CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c aanvraag ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente SomerenBij agendapunt: Definitieve verklaring van geen bedenkingen locatie Hersel 6 in Lierop14.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Teeltondersteunende voorzieningen, Hersel 6 Lierop

14 oktober 2025

INHOUDSOPGAVE

1 INLEIDING _______________________________________________________________________4 1.1 AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING WABO 4 1.2 AANLEIDING 4 1.3 LIGGING EN BEGRENZING 5 1.3.1 Ligging planlocatie ________________________________________________5 1.3.2 Begrenzing planlocatie _____________________________________________5 1.4 GELDEND BESTEMMINGSPLAN 6 1.5 DOEL 7 1.6 LEESWIJZER 7 2 PLANBESCHRIJVING _______________________________________________________________8 2.1 BEOOGDE SITUATIE 8 2.2 LANDSCHAPPELIJKE INPASSINGSPLAN 9 2.2.1 Inleiding _________________________________________________________9 2.2.2 2.2.3

Kampenlandschap _________________________________________________9 Inpassing van de planlocatie _________________________________________9

3 BELEIDSKADER __________________________________________________________________11 3.1 RIJKSBELEID 11 3.1.1 3.1.2 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1

Nationale Omgevingsvisie __________________________________________11 Ladder voor duurzame verstedelijking ________________________________11 PROVINCIAAL BELEID 12 Brabantse Omgevingsvisie _________________________________________12 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant _________________________12 GEMEENTELIJK BELEID 20 Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018 ________________________20

4 MILIEUASPECTEN ________________________________________________________________33 4.1 BODEM 33 4.1.1 Beleidskader ____________________________________________________33 4.1.2 Toets __________________________________________________________33 4.2 WATER 33 4.2.1 Beleidskader ____________________________________________________33 4.2.2 4.3

Toets __________________________________________________________35 CULTUURHISTORIE 35

4.3.1 4.3.2 4.4

Beleidskader ____________________________________________________35 Toets __________________________________________________________35 ARCHEOLOGIE 36

4.4.1 4.4.2 4.5 4.5.1 4.5.2 4.6 4.6.1 4.6.2 4.7

Beleidskader ____________________________________________________36 Toets __________________________________________________________37 NATUUR 37 Beleidskader ____________________________________________________37 Toets __________________________________________________________38 GELUID 39 Beleidskader ____________________________________________________39 Toets __________________________________________________________40 GEUR 40 2

4.7.1 4.7.2 4.8

Beleidskader ____________________________________________________40 Toets __________________________________________________________40 GEZONDHEID 41

4.8.1 4.8.2 4.9

Beleidskader ____________________________________________________41 Toets __________________________________________________________42 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING 43

4.9.1 4.9.2 4.10 4.10.1 4.10.2 4.11 4.11.1 4.11.2 4.12 4.12.1 4.12.2

Beleidskader ____________________________________________________44 Toets __________________________________________________________44 EXTERNE VEILIGHEID 45 Beleidskader ____________________________________________________45 Toets __________________________________________________________46 LUCHTKWALITEIT 46 Beleidskader ____________________________________________________46 Toets __________________________________________________________47 M.E.R-BEOORDELING 50 Beleidskader ____________________________________________________50 Toets __________________________________________________________50

5 UITVOERBAARHEID _______________________________________________________________51 5.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 51 5.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 51 5.3 VOOROVERLEG 51

BIJLAGEN 1. Bouwplan 2. Landschappelijke inpassing 4. Spuitzone onderzoek 3. Besluitvlak

3

1 1.1

INLEIDING

AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING WABO Deze vergunning is aangevraagd op grond van artikel 2.12 eerste lid onder a sub 3° Wabo. De Wabo is per 1 januari 2024 buiten werking gesteld door komst van de Omgevingswet. Er geldt overgangsrecht voor de gevallen waarin de procedure voor het verlenen of wijzigen van een omgevingsvergunning gestart is vóór inwerkingtreding van deze Omgevingswet. Als de vergunningprocedure op de datum van inwerkingtreding nog niet is afgerond, dan blijft het oude recht van toepassing. Het oude recht blijft van toepassing, dus het oude bevoegd gezag neemt een besluit op basis van de oude regels. Het handelt de aanvraag af alsof het nog 31 december 2023 is. Het uitgangspunt is dus onder andere de oude beoordelingsregels, de oude totstandkomingsprocedure en de oude rechtsmiddelen. Derhalve wordt in deze ruimtelijke onderbouwing getoetst aan beleidskader dat van toepassing was op 31 december 2023.

1.2

AANLEIDING Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld voor Thwan van Gennip bv, hierna ook de initiatiefnemer genoemd. De initiatiefnemer kweekt frambozen en -planten. Ten behoeve van de teelt van zacht fruit en de opkweek van de planten voor deze productie zijn teeltondersteunende voorzieningen noodzakelijk. Met het hanteren van teeltondersteunende voorzieningen kan invloed op het teeltseizoen worden uitgeoefend, verbeteren de arbeidsomstandigheden voor werknemers en kunnen gewassen beter worden beschermd ten weersinvloeden, ziektes en onkruid. Daarbij kan met toepassing van teeltondersteunende voorzieningen worden bereikt dat er voldaan wordt aan hoogstaande kwaliteits- en milieueisen en kan een uniform product worden geleverd. Voor de teelt van de vruchten en de opkweek van de planten heeft het tuinbouwbedrijf vraag naar een grotere aaneengesloten oppervlakte waarop de benodigde teeltondersteunende voorzieningen kunnen worden gerealiseerd. De initiatiefnemer beoogt een vergunning te verkrijgen voor teeltondersteunende voorzieningen met een omvang van 38.771 m², hierna gesproken over circa 3,9 hectare, gelegen aansluitend aan het bestemmingsvlak voor het bedrijf aan Hersel 6 te Lierop.

Op deze planlocatie is in het vigerende bestemmingsplan ‘Someren Buitengebied’ en heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke waarden’ toegekend aan de gronden aansluitend aan het bestemmingsvlak voor het bedrijf aan Hersel 6. Daarnaast wordt circa 300 m2 aan stelconplaten toegevoegd op het perceel Gemeente Someren, sectie U, nummer 506.

4

De ontwikkeling is binnen de regels van het geldende bestemmingsplan niet rechtstreeks mogelijk. Beoogd wordt om middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan voor het realiseren van de teeltondersteunende voorzieningen. Deze ruimtelijke onderbouwing dient als motivering bij de te volgen procedure ten behoeve van verkrijging van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 eerste lid onder a sub 3° Wabo. In deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat de ontwikkeling voldoet aan beleid en ruimtelijk past binnen de omgeving. Daarbij wordt tevens getoetst aan het ‘Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018’ dat de gemeente Someren hiervoor heeft vastge

1.3

LIGGING EN BEGRENZING

1.3.1

Ligging planlocatie De planlocatie is gelegen aangrenzend aan Hersel 6, gelegen ten noorden van de kern Lierop en ten oosten van de kern Mierlo. Helmond ligt ten noorden van de locatie. Navolgende figuur geeft een topografische kaart met de ligging van de planlocatie in de omgeving.

Planlocatie

Figuur 1: Luchtfoto met de ligging van de planlocatie

1.3.2

Begrenzing planlocatie De planlocatie is kadastraal bekend als: gemeente Someren, sectie U, nummers 656 en 657 gedeeltelijk. Navolgende figuur geeft een kadastrale kaart weer van de planlocatie.

5

Figuur 2: Kadastrale kaart van de planlocatie, gelegen aansluitend het bijbehorende agrarische bedrijf aan Hersel 6

1.4

GELDEND BESTEMMINGSPLAN Voor de planlocatie aan Hersel 6 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren – Deelgebied 4’ van de gemeente Someren het geldende bestemmingsplan. De planlocatie aan Hersel 6 is in het bestemmingsplan bestemd als ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. De gronden aansluitend hieraan zijn bestemd als ‘Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden’. De planlocatie kent gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. De gronden met de bestemming ‘Agrarisch met Waarden – Landschapswaarden’ zijn aangeduid met de aanduidingen ‘specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch waardevol’. Een gedeelte van de planlocatie (het agrarisch bedrijf en de hierachter gelegen gronden) kent de gebiedsaanduiding ‘overige zone – stalderingsgebied’ en gedeeltelijk ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’. De gehele planlocatie is aangeduid met de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – stalderingsgebied’ en ’vrijwaringszone – invliegfunnel’. Navolgende figuur geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan voor de planlocatie.

6

Planlocatie bij Hersel 6

Figuur 3: Uitsnede geldend bestemmingsplan voor de planlocatie (indicatief omcirkeld)

Het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen is binnen het vigerende bestemmingsplan niet rechtstreeks mogelijk op de gronden die aansluitend aan het agrarisch bedrijf gelegen zijn. Derhalve is een buitenplanse afwijking voor de planlocatie noodzakelijk.

1.5

DOEL Deze ruimtelijke onderbouwing heeft toevoeging van teeltondersteunende voorzieningen met een omvang van 40.370 m² en het aanbrengen van 300 m2 aan verharding bij het agrarisch bedrijf aan Hersel 6 te Lierop ten doel. Deze ruimtelijke onderbouwing dient als motivering bij de te volgen procedure.

1.6

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van het plan. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling getoetst aan de uitgangspunten van rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 geeft het gevoerde onderzoek naar de relevante (milieu)planologische aspecten weer. In hoofdstuk 5 volgt tenslotte een beschrijving van de uitvoerbaarheid van dit plan.

7

2 2.1

PLANBESCHRIJVING

BEOOGDE SITUATIE De planlocatie is onbebouwd en in gebruik voor teeltondersteunende voorzieningen middels stellingenteelt voor zacht fruit(planten). Deze stellingen worden middels deze vergunningaanvraag planologisch juridisch toegekend. De stellingen worden goed landschappelijk ingepast. Navolgende figuur geeft een luchtfoto van de locatie voor vergunning van de teeltondersteunende voorzieningen.

Te vergunnen stellingenteelt op de planlocatie

Figuur 4: Luchtfoto te vergunnen teeltondersteunende voorzieningen bij Hersel 6 te Lierop

De omvang, hoogte en verschijningsvormen van de stellingen is weergegeven in de bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast wordt er 300 m2 aan verharding aangelegd ten behoeve van bedrijfsvoering, voor het tijdelijk stallen materialen.

8

2.2

LANDSCHAPPELIJKE INPASSINGSPLAN

2.2.1

Inleiding Nieuwe ontwikkelingen dienen landschappelijk te worden ingepast. Hierbij dient aangesloten te worden bij het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022’ van de gemeente Someren. De planlocatie is gelegen binnen een ‘Kampenlandschap’.

2.2.2

Kampenlandschap De planlocatie is gelegen ten noorden van Lierop. Dit betreft van oorsprong een kampenlandschap. Dit oude agrarische landschap wordt gekenmerkt door een onregelmatige structuur. De verkaveling is kleinschalig en op sommige plekken grillig van vorm. In de loop der tijd heeft het landschap een relatief meer open karakter gekregen. Van oorsprong komen hier veel meer landschapselementen voor zoals houtsingels en bosjes. Het gebied kent een grote afwisseling van groen en bebouwing. De boerderijen die van oudsher vrijliggend of in kleine clusters gebouwd zijn, liggen inmiddels in relatief dichte linten, knopen en clusters.

2.2.3

Inpassing van de planlocatie Rekening houdend met het type kampenlandschap wordt de planlocatie landschappelijk ingepast met knip- en scheerhagen en solitaire bomen en fruitbomen. Dit zijn landschapselementen die passen bij en behoren bij een kampenlandschap. Met het gebruik van hagen wordt tevens de teelt beschermd. Het gebruik van deze hagen op deze manier geeft het geheel een groene uitstraling. Navolgende figuur geeft het landschappelijk inpassingsplan weer.

9

Figuur 5: Landschappelijk inpassing van de planlocatie

Navolgende figuur geeft een beeld van de groene inpassing van de teeltondersteunende voorzieningen in het landschap. De teeltondersteunende voorzieningen bestaan uit houten palen met een hoogte van circa 2,5 tot 3,0 meter in een opwaartse vorm. De planten worden middels touw op hun plaats geho uden. Door deze vorm van teeltondersteunende voorzieningen is er in het grootste deel van het seizoen voornamelijk zicht op de plant. Het perceel behoudt hierdoor een groen karakter. Derhalve blijft de impact op het landschap beperkt.

Figuur 6: Beoogde teeltondersteunende voorzieningen binnen de planlocatie na plaatsing van de nieuwe planten en bij volle groei van de planten

10

3

BELEIDSKADER

3.1

RIJKSBELEID

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie Het Rijk heeft de Nationale Omgevingsvisie opgesteld voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale politiekbestuurlijke aandacht. De nationale belangen zijn in veel gevallen sectoraal. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. Deze vier integrale prioriteiten betreffen: • • • •

Klimaat & Energie: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzame economie: duurzaam economisch groeipotentieel; Stad & Regio: sterke en gezonde steden en regio’s; Landelijk gebied: toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

In deze vier prioriteiten komen complexe, omvangrijke en dringende opgaven samen, die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Centraal in te maken afwegingen tussen belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen. Om aan dit afwegingsproces richting te geven worden drie afwegingsprincipes gehanteerd. Deze zijn: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; • Afwentelen wordt voorkomen. • Binnen de planlocatie worden teeltondersteunende voorzieningen toegevoegd aan de bestaande bedrijfsvoering bij een agrarisch bedrijf. Dit draagt bij aan een bestendige toekomst voor een vollegrondteeltbedrijf. De beoogde herontwikkeling heeft geen rechtstreekse betrekking op de geformuleerde nationale belangen. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking beoogt stedelijke functies zoveel mogelijk te concentreren in het bestaand stedelijk gebied, en om extra ruimtebeslag 11

voor stedelijke functies in het buitengebied in beginsel te voorkomen. De doelstelling van de ladder beoogt dus een ruimtelijke scheiding tussen stedelijke functies en buitengebied-gebonden functies. Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, Bro is het verplicht om in het geval dat een ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in de toelichting de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen. De agrarische bedrijfsactiviteiten van een vollegrondteeltbedrijf zijn juist voorbehouden aan het buitengebied. Voor de exploitatie van het teeltbedrijf is het hebben van voldoende teeltgronden met de juiste teeltomstandigheden in de directe omgeving immers essentieel. Deze ruimte kan niet worden gevonden in het stedelijk gebied. De agrarische bedrijfsvoering is dus juist per uitstek voorbehouden aan het buitengebied. De agrarische bedrijfsvoering van het teeltbedrijf is ongeschikt voor het stedelijk gebied, en de functie past daarmee tevens niet binnen de bedoelde definiëring van een nieuwe stedelijke ontwikkeling op grond van de ladder voor duurzame verstedelijking, waarmee de ladder niet hoeft te worden toegepast.

3.2

PROVINCIAAL BELEID

3.2.1

Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaat-proof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven: 1. 2.

3.

4.

5.

De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Hier moet mee worden omgegaan Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze Interim omgevingsverordening vindt een vertaalslag van de hoofdopgave in concreet bindende regels plaats. 3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

3.2.2.1

Inleiding De provincie Noord-Brabant heeft vanuit de omgevingswet een interim omgevingsverordening vastgesteld. In deze omgevingsverordening is de locatie gelegen in landelijk gebied. Een omgevingsplan ter plaatse van landelijk gebied bepaalt voor een teeltbedrijf dat binnen een bouwperceel maximaal 3 ha permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan. In artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, eerste lid onder c, wordt beschreven dat gebouwen, bijbehorende 12

bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Volgens de basisprincipes van de provincie wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies. Artikel 3.5 verduidelijkt dat er gezorgd moet worden voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving waarbij rekening wordt gehouden met; • • •

zorgvuldig ruimtegebruik de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering de meerwaardecreatie.

Daarnaast gelden de specifieke aanduiding welke zijn opgenomen in de interim omgevingsverordening, net als de specifieke regels voor het ontwikkelen van teeltondersteunende voorzieningen. 3.2.2.2

Aanduidingen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Navolgende figuur geeft een overzicht van de aanduidingen voor de planlocatie in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Indicatie planlocatie

Figuur 7: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met regels uit de Basiskaart landelijk gebied

Indicatie planlocatie

Figuur 8: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met rechtstreeks werkende regels voor de landbouw

13

De planlocatie is aangeduid als gelegen binnen het landelijk gebied, binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’. Een gedeelte van de planlocatie is aangeduid met ‘beperkingen veehouderij’. Hierna wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.2.2.3

Zorgvuldig ruimtegebruik Zorgvuldig ruimtegebruik, artikel 3.6, houdt in dat: a.

b.

c. d.

de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvesting mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening(ladder voor duurzame verstedelijking); gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag, zoals door meervoudig ruimtegebruik of door verticale bouw, zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling.

Ten aanzien van de regels kan het volgende gesteld worden: Ad a. Het bestaande ruimtebeslag van het ter plaatse gevestigde bedrijf is volledig benut. Er is geen ruimte binnen het bouwvlak om de teeltondersteunende voorzieningen te realiseren. De uitbreiding van het bouwperceel voor het aanleggen van de teeltondersteunende voorzieningen met behorende voorzieningen is mogelijk binnen de kaders van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Ad b. Er is geen belemmering voor de voortgang van het project, aangezien geen sprake is van stedelijke ontwikkeling, het betreft de ontwikkeling van een agrarisch bedrijf. Ad c. De permanente teeltvoorzieningen worden in de toekomstige wijziging van het omgevingsplan worden voor de permante teeltondersteunende voorzieningen een bouwperceel opgenomen. Hierbij wordt vastgelegd dat het deel van het bouwperceel waarbinnen de permante teeltondersteunende voorzieningen gerealiseerd staan uitsluitend benut mogen worden voor teeltondersteunende voorzieningen. Ad d. Het is niet mogelijk bestaand ruimtebeslag te intensiveren door meervoudig ruimtegebruik of verticale bouw. De benodigde voorzieningen lenen zich niet voor meervoudig ruimtegebruik. Het veld wordt volledig benut en de voorzieningen blijven jaarrond aanwezig.

Verder is er door het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen al sprake van een intensivering ten opzichte van reguliere teelt, waarmee de ruimtebehoefte van het bedrijf zo veel als mogelijk beperkt wordt. Zonder teeltondersteunende voorzieningen zou het bedrijf behoefte hebben aan een groter areaal. Er komen meer planten op het veld te staan, Een verder intensivering is niet mogelijk. Aangezien de planten licht en ruimte nodig hebben om te kunnen groeien is het niet mogelijk om verticaal te gaan bouwen om zo het ruimtebeslag te beperken.

14

3.2.2.4

Artikel 3.7 Lagenbenadering Artikel 3.7 wordt door de provincie gesproken over de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen. Het gaat daarbij om het effect op de lagen in wisselwerking met elkaar waarbij de factor tijd actief wordt benut. Hierbij wordt gekeken naar 3 lagen: a.

de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;

b.

de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Ad a. Ten aanzien van de ondergrond kan gesteld worden dat de locatie niet gelegen is binnen specifiek provinciaal beschermde gebieden. De locatie is gelegen binnen een dekzandgebied, waarbij de bodem bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden. Voor de frambozen palen is het niet noodzakelijk dat er verharding op het perceel wordt aangelegd. Tussen de frambozen palen wordt gras gezaaid. Daarmee blijft de bodem op het perceel grotendeels intact. Verder worden de meststoffen met water dat via druppelaars meegegeven. De gift van meststoffen is afgestemd op de behoefte van de plant, de gift is zo precies mogelijk afgestemd op de meststoffen behoefte die de plant in iedere fase van de groei heeft. Hierdoor worden (vrijwel) alle gegeven meststoffen door de plant opgenomen zodat de uitspoeling van meststoffen zeer beperkt is. De gronden worden verder niet bemest. Hiermee zal ook geen sprake zijn van uitspoeling van meststoffen naar omliggende gronden. Op het perceel is reeds een waterput aanwezig. Het is niet noodzakelijk om een nieuwe put te slaan. Het veld wordt in gebruik genomen voor de opkweek van frambozenplanten met behulp van teeltondersteunende voorzieningen. De planten worden gedruppeld, waarbij de watergift is afgestemd op de behoefte van de plant. De exacte behoefte aan water is afhankelijk van de klimatologische omstandigheden en fase van ontwikkeling van de plant.

Maar omdat gedruppeld wordt kan de watergift hierop afgestemd worden, zodat er niet meer gegeven wordt dan nodig is. Dit in tegenstelling tot de beregening met sproeiers waarbij de watergift veel minder precies is het water deels ook niet bij de planten terecht komt. Het grondwatergebruik zal hiermee niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Verder vindt er met het aanleggen van de teeltondersteunende voorzieningen geen toename van verharding plaats. Het hemelwater kan in de bodem blijven infiltreren. Hiermee wordt het grondwater op het perceel op natuurlijke wijze op peil gehouden. Dit betekent dat er ook geen invloed is op het naastgelegen perceel dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor het overgrote deel van het perceel is geen sprake van een archeologische verwachting. Voor een klein deel van het perceel geldt een hoge archeologische waarde. Met de voorzieningen wordt de bodem zeer beperkt verstoord. Uitsluitend de palen gaan de grond in tot een diepte van 40 centimeter. De archeologische waarden worden door de ontwikkeling niet aangetast. Ad b. De locatie is in het verleden, in het kader van de voormalige bedrijfsvoering (melkveehouderij), aangesloten op alle noodzakelijke infrastructuur (riolering, 15

energie, enz.). Aanpassingen aan deze voorzieningen zijn niet noodzakelijk. De voorzieningen ten behoeve van de opkweek van frambozenplanten kunnen hierop aangesloten worden (bijvoorbeeld units voor de watergift en voeding voor de planten). De locatie grenst aan de westzijde aan het NNB en attentiezone waterhuishouding. Hiermee is bij de inrichting van het perceel rekening gehouden door met de inpassing van het perceel aansluiting te zoeken bij deze elementen en waar mogelijk te versterken. Zo komt aan de voorzijde van het perceel een vrij uitgroeiende haag en wordt het perceel verder ingepast met verschillende hagen. Er is ook geen invloed op waterwegen. Voor de beoogde functie is het niet noodzakelijk dat de locatie goed bereikbaar is met het openbaar vervoer. Ad c. de cultuurhistorische en landschappelijke waarde blijven behouden. Het blijft een landschap voor voedselproductie. Het uitzicht over de velden vol frambozen behoud de uitstraling van een landbouwperceel. Bovendien wordt het perceel op een passende wijze landschappelijk ingepast. Op de gronden zal gewerkt worden met gewasbeschermingsmiddelen. Bij de voorheen aanwezige teelt (grasland en wisselteelt, bijvoorbeeld aardappelen) werden ook gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Alle voorzorgsmaatregelen worden door de initiatiefnemer toegepast.

Bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen wordt gewerkt met materiaal dat de drift met 95 % reduceert. Dit betekent dat de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen zo veel als mogelijk voorkomen wordt. Door de toepassing van teeltondersteunende voorzieningen is de teelt beter te sturen en controleren. Dit voorkomt ziektes en plagen in de planten. Daarmee kan er gewerkt worden met minder gewasbeschermingsmiddelen dan in de teelt zonder teeltondersteunende voorzieningen. De teeltondersteunende voorzieningen dragen bij een aan optimaal klimaat voor de planten, zodat deze beter drogen bij nat weer en wordt voorkomen dat de bladeren in contact komen met de grond. De toegepaste machines zijn specifiek ontworpen voor deze teelt en zijn voorzien van driftreducerende doppen die gerichter spuiten. Ook de luchtondersteuning draagt hieraan bij. Dit voorkomt drift. Bovendien geeft het toepassen van teeltondersteunende voorzieningen ook betere mogelijkheden om te werkten met biologische gewasbeschermingsmiddelen. De invloed van de teeltondersteunende voorzieningen op de omgeving wordt hiermee beperkt en is zeker niet meer dan bij een reguliere teelt op het perceel. Er zijn geen nadelige gevolgen voor de gezondheid. Het project heeft geen gevolgen voor de veiligheid. Ten aanzien van milieu geldt dat de teelt dezelfde of minder invloed heeft dan een reguliere teelt.

Zoals hiervoor beschreven wordt de inzet van gewasbeschermingsmiddelen tot een minimum beperkt, wat mogelijk is door de inzet van de teeltondersteunende voorzieningen, het bodemsysteem blijft intact (wordt niet afgedekt en tussen de rijen wordt gras geplant) en door toepassing van druppelirrigatie kan de afgifte van meststoffen en water zeer precies gestuurd worden, zodat de waterbehoefte geminimaliseerd wordt en meststoffen naar behoefte gegeven worden waardoor er geen/zeer minimaal uitspoeling plaatsvindt. Daarmee geeft de ontwikkeling, zeker in vergelijk met een regulier teelt zonder teeltondersteunende voorzieningen, geen nadelige invloed op het naastgelegen NNB. Het hemelwater dat op het perceel valt kan infiltreren in de bodem. Tussen de rijen frambozenplanten is gras aanwezig. Het hemelwater dat valt op het perceel zal niet afstromen naar omliggende gronden, waarmee sprake is van een water robuuste inrichting van het perceel. Er is geen sprake van een aantasting van de hydrologische situatie ter plaatse. Concluderend kan gesteld worden dat, omdat er gebruik wordt gemaakt van een bestaande Agrarische locatie en met de inrichting van het terrein de impact op de omgeving beperkt is.

16

3.2.2.5

Artikel 3.8 Meerwaardecreatie In artikel 3.8 van de verordening wordt gevraagd om bij ontwikkeling te kijken naar meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a.

de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;

b.

de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Ad a en b. Met dit plan wordt ingezet op landschappelijke inpassing. Vanuit de omgeving wordt de beleving van het perceel hiermee verbeterd ten opzichte van een regulier landbouwperceel. Bovendien zorgt het toepassen van teeltondersteunende voorzieningen ervoor dat, zoals hiervoor reeds uitgelegd, gericht water gegeven kan worden en er beter gestuurd kan worden op de gift van meststoffen. Dit laatste beperkt de uitspoeling, en daarmee de invloed op het naastgelegen NNB. 3.2.2.6

Artikel 3.54 In de beoogde situatie wordt op onderhavige project meer dan 3 hectare teeltondersteunende voorzieningen gerealiseerd. Om deze voorzieningen mogelijk te maken buiten het bouwvlak, wordt er afgeweken van artikel 3.6, zoals beschreven in artikel 3.54 Grondgebonden teeltbedrijf in Landelijk gebied lid 2 en 3. In artikel 3.54 lid 2 is het volgende opgenomen: In afwijking van het eerste lid, onder b, kan een omgevingsplan meer dan 3 hectare permanente teeltondersteunende voorzieningen toelaten als: a.

b. c. d.

e.

dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken; de percelen niet in Aardkundig waardevol gebied liggen; de effecten van de ontwikkeling op het water- en bodemsysteem en omliggende waarden worden afgewogen; maatregelen worden getroffen en geborgd waardoor de ontwikkeling bijdraagt aan een waterrobuuste inrichting van het gebied en een verstoring van de hydrologische situatie ter plaatse wordt gemitigeerd; en juridisch en financieel is geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.

Ad a. In het gebied is sprake van een concentratie van teeltondersteunende voorzieningen. In de omgeving zijn meerdere percelen in gebruik met teeltondersteunende voorzieningen. Er zijn geen voornemens om de oppervlakte aan teeltondersteunende voorzieningen in het gebied rondom de locatie Hersel 6 verder te ontwikkelen. Bij verder ontwikkelingen van het bedrijf wordt gekeken naar andere locaties. Vanuit de locatie Hersel 6 wordt de water en voeding gift (meststoffen) geregeld. Daarvoor zijn voorzieningen aanwezig. Het personeel verblijft in de bedrijfswoning op de locatie. De machines noodzakelijk voor de teelt worden gestald op de locatie Hersel 6. In de toekomst is het wellicht mogelijk om water van andere bedrijfslocaties te benutten in de teelt op Hersel 6. Hersel 6 is een locatie die zelfstandig functioneert ten opzichte van de in de omgeving aanwezige andere bedrijfslocaties. De teelt op Eindje 6 is anders dan de teelt op Hersel 6. De teelt op Eindje 6 is gericht op de productie van aardbeien en frambozen en niet op de teelt 17

van frambozenplanten. Het type teeltondersteunende voorzieningen is ook anders, daar de teelt van zachtfruit op Eindje 6 plaatsvindt onder kappen. Op Hersel 6 komen er geen kappen boven de opkweek van de planten. Verder zijn in het gebied geen klimaatadaptieve maatregelen voorzien, waarmee de ontwikkeling de een dergelijke ontwikkeling niet tegenwerkt. Ad b. Er zijn geen aardkundige waarden als bedoeld aanwezig binnen het gebied. Ad c. Met het plan gaat het vallende hemelwater direct naar de bodem. Hiermee is geen sprake van een verstoring van de hydrologische situatie ter plaatse, het hemelwater kan in de bodem blijven infiltreren. De frambozen worden voorzien van water middels druppelbevloeiingsysteem welke het deels het restwater van de teelt van het naastgelegen bedrijf hergebruikt. Dit restwater is niet geschikt meer voor de teelt van aardbeien maar nog wel voor de teelt van frambozen. Door de nauwkeurige druppeltechniek wordt de kans op uitspoeling van eventuele meststoffen geminimaliseerd. Er wordt dus géén extra grondwater onttrokken ten opzichte van een reguliere teelt zonder teeltondersteunende technieken. Daarnaast wordt de bodem niet afgedicht met verharding en wordt tussen de rijen met teeltondersteunende voorzieningen voor de frambozenplanten gras gezaaid. De potten met frambozenplanten worden geplaatst op waterdoorlatend worteldoek.

Het bodemsysteem blijft hiermee vrijwel ongewijzigd aanwezig. Zo blijft een goed werkend water- en bodemsysteem gewaarborgd. Ad d. Zoals aangegeven kan het hemelwater dat op het perceel valt infiltreren in de bodem. Tussen de rijen frambozenplanten is gras aanwezig. Het hemelwater dat valt op het perceel zal niet afstromen naar omliggende gronden, waarmee sprake is van een water robuuste inrichting van het perceel. Er is geen sprake van een aantasting van de hydrologische situatie ter plaatse. Ad e. Hierover zijn afspraken gemaakt met de gemeente in de anterieure overeenkomst. In artikel 3.54 lid 3 is opgenomen: In afwijking van artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, eerste lid, onder c, kan een bestemmingsplan dat van toepassing is op Landelijk gebied voorzien in permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel van het teeltbedrijf, als: a. b.

c. d.

De voorzieningen geconcentreerd worden en aansluiten op een bouwperceel; Dit past binnen het ontwikkelperspectief van het gebied, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken; Is voldaan aan artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en Is voldaan aan de voorwaarden uit het eerste of tweede lid.

Ten aanzien van de regels kan het volgende gesteld worden: Ad a. De voorzieningen worden strategisch geplaatst om hun effect te maximaliseren. De druppelbevloeiing wordt aangesloten op de voorziening van het buurperceel, zijnde het perceel Hersel 6. Ad b. Volgens de principes van het te ontwikkelen robuust watersysteem moet (regen)water in hoger gelegen gebieden niet worden afgevoerd, maar worden vastgehouden in de bodem en infiltreren naar het grondwater. Het voorgenomen projectgebied ligt hoog ten opzichte van de omgeving. Het hemelwater wordt volledig opgevangen door de bodem. Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij de klimaatadaptieve gebiedsmaatregelen. 18

Ad c. In artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening is bepaald dat een ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied gepaard moet gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. Deze verbetering moet, volgens lid 2 van artikel 3.9, vastgelegd worden in het plan waarbij rekening wordt gehouden met de afspraken die gemaakt zijn op regionaal niveau. In paragraaf 3.2.2.4 van deze onderbouwing wordt nader ingegaan hoe voldaan wordt aan deze verplichting. Ad d. aan lid 2 is voldaan zoals hiervoor uitgelegd onder lid 2. 4.2.2.5

Artikel 3.9 Bevordering ruimtelijke kwaliteit Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Noord-Brabant de regeling Kwaliteitsverbetering voor het landschap. Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant stelt dat een ruimtelijke ontwikkeling binnen het Landelijk gebied gepaard dient te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: landschappelijke inpassing, het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land, het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het wegnemen van verharding, het slopen van bebouwing, de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones en het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. De gemeente Someren heeft regels voor kwaliteitverbetering van het landschap vastgelegd in de ‘Landschapsinvesteringsregeling Gemeente Someren 2020’. In deze landschapsinvesteringsregeling zijn waarden voor teeltondersteunende voorzieningen vastgelegd, evenals de reguliere waarde van landbouwgrond zonder teeltondersteunende voorzieningen. Navolgende tabel brengt de benodigde kwaliteitverbetering in beeld.

BEREKENING TEGENPRESTATIE KWALITEITVERBETERING Oude waarden en ondergronden m² Agrarische grond - los land 40.370 Totaal oud 40.370 Nieuwe waarden en ondergronden Agrarische grond met teeltondersteunende voorzieningen Totaal nieuw Bestemmingswinst

m² 40.370 40.370

waarde/m² € 8,50

waarde/m² € 12,00

Inspanning voor kwaliteitsverbetering Tabel 1: Tabel met kwaliteitverbetering van het landschap binnen de planlocatie

20%

€ €

waarde 343.145,00 343.145,00

€ € €

waarde 484.440,00 484.440,00 141.295,00

€

28.259,00

Hoogstamfruitboom Knip- en scheerhaag Vrijgroeiende haag Knip- en scheerhaag

Compensatie vergoeding totaal

€ 20.608,00

€ 1,18

m/jr €1.888,00 €5.664,00

€ 26.272,00

Jaarlijkse vergoeding onderhoud

€1,61 4st/m²

Een-heid

Totale vergoeding onderhoud

Beheers-bijdrage per eenheid (are)

Vergoeding aanleg

1600

eenheid

200

Norm per eenheid st. incl. BTW

aantal

Elzensingels

lengte

Element

De kwaliteitverbetering vindt plaats door afdracht aan een landschapsinvesteringsfonds en door kwaliteitverbetering binnen de planlocatie. Navolgende tabel geeft de tegenprestatie van kwaliteitverbetering van het landschap weer.

4

€61,64

st

€ 246,56

€ 5,42

st/jr

€ 21,68

€ 65,04

€ 311,60

18

144

€1,61

st

€ 231,84

€ 1,18

st/jr

€ 169,92

€ 509,76

€ 741,60

222

3552

€1,61 4 st/m

€ 5.718,72

€ 1,18

m/jr

€ 261,96

€ 785,88

€ 5.718,72

188

940

€ 1,61 5 st/m

€ 4.700,00

€ 1,18

m/jr

€ 221,84

€ 665,52

€ 5.365,52 19

€ 1.500,00

Trajectbegeleiding Totaal Tabel 2: Beeld met kwaliteitverbetering van het landschap binnen de planlocatie

€ 39.909,44

Binnen de planlocatie is sprake van een bestemmingsplanwinst met een omvang van € 28.259,00. Binnen het plangebied vindt een tegenprestatie plaats met een omvang van € 39.909,44. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden voor kwaliteitverbetering van het landschap.

3.3

GEMEENTELIJK BELEID

3.3.1

Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018

3.3.1.1

Inleiding Op 25 januari 2018 heeft de gemeente Someren de nota ‘Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018’ vastgesteld. Dit beleid is opgesteld omdat het aantal veehouderijen in de gemeente Someren (net als elders in Nederland) afneemt. De tuinbouwsector is een geschikte alternatieve economische drager voor het buitengebied en beheerder van het landschap. De tuinbouwsector gaat echter ook gepaard met een groeiende behoefte aan teeltondersteunende voorzieningen. Daarnaast worden de voorzieningen steeds diverser van aard en er is sprake van schaalvergroting in de sector. Het ruimtelijk beleid van de gemeente Someren was hier niet op ingesteld. De vele verschijningsvormen van teeltondersteunende voorzieningen, de grote diversiteit aan landschappen, de vele vormen waarop het principe ‘verdien de ruimte’ uitgewerkt kan worden en het meewegen van duurzame oplossingen maakt het niet mogelijk beleid te formuleren waarbij een of enkele varianten zijn te onderscheiden. Voorkomen dient te worden dat beoordeling van een verzoek een eenzijdige discussie wordt over oppervlakte. Het koppelen van ontwikkelingsruimte aan landschappelijke inpassing en een kwaliteitsverbetering van het landschap (verdien de ruimte) biedt kansen voor het toevoegen van landschapskwaliteiten, een vergroting van de biodiversiteit en het combineren met andere functies, zoals water en recreatie.

Ook deze aspecten moeten betrokken worden bij de beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid. De gemeente Someren heeft dit vormgegeven in het ‘Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018’. In de beleidsnota is een stroomschema opgenomen waarin is weergegeven welke stappen doorlopen moeten worden bij het toetsen van een initiatief voor teeltondersteunende voorzieningen binnen de gemeente Someren. In navolgende figuur is dit stroomschema opgenomen.

20

Figuur 9: Stroomschema beoordeling initiatief voor teeltondersteunende voorzieningen uit het Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018

De realisatie van teeltondersteunende voorzieningen op de planlocatie wordt hierna getoetst aan dit stroomschema. 3.3.1.2

Stap 1 Tijdelijke-, permanente of overige voorziening Navolgende figuur geeft een beeld van stap 1 van het stroomschema.

Figuur 10: Stap 1 van het stroomschema uit 'Beleid Teeltondersteunende voorzieningen 2018'

Beoogd wordt binnen de planlocatie teeltondersteunende voorzieningen voor frambozenteelt en de opkweek van planten voor de frambozenteelt te realiseren. Het provinciale en gemeentelijke beleid maakt onderscheid in tijdelijke en permanente voorzieningen, waarbij tijdelijke voorzieningen die voorzieningen zijn die na een teeltseizoen van maximaal 6 maanden geheel worden verwijderd.

21

De beoogde teeltondersteunende voorzieningen binnen de planlocatie betreffen ‘overige teeltondersteunende voorzieningen’ in de vorm van ‘steunmateriaal voor fruit en bomen’. Deze voorzieningen mogen worden gerealiseerd op of aansluitend aan het agrarisch bouwvlak of separaat op veldkavels. De beoogde vorm van de voorzieningen past binnen het stroomschema. 3.3.1.3

Stap 2 verschijningsvorm Navolgende figuur geeft een beeld van stap 2 van het stroomschema.

Figuur 11: Stap 2 van het stroomschema uit 'Beleid Teeltondersteunende voorzieningen 2018'

In bijlage 1 van het ‘Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018’ is de verschijningsvorm van de diverse teeltondersteunende voorzieningen nader gespecificeerd. De binnen de planlocatie beoogde teeltondersteunende voorzieningen zijn op basis van deze bijlage te karakteriseren als ‘overige teeltondersteunende voorzieningen’ in de vorm van ‘steunmateriaal voor fruit en bomen’. In de bijlage is dit als volgt gedefinieerd: “Steunmateriaal voor fruit en bomen Bij het telen van fruit en bomen wordt veel gebruik gemaakt van steunmateriaal. Steunmateriaal dient ter versteviging en steun voor jonge aangeplante bomen en planten. Ze hebben nog onvoldoende wortels ontwikkeld en kan bij sterke wind snel omwaaien. Bovendien zorgt een boompaal ervoor dat de wortels niet kunnen bewegen en daardoor beter aangroeien. Steunmateriaal kan bestaan uit: •

Gecreosoteerde palen

•

Bamboestokken

•

Hardhoutstokken (onder andere boompalen)

•

betonpalen al dan niet met bamboe- of houtstokken

Als de planten groot zijn is de steunconstructie niet zichtbaar. Echter daar waar de planten klein zijn of er geen planten staan is de constructie zichtbaar. “ Daarbij is navolgend schema opgenomen: Sector

Permanent/ tijdelijk/ overig overig

Hoog/ laag divers

Open/ Dicht open

Natuurlijke/ niet natuurlijke materialen Steunmateriaal Divers Divers (gecreosoteerde voor fruit en bogeschilde palen, bammen boestokken, hardhoutstokken, betonpalen) Tabel 3: Tabel met beschrijving van verschijningsvormen van steunmateriaal voor fruit en bomen

Industrieel karakter ++

Waterdoorlatend Ja

Er is sprake van houten palen in een open structuur. Hiermee zijn de steunmaterialen waterdoorlatend. Volledigheidshalve zijn de foto’s van de teeltondersteunende voorzieningen hierna nogmaals opgenomen. De inpassing van de teelt past binnen de voorwaarden hiervoor van de gemeente Someren.

22

Figuur 12: Beoogde teeltondersteunende voorzieningen binnen de planlocatie na plaatsing van de nieuwe planten en bij volle groei van de planten.

3.3.1.4

Stap 3 Gebiedsgericht beleid Inleiding Navolgende figuur geeft een beeld van stap 3 van het stroomschema.

Figuur 13: Stap 3 van het stroomschema uit 'Beleid Teeltondersteunende voorzieningen 2018'

Binnen de planlocatie worden overige voorzieningen (3a) gerealiseerd binnen ‘Gemengd landelijk gebied’ (3b-A2) in een ‘Kampenlandschap (3c-B2). Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van de planlocatie binnen een kampenlandschap op een uitsnede van de kaart met de gebiedsindeling van de gemeente Someren.

23

Planlocatie

Figuur 14: Gebiedsindeling gemeente Someren met daarop de ligging van de planlocatie aangeduid

Ten aanzien van de landschappelijke inpassing van het perceel zijn derhalve eisen gesteld zoals het opnemen van landschappelijke structuurelementen. De planlocatie is gelegen binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch waardevol’. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch- geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Middels verlening van de beoogde omgevingsvergunning vindt geen aantasting plaats van de bestaande verkavelingsstructuur. De planlocatie behoort al lange tijd toe aan het bouwvlak bij het bedrijf aan Hersel 6 en het perceel is in gebruik voor de teelt van grondgebonden gewassen. De gronden zijn daarvoor machinaal bewerkt en voor deze bewerkingsmogelijkheid rationeel ingedeeld. Er is geen sprake van een bolle akker, opstaand groen of ander cultuurhistorisch waardevolle elementen op dit land. Met dit plan vindt geen wijziging plaats in bebouwing, slotenpatroon of opgaand groen binnen het perceel. Dit is ook afleesbaar uit de topografische kaarten, in navolgende figuur opgenomen.

24

Figuur 15: Uitsnede topografische kaart met grondgebruik in de omgeving uit 1980 (boven) en de huidige situatie (onder)

Toets aan onderdeel A – provinciale zonering Het provinciale beleid maakt onderscheidt tussen realisatie van teeltondersteunende voorzieningen binnen de Groenblauwe mantel en het Gemengd landelijk gebied. De planlocatie is gelegen binnen het Gemengd landelijk gebied. Dit is weergeven in navolgende figuur.

Indicatie planlocatie

Figuur 16: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met regels uit de Basiskaart landelijk gebied

Er zijn binnen deze structuur geen voorwaarden voor tijdelijke en overige voorzieningen opgenomen. De uitwerking hang af van de landschapstypen zoals genoemd onder B en C. Toets aan onderdeel B - Landschapstype Het kampenlandschap wordt gekenmerkt door een kleinschalige en halfopen structuur. Door groenaanplant in het kampenlandschap kunnen de akkerzones als open gebieden beter herkenbaar zijn en blijven. Voor ontwikkelingen binnen het kampenlandschap zijn navolgende randvoorwaarden gesteld: 25

“Ontwikkelingsruimte • •

•

•

• • •

Er wordt met name ruimte geboden aan voorzieningen met een groen karakter en natuurlijk materiaalgebruik. De omvang van de voorzieningen wordt bepaald door het verkavelingspatroon en de mogelijkheden voor behoud en versterken van landschapselementen. Grote kavels met teeltondersteunende voorzieningen zijn niet bij voorbaat uitgesloten, mits de omvang doorbroken wordt door bestaande of nieuwe lijnelementen zoals watergangen en lijnbeplanting in de halfopen en besloten delen van het kampenlandschap. Op die percelen waar goede mogelijkheden bestaan voor landschappelijke inpassing is minder bezwaar tegen percelen met een meer industrieel karakter dan op de percelen waar landschappelijke inpassing de voorzieningen niet volledig uit het zicht halen. De schaal en maat van het landschap mogen niet onherstelbaar worden veranderd. Voorkomen dient te worden dat door teeltondersteunende voorzieningen in nieuw te creëren groene kamers de afwisseling tussen op-, halfopen- en besloten landschappen in het gedrang komt. De kleinschalige en grillige blokverkaveling en het eventuele reliëf moeten herkenbaar blijven.

Binnen de planlocatie wordt teeltondersteunende voorzieningen met natuurlijk materiaalgebruik toegepast. Dit betreft houten palen. Deze voorzieningen worden gebruikt als hulpmiddel bij de opkweek van frambozen en frambozenplanten. In het voorjaar en de zomer zijn de palen volledig in het groen van de planten opgenomen. Het gehele perceel heeft hiermee een volledig groene uitstraling. De omvang van circa 3,9 hectare past binnen de omgeving en het verkavelingspatroon binnen de bebouwingsconcentratie. Met deze inpassing is geen sprake van een verandering van de aard en schaal van het landschap. Dit plan past binnen de voorwaarden voor het bieden van ontwikkelingsruimte aan teeltondersteunende voorzieningen. Strategieën •

Bestaande of nieuw te creëren groene kamers in het kampenlandschap bieden kansen voor het aan het zicht onttrekken van teeltondersteunende voorzieningen, waarbij de omvang van de voorzieningen wordt bepaald door het verkavelingspatroon.

Door de inpassing van de teeltondersteunende voorzieningen in een groene landschapskamer onttrekt het zicht op de voorzieningen. Deze inpassing is echter ook voor windvang gerealiseerd. De voorzieningen zijn door de aard van de voorzieningen en het gebruik van natuurlijke materialen niet storend in het landschapsbeeld, maar geven op zichzelf al een groen karakter aan het gebied. Verdien de ruimte •

Landschapselementen zoals houtwallen, hagen, singels en solitaire bomen (soorten van de hogere gronden zoals eik, beuk) elzensingels zijn geschikt voor een inpassing van de voorzieningen.

•

Behoud en herstel oude werk- en kerkenpaden met extensief onderhouden, kruiden- en bloemrijke bermen.

26

In samenhang met realisatie van de teeltondersteunende voorzieningen worden hagen, solitaire bomen en elzensingels toegepast. Dit is concreet weergegeven in paragraf 2.2. van deze ruimtelijke onderbouwing. Dit sluit aan bij de wensbeelden uit het gemeentelijke beleid voor inpassing van het landschap binnen een kampenlandschap. Toets aan onderdeel C – Nader aangeduide gebieden De planlocatie is deels gelegen binnen de nadere aanduiding ‘waardevolle open gebieden’. Voor ontwikkelingen binnen deze aanduiding zijn navolgende randvoorwaarden gesteld: Kenmerken gebied Een belangrijk element van de beleefbaarheid van het landschap in Someren vormt openheid. De gemeente beschikt over veel waardevol open gebied. Het gaat hier enerzijds om grootschalige open gebieden maar ook op kavelniveau zijn er waardevolle doorzichten en open kavels met zichtlijnen die behouden moeten blijven. De belangrijkste ruimtelijke afweging richt zich op het behoud van de openheid van het landschap (hoogte). Ontwikkelingsruimte en randvoorwaarden •

Er is ruimte voor lage teeltondersteunende voorzieningen. Echter bij oude (bolle) en hoge akkers is wel voorzichtigheid geboden bij het oprichten van lage voorzieningen.

•

Hoge teeltondersteunende voorzieningen zijn alleen toegestaan indien ze de openheid niet aantasten en bestaande zichtlijnen behouden blijven. Dit vraagt om een beoordeling op maat waarbij in het veld bekeken wordt waar zichtlijnen liggen en tot welke hoogte beplanting en voorzieningen mogelijk zijn om de kenmerkende openheid te waarborgen.

Aanvullende strategieën op onderdeel B Niet elk perceel in het open gebied is waardevol. Een screening in het veld is daarom erg belangrijk. Welke hoogte nog acceptabel is daar waar het perceel open gehouden dient te worden, is onder andere afhankelijk van de hoogteligging van het perceel ten opzichte van wegen, fiets- en voetpaden. Aangezien het hier gaat om voorzieningen die de openheid kunnen belemmeringen vormt de ooghoogte van wandelaars, fietsers en automobilisten het ijkpunt. In sommige gevallen is een hoogte van 80 cm acceptabel en in andere gevallen bijvoorbeeld 150 cm. Aanvulling op Verdien de ruimte uit onderdeel B Landschappelijke inpassingen met hoge landschapselementen zijn in het open gebied niet wenselijk. Er dient gezocht te worden naar andere vormen van inpassing zoals bloemrijke akkerranden of waterlopen met riet of andere groene inpassing waarbij de hoogte is afgestemd op de hoogte van de teeltondersteunende voorziening. Een andere optie is geen landschappelijke inpassing vragen en de kosten die de ondernemer hiermee worden bespaard te laten investeren in kwaliteit elders zo nodig met bijdrage aan het BIO-fonds – worden gerealiseerd, waarbij een m² prijs wordt gehanteerd van € 50,-. Deze vaste prijs is opgenomen in de Structuurvisie Buitengebied van de gemeente Someren.

De planlocatie is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie en is gelegen in een hoek tussen de weg Eindje Hersel en Mierloseweg. De gronden direct achter de planlocatie zijn in gebruik en bestemd als gronden voor het teeltbedrijf aan Eindje 6. Door de ligging van de planlocatie en het grondgebruik direct aansluitend aan de planlocatie is geen sprake van open en te behouden zichtlijnen naar het achter 27

gelegen landschap. Er is reeds juist sprake van een relatief besloten landschap. Dit past ook binnen de omvang van de kavels in de omgeving en de ligging van de planlocatie binnen een bebouwingsconcentratie. Deze ontwikkeling leidt niet tot aantasting van zichtlijnen in de omgeving. 3.3.3.5

Stap 4 Invulling geven aan ‘verdien de ruimte’ Navolgende figuur geeft een beeld van stap 4 van het stroomschema.

Figuur 17: Stap 4 van het stroomschema uit 'Beleid Teeltondersteunende voorzieningen 2018'

In bijlage 2 van het ‘Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018’ is opgenomen hoe invulling gegeven dient te worden aan het principe van ‘verdien de ruimte’. Ten eerste dient te worden bezien tot welke categorie indeling de beoogde ontwikkeling behoort. De gemeente hanteert hiervoor de navolgende indeling: Op basis van onderstaande indeling dient bezien te worden tot welke categorie de ontwikkeling hoort. •

Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist.

•

De realisatie van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor slechts één teeltseizoen, overige voorzieningen en alle type voorzieningen op het bouwvlak worden beschouwd als een categorie 1 ontwikkeling.

•

Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen die elk teeltseizoen terugkeren op hetzelfde perceel worden beschouwd als een categorie 2 ontwikkeling.

•

Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Alle voorzieningen die niet in categorie 1 en 2 vallen. Dit zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen aansluitend aan het bouwvlak (met een differentiatievlak).

Gezien de beoogde ontwikkeling is de realisatie van overige teeltondersteunende voorzieningen op een veldkavel op grond van dit beleid te karakteriseren als een categorie 1 ontwikkeling. Op de planlocatie vindt realisatie van overige teeltondersteunende voorzieningen plaats met een natuurlijke uitstraling. Hiermee is landschappelijke inpassing niet noodzakelijk. Op basis van de later vastgestelde Landschapsinvesteringsregeling Gemeente Someren 2018 is de realisatie van teeltondersteunende voorzieningen in ‘categorie 3’ geplaatst.

28

3.3.3.6

Stap 5 Ontwerpprincipes Indien de ontwikkeling past binnen het beleid voor het betreffende gebied waarin de ontwikkeling is gelegen dient ook gekeken te worden naar de ruimtelijke inpasbaarheid van de voorziening van het betreffende gebied. Met andere woorden, hoe de teeltondersteunende voorziening op detailniveau vormgegeven kan worden, rekening houdende met de specifieke kenmerken van het gebied. Afhankelijk van de aard van de omgeving en de omvang van de beoogde teeltondersteunende voorziening zijn daarin ruimtelijk verschillende oplossingen denkbaar. Bij het beoordelen of een initiatief passend is in het gebied is een beschouwing op drie schaalniveaus relevant, die nauw met elkaar samenhangen, te weten: het landschap, de kavel en het object. Navolgende figuur geeft een beeld van stap 5 van het stroomschema.

Figuur 18: Stap 5 van het stroomschema uit 'Beleid Teeltondersteunende voorzieningen 2018'

Hierna zijn relevante ontwerpprincipes voor de drie schaalniveaus geformuleerd die houvast bieden bij het maken van een afweging op maat. In bijlage 2 van het ‘Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018’ heeft de gemeente de navolgende ontwerpprincipes opgenomen voor het landschapsniveau. Op het landschapsniveau spelen drie aspecten een rol, te weten: 1. Gebiedskenmerken en -kwaliteiten Ieder landschap, ieder dorp en iedere plek heeft zijn eigen verhaal en kenmerken. Als eerste wezenlijke stap zal dan ook altijd een grondige analyse van de bestaande kwaliteiten van de locatie en zijn context moeten plaatsvinden. 2. Maat en schaal van het landschap Op het landschapsniveau is het relevant om te bepalen tot welke omvang een teeltondersteunende voorziening zich qua maat en schaal ruimtelijk goed tot de omgeving kan verhouden. Het optimum voor het ene landschapstype kan voor een ander type anders uitpakken. Het verkavelingspatroon in het betreffende landschapstype is het meest doorslaggevend in het bepalen van dit optimum. Dit optimum kan ook per perceel verschillen in een en hetzelfde landschapstype. De omvang baseren we op de omvang van ‘ruimtelijke eenheden’ in het landschap, zoals bosjes en open delen die door houtwallen of watergangen zijn omsloten. Dit vraagt om een nauwkeurige analyse en afweging van geval tot geval. 3.

Draagkracht van het landschap Tevens moet onderzocht worden of de draagkracht van het gebied voldoende is om de extra belasting die een voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt bovenop al aanwezige belasting van bestaande functies in het gebied op het landschap en de omwonenden. Gebiedskenmerken en kwaliteiten Ieder landschap, ieder dorp en iedere plek heeft zijn eigen verhaal en kenmerken. Als eerste wezenlijke stap zal dan ook altijd een grondige analyse van de bestaande 29

kwaliteiten van de locatie en zijn context moeten plaatsvinden. Het kampenlandschap heeft een onregelmatige en kleinschalige structuur. Hoewel het gebied nu een relatief open karakter heeft, horen van oorsprong groenstructuren (singels, houtwallen en onregelmatige bosjes) op de kavelgrenzen en het achterliggende landschap. Hierbij is niet het doel om oude landschappen geheel ‘terug te brengen’ maar het eigen karakter van het gebied te versterken en de ruimtelijke schaal te verkleinen. Kavelniveau Landschappelijke inpassing biedt mogelijkheden om de landschappelijke impact te beperken middels het uit het zicht onttrekken van die voorzieningen die een meer industriële uitstraling hebben. De manier waarop de rand van het perceel met voorzieningen aansluit op de omgeving en hoe de randen van een teeltondersteunende voorziening kunnen worden beleefd, zijn cruciaal. De keuzes die hierin kunnen worden gemaakt wordt sterk bepaald door de aard en de kenmerken van de omgeving en kan uiteenlopende vormen aannemen. De aansluiting op een open landbouwperceel vraagt daarbij om een andere benadering dan de overgang naar een bebouwingslint. In alle gevallen gaat het om het vinden van een invulling die meerwaarde voor die plek oplevert. Daarnaast kunnen historische, landschap-specifieke kenmerken een rol spelen bij de uitwerking op kavelniveau.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16544267/1