bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Houtbroekdijk 32 - incl bijlagen
Tekst van het document
Gemeente Someren Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren
Gemeente Someren Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren
Locatie: Vaartdijk 5, Someren Kadastrale gegevens: Gemeente: Someren, sectie: M nummer 379
Opgesteld door: Arvalis Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne tel. 0493-242133
12-07-2021 09-02-2023
Inhoudsopgave 1. Inleiding .......................................................................................... 4 1.1.
Aanleiding ............................................................................... 4
1.2.
Planlocatie ............................................................................... 5
1.3.
Leeswijzer ............................................................................... 5
2. Planbeschrijving ............................................................................... 6 2.1.
Huidige situatie ........................................................................ 6
2.2.
Beoogde situatie ....................................................................... 7
3. Beleidskader .................................................................................... 8 3.1.
Rijksbeleid ............................................................................... 8
3.2.
Provinciaal beleid ...................................................................... 9
3.3.
Gemeentelijk beleid ................................................................ 11
4. Omgevingsaspecten ......................................................................... 15 4.1.
Milieuaspecten ....................................................................... 15
4.2.
Water ................................................................................... 24
4.3.
Ecologie ................................................................................ 25
4.4.
Landschappelijke inpassing ...................................................... 26
4.5.
Archeologie en cultuurhistorie ................................................... 26
4.6.
Verkeer en parkeren ............................................................... 28
5. Juridische planopzet ......................................................................... 29 5.1.
Inleiding................................................................................ 29
5.2.
Verbeelding ........................................................................... 29
5.3.
Planregels ............................................................................. 29
6. Uitvoerbaarheid en procedure ............................................................ 30 6.1.
Economische uitvoerbaarheid ................................................... 30
6.2.
Handhaving ........................................................................... 30
6.3.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................. 31
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 3
1. Inleiding 1.1. Aanleiding De initiatiefnemer, woonachtig en ondernemend aan Houtbroekdijk 32 (5711PM) te Someren, wenst de bestaande varkenshouderij te staken en enkel door te gaan met het reeds aanwezige akkerbouwrundveehouderij. Ondergeschikt aan de agrarische activiteiten wenst de initiatiefnemer een minicamping op te richten. Op de locatie Houtbroekdijk 32 te Someren (planlocatie) beschikt de initiatiefnemer over een moderne varkenshouderij welke voldoet aan alle relevante landelijke wet- en regelgeving. De provincie Noord-Brabant heef aangekondigd om strengere eisen te gaan hanteren dan landelijk zijn vastgesteld, hierdoor dienen voor de varkenshouderij op termijn noodzakelijke aanpassingen doorgevoerd te worden. De initiatiefnemer is zich daardoor gaan oriënteren wat de mogelijkheden zijn voor de toekomstige bedrijfsexploitatie. Hierdoor heeft de initiatiefnemer zich vooruitlopend op de noodzakelijke aanpassingen van de varkenshouderij, zich voor 15 januari 2020 aangemeld voor de subsidieregeling voor het beëindigen van varkenshouderijen (Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (SRV)). Om de planlocatie, na sanering van de varkenshouderij, een toekomstbestendige functie te geven dient het bestemmingsplan aangepast te worden.
Op 3 november 2020 heeft het college van B&W van Someren besloten om in principe medewerking te verlenen aan de realisatie van de beoogde situatie. Om definitief medewerking te verlenen aan het verzoek dient de beoogde situatie aan te sluiten op het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2014’. De gemeente Someren is bereid om deze wijziging te bewerkstelligen mits dit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor wordt het bestemmingsplan herzien zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Houtbroekdijk 32 te Someren’ voorziet in een adequate planologisch-juridische regeling voor het project. Het bestemmingsplan ‘Houtbroekdijk 32 te Someren’ bestaat uit een verbeelding met de daarbij behorende regels waaraan een toelichting is toegevoegd.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 4
1.2. Planlocatie De planlocatie, Houtbroekdijk 32 te Someren, is gelegen in het buitengebied van de gemeente Someren op een afstand van circa 740 meter van de kern Someren. De planlocatie is kadastraal beter bekend als gemeente Someren, sectie M, nummer 379. In figuur 1 is de topografische ligging van de planlocatie weergeven met een rode cirkel.
Figuur 1 Geografische ligging planlocatie (Bron: Opentopo)
1.3. Leeswijzer Hierboven is de aanleiding van de bestemmingsplanwijziging en de planlocatie beschreven. Het volgende hoofdstuk beschrijft het beoogde plan. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau weergegeven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de verschillende omgevingsaspecten van de beoogde situatie. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet uitgelicht. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid en de procedure weergegeven.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 5
2. Planbeschrijving 2.1. Huidige situatie Binnen de planlocatie zijn in de huidige situatie zeven bedrijfsgebouwen aanwezig. De bedrijfswoning betreft een langgevelboerderij in het zuiden van de planlocatie. Navolgend zijn in figuur 2 en 3 foto’s van de locatie in de huidige situatie weergeven.
Figuur 2 Impressie huidige situatie planlocatie 1 (Bron: Ruimtelijke plannen)
Figuur 3 Impressie huidige situatie planlocatie 1 (Bron: Google Maps)
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 6
2.2. Beoogde situatie De beoogde ontwikkeling bestaat uit verschillende onderdelen. Hieronder wordt nader ingegaan op de verschillende aspecten. Akkerbouwbedrijf en rundveehouderij In de bestaande situatie wordt reeds rundvee gehuisvest binnen de planlocatie en worden reeds akkerbouwactiviteiten uitgevoerd. De initiatiefnemer heeft ca. 10 ha grond in bezit. In de beoogde situatie worden deze activiteiten tevens voortgezet en deels uitgebreid, waardoor gesproken wordt van een agrarische hoofdactiviteit. Ten behoeve van de uitbreiding van akkerbouw activiteiten wenst de initiatiefnemer een loods te voorzien van ca. 995 m². De rundveehouderij zal bestaan uit zoogkoeien met bijbehorend jongvee. Deze dieren zullen een groot deel van de tijd uitgeschaard worden op grasland in de omgeving. Daarnaast is initiatiefnemer nog aan het bekijken of het mogelijk is om tevens deze dieren in de omgeving natuurgronden te laten beweiden. Met bovenstaande bedrijfsvoering is er geen sprake meer van een intensieve veehouderij. Recreatieve nevenactiviteit In de beoogde situatie wenst de initiatiefnemer in het noorden van de planlocatie een minicamping te realiseren. De minicamping voorziet in maximaal 25 kampeermiddelen waarvan maximaal vijf stacaravans. In het (toekomstige) gebouw 4 wordt een gedeelte van de oppervlakte in gebruik genomen als sanitair gebied (ca.
100 m2), ook wel ondersteunende voorzieningen genoemd. Parkeren wordt gedeeltelijk bij de kampeerplaatsen voorzien, daarnaast worden nog enkele losse parkeerplaatsen voorzien binnen de planlocatie. Uitsluiten intensieve veehouderij De initiatiefnemer neemt deel aan de SRV-regeling. Hiervoor is het noodzakelijk dat in de beoogde situatie het exploiteren van een intensieve veehouderij binnen de planlocatie niet meer mogelijk is. Dit wordt verankerd in de planregels en gevisualiseerd op de verbeelding.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 7
3. Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.1.4. Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en een gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - Duurzaam economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio’s; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruik de NOVI drie afwegingsprincipes: - Combinaties van functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; - Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; - Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI.
3.1.1.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'Handreiking ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 1. er wordt beschreven dat een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); 2. de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 3. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen wordt aanvullend beschreven in hoeverre locaties buiten bestaand stedelijk gebied passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 8
De laddertoets geldt enkel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of er sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het vigerende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. In dit geval neemt het ruimtebeslag per saldo af, zo neemt het aantal m² bebouwing af en wordt de nieuwe bebouwing zorgvuldig ingepast, aansluitend bij de bestaande bebouwing. Hierdoor is er geen sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging waarvan alsnog de kwalificatie stedelijke ontwikkeling moet worden gegeven. Conclusie Gezien de beoogde ontwikkeling niet als stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt is een verdere toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.
3.1.2.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Het Barro is gericht op doorwerking van, de in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte opgenomen, nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: - Rijksvaarwegen; - Project Mainportontwikkeling Rotterdam; - Kustfundament; - Grote rivieren; - Waddenzee en waddengebied; - Defensie; - Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; - Elektriciteitsvoorzieningen; - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; - Natuur Netwerk Nederland; - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; - IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); - Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; - Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Conclusie De planlocatie is niet gelegen in één van deze van nationaal belang zijnde vlakken. Een nadere motivering is derhalve niet noodzakelijk.
3.2. Provinciaal beleid 3.2.1.
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014
Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie RO 2010 vastgesteld. De structuurvisie geeft in hoofdlijnen het ruimtelijk beleid aan tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening (wro) biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. In de partiële herziening is niet een geheel nieuwe visie opgesteld, omdat de bestaande structuurvisie recentelijk is vastgesteld en de visie en sturingsfilosofie voor het overgrote deel nog actueel zijn. Onder andere de ‘Transitie van stad en platteland, een nieuwe koers’, het intrekken van Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 9
de reconstructie- en gebiedsplannen en de ‘transitie naar een zorgvuldige veehouderij 2020’ zijn verwerkt in de partiële herziening. De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend; De groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. De provincie wil binnen het landelijk gebied het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor agrarische ontwikkeling; 3. Een duurzame land- en tuinbouw; 4. Versterking van het landschap. Conclusie De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening wordt nader uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). De IOV is één van de uitvoeringsinstrumenten van de Provincie Noord-Brabant om genoemde doelen te realiseren.
3.2.2.
Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’
Vooruitlopend en anticiperend op de inwerkingtreding van de nationale Omgevingswet in 2021 hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de aarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende en duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal de komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma’s. Daarnaast is de Omgevingsvisie reeds vertaald in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie De omgevingsvisie heeft geen consequenties voor de beoogde ontwikkelingen.
3.2.3.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Op 25 oktober 2019 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) vastgesteld. Op termijn treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de voormalige Verordening ruimte. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Interim omgevingsverordening zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die eerder waren opgenomen in de Verordening ruimte. Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 10
Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen.
Figuur 4 Uitsnede plangebied uit IOV
De planlocatie ligt binnen het 'Landelijk gebied'/ ‘Gemengd landelijk gebied’, zie figuur 4. De varkenshouderij wordt gestaakt en de overige bestaande activiteiten, zijnde akkerbouwactiviteiten en de exploitatie van een rundveehouderij, worden voortgezet. Hierdoor is een toets aan de IOV niet noodzakelijk. De ontwikkeling van een minicamping, ondergeschikt aan de agrarische activiteiten is mogelijk via een afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan. Hierdoor is toetsing aan de IOV tevens niet noodzakelijk. Conclusie Het planvoornemen past binnen de kaders van de Interim Omgevingsverordening.
3.3. Gemeentelijk beleid 3.3.1.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
Gemeente Someren heeft op 21 april 2016 het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2014’ vastgesteld. De Houtbroekdijk 32 betreft een varkenshouderij, rundveehouderij en akkerbouwbedrijf en is in het vigerende bestemmingsplan aangeduid met de volgende bestemmingen, zie figuur 5: - Enkelbestemming: Agrarisch – Agrarische bedrijf; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie; - Functieaanduiding: – specifieke vorm van agrarisch – veehouderij; - Gebiedsaanduiding overige zone – bebouwingsconcentratie.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 11
Figuur 5 Uitsnede planlocatie uit bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijke plannen)
Voor de realisatie van recreatieve nevenactiviteiten (minicamping) kan gebruik worden gemaakt van art. 4.5.3 uit het vigerende bestemmingsplan, zie hieronder de toets in blauw cursief. Binnen het vigerende bestemmingsplan is geen mogelijkheid opgenomen om een intensieve veehouderij binnen de planlocatie uit te sluiten. 4.5.3 Minicamping Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.4.1, ten behoeve van het toestaan van een minicamping. Hierbij gelden ten minste de volgende voorwaarden: a. er zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan, waaronder maximaal vijf stacaravans, voor zover niet permanent geplaatst; Op de locatie worden maximaal 25 kampeerplaatsen gerealiseerd voor tenten, caravans cq. campers. b. voor ondersteunende voorzieningen, zoals sanitair gebied, is maximaal 100 m2 bebouwing toegestaan. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de bestaande (of vergunbare) bebouwing; De ondersteunende voorzieningen worden voorzien binnen een gedeelte van de nieuwe loods. De loods is inpasbaar binnen de vigerende planregels. Het betreft maximaal 100 m² zoals aangegeven in bijlage 1. c. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; Parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak, zie bijlage 1. d.
er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; Er wordt zorg gedragen voor voldoende parkeergelegenheid, zie paragraaf 4.11 en bijlage 1. e. de afstand tot de weg is tenminste 20m1; De afstand tot de weg is groter dan 20 meter. f. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m1; De afstand tot de dichtstbij gelegen woning van derden is ten minste 100 meter. g. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m1; De afstand tot de perceelsgrens is minimaal 5 meter. h. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; Zie hoofdstuk 4.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 12
i. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 23.2 en aangetoond met een erfinrichtingsplan. Zie hoofdstuk 4 en bijlage 4.
3.3.2.
Beeldkwaliteitsplan Buitengebied
Het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022’ is vastgesteld op 3 november 2022. Het beeldkwaliteitsplan is een toetsingskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het plan biedt enerzijds ruimte aan wat nodig is voor een gezonde sociaaleconomische ontwikkeling in het buitengebied en anderzijds houdt het rekening met het streven naar een karakteristiek, aantrekkelijk en contrastrijk landschap. In het beeldkwaliteitsplan is de gemeente opgedeeld in landschappelijke eenheden, clusters en linten, waarbij het streefbeeld per deelgebied is weergegeven. Tevens zijn ontwerprichtlijnen weergegeven per deelgebied en worden alle landschapselementen behandeld. De planlocatie aan Houtbroekdijk 32 te Someren is gelegen binnen de aanduiding ‘Kampenlandschap’ en tevens tegen een ‘lintbebouwing’. Het kampenlandschap heeft een onregelmatige en kleinschalige structuur. Hoewel het gebied nu een relatief open karakter heeft, horen van oorsprong groenstructuren (singels, houtwallen en onregelmatige bosjes) op de kavelgrenzen het achterliggende landschap. Hierbij is niet het doel om oude landschappen geheel ‘terug te brengen’ maar het eigen karakter van het gebied te versterken en de ruimtelijke schaal te verkleinen. In dit gebied is veel bebouwing aanwezig. Deze kan door middel van groenstructuren veel beter in het landschap worden ingepast.
Grootschalige bedrijven zijn moeilijk inpasbaar in deze kleinschalige landschapsstructuur. Oude akkers (bolle akkertjes, grotere akkerzones) zijn onderdelen van het kampenlandschap als hoger en droger gelegen open vruchtbare akkergebieden. Deze oude akkers horen vrij van bebouwing en groen te blijven. In de randzones kan er bebouwing met een groene inpassing voorkomen. Waardevol en kwetsbaar zijn de hier voorkomende steilrandjes. De planlocatie is daarnaast gelegen binnen de aanduiding ‘lintbebouwing’. Lintbebouwing betreffen ontginningslijnen vanuit dorpen met een dichtere gegroeide bebouwingsstructuur. Bij kruispunten van linten kunnen clusters ontstaan, die mogelijk ruimte bieden voor kleinschalige ontwikkelingen. De omgeving van de planlocatie is momenteel landschappelijk ingepast. De laanstructuur aan de Lieropsedijk is duidelijk herkenbaar door de laanbeplanting. De planlocatie is landschappelijk ingepast in de omgeving gebaseerd op de regels van het beeldkwaliteitsplan en de LIR 2020 zie paragraaf 3.3.3. Voor de landschappelijke inpassing zie paragraaf 4.4. en bijlage 4.
3.3.3.
Landschapsinvesteringsregeling Gemeente Someren 2020
De Landschapsinvesteringsregeling Gemeente Someren 2020 is een vooraf vastgelegd kader, hoe gemeentebreed wordt omgegaan met de Landschapsinvesteringsregeling (LIR), die zijn basis vindt in het provinciaal beleid (IOV). Hierin is opgenomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied een verplichte bijdrage dienen te leveren aan de kwaliteit van het landschap. In de gemeentelijke LIR wordt onderscheid gemaakt in 3 categorieën, afhankelijk van hun impact op de omgeving van het landschap. De beoogde ontwikkeling kan gezien de ontwikkeling van (recreatieve) nevenactiviteiten binnen de vigerende bouwregeling aangemerkt worden als een categorie 2 ontwikkeling. Voor een categorie 2 ontwikkeling geldt dat bij een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. In paragraaf 4.4 wordt de landschappelijke inpassing nader toegelicht.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 13
3.3.4.
Structuurvisie Someren 2028
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht alle overheden tot het opstellen van een structuurvisie. Om aan deze Wro-verplichting te voldoen, heeft de gemeente Someren een integrale structuurvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente opgesteld. In deze structuurvisie wordt aan de hand van thema’s omschreven wat de ambities van de gemeente Someren zijn voor het jaar 2028. Onderdeel van de ‘Structuurvisie Someren 2028’ is de ‘Algemene Structuurvisiekaart Someren 2028’. In figuur 6 is een uitsnede van deze kaart, inclusief de planlocatie in het rood, weergegeven.
Figuur 6 Uitsnede van de planlocatie (in rood) uit structuurvisie Someren 2028 (Bron: Gemeente Someren)
In de Structuurvisie Someren 2028 is de planlocatie gelegen binnen het kampenlandschap en in de zone ‘Kwaliteitsverbetering bebouwingslinten of bebouwingsclusters buiten bebouwde kom’ (roodbruin gestreepte arcering). Zoals blijkt uit de toelichting van de structuurvisie worden extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatie en kleinschalige intensieve vormen van verblijfsrecreatie binnen de toeristisch recreatieve zone kansrijk geacht. Deze zone is gelegen ten noorden en zuiden van de provinciale weg, hier is tevens de planlocatie gesitueerd. Daarnaast wordt een combinatie van de toeristische recreatieve zone met overige grondgebonden activiteiten tevens kansrijk geacht. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij dit uitgangspunt. Conclusie De beoogde ontwikkelingen sluiten aan bij de uitgangspunten van de ‘Structuurvisie Someren 2028’.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 14
4. Omgevingsaspecten 4.1. Milieuaspecten 4.1.1.
Bodem
Vrijwel alle gebruiksvormen kennen in meerdere of minder mate interactie met de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane functies. Daarmee is het aspect bodemkwaliteit ook van invloed op de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit, voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven dient te worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is onder andere afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling. De agrarische bestemming blijft ongewijzigd waardoor geen bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast wordt een nieuw bedrijfsgebouw voorzien waarbij de verblijfstijd van dergelijk korte duur is, niet langer dan twee uur per dag. Hierdoor is nader bodemonderzoek niet noodzakelijk voor onderhavige planologische procedure. Concluderend is te stellen dat het aspect bodem geen belemmering is voor de beoogde ontwikkeling. Wel wordt de minicamping en de speelweide gerealiseerd ter plaatse van gesloopte stallen, hiertoe zal in een later stadium na de sloop een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd . Tevens is bij de aan- of afvoer van grond het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.
4.1.2.
Geur
In de beoogde situatie wordt o.a. een minicamping met stacaravans en inclusief ruimte voor ondersteunende voorzieningen gerealiseerd voor verblijfsrecreatieve doeleinden bij een bestaand agrarisch bedrijf. De ondersteunende voorzieningen, zoals een sanitaire ruimte, worden gerealiseerd binnen een gedeelte van de nieuwe loods. Conform de Wet geurhinder en veehouderij luidt de definitie voor een ‘geurgevoelig object’ als volgt: ‘Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.’ Allereerst dient te worden bepaald of er sprake is van het oprichten van een nieuw geurgevoelig object. Binnen de agrarische bedrijfstak worden geen (nieuwe) geurgevoelige objecten voorzien. Wat betreft de ondergeschikte nevenactiviteiten kan worden gesteld dat de kampeerplaatsen niet aan te merken zijn als geurgevoelig object aangezien het geen gebouw betreft. Voor de ruimte waarbinnen ondersteunende voorzieningen worden gerealiseerd is het criterium verblijfsduur van de mensen op een locatie van belang. Een ruimte waarbinnen ondersteunende voorzieningen worden voorzien t.b.v.
een minicamping, waarbij mensen vaak enkele minuten, tot hooguit een uur verblijven is niet te vergelijken met permanent gebruik, het betreft enkel kortdurend verblijf. Daarnaast betreft het voor de beoogde ruimte steeds wisselende personen waardoor eventuele blootstelling van korte duur is. Hierdoor is de beoogde ruimte niet aan te merken als een geurgevoelig object. (Zie ook de bestuursrechtspraak Raad van State 26 mei 210, zaaknr: 200905955/1/H1) Aansluitend kan worden gesteld dat de recreanten die gebruik willen maken van de minicamping en/of stacaravans inclusief ruimte voor ondersteunende voorzieningen, zelf de keuze maken om het platteland te beleven en hier dan ook te overnachten. Tenslotte is te stellen dat de (ondergeschikte) ruimte voor ondersteunende voorzieningen van de minicamping onderdeel is van de veehouderij, in de toekomst zijnde een akkerbouwbedrijf en rundveehouderij, net zoals de bedrijfswoning. Aangezien de bedrijfswoning tevens niet geurgevoelig is, is het niet aannemelijk de ruimte waarbinnen ondersteunende voorzieningen worden voorzien Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 15
t.b.v. de minicamping, anders te toetsten. Aangezien er geen geurgevoelige objecten worden opgericht binnen de planlocatie vormt de beoogde ontwikkeling geen belemmering voor omliggende veehouderijen. Op basis van de Wgv moet wel rekening worden gehouden met vaste afstanden. In onderhavige situatie is te stellen dat het er binnen 50 meter van de planlocatie geen vee wordt gehouden. Daarnaast zijn omliggende gevoelige objecten op meer dan 50 meter van het beoogde emissiepunt binnen de planlocatie gelegen. Het emissiepunt voor de huisvesting van het rundvee blijft gelijk aan de huidige situatie. Woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient onderbouwd te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit kader is het nodig om de verwachte geurhinder te berekenen. Deze berekening betreft de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie. De locatie betreft een veehouderij met nevenactiviteit zoals hierboven omschreven en is derhalve geen geurgevoelige locatie in het kader van de Wgv. Niettemin is een berekening gemaakt van de achtergrondbelasting geur gemaakt. Hierbij is uitgegaan van de geuremissie van veehouderijen binnen twee kilometer van de planlocatie (Web-bvb).
Als de achtergrondbelasting 20 OuE/m3 of lager is kan de achtergrondbelasting geclassificeerd worden als ‘voldoende’ of ‘goed’ waardoor er vanuit het de achtergrondbelasting geen belemmeringen zijn om mee te werken aan het ruimtelijke initiatief.
Achtergrondconcentratie binnen planlocatie Locatie
X
Y
Bouwvlak zuid Bouwvlak west midden Bouwvlak noord-west Bouwvlak noord-oost Bouwvlak oost midden Bouwvlak zuid-oost
176410 176349 176305 176397 176420 176442
378362 378441 378515 378556 378462 378381
Norm (OuE/m3) 20.000 20.000 20.000 20.000 20.000 20.000
Emissie (OuE/m3) 6.929 8.556 11.526 8.374 7.316 6.331
Figuur 12 Uitwerking achtergrondconcentratie binnen planlocatie
Uit de berekening blijkt dat de achtergrondconcentratie ruimschoots onder de norm van 20 OuE/m3 zit. Hierdoor kan gesproken worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat Conclusie Het aspect geur levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.
4.1.3.
Luchtkwaliteit
Titel 5.2 van de Wet Milieubeheer (Wm) heeft tot doel het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op gezondheid. Hierbij zijn twee richtingen te onderscheiden: - Realiseren van een bron (bijvoorbeeld inrichting of weg); - Realiseren van een nieuwe gevoelige functie. Bij het ontwikkelen van een nieuw bron moet in beeld gebracht worden of dit leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, tenzij de ontwikkeling Niet In Betekenende Mate (NIBM) is of onder het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) valt. Niet in Betekenende Mate (NIBM) Titel 5.2 Wm introduceert het onderscheid tussen ‘grote’ en ‘kleine’ projecten. Grote projecten dragen wel ‘in betekenende mate‘ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit betreft vooral bedrijventerreinen en infrastructuur. Kleine projecten dragen ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtkwaliteit. Wat het begrip ‘in betekenende mate’ precies inhoudt, staat in het Besluit ‘Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 16
Een geplande ruimtelijke ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging wanneer: - Het valt onder de categorieën van gevallen in de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ of - Als het bevoegd gezag kan aantonen, bijvoorbeeld door berekeningen, dat een ruimtelijke ontwikkeling jaarlijks niet meer stikstof en/of fijn stof-uitstoot oplevert dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. De 3%-grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 als NO2. Zodra voor een van de twee stoffen de 3%-grens wordt overschreden draagt het project wel in betekenende mate (IBM) bij. De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) bevat de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. Het betreft hier de volgende categorieën: - Infrastructuur; - Kantoorlocaties; - Inrichtingen; - Woningbouwlocaties. Middels de NIBM-tool is een benadering van het worst-case scenario opgesteld. De NIBM-tool laat zien dat de beoogde situatie, in het slechtste geval, niet in betekenende mate bijdraagt.
De hoeveelheid vervoerbewegingen is gelijk genomen aan de verantwoording in de stikstofberekening, zie bijlage 2. Dit betekent dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit op de beoogde locatie, zie figuur 7.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2020
voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage verkeer NO2 in μg/m3 PM10 in μg/m3 3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie De bijdrage van het verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
49 21,0% 0,12 0,02 1,2
verkeer als gevolg van het plan
Figuur 7 NIBM-tool
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2017) licht de concentratie PM10 ter plaatse tussen de 18-20 μg/m³ (zie figuur 8), en licht de concentratie NO2 ter plaatse tussen de 10 - 20 μg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor zowel PM10 als NO2 40 μg/m³. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 17
Figuur 8 Uitsnede van de planlocatie (in rood) uit GCN en GDN 2017
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.1.4.
Geluid
In de Wet geluidhinder worden eisen gesteld aan de geluidsbelasting van de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen voor onder ander wegverkeerslawaai. In de Wet geluidhinder zijn normen gesteld aan de geluidbelasting van gevels in ‘nieuwe situaties’. Er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten opgericht binnen het nieuwe plan, hierdoor is nader akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Aspecten van geluid(hinder) worden voor de beoogde ontwikkeling verder niet relevant geacht. Hier betreft het een minder intensief agrarisch bedrijf met een recreatieve nevenactiviteit. De nieuwe nevenactiviteit wordt enkel per lichte motorvoertuigen bezocht. Het gaat niet om de oprichting van een inrichting in het kader van de Wet milieubeheer. De aanwezige milieuvergunning (omgevingsvergunning) wordt gedeeltelijk ingetrokken (gedeelte varkenshouderij), waarmee de huidige maatgevende bronnen en activiteiten binnen de bedrijfsvoering inherent aan de varkenshouderij, zijnde ventilatie, aanvoer silovoer, afvoer mest en het transport van varkens, komen te vervallen. Daardoor is per saldo sprake van een verbetering. Betreffende spoorweglawaai en industrielawaai is te stellen dat dit geen belemmeringen oplevert. Zo ligt het spoor op ±8,40 kilometer afstand van de planlocatie. De planlocatie is daarnaast niet gelegen in een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling daar er geen sprake is van het oprichten van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Zo worden er geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegevoegd. Een toetsing aan de Wet geluidhinder is daarom niet noodzakelijk.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 18
4.1.5.
Gezondheid
Veehouderijen stoten (fijn-)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn-)stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Endotoxine zijn ontstekingsbevorderende celwandresten van bepaalde bacteriën. De luchtwegen van mensen zijn daar zeer gevoelig voor. Het is een algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht dat endotoxine blootstelling negatieve gezondheidseffecten heeft op mensen. Vooral vleeskuikenbedrijven kennen een uitstoot van endotoxine die hoog is in vergelijking met andere veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Op 22 oktober 2018 is een deelonderzoek van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III (VGO-3) bekend gemaakt. Dit deelonderzoek is gericht op longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen.
In het deelonderzoek ‘Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014-2016’ zijn analyses uit het eerdere VGOproject herhaald voor een recentere periode. Het doel van deze actualisatie is om na te gaan of de associatie tussen het wonen in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen en het voorkomen van longontsteking nog steeds kan worden aangetoond voor de jaren 2014-2016. De resultaten van het deelonderzoek wijzen, net als VGO-2, op een associatie tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. De associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij blijkt niet meer statistisch significant te zijn. Binnen 1 kilometer zijn 2 pluimveehouderijen gelegen. Gezien er geen associatie meer is gevonden tussen ene verhoogd risico op longontsteking en pluimveehouderijen kan het risico als nihil worden geacht. Tevens betreft de recreatieactiviteit een kortdurend verblijf met steeds wisselende personen. Ondanks dat in het deelonderzoek van VGO-3 de associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij niet meer is aangetoond, houden de Ministers vast aan het generiek verminderen van de emissies van onder andere fijnstof.
Hierover is de afgelopen jaren met de pluimveesector gesproken. De blootstelling zal dus in de komende jaen naar verwachting enkel nog dalen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Gebaseerd op het endotoxinetoetsingskader 1.0 zijn richtafstanden opgesteld. Uitgangspunt van het endotoxine toetsingskader is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit. Dit betekent concreet dat voor de beoogde situatie bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze beoogde situatie geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m. hun endotoxinesuitstoot.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 19
Onderstaande figuur geeft de endotoxineafstanden van omliggende bedrijven weer, waaruit blijkt dat een deel van het terrein hier binnen valt. Daarnaast blijkt hieruit dat er 2 pluimveehouderijen zijn gelegen binnen 1 kilometer.
Figuur: Uitsnede endotoxineafstanden
Op pagina 13 van het endotoxinetoetsingskader 1.0 is beschreven welke objecten beschermd dienen te worden. Dit luidt als volgt: ‘Bij de endotoxine beoordeling wordt in principe aangesloten bij de systematiek, zoals die geldt voor de beoordeling van fijnstof. Dit betekend dat ook bedrijfswoningen van andere veehouderijen worden aangemerkt als te beschermen object en dat voor de afstand wordt uitgegaan van het dichtstbijzijnde emissiepunt van een veehouderij. Sportterreinen en recreatieterreinen (uitgezonderd zeer regelmatig gebruikte bebouwingen) worden niet als gevoelig object aangemerkt. Deze systematiek is voor endotoxinen niet wettelijk vastgelegd. In specifieke omstandigheden kunnen er redenen zijn om van deze systematiek af te wijken.’ In de beoogde situatie is de minicamping aan te merken als recreatieterrein. Hierdoor wordt de minicamping niet gezien als te beschermen object wat betreft endotoxineconcentratie in de buitenlucht. Enkel zeer regelmatig gebruikte bebouwing wordt in dit geval beschermd. Uit jurisprudentie blijkt dat er twee criteria zijn om vast te kunnen stellen of sprake is van een te beschermen object voor fijnstof (hierna: fijnstof), namelijk of het object een voor het publiek toegankelijke plek is en het bootstellingscriterium. Recreatieterreinen en terreinen van recreatiebedrijven zijn per definitie voor publiek toegankelijk.
Ten aanzien van het blootstellingscriterium: volgens het endotoxinetoetsingskader zijn alleen zeer regelmatig gebruikte bebouwingen (gelet op voorgaande moet op basis van jurisprudentie dit worden aangevuld met terreinen) aan te merken als te beschermen objecten. Aannemelijk is dat de bebouwing voor de ondersteunende voorzieningen, zoals het sanitaire gebied, door steeds wisselende personen voor ten hoogste een paar uren achter elkaar worden gebruikt (kortdurend). Op basis daarvan is geen sprake van langdurige blootstelling van personen en derhalve geen sprake van te beschermen objecten. Conclusie Aangezien er geen nieuwe gevoelige objecten worden opgericht zijn er geen belemmeringen voor omliggende veehouderijen vooruitkomend uit de beoogde ontwikkeling.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 20
4.1.6.
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. In onderhavige situatie is de meest actuele uitgave gebruikt welke dateert van 2009. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: - het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); - het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Milieuzonering vanuit de planlocatie Binnen de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is de hoofdfunctie van het bedrijf het beste te vergelijken met de volgende functies: - Akkerbouw, milieucategorie 2; - Fokken en houden van rundvee, milieucategorie 3.2.
- Kampeerterrein, milieucategorie 3.1 Op basis van de VNG-publicatie zijn de grootste richtafstanden op basis van het bovenstaande: - Geur: 100 meter; - Stof: 30 meter; - Geluid: 50 meter; - Gevaar: 10 meter. In de beoogde situatie zijn de dichtstbij gelegen gevoelige objecten gelegen op: - ca. 22 meter vanaf het beoogde bouwvlak, Houtbroekdijk 29; - ca. 36 meter vanaf het beoogde bouwvlak, Houtbroekdijk 30; - ca. 34 meter vanaf het beoogde bouwvlak, Lieropsedijk 59. Uit het bovenstaande blijkt dat er verschillende objecten binnen de richtafstanden van het bouwvlak zijn gesitueerd. Voor de bovengenoemde gevoelige objecten geldt dat de woningen wel op meer dan 50 meter afstand van het dichtstbij gelegen emissiepuntvan de veehouderij en meer dan 50 meter van het kampeerterrein met bijbehorende activiteiten zijn gesitueerd. Hierdoor kan gemotiveerd worden afgeweken voor het aspect geur, zie paragraaf 4.1.2. Voor de aspecten geluid en stof wordt in paragraaf 4.1.3 en 4.4 tevens aangetoond dat gemotiveerd kan worden afgeweken en dat het woon- en leefklimaat in de omgeving aanvaardbaar is of verbeterd. Tenslotte vormt het aspect gevaar geen belemmering aangezien er geen gevoelige objecten binnen 10 meter van de planlocatie zijn gesitueerd. Milieuzonering vanuit omgeving richting planlocatie In de omgeving van de planlocatie zijn tevens enkele bedrijven gesitueerd.
Met de beoogde ontwikkeling worden echter geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. Zo blijft de bedrijfswoning ongewijzigd en zijn de recreatieve nevenactiviteiten niet aan te merken als gevoelig object. Conclusie Aangezien wordt voldaan aan de richtafstanden en/of aan de vigerende wet- en regelgeving voor geur, stof, geluid en gevaar vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 21
4.1.7.
Externe veiligheid
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid (Regeling externe veiligheid inrichtingen) is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico’s van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. De belangrijkste risicobronnen in het kader van de externe veiligheid zijn: 1. Bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004); 2. Transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015); 3. Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011).
Figuur 9 Uitsnede van de planlocatie (in paars) uit Risicokaart
In de nabijheid van de planlocatie zijn enkele locaties gesitueerd waar gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen. De dichtstbij zijnde locatie is gelegen op ca. 210 meter, zijnde Houtbroekstraat 4. Binnen deze locatie is een propaaninstallatie gesitueerd, onderhavige projectlocatie ligt ver buiten de risicocontour. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen zijn op nog grotere afstand gesitueerd, zijnde de A67 op ca. 3 kilometer. Het invloedsgebied van de Rijksweg A67 bedraagt 4000 m, de werkelijke afstand tot de planlocatie bedraagt ca. 3000 m. De locatie ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg, maar buiten de 200 meterzone. Ook is de planlocatie niet gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van deze Rijksweg. Het plaatsgebonden risico en het PAG vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Het groepsrisico moet beperkt verantwoord worden. De standaard verantwoording van het groepsrisico van de Veiligheidsregio kan hier worden toegepast. Advies Veiligheidsregio Brabant Zuidoost De Veiligheidsregio heeft medio 2017 een standaard advisering opgesteld voor specifieke situaties. Omdat het plangebied is gelegen op grote afstand van de Rijksweg A67, kan het standaard advies worden toegepast.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 22
Het standaard advies luidt als volgt: • Communiceer actief met de omwonenden en over de risico’s van de gevaarlijke stoffen en communiceer een handelingsperspectief. De omwonenden kunnen zichzelf dan sneller in veiligheid stellen. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. • Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening toe. Indien een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kan men ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Het doel van deze beleidsregels is een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening. Zodat VRBZO in staat wordt gesteld een adequate rol in de brandweerzorg te nemen. • In een nieuw op te richten gebouw waar mechanische ventilatie wordt toegepast moet de ventilatie op eenvoudige wijze uitgezet kunnen worden. Aanzuigopeningen bevinden zich bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron. • Voer extra controle uit bij bouwvergunningen op de detaillering van ramen en gevels. Overmatige ventilatie als gevolg van tocht wordt daardoor voorkomen. Als de voorwaarden uit het Bouwbesluit strikt worden nageleefd bieden gebouwen voldoende bescherming gedurende 4 uur . Reactie op het advies van de Veiligheidsregio - Op de gemeentelijke website is informatie te vinden betreffende het aspect veiligheid.
Voor risicobronnen in de omgeving wordt verwezen naar de nationale risicokaart, waarin is aangegeven hoe te handelen bij de verschillende scenario’s. - De beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zullen worden toegepast; Er liggen 2 brandkranen in de Houtbroekdijk waarvan één voor de inrit van nummer 32. Tevens is er een particulier bluswatervoorziening reeds aanwezig op de locatie. - De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012. - Tijdens de bouwactiviteiten zal gedetailleerd worden toegezien op bevestiging ramen en gevels. Wat betreft buisleidingen kan worden gesteld dat de dichtstbij gelegen buisleiding op ca. 1 kilometer is gesitueerd, ten westen van de planlocatie. Dit betreft een leiding van Gasunie. Conclusie Aangezien er geen gevoelige objecten worden toegevoegd binnen de beoogde situatie en de grote afstanden ten opzichte van de planlocatie wordt gesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering oplevert.
4.1.8.
Kabels en leidingen
De beoogde situatie voorziet in sloop- en bouwwerkzaamheden. Zoals aangegeven in paragraaf 4.1.7 zijn gasleidingen op een dergelijke grote afstand gelegen dat de sloop- en bouwwerkzaamheden ter plaatse van de planlocatie geen invloed hebben op deze gasleiding. Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden wordt daarnaast rekening gehouden met de reeds aanwezige kabels en leidingen binnen de planlocatie. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering is voor de ontwikkeling van de beoogde situatie.
4.1.9.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.beoordeling
Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Deze wijziging geldt voor alle aanvragen na 16 mei 2017, omdat er een directe werking van het Europees recht geldt. Een milieueffectrapportage (m.e.r.), en de bijbehorende procedure, is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 23
partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een m.e.r. noodzakelijk is: Plannen die passing binnen het kader voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings-)plichtige activiteiten; Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan past binnen het kader voor een toekomstig m.e.r.(beoordelings-)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Dit is alleen het geval in de situatie dat het een stedelijk ontwikkelingsproject betreft van minimaal een bepaalde oppervlakte of een minimaal aantal woningen. De beoogde situatie blijft binnen de gestelde grenswaarden waardoor geen plicht geldt voor het opstellen van een m.e.r. Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke m.e.r.plicht, geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden, hier wordt later op in gegaan in deze toelichting. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een m.e.r. en het doorlopen van de bijbehorend procedure. Het opstellen van een vormvrije m.e.r. is hierdoor tevens niet aan de orde.
4.2. Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerplan en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht en aangegeven dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. De beleidsnotitie 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk’ maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om negatieve hydrologische consequenties te compenseren. Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Het initiatief heeft betrekking op de sloop en verwijdering van de aanwezige stallen (5.057 m²), de sloop van een deel van de erfverharding en de bouw van een loods (995 m²).
Hierdoor is sprake van een afname in verhard oppervlak, wat betekent dat vanuit het oogpunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen er geen verdere maatregelen noodzakelijk zijn. Voor de resterende bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven. De bedrijfswoning en de ondersteunende voorzieningen (sanitaire ruimte camping) wordt aangesloten op het riool. Het aspect water vormt hierdoor geen belemmering voor onderhavig plan.
Toelichting Houtbroekdijk 32 te Someren - Arvalis 24
4.3. Ecologie Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingwet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. Bescherming van biodiversiteit in Nederland; 2. Decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. Vereenvoudiging van regels. Vanaf 1 januari 2017 is de provincie primair verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het NNN is reeds beschermd in het Barro en de provinciale verordening. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de Strabrechtse Heide & Beuven welke is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland en zeer kwetsbare gebieden in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De bestaande situatie betreft een omgevingsvergunning incl. vvgb (fase 1: d.d. 30-5-2012 en 2e fase d.d. 29 mei 2013) welke gedeeltelijk zijn ingetrokken op 29-04-2021, kenmerk INT-2020-0493.