde soorten). Onder de Wet natuurbe­ scherming vervallen de huidige tabellen l, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn op­ genomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele be­ dreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelnchtlijnsoorten, Habitatrichtlijn­ soorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het 'be­ schermingsregime andere soorten'een vrijstellïngsbesluit nemenen hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In bijlage 3 van de Verorde­ ni'ng natuurbescherming N oord­Bra ba nt heeft de provincie in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling opgenomen voor de volgende soorten: amfibieën: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalannander, meerkikker en mid­ delste groene kikker (of bastaardkikker)

33l~ "

zoogdieren: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspits­ muis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat.

Indien de voorgenomen activiteit niet verstorend werkt of geen nadelige gevolgen heeft,

waardoor aangetoond kan worden dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden voor de in het gebied voorkomende beschermde soorten, hoeft er in de meest voorko­ mende gevallen geen ontheffing aangevraagd te worden.

In juni 2023 heeft EQO een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In de rapportage, die als bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, zijn de conclusies als volgt verwoord:

Met de beoogde herontwikkeling van de locatie Dorpsweg 2 te Someren gaan moge­ iijk vaste rust­ en verblijfplaatsen van huismussen en vleermuizen verloren waarmee verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. Een nader onderzoek naar vaste rust­ en verblijfplaatsen (nesten) van huismussen en verblijfsfuncties voor vleermuizen in de te slopen bebouwing is noodzakelijk. De voorzorgsmaatregelen voor Vogels algemeen (paragraaf 8) dienen te worden

opgevolgd. De algemene zorgplicht is altijd van toepassing

De hier genoemde nadere onderzoeken zijn uitgevoerd door EQO. Navolgend betreffen de belangrijkste conclusies en toetsing aan de Wet natuurbescherming vanuit dit onder­

zoeksrapport (bijlage 7). Vleermuizen Soorten

Tijdens het onderzoek zijn in het plangebied en directe omgeving 2 soorten vleermuizen waargenomen:

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Vaste rust­ en verblijfplaatsen

Verblijfplaatsen van vieennuizen zijn niet aangetroffen. Bij inspectie rondom de bebou­ wing bij daglicht zijn geen sporen (keutels, vetvegen, afgebeten insectenvleugels enz. ) gevonden die aan vleermuizen toegekend kunnen worden. Ook zijn geen uit­ of invlie­ gende vleermuizen gezien, of is zwermgedrag waargenomen. Paarverblijfplaatsen zijn niet vastgesteld. Verder heeft het plangebied zelf geen belangrijke waarde als (essenti­ eel) jachtgebied of onderdeel van een (essentiële) vliegroute, Toetsing aan de Wet natuurbescherming ­^ Vaste rust­ en verblijfplaatsen In de Wet natuurbeschernning (artikel 3. 5, lid 4) is het verboden om voortplantingsplaat­ sen of rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen ofte vernielen. In het plangebied zijn geen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde vleermuizen vastge­ steld. Er zijn vanuit de te slopen bebouwing geen invliegende of uitvliegende vleermui­ zen waargenomen en zomerzw e rm gedrag (dat kan wijzen op een kraamverblijfplaats) is niet waargenomen. Foerageergebied en vliegroutes

Toetsing aan de Wet natuurbescherming ­ > Foerageergebied en vliegroutes zijn be­ schermd als het van essentieel belang is voor het in stand houden van een vaste verblijf­ plaats. Er zijn geen vliegroutes aanwezig en het plangebied wordt niet intensief gebruikt als foerageergebfed. Hijismussen

Vaste rust­ en verblijfplaatsen (nesten) 34

Tijdens het nader onderzoek naar huismussen zijn binnen het plangebied geen vaste rust­ en verblijfplaatsen (nesten) in de te slopen bebouwing vastgesteld. De directe om­ geving vormt functioneel leefgebied voor huismussen en hier zijn een kolonie met nest­ locaties in gebouwen aanwezig.

Toetsing

aan de Wet natuurbescherming ­ > Vaste rust­ en verblijfplaatsen (nesten) In de Wet natuurbescherming (artikel 3. 1, lid 2) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen ofte beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Binnen het plangebied zijn in de te slopen bebouwing geen vaste rust­ en verblijfplaatsen (nesten) van huismussen aanwezig. Ook is geen sprake van verlies van functionee! leefgebied met de geplande herontwikkeling.

Eindconclusie nader onderzoek vleermLifzen en huismussen

Op basis van de uitgevoerde nadere onderzoeken kan gesteld worden dat het plangebied afdoende is onderzocht op aanwezigheid van verblijfsfuncties voor vleermuizen en huis­ mussen. Uit de onderzoeken is gebleken dat binnen de bebouwing geen vaste rust­ of verblijfplaatsen van vleermuizen en huismussen aanwezig zijn. Als gevolg van de be­ oogde herontwikkeling zullen geen verbodsbepalingen uit de wet natuurbescherming overtreden

worden.

Hiermee is het nader onderzoek afgesloten. Verdere procedures in het kader van de Wet natuurbescherming

zijn niet aan de orde.

4. 6 Geurhinder

veehouderijen

In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De standaardnormen uit de Wgv zijn opgenomen Norm Geumorm' Afstand

in onderstaande tabel.

Buiten bebouwde kom Blnnan bebouwde kom 2 oui. . 'm 8 oUi. 'm " 100 meter 50 meter • cfeze waarden gelden alleen voor niel­concentraliegebieden. voor concenlratiegeüieden bestaan andere waarden Dit gedeelte vsn de gemeente Heusden ligt niet in een concentratiegebied

De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn op navolgende afbeelding.

weergegeven

35

»wmit'« 16 57: W Samww ••"

•

wsmn f a au»;*

VM^^vM l Vilt »miNri ^u< „ > fNnmrrit y *,'•;!•( iunwf KWt ^^**»t'^ K ÏTIl»t ïurwm l­^' OUtt'i

^ a vn't tfcjiAr ni < oua*

•^ j . .

rWw " C< i^. 'LATf Sirww»

li

fm'­'" ' < .^> »»,n»»^. . Wtn Wwna ï­'ÏAt iurww tf^ ^^ «rft t» 'Ms l maf farmsr < "\

h«­M ',: VVIIWW •••n.'nnS.'Sn'»'" .'''"uil" 1°' ° vnc " i< r—»

'•. !—'­' Stnwrt­r tOl'i^At.

^tW»; 'outrt

< < !M S''iütf taw*»1. K»»«^»rtw 'Ïvnwf W < ­IW < u­ 'IVK^

^Sllfl au»»

0. 2S 0,5 km

Afstanden

De dichtstbijzijnde veehouderij is Vaarselstraat 2 en ligt op ongeveer 890 meter van het plangebied. Ten aanzien van afstanden is sprake van een aanvaardbaar woon­en leefklimaat en worden veehouderijen niet in de belangen geschaad. Voorarondbelastina

De dichtstbijzijnde veehouderij met een relevante geuremissie aan Steegstraat 10 ligt op een afstand van ongeveer 1229 meter van het plangebied. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot het plangebied kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelas­ ting niet relevant zat zijn. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tus­ sen de veehouderijen en het plangebied worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad.

Ac h te ra rond b e l asting

Kijkende naarde uitstoot van de omliggende veehouderijen en naar de afstand tot het piangebied, verwachten we geen problemen met de achtergrondbelasting. Zoals te zien is op onderstaande achtergrond geurbelastingkaart, is hier sprake van een 'zeer goed' leef­ en woonklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.

36

•/•/ y.

/

% / /

•/.

i

%

m.

% ^ %:

9. '/,

/

m

% /.

^.

m^ ^^

'/. 'm

^ %

/

m,

^

% %%•'//,

%^ ^y/^^­

^. ^

^

%%

?•;

my

m.'­^ •/, %

•'/.

%

»

^;% %% y

m •/.

M

'//.

%

%% %^ %% %

/.

o

•/

^%

•/.

'm^ m

y, %%%%%% m^. •

%

^ mm

% '^

»%

^ /.

%

^

i­» % B 'm

•/.

%

%

•/.

v^//,

a

Vanuit oogpunt van geurhinder zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

4. 7 Volksgezondheid

in relatie tot veehouderijen

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen (geitenhoudenjen, endotoxinen en toetsing Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0) De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 (versie 30 april 2Q18) bevat een prak­ tisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden, Stap l Endotoxine

Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader l. O' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehou­ derijen. In de omgeving van het plangebied ligt een pluimveehouderij (Boerenkamplaan 34), deze hebben we getoetst aan bovenstaande formule, Met de uitstoot in fijnstof (1. 161 kilogram per jaar) is de minimale afstand 192 meter. De daadwerkelijke afstand is 1356 meter. Stap l vormt geen knelpunt. Stap 2 Emissies

Het plan leidt niet tot een relevante toename van geur­, ammoniak­ en fijnstofemissies. Plangebieden met woningbouw tot 1,500 woningen per ontslLiitingsweg zijn conform de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) niet van invloed op de luchtkwaliteit (fijn stof in dit geval). Daarnaast blijkt uit de kaarten bij de NSL­monitoringstool dat de luchtkwa­ liteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is. Bovenal is het huidige plan alleen de wijziging van het bestemmingsplan. Stap 2 vormt geen knelpunt. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon­/leefklimaat a. d. h. v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie.

Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar

woon­/ leefklimaat

Er is sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied.

37

r

(

Stap 4 Meerdere diersoorten in één veehouderij In de directe omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onderlinge afstand van elkaar en op korte afstand van het plangebied. Stap 4 vormt geen knelpunt.

Stap 5 afstanden tot geitenhouderijen en pluim veehouderijen Er ligt geen geitenhouderij binnen twee kilometer van het plangebied. Er is geen pluimveehouderij binnen één kilometer van het plangebied. Er is geen enkele veehouderij binnen 250 meter afstand.

Stap 6. Mestbe­ of verwerking

Onderzocht moet worden of in de directe omgeving sprake is van mestbe­ of verwerking als zelfstandige activiteit of als nevenactiviteit. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven waarbij sprake is van mestbe­ of verwerking. Stap 6 vormt geen knel­ punt,

Stap 7. Ongerustheid omwonenden In stap 7 van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Gezien de afstand tot veehouderijen wordt geen ongerustheid verwacht. Stap 7 vormt geen knelpunt.

Vanuit oogpunt van volksgezondheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

4. 8 Archeologie

en

cultuurhistorie

Archeologie

Op l september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. Op grond daarvan is de gemeente verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Ook kan in­ gevolge artikel 41 de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als be­ doeld in artikel bedoeld in artikel 2. 1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit laatste is overigens niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2.

Gezien de geplande activiteiten aan de Dorpsweg 2, is door Econsultancy een archeolo­ gisch bureauonderzoek met aansiuitend een inventariserend veldonderzoek met verken­ nend booronderzoek uitgevoerd. De gehete rapportage is als bijlage 8 aan deze ruimte­ lijke onderbouwing gevoegd. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies integraal over­ genomen.

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De resultaten van het boor­ onderzoek laat zien dat de bodemopbouw fn het plangebied is verstoord, tot een diepte van minimaal 100 cm ­ mv, lokaal tot op een diepte van 290 cm ­mv, en dat de oor­ spronkelijke top van de C­horizont is vermengd met de bovenliggende laag. Op de vraag wanneer deze verstoring heeft plaatsgevonden kan binnen dit onderzoek geen antwoord worden gegeven, het ïs mogelijk dat de verstoring te maken heeft met de historische be­ bouwing en dat het dus sporen uit de Nieuwe tijd betreft. Daarnaast is de situatie van de

'i5T

bodemopbouw onderde opstallen in deze fase van het onderzoek nog niet bekend, en kan er zich mogelijk een (deels) intacte bodem bevinden. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plange­ bied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. De voornaannste reden hiervoor is de ligging van het plangebied binnen de historische dorpskern van Someren, op histo­ risch kaartmateriaal is bebouwing zichtbaar vanaf begin 19e eeuw. De bodemintactheid binnen de historische dorpskern is dan ook nietszeggend voor het aantreffen van archeo­ logische waarden die passen bij een behoudenswaardige vindplaats, zo is het mogelijk dat de aangetroffen verstoringen eigenlijk sporen zijn van historische bebouwing. Een aanvullende reden is dat de bodem onder de huidige opstallen mogelijk nog intact kan zijn, waarin zich ook archeologische resten uit andere tijdsperioden kunnen bevinden, Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.

Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden ver­ wacht en eventuele funderingsresten van historische bebouwing, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksme­ thode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven ge­ graven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Pro­ gramma

voldoen.

van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan

het onderzoek moet

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeks­ methode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan­ of af­ wezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uit­ sluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend.

De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de be­

voegde overheid (gemeente Someren), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Some­en wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5. 10 van de Erf­ goedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c. q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Someren op de hoogte te stellen. Econsultancy adviseert een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uitte voe­ ren. Echter is er ook de mogelijkheid een archeologische begeleiding te laten plaatsvin­ den door het bevoegd gezag. Cultuurhistorie

In de CHW­kaart van de provincie Noord­Brabant20 heeft de provincie het'provinciaal

belang' aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende

cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn be­ knopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch en archeologisch landschap. Vanuit oogpunt van archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan, rekening houdend met eventuele vervolgmaatregelen.

39

4. 9 Bedrijven en milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonenn­ gen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmi­ lieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsacti­ viteiten uit de handreiking 'Bedrijven

en

Milieuzonering'.

De indicatieve lijst 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft de richtafstanden weer voor mili­ eubelastende activiteiten. In de lijst 'Bedrijven en Milieuzonering'worden richtafstanden gegeven voorde aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die vol­ gens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. In de toelichting behorende bij de VNG­publicatie zijn twee verschillende omgevingstype­ ringen opgenomen, omgevingstype rustige woonwijk en rustig bijitengebied en omge­ vingstype gemengd gebied. Een njstige woonwijk is een woonwijk die is ingericht vol­ gens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) i's weinig verstoring door verkeer. Een verge­ lijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Een ge­ mengd gebied is een gebied nnet een matige tot sterke functiemenging. Direct naast wo­ ningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Ook lintbe­ bouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gennengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de ver­ hoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaar­ digen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal be­

palend. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag één afstandsstap worden verlaagd. Het plangebied ligt in een woongebied van Someren en kan dus worden aangemerkt als type rustige woonwijk. In navolgende tabel zijn de milieucategorieën en de bijbehorende richtafstanden voor beide omgevingstypen weergegeven, conform bijlage I van de VNG­ publicatie.

Milieucategorie 1 2 31 3,2 41 4. 2 5. 1 52 53 6

Richfafstand omgevingstype rustige woonwijk,RTchtafstandomgevingstypegenïengd gebied rustig buitengebied 10m Om 30m 10m 50m 30m 100m 50m 200m 100m 300m 200m 500m 300m 700m 500m 1. 000m 700m 1. 500 m 1. 000m

In de omgeving (straal van 150 meter) van het plangebied zijn geen niet­agrarische be­ drijven gelegen. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' is dan ook niet belemmerend voor de beoogde ontwikkeling. Hierbij wordt aanvullend voor wat betreft het aspect 'in­ dijstrietawaai' verwezen

40

naar

paragraaf 4. 1 en biilage 3.

f

4. 10 Externe

veiligheid

De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare/beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Hier­ voor is het noodzakelijk dat te verlenen omgevingsvergunningen en bestemmingsplan­ nen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn (onder andere LPG­tankstations), transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stof­ fen via weg, water, spoor, buisleidingen, alsmede luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveilighejd). Ter bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, moet er een bepaalde afstand in acht genomen worden ten opzichte van risicovolle in­ richtingen en transportroutes voor ven/oer van gevaarlijke stoffen. In het kader van onderhavig planvoomemen heeft AVIV een onderzoek naar de externe veiligheid uitgevoerd. Deze is als bijlage 9 aan deze ruiimtelijke onderbouwing gevoegd. De samenvatting van het onderzoek luidt zoals hieronder genoteerd. In deze quickscan zijn in het kader van het bouwplan aan de Dorpsweg 2 in Someren de EV­risicobronnen geïnventariseerd en getoetst aan de landelijke wet­ en regelgeving (Bevb, Bevt en Bevi).

Hieruit is gebleken dat voor de ruimtelijke onderbouwing verder onderzoek met betrekking tot de beschouwde risicobronnen achterwege kan blijven. Met betrekking tot de A67 dient het bestuur van de veiligheidsregio in de te gaan op de as­

pecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Vanuit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan, rekening houdend met eventuele vervolgmaatregelen.

4. 11 Fysieke

belemmeringen:

kabels en (buis)leidingen

Op de projectlocatie zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

41

5. Waterparagraaf Inleiding

Om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige gevolgen van de ruimtelijke ontwikke­ ling en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen dient een watertoets te worden uitgevoerd. Met de watertoets wordt ernaar gestreefd om het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed in te passen en uit te voeren. Hoofdpunten van het instrument watertoets zijn vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerders) bij het proces van ruimtelijke planvorming en een transparante besluitvorming rond het belang van water in het ruimtelijke plan. De watertoets is wette­ lijk verankerd in artikel 3. 1. 6 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is aangegeven dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrfjving is neergelegd van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishou­ ding.

Waterbeheerplan

Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vast­ gesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de pe­ riode 2022­2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen, Het plan geldt van 22 de­ cember 2021 tot en met 21 december 2027.

Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: l. Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functio­ nerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbesten­ dig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water;

In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In be­ bouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: ­ schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; ­ de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; ­ de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; ­ de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doe'stellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen, Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods­ en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties heb­ ben voorde waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitge­ werkt in beleids­ en algemene

42

regels,

De Keur verwijst in de gebods­ en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichts­ kaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Onderzoek

Ten behoeve van onderhavig planvoomemen heeft De Roever Omgevingsadvies een Watertoets uitgevoerd. Navolgend zijn samenvatting en conclusies een op een overgeno­ men. Het volledige onderzoeksrapport is als biilaqe 10 aan deze ruimtelijke onderbou­ wing gevoegd.

Onderzoekslocatie

De onderzoekslocatie ligt ter plaatse van Dorpsweg 2 te Someren en betreft het kadas­ trale perceel sectie B, nummer(s) 4923,5185, 5186 en 4956. De gehele locatie heeft een oppervlakte van ongeveer 2. 013 m2. Op de onderzoekslocatie (s een bestaand be­ drijfspand met een klinker verharde parkeerplaats aanwezig, Watertoets

Het bouwplan omvat het realiseren van een appartementencompiex met 24 wooneenhe­ den. De huidige bebouwing wordt gesloopt. De ontwikkeling op de locatie heeft tot gevolg dat het verhard oppervlak afneemt met circa 204 m2. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt de gemeente Some­ ren dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. De vereiste compensatie wordt berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 30 mm (0,03 m) en met de plaatselijke gevoeiigheidsfactor (l). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De benodigde compensatie bedraagt 54 m3 (1. 808 m2 x 0,03 x l). Initiatiefnemer wil aan de opgave voldoen door onder het parkeerterrein een puin­ of grindkoffer te realiseren. Hemelwater wordt via H­riolering vanaf de verharde delen naar de infiltratievoorziening geleidt. Deze voorzieningen dienen de volledige opgave in te vullen.

Vanuit oogpunt van water zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan, rekening houdend met de geadviseerde vervolgmaatregelen. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen heeft Aelmans een infiltratieonderzoek uit­ gevoerd. Uit de, vooralsnog, gemeten doo­latendheden blijkt dat infiltratie van neerslag­ water tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van de Dorpsweg 2 te Someren. Tot op maaiveld ­3,5 meter wordt zandig materiaal aangetroffen, hetgeen resulteert in homo­ gene doorlatendheden. De testresultaten laten een gunstig beeld zien. Het wordt aanbe­ volen om een gereguleerde voeding/afvloeiing middels bijvoorbeeld een wadi en/of grindkoffers te voorzien. Het volledige onderzoeksrapport is als biilage 10. 1 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd,

" 4ÏT

6. Juridische

planopzet

De initiatiefnemer heeft met onderhavige rapportage een 'ruimtelijke onderbouwing' aangeleverd, waaruit is gebleken dat het voorgenomen plan geen negatieve ruimteiijk­ fysieke, logistieke en milieu­hygiënische gevolgen heeft voor het planlocatie en de directe omgeving ervan.

Met deze ruimtelijke onderbouwing is derhalve een planologische en juridische basis

gelegd om het plan te kunnen realiseren.

44

ï

7. Economische

uitvoerbaarheid

Exploitatie

Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoer­ baarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer.

De initiatiefnemer en de gemeente hebben afspraken gemaakt over kostenverhaal en lo­ catie­eisen welke middels anterieure overeenkomst juridisch zijn vastgelegd. Planschade

Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de plan­ schade die uit de planmaatregel voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14800695/1