CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c aanvraag ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente SomerenBij agendapunt: Definitieve verklaring van geen bedenkingen locatie Hersel 6 in Lierop14.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De planlocatie is aan de zuid-, oost- en noordoostzijde reeds omkaderd door een houtsingel, bestaande uit zomereik en diverse streekeigen struikvormers. Deze houtsingel neemt het zicht op het perceel reeds in grote mate weg. Objectniveau Op het objectniveau zijn de invulling en uitstraling van het teeltondersteunende voorziening relevant. Dit heeft betrekking op een aantal verschillende aspecten zoals de al dan niet natuurlijke uitstraling van de voorziening, hoogte en oriëntatie, maar ook de ordening en vormgeving van de voorziening op het perceel zelf en aan de randen relevant. Landschappelijke inpassing is dus meer dan alleen zichtbaarheid. Het gaat ook over: • materiaalgebruik; dit betreft voor wat betreft de planlocatie houten palen en draad. • lijn in het landschap: gewassen worden doorgaans geteeld in rijen. Bij de aanleg van gewassen, al dan niet met bijbehorende voorzieningen, is het wenselijk de lijnen van het landschap te volgen. Aan Hersel is de bestaande verkaveling west-oost georiënteerd. Met de indeling van de rijen op de planlocatie wordt bij deze oriëntatie aangesloten. • situering op het perceel: De ligging van de voorziening op het perceel bepaalt in grote mate de zichtbaarheid vanaf wegen, fiets- en wandelpaden. De planlocatie is reeds omgeven door bestaande houtsingels en bos.

De invulling van deze kavel met de beoogde teeltondersteunende voorzieningen leidt niet tot een aantasting van wegen, fiets- of wandelpaden in de omgeving. • verkavelingspatroon: verkavelingspatronen zijn een belangrijk aspect van de identiteit van diverse landschappen in Someren. Het aanwezige verkavelingspatroon in een gebied is in grote mate bepalend of grote percelen met voorzieningen inpasbaar zijn in het specifieke landschap ter plaatse. Het historisch besef is dus een belangrijk aandachtpunt voor het voorkomen of verzachten van de impact op het landschap. In de indeling of verkaveling van het teeltondersteunende voorziening moet de karakteristieke structuur van het landschap herkenbaar blijven. Met de beoogde invulling wordt de landschapsstructuur niet aangetast. •

30

3.3.3.7

Stap 6 Beperken gevolgen op het gebied van water Inleiding In het stroomschema is tenslotte de eis opgenomen dat gevolgen voor de waterhuishouding voorkomen moeten worden. Navolgende strategieën worden ingezet om de impact op water te voorkomen of te verzachten: • • • • •

Sturen op waterdoorlatendheid materiaal Integreren wateropgave Watercompensatie Wateropvang Meerledige doelen van watervoorziening

Sturen op waterdoorlatendheid materiaal Er wordt gestuurd op de mate van waterdoorlatendheid van het materiaal, mits dit de bedrijfsvoering niet in de weg staat. Zo kan bezien worden of bij het oprichten van containervelden het bedrijfstechnisch mogelijk is gebruik te maken van antiworteldoek in plaats van op betonnen platen. Binnen de planlocatie is er sprake van een onderbegroeiing van gras, waardoor er sprake is van een goede waterdoorlatendheid bij realisatie van de overige teeltondersteunende voorzieningen. Verder is wordt er een beperkte oppervlakte, te weten 300 m2, aan stalconplaaten toegevoegd op de locatie (gemeente Someren, sectie U nummer 506). Integreren wateropgave De wateropgave dient zo veel mogelijk geïntegreerd te worden in concrete initiatieven. Overleg tijdig met het waterschap of er een ‘wateropgave’ is in het gebied. Er kan gedacht worden aan het vasthouden van water langs de randen in (extra brede) watergangen of het inrichten van waterbergingsgebieden als tegenprestatie voor extra ontwikkelingsruimte. Dit plan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg besproken met het waterschap. Om overlast op omliggende percelen te voorkomen wordt aan de zuidzijde van het perceel, bij de woning een greppel met een diepte van 30 centimeter aangelegd. Dit op verzoek van deze aanwonenden, waarbij veel neerslag wateroverlast optreedt.

Met de aanleg van de greppel wenst de initiatiefnemer een bijdrage te leveren aan het voorkomen van deze wateroverlast. De greppel maakt onderdeel uit van het inpassingsplan. Watercompensatie In alle gebieden geldt dat als er extra verharding of andere vormen van niet-waterdoorlatend materiaal wordt aangebracht watercompensatie wordt geëist. In ieder geval vanaf een toename van 2.000 m² aan verharding. Dit is bedoeld om peilstijging door versnelde afvoer te compenseren. Ter plaatse van de initiatieflocatie is geen sprake van een toename aan verharding. De toename aan verharding binnen het plangebied is met 300 m2 minder dan de genoemde 2.000 m2. Wateropvang Voor de tuinbouw is de beschikbaarheid over voldoende en kwalitatief goed water van essentieel belang is. De klimaatverandering leidt onder andere tot langere periodes van droogte. Dit vraagt om extra voorzieningen voor de opslag van water (bijvoorbeeld in waterbassins) en nieuwe oplossingen zoals ondergrondse opslag van zoetwater en het combineren van waterdoelen met economische en 31

natuurdoelen. Bij het toetsen van nieuwe verzoeken voor teeltondersteunende voorzieningen dient bezien te worden in hoeverre het noodzakelijk is de aanleg van de voorzieningen te combineren met voorzieningen voor de opslag van water. Binnen de planlocatie is geen sprake van de behoefte aan wateropvang. Meerledige doelen van watervoorzieningen De aanleg van brede watergang rondom percelen met voorzieningen en het houden van afstand tot de watergangen zorgt voor meer transparantie en een vriendelijke uitstraling. Het combineren van de aanleg van brede watergangen met ecologische oevers biedt kansen voor oeverplanten en de daarvan afhankelijke fauna en dit draagt bij aan de biodiversiteit in dit monofunctionele landschap. Eveneens wordt het water schoner door vergroting van het zelfreinigend vermogen. In de omgeving van de planlocatie is geen watergang aanwezig.

32

4

MILIEUASPECTEN

4.1

BODEM

4.1.1

Beleidskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie.

4.1.2

Toets Bij realisatie van de beoogde teeltondersteunende voorzieningen is geen bodemonderzoek noodzakelijk. De stellingenteelt wordt op de grond gerealiseerd en past binnen het agrarisch gebruik.

4.2

WATER

4.2.1

Beleidskader

4.2.1.1

Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op de planlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. De planlocatie valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.

4.2.1.2

Principes waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes:

-

gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling; wateroverlastvrij bestemmen; 33

4.2.1.3

waterschapsbelangen.

Beleidskader Waterbeheerplan 2022-2027 In het Waterbeheerplan is beschreven welke doelen door het waterschap worden nagestreefd in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen willen gaan halen. Het waterbeheerplan is gebaseerd op de volgende drie programma’s: • • •

Waterveiligheid; Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Afvalwaterketen.

Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. In het programma ‘Afvalwaterketen’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • • • •

schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Om deze doelen te bereiken zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: het maken van actieplannen met maatregelen gericht op een klimaatrobuust watersyteem; • • •

• • •

het verkennen van de mogelijkheden om de hoeveelheid water die vanuit bebouwd gebied wordt afgevoerd op het regionale systeem te beperken; inzetten op extra maatregelen: ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken; meedenken met gemeenten bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen, hemelwaterverordeningen en het opnemen van klimaatadaptatie in bestemmingsplannen; handhaven van de stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied en deze koppelen waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen; de samenwerking met gemeenten, woningcorporaties, ontwikkelaars en de bouwsector breed opzoeken in het bebouwde gebied; Intensief samenwerken op de overgang tussen bebouwd gebied en landelijk gebied, ook rondom bedrijventerreinen.

Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen op de planlocatie is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben 34

voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. De planlocatie is niet gelegen in een beschermd gebied in het kader van de keur. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.

Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². 4.2.2

Toets Binnen de planlocatie vindt een beperkte toename van verharding plaats, van 300 m2. Deze verharding bestaat uit stelconplaten. De toename aan verharding is minder dan 500 m2, waarmee het niet noodzakelijk is om een hemelwaterberging aan te liggen. De stellingenteelt vindt op de ondergrond plaats en betreft geen verharding. Op basis van het beleid is geen compensatie vereist. Deze aanvraag heeft geen gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie. Dit is nader toegelicht in paragraaf 0 van deze ruimtelijke onderbouwing.

4.3

CULTUURHISTORIE

4.3.1

Beleidskader De planlocatie is gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap de Peelrand en het Dommeldal. Regio ‘Peelrand’ betreft een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen. De oude dorpen liggen in een wijde boog rond het voormalige hoogveengebied. De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. In de loop van de afgelopen 1000 jaar werd er vanuit deze dorpen steeds verder geknabbeld aan de randen van het veen. Tussen de oude dorpen en het Peelgebied liggen jonge ontginningen en boscomplexen uit de negentiende en twintigste eeuw. Het cultuurhistorisch landschap ‘Dommeldal’ betreft een samenhangend en relatief gaaf oud zandlandschap met beekdalen, akkercomplexen, landgoederen, woeste gronden en jonge ontginningen.

4.3.2

Toets De planlocatie is in het vigerende bestemmingsplan aangeduid als ‘specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch waardevol’. Cultuurhistorische waarden zijn 35

waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch- geografisch en/of historisch- bouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Middels verlening van de beoogde omgevingsvergunning vindt geen aantasting plaats van de bestaande verkavelingsstructuur. De teeltondersteunende voorzieningen die worden gerealiseerd hebben een groenkarakter en worden uitgevoerd met natuurlijke materialen. De schaal en maat van het landschap worden niet veranderd met de beoogde herinrichting. De planlocatie betreft geen bolle of hoge akker. De beoogde inpassing leidt niet tot aantasting van bestaande zichtlijnen. De beoogde herontwikkeling heeft geen gevolgen voor cultuurhistorische waarden op de planlocatie of de omgeving.

4.4

ARCHEOLOGIE

4.4.1

Beleidskader

4.4.1.1

Inleiding De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houden ze rekening met archeologische waarden. Ook maken zij meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven.

4.4.1.2

Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Someren heeft een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur en dergelijke, en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Hierna is een uitsnede van de beleidskaart weergegeven waarop de planlocatie is aangeduid.

Planlocatie

Figuur 19: Uitsnede Archeologiekaart van Someren waarop de planlocatie is aangeduid

36

4.4.2

Toets De planlocatie is op de Archeologiekaart van Someren aan de westzijde aangeduid met ‘categorie 7’. Dit betreft een gebied zonder archeologische verwachting of een gebied wat archeologisch is vrijgegeven. Hier geldt geen onderzoeksplicht. De planlocatie is aan de oostzijde aangeduid als ‘categorie 5’. Dit betreft een gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. De vrijstellingsdrempel is bij de categorie middelhoge verwachting een bodemingreep met een oppervlakte van 2.500 m² en/of een diepte van 0,4 m. Vrijstelling kan worden verleend als één of beide drempels niet worden overschreden. De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op een verstoring van de bodem. De vigerende dubbelbestemming voor bescherming van archeologische waarden in het westelijke deel van de planlocatie blijft onverkort gehandhaafd. Deze dubbelbestemmingen zijn aangeduid op navolgende figuur.

Planlocatie

Figuur 20: Dubbelbestemmingen archeologie in de omgeving van de planlocatie. De percelen zonder kleur, betreffen gebieden met een categorie 7, en kennen geen dubbelbestemming.

Geen nader onderzoek wordt dan ook vereist. Verlening van de vergunning leidt niet tot aantasting van archeologische waarden binnen de planlocatie of de omgeving.

4.5

NATUUR

4.5.1

Beleidskader

4.5.1.1

Inleiding Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in

37

werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. 4.5.1.2

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000 gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura2000-gebied.

4.5.1.3

Soortenbescherming Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.

4.5.2

Toets

4.5.2.1

Gebiedsbescherming Op een afstand van circa 2,5 kilometer ten zuidwesten van de planlocatie is het Natura2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ gelegen. Dit is weergegeven in navolgende figuur.

Planlocatie Figuur 21: Uitsnede kaart met ligging Natura-2000 gebieden ten opzichte van de planlocatie

Rondom de planlocatie zijn bosgebieden gelegen die zijn aangewezen als Natuur Netwerk gebieden. Dit is weergeven in navolgende figuur.

38

Planlocatie

Figuur 22: Uitsnede kaart met ligging Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van de planlocatie

De realisatie van teeltondersteunende voorzieningen en de verharding heeft geen gevolgen op Natura 2000-gebieden. Daarvoor is de afstand van de ontwikkeling tot een Natura2000 gebied te groot en de ontwikkeling te kleinschalig. Ook heeft dit plan geen effect op nabijgelegen Natuur Netwerkgebieden. De gronden binnen de planlocatie worden reeds agrarisch geëxploiteerd. De realisatie van de teeltondersteunende voorzieningen leiden niet tot intensiever gebruik dat effect heeft op Natura2000 gebieden, dan wel NatuurNetwerk gebieden en heeft niet meer verkeersbewegingen tot gevolg. Dit geldt ook voor de aanleg van de verharding. 4.5.2.2

Soortenbescherming Binnen de planlocatie zijn geen gebouwen en is geen opgaande beplanting aanwezig. Verwacht wordt enkel dat enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijnen, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen binnen de planlocatie. Met verlening van de beoogde herontwikkeling worden geen landschapselementen verwijderd. Ook worden er geen bomen gekapt. Middels het aanleggen van nieuwe landschapselementen wordt de natuurwaarde binnen de planlocatie juist versterkt. De ontwikkeling leidt niet tot aantasting van flora of fauna waarden. Vanuit de algemene zorgplicht dient evenwel tijdens de werkzaamheden continu gelet te worden op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren. Bij aantreffen van planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden verstoord.

4.6

GELUID

4.6.1

Beleidskader

4.6.1.1

Wet geluidhinder Verkeerslawaai

39

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai. Industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. 4.6.2

Toets Binnen de planlocatie is geen sprake van vestiging van een gevoelig object. Wel vinden op het perceel activiteiten plaats waarbij gebruik gemaakt wordt van machines. Over het algemeen zijn de werkzaamheden beperkt, er vinden gemiddeld 1 dag in de week werkzaamheden op het perceel plaats in de periode dat er geteeld wordt op het veld. Dit is grofweg de periode april tot en met december. Incidenteel vinden er meer werkzaamheden plaats. Dit betreft de periode dat het veld klaargemaakt wordt voor het zetten van en het daadwerkelijke zetten van de planten. Dit duurt maximaal 6 dagen per jaar. De andere periode, zijnde het van het oogsten van de planten, duurt maximaal 5 dagen. In totaal gaat het hierbij om 11 dagen met extra activiteiten.. Omdat het incidenteel is, hoeven deze niet meegenomen te worden in de toetsing van het industrielawaai. Aanvullend hierop geldt dat het planten en oogsten van de planten geen activiteit is die het gevolg is van het toepassen van teeltondersteunende voorzieningen en verharding, net al het een keer per week werkzaamheden uitvoeren op het land. Ook bij reguliere teelten vinden plant- en oogstactiviteiten plaats en worden tussen door machinaal werkzaamheden verricht. Hiermee zijn de activiteiten vergelijkbaar met de huidige toegestane activiteiten op het perceel.

Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de omwonenden ten aanzien van het aspect geluid.

4.7

GEUR

4.7.1

Beleidskader Als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. Andersom dient er bij vestiging van voor geur gevoelige objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat.

4.7.2

Toets Deze ontwikkeling ziet niet toe op vestiging of uitbreiding van een voor gevoelig terrein. Het aspect geur is niet van toepassing op deze ontwikkeling. Overigens is er binnen de planlocatie een goed woon- en leefklimaat aanwezig. Dit blijkt uit navolgende figuur met de achtergrondbelasting voor de planlocatie. Voor zover er al enige geurhinder optreedt door het gebruik van landbouwmachines of het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, betreft dit een hinder die van beperkte aard en duur is en die past binnen de normale bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf en reeds zijn toegestaan op het perceel. Daarmee kan in redelijkheid worden 40

geconcludeerd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woonen leefklimaat van de omwonenden.

Planlocatie

Figuur 23: Woon- en leefklimaat binnen de planlocatie

4.8

GEZONDHEID

4.8.1

Beleidskader

4.8.1.1

Endotoxinen Inleiding De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM 10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten.

De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Gemeentelijk beleidskader endotoxinen De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van aanwezige endotoxine contouren. Op deze kaart zijn endotoxinen contouren binnen de gemeente aangeduid.

41

4.8.1.2

Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot 2 kilometer blijft het risico vergroot.

4.8.1.3

Spuiten ln het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoe-lige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbe-schermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij mid-delen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.

4.8.2

Toets

4.8.2.1

.Endotoxinen Binnen de planlocatie is sprake van geen realisatie van een gevoelig object. Hiermee is het aspect volksgezondheid niet van toepassing. Echter is binnen de planlocatie geen sprake van de aanwezigheid van een endotoxinen-contour. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinenkaart waarop de planlocatie is aangeduid. De planlocatie ligt niet binnen de contouren van omliggende veehouderij bedrijven.

Planlocatie

Figuur 24: Endotoxinecontouren in de omgeving van de planlocatie

42

4.8.2.2

Geitenhouderijen Binnen de planlocatie wordt geen gevoelig object toegevoegd, waarmee het aspect geitenhouderijen niet van toepassing is. Op een afstand van circa 1.780 meter ten noordoosten van de planlocatie (aan Stipdonk 30) is een locatie aanwezig waar nog 10 geiten vergund. Gesteld kan worden dat hiermee geen sprake is van een volwaardige geitenhouderij waarvoor een vergroot risico geldt in het kader van gezondheid. Binnen een straal van 2 kilometer rondom de planlocatie is geen sprake van geitenhouderijen.

4.8.2.3

Spuiten Standaard geldt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen een afstand van 50 meter. Ten behoeve van de ontwikkeling is door Adromi (25 maart 2025) een locatie specifiek onderzoek uitgevoerd waarbij gekeken is naar de mogelijke gezondheidsrisico’s dit kunnen samenhangen met de blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen. Dit rapport is als bijlage bij deze aanvraag gevoegd. In het rapport wordt geconcludeerd dat door invulling te geven aan het voorzorgbeginsel een kortere afstand kan worden toegelaten om een planologische aanvaardbare situatie te bereiken. In het voorliggend plan worden de volgende voorzorgmaatregelen genomen cq. is sprake van de volgende omstandigheden die driftreducerend werken: • • • •

Er wordt bovenwettelijke driftreductie toegepast van 90%; De V-vormige configuratie van de frambozenstruiken draagt bij aan opvang van drift; De rijpaden en wendakkers creëren extra afstand; Er zal een afscherming worden geplaatst langs de relevante zijden van het perceel.

Met deze maatregelen wordt het risico op blootstelling aan druppeldrift op de omliggende functies voorkomen. In de voorwaarden bij deze vergunning wordt vastgelegd dat er gespoten moet worden met een driftreductie van 90%, dat er een afscherming wordt geplaatst aan de relevante zijdes van het perceel middels landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing moet vervolgens binnen 6 maanden na het inwerking treden van de vergunning aangelegd zijn en duurzaam in stand worden gehouden. Concluderend kan gesteld worden dat met het nemen van deze maatregelen het acceptabel is om een kleinere afstand aan te houden.

43

Figuur 25: Aan te planten en in stand te houden afscherming in de vorm van landschappelijke inpassing

4.9

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

4.9.1

Beleidskader

4.9.1.1

Richtlijn Bedrijven en milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De planlocatie aan Hersel 6 kan getypeerd worden als gelegen in een ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan.

De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in een ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

4.9.2

Toets

4.9.2.1

Bedrijven in de omgeving van de planlocatie Binnen de planlocatie wordt geen gevoelige functie gerealiseerd. Ten noorden van de planlocatie is eveneens sprake van teeltondersteunende voorzieningen. In de nabijheid van de planlocatie zijn overigens geen andere bedrijfsactiviteiten nabij gelegen.

4.9.2.2

Bedrijfsactiviteiten binnen de planlocatie 44

Binnen de planlocatie worden middels deze ontwikkeling teeltondersteunende voorzieningen en verharding (vergunningsdeel werken en werkzaamheden) toegestaan. Deze activiteit heeft aan te houden richtlijnafstand tot gevolg. Het perceel is nu in agrarisch gebruik en blijft in agrarisch gebruik. Door de beoogde ontwikkeling worden omliggende inrichtingen en objecten niet onevenredig extra belemmerd.

4.10

EXTERNE VEILIGHEID

4.10.1

Beleidskader

4.10.1.1

Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: − − − − − − −

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 4.10.1.2

Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.

Plaatsgebonden Risico (PR):

Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10 -6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten; 2.

Groepsrisico (GR):

Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. 4.10.1.3

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te 45

beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Dit is opgenomen in navolgende tabel. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Weg, spoorweg of Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden binnenwater (Bevt) volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Tabel 4: Tabel met verantwoordingsplicht groepsrisico's

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 4.10.1.4

Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

4.10.2

Toets Binnen de planlocatie wordt geen gevoelig object toegevoegd. Er is sprake van de toevoeging van teeltondersteunende voorzieningen en 300 m2 aan verharding. Het aspect externe veiligheid is niet van toepassing.

4.11

LUCHTKWALITEIT

4.11.1

Beleidskader

4.11.1.1

Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.

46

4.11.1.2

Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen.

4.11.1.3

Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: • • •

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

4.11.2

Toets

4.11.2.1

Uitstoot schadelijke stoffen Aangezien de beoogde aanvraag de realisatie van teeltondersteunende voorzieningen en 300 m2 verharding betreft, valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’, waardoor de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een bouwactiviteit of een verkeersaantrekkende werking door verlening van deze omgevingsvergunning

4.11.2.2

Uitstoot van gevaarlijke stoffen Navolgende figuren geven uitsneden van de kaarten met de fijnstof- en stikstofuitstoot voor het plangebied en de omgeving.

47

Planlocatie

Figuur 26: Uitstoot fijnstof (PM10) voor de planlocatie en de omgeving (bron: RIVM)

Planlocatie

Figuur 27: Uitstoot fijnstof (PM2,5) voor de planlocatie en de omgeving (bron: RIVM)

48

Planlocatie

Figuur 28: Uitstoot fijnstof (NO2) voor de planlocatie en de omgeving (bron: RIVM)

Binnen de planlocatie wordt geen gevoelige object gerealiseerd. Daarbij is de grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM 10 van 50 µg/m³ sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

4.12

VERKEER Met de ontwikkeling wordt de tweede uitrit bij Hersel 6 afgesloten voor verkeer. Deze wordt buiten werking gesteld door het aanleggen van een greppel, op eigen terrein, voor de aansluiting op de weg.

Figuur 29: Onverharde uitrit en grepping ter afsluiting uitrit zoals opgenomen in inpassingsplan

49

De uitrit aan de westzijde van het plangebied blijft onverhard, overeenkomstig de huidige situatie. Zowel het afsluiten van de uitrit al het onverhard laten van de westelijke uitrit zijn vastgelegd in het inpassingsplan en maken hier onderdeel van uit.

4.13

M.E.R-BEOORDELING

4.12.1

Beleidskader Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.

4.12.2

Toets Ter plaatse van de planlocatie worden teeltondersteunende voorzieningen en verharding aansluitend aan een agrarisch bedrijfslocatie gerealiseerd. Hiermee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de M.e.r.-beoordeling. Een mer-aanmeldnotitie is niet noodzakelijk voor deze aanvraag.

50

5 5.1

UITVOERBAARHEID

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Realisatie van de beoogde teeltondersteunende voorzieningen betreft een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan. De kosten voor die voor deze ontwikkeling door de gemeente worden gemaakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Bij kleinschalige ontwikkelingen wordt veelal geen exploitatieplan vastgesteld, maar wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hierin worden afspraken vastgelegd over de procedure, kosten, planschadeverhaal en aan te leveren stukken. Ook in deze procedure sluit de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst met de gemeente Someren. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

5.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Deze ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van de vergunning aanvraag en wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van reacties op de aanvraag kan een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden de ruimtelijke onderbouwing op een aantal punten te wijzigen of de vergunning niet te verlenen.

5.3

VOOROVERLEG Deze ruimtelijke onderbouwing is in het kader van het wettelijk vooroverleg aangeboden aan de provincie Noord-Brabant. In navolging van dit wettelijk vooroverleg is de ruimtelijke onderbouwing aangevuld. In deze ruimtelijke onderbouwing is nader toegelicht hoe dit plan past binnen de principes van zorgvuldig ruimtegebruik, de externe werking op het Natuur Netwerk Brabant en de regels voor en Grondgebonden teeltbedrijf in het Landelijk gebied.

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16544267/1