CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Verklaren geen bedenkingen te hebben tegen 24 appartementen locatie Dorpsweg 2 / Dorpstraat 1 Someren13.526 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4. 2 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen , die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt , onderzocht moet worden. Het planvoornemen voorziet in de tenietdoening van een bestaande bouwmarkt met bovenwoning en de oprichting van een appartementencomplex met 24 wooneenheden. Hierbij zijn bodemingrepen noodzakelijk. In 2023 heeft MILON een indicatief bodem- en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 4 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd , de conclusie en aanbeveling zijn navolgend integraal uit dit rapport overgenomen.

MILON heeft een indicatief bodem- en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de parkeerplaats , gelegen aan de Dorpsstraat 2 te Someren. Kadastraal is de onderzoekslocatie bekend als gemeente Someren , sectie B , nummers 4956 en 5186 ged. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. In de grond en het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten van de onderzochte parameters aangetoond. Het aangetroffen asfaltgranulaat is niet teerhoudend. In het menggranulaat is in de fijne fractie geen asbest aangetoond. Plaatselijk is asbesthoudend plaatmateriaal in het menggranulaat aangetroffen. De gewogen asbestgehalten overschrijden niet de grens voor nader asbestonderzoek. Het menggranulaat wordt bestempeld als zijnde niet asbesthoudend ( < 100 mg/kg. ds. ). Op basis van onderhavige onderzoeksresultaten wordt indicatief vastgesteld dat de bodem ter plaatse van het parkeerplaats niet significant verontreinigd is. Gezien de

29

spoedeisendheid heeft geen volledig vooronderzoek conform NEN5725 plaatsgevonden , waardoor eventueel aanwezige verdachte deellocaties kunnen worden gemist. Derhalve heeft onderhavig bodemonderzoek een indicatief karakter. Geadviseerd wordt om na de sloop van de huidige panden de gehele locatie conform de vigerende regelgeving te onderzoeken. In april van 2024 heeft MILON opnieuw een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 4. 1 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd , de conclusie en aanbeveling zijn navolgend integraal uit dit rapport overgenomen.

Het indicatief bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen realisatie van 24 appartementen. Het doel van het indicatief bodemonderzoek is om voor de sloop van de huidige bebouwing al een representatief beeld te verkrijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Uit de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat in de grond maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen , minerale olie , PCB en PAK zijn aangetoond. Vermoedelijk zijn deze verhogingen te relateren aan de waargenomen bijmengingen. In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties molybdeen aangetoond. De verhoogde concentraties zijn niet eenduidig te relateren aan de voormalige bedrijfsactiviteiten. Vermoedelijk is sprake van een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. Middels onderhavig bodemonderzoek is indicatief vastgesteld dat onderhavige locatie niet significant verontreinigd is. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen in het kader van de geplande ontwikkelingen. MILON adviseert om na de sloop van de huidige panden de gehele locatie conform de vigerende regelgeving te onderzoeken. De bodemkwaliteit vormt op voorhand geen belemmering voor het planvoornemen , rekening houdend met eventuele vervolgmaatregelen.

4. 3 Milieueffectrapportage Het instrument milieueffectrapportage (m. e. r. ) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. De milieueffectrapportage is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (artikel 7. 1 tot en met artikel 7. 42). In artikel 7.2 , lid 1 is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu en ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Voor deze activiteiten zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (AMvB) categorieën van plannen aangewezen waarvoor een m. e. r. - plicht of een m. e. r. -beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig , maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet herziening m. e. r. -richtlijn in werking getreden. Met deze wet is de herziene Europese m. e. r. -richtlijn in Nederlandse wetgeving vertaald. Het doel van de herziene m. e. r. richtlijn is de m. e. r. -beoordelingsprocedure te verduidelijken , de kwaliteit en de inhoud van het MER te verbeteren en de m. e. r. -procedure te stroomlijnen met milieubeoordelingen van andere EU regelingen.

Op basis van deze wetgeving worden voor de vormvrije m. e. r. -beoordeling enkele procedurele vereisten uit de

30

Wet milieubeheer van toepassing. Dit betekent dat de initiatiefnemer voortaan een melding moet doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren die beneden de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit m. e. r. blijft. Gelet op kleinschalige karakter van het plan – geen sprake van een oppervlakte van 100 hectare of meer , 2. 000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200. 000 m2 of meer – in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. , de ligging van het plangebied en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten , zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject , categorie D. 11. 2) van de bijlage bij het Besluit m. e. r. De locatie is reeds bebouwd en met de wijziging neemt het bebouwd oppervlak niet toe. Het planvoornemen is gelegen in het centrum van Someren. In feite is er hiermee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er hoeft daarmee ook niet getoetst te worden aan de drempelwaarde.

4. 4 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer en de bijbehorende algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en ministeriële regelingen is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgesteld. Op grond van artikel 5. 16 lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden , zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12 , eerste lid , onder a , onder 3° Wabo , mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit; c. de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM); d. het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen , kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt ook voor onderhavig initiatief , omdat de ruimtelijke ontwikkeling enkel voorziet in de bouw van 5 grondgebonden seniorenwoningen. Voor fijnstof PM10 is er een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m 3 die niet mag worden overschreden en er is een etmaalgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m 3 die niet meer dan 35 keer per jaar mag worden overschreden. De jaarlijkse grenswaarde wordt in Nederland zelden overschreden. Voor fijnstof PM25, bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m.3 In Nederland wordt daar al aan voldaan. Voor stikstofdioxide NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m.3

31

Uit de uitsnede van de Atlas Leefomgeving op navolgende afbeelding blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is , er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden. Uit oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

4. 5 Wet natuurbescherming Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door de naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. De instrumenten die deze bescherming mogelijk maken zijn op Europees niveau vertaald in Natura 2000. De Europese Habitatrichtlijn en de Europese Vogelrichtlijn zijn in Natura 2000 opgenomen. De Europese wetgevingen waren in Nederland tot 1 januari 2017 vertaald in de Flora- en faunawet voor de soortbescherming en in de Natuurbeschermingswet 1988 voor de gebiedsbescherming. Nederland had daarmee

32

de Europese wetgeving in de nationale wetgeving verankerd. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1988 en de Flora en Faunawet samen met de Boswet vervangen door de Wet natuurbescherming. In deze wet is de provincie aangewezen als bevoegd gezag voor de uitvoering van deze nieuwe wet. Per 1 januari 2017 is ook de provinciale Verordening natuurbescherming Noord-Brabant inwerking getreden. In deze verordening staan alle regels voor natuurbescherming in Brabant , zowel voor Natura 2000-gebieden als in het wild levende dieren en bossen of andere houtopstanden. In de Verordening natuurbescherming zijn ook vrijstellingen opgenomen. Dit betekent dat bepaalde activiteiten uitgevoerd kunnen worden zonder vergunning , ontheffing of melding. Aan de vrijstellingen zijn in de Verordening natuurbescherming wel voorwaarden verbonden. Stikstof in relatie tot Natura 2000-gebieden Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de herontwikkeling van de locatie Dorpsweg 2 in Someren de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 000 , mol/ha/jaar.

Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. De integrale rapportage is als bijlage 5 opgenomen. Flora en fauna De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 3 de bescherming van dier- en plantsoorten en bevat regels over de bescherming van vogels op grond van de Europese Vogelrichtlijn , de bescherming van soorten dieren en planten op grond van de Europese Habitatrichtlijn , de bescherming van soorten planten en dieren die niet voorkomen in de Habitatrichtlijn , schadebestrijding , overlastbestrijding en faunabeheer , jacht , het vangen en doden van dieren , in het wild levende dieren en planten en handel en bezit van dieren en planten. De bescherming van wilde dier- en plantensoorten in Nederland was tot 1 januari 2017 geregeld in de Flora- en faunawet. Deze wet bevatte een aantal verbodsbepalingen om de in het wild voorkomende planten- en diersoorten te beschermen. De Flora- en faunawet hanteerde een drietal beschermingscategorieën (algemeen beschermde soorten , overige beschermde soorten en strikt beschermde soorten). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1 , 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd.

De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten , Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In bijlage 3 van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant heeft de provincie in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling opgenomen voor de volgende soorten: • amfibieën: bruine kikker , gewone pad , kleine watersalamander , meerkikker en middelste groene kikker (of bastaardkikker)

33

•

zoogdieren: aardmuis , bosmuis , dwergmuis , dwergspitsmuis , egel , gewone bosspitsmuis , haas , huisspitsmuis , konijn , ondergrondse woelmuis , ree , rosse woelmuis , tweekleurige bosspitsmuis , veldmuis , vos , wild zwijn en woelrat.

Indien de voorgenomen activiteit niet verstorend werkt of geen nadelige gevolgen heeft , waardoor aangetoond kan worden dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden voor de in het gebied voorkomende beschermde soorten , hoeft er in de meest voorkomende gevallen geen ontheffing aangevraagd te worden. In juni 2023 heeft EQO een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In de rapportage , die als bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd , zijn de conclusies als volgt verwoord: • Met de beoogde herontwikkeling van de locatie Dorpsweg 2 te Someren gaan mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen en vleermuizen verloren waarmee verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. • Een nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van huismussen en verblijfsfuncties voor vleermuizen in de te slopen bebouwing is noodzakelijk. • De voorzorgsmaatregelen voor Vogels algemeen (paragraaf 8) dienen te worden opgevolgd. • De algemene zorgplicht is altijd van toepassing De hier genoemde nadere onderzoeken zijn uitgevoerd door EQO. Navolgend betreffen de belangrijkste conclusies en toetsing aan de Wet natuurbescherming vanuit dit onderzoeksrapport (bijlage 7). Vleermuizen Soorten Tijdens het onderzoek zijn in het plangebied en directe omgeving 2 soorten vleermuizen waargenomen: • •

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Vaste rust- en verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aangetroffen. Bij inspectie rondom de bebouwing bij daglicht zijn geen sporen (keutels , vetvegen , afgebeten insectenvleugels enz. ) gevonden die aan vleermuizen toegekend kunnen worden. Ook zijn geen uit- of invliegende vleermuizen gezien , of is zwermgedrag waargenomen. Paarverblijfplaatsen zijn niet vastgesteld. Verder heeft het plangebied zelf geen belangrijke waarde als (essentieel) jachtgebied of onderdeel van een (essentiële) vliegroute. Toetsing aan de Wet natuurbescherming → Vaste rust- en verblijfplaatsen In de Wet natuurbescherming (artikel 3.5 , lid 4) is het verboden om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen of te vernielen. In het plangebied zijn geen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde vleermuizen vastgesteld. Er zijn vanuit de te slopen bebouwing geen invliegende of uitvliegende vleermuizen waargenomen en zomerzwermgedrag (dat kan wijzen op een kraamverblijfplaats) is niet waargenomen. Foerageergebied en vliegroutes Toetsing aan de Wet natuurbescherming → Foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd als het van essentieel belang is voor het in stand houden van een vaste verblijfplaats. Er zijn geen vliegroutes aanwezig en het plangebied wordt niet intensief gebruikt als foerageergebied. Huismussen Vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten)

34

Tijdens het nader onderzoek naar huismussen zijn binnen het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) in de te slopen bebouwing vastgesteld. De directe omgeving vormt functioneel leefgebied voor huismussen en hier zijn een kolonie met nestlocaties in gebouwen aanwezig. Toetsing aan de Wet natuurbescherming → Vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) In de Wet natuurbescherming (artikel 3.1 , lid 2) is het verboden om opzettelijk nesten , rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen , of nesten van vogels weg te nemen. Binnen het plangebied zijn in de te slopen bebouwing geen vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van huismussen aanwezig. Ook is geen sprake van verlies van functioneel leefgebied met de geplande herontwikkeling. Eindconclusie nader onderzoek vleermuizen en huismussen Op basis van de uitgevoerde nadere onderzoeken kan gesteld worden dat het plangebied afdoende is onderzocht op aanwezigheid van verblijfsfuncties voor vleermuizen en huismussen. Uit de onderzoeken is gebleken dat binnen de bebouwing geen vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen en huismussen aanwezig zijn. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling zullen geen verbodsbepalingen uit de wet natuurbescherming overtreden worden. Hiermee is het nader onderzoek afgesloten. Verdere procedures in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet aan de orde.

4. 6 Geurhinder veehouderijen In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard , landelijk geldende , afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden , in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De standaardnormen uit de Wgv zijn opgenomen in onderstaande tabel.

De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

35

Afstanden De dichtstbijzijnde veehouderij is Vaarselstraat 2 en ligt op ongeveer 890 meter van het plangebied. Ten aanzien van afstanden is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden veehouderijen niet in de belangen geschaad. Voorgrondbelasting De dichtstbijzijnde veehouderij met een relevante geuremissie aan Steegstraat 10 ligt op een afstand van ongeveer 1229 meter van het plangebied. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot het plangebied kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad. Achtergrondbelasting Kijkende naar de uitstoot van de omliggende veehouderijen en naar de afstand tot het plangebied , verwachten we geen problemen met de achtergrondbelasting. Zoals te zien is op onderstaande achtergrond geurbelastingkaart , is hier sprake van een ‘zeer goed’ leefen woonklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.

36

Vanuit oogpunt van geurhinder zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

4. 7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen (geitenhouderijen , endotoxinen en toetsing Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0) De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Stap 1 Endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1. 0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de omgeving van het plangebied ligt een pluimveehouderij (Boerenkamplaan 34) , deze hebben we getoetst aan bovenstaande formule. Met de uitstoot in fijnstof (1. 161 kilogram per jaar) is de minimale afstand 192 meter. De daadwerkelijke afstand is 1356 meter , Stap 1 vormt geen knelpunt. Stap 2 Emissies Het plan leidt niet tot een relevante toename van geur- , ammoniak- en fijnstofemissies. Plangebieden met woningbouw tot 1. 500 woningen per ontsluitingsweg zijn conform de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) niet van invloed op de luchtkwaliteit (fijn stof in dit geval).

Daarnaast blijkt uit de kaarten bij de NSL-monitoringstool dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is. Bovenal is het huidige plan alleen de wijziging van het bestemmingsplan. Stap 2 vormt geen knelpunt. Stap 3a Geur , toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a. d. h. v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Stap 3b Geur , toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied.

37

Stap 4 Meerdere diersoorten in één veehouderij In de directe omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onderlinge afstand van elkaar en op korte afstand van het plangebied. Stap 4 vormt geen knelpunt. Stap 5 afstanden tot geitenhouderijen en pluimveehouderijen Er ligt geen geitenhouderij binnen twee kilometer van het plangebied. Er is geen pluimveehouderij binnen één kilometer van het plangebied. Er is geen enkele veehouderij binnen 250 meter afstand. Stap 6. Mestbe- of verwerking Onderzocht moet worden of in de directe omgeving sprake is van mestbe- of verwerking als zelfstandige activiteit of als nevenactiviteit. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven waarbij sprake is van mestbe- of verwerking. Stap 6 vormt geen knelpunt.

Stap 7. Ongerustheid omwonenden In stap 7 van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Gezien de afstand tot veehouderijen wordt geen ongerustheid verwacht. Stap 7 vormt geen knelpunt. Vanuit oogpunt van volksgezondheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

4. 8 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. Op grond daarvan is de gemeente verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Ook kan ingevolge artikel 41 de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel bedoeld in artikel 2.1 , eerste lid , onderdeel c van de Wabo in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen , waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit laatste is overigens niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m.2 Gezien de geplande activiteiten aan de Dorpsweg 2 , is door Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek met aansluitend een inventariserend veldonderzoek met verkennend booronderzoek uitgevoerd. De gehele rapportage is als bijlage 8 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies integraal overgenomen.

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De resultaten van het booronderzoek laat zien dat de bodemopbouw in het plangebied is verstoord , tot een diepte van minimaal 100 cm – mv , lokaal tot op een diepte van 290 cm -mv , en dat de oorspronkelijke top van de C-horizont is vermengd met de bovenliggende laag. Op de vraag wanneer deze verstoring heeft plaatsgevonden kan binnen dit onderzoek geen antwoord worden gegeven , het is mogelijk dat de verstoring te maken heeft met de historische bebouwing en dat het dus sporen uit de Nieuwe tijd betreft. Daarnaast is de situatie van de

38

bodemopbouw onder de opstallen in deze fase van het onderzoek nog niet bekend , en kan er zich mogelijk een (deels) intacte bodem bevinden. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. De voornaamste reden hiervoor is de ligging van het plangebied binnen de historische dorpskern van Someren , op historisch kaartmateriaal is bebouwing zichtbaar vanaf begin 19e eeuw. De bodemintactheid binnen de historische dorpskern is dan ook nietszeggend voor het aantreffen van archeologische waarden die passen bij een behoudenswaardige vindplaats , zo is het mogelijk dat de aangetroffen verstoringen eigenlijk sporen zijn van historische bebouwing. Een aanvullende reden is dat de bodem onder de huidige opstallen mogelijk nog intact kan zijn , waarin zich ook archeologische resten uit andere tijdsperioden kunnen bevinden. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht en eventuele funderingsresten van historische bebouwing , is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode.

Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is , op grond van de gebruikte onderzoeksmethode , geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Someren) , die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Someren wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden , dan blijft er , volgens artikel 5. 10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 , een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs , Cultuur en Wetenschap , c. q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Someren op de hoogte te stellen.

Econsultancy adviseert een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Echter is er ook de mogelijkheid een archeologische begeleiding te laten plaatsvinden door het bevoegd gezag. Cultuurhistorie In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant20 heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch en archeologisch landschap. Vanuit oogpunt van archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan , rekening houdend met eventuele vervolgmaatregelen.

39

4. 9 Bedrijven en milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De indicatieve lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur , stof , geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. In de toelichting behorende bij de VNG-publicatie zijn twee verschillende omgevingstyperingen opgenomen , omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en omgevingstype gemengd gebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie) , een stiltegebied of een natuurgebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels , horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen , behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag één afstandsstap worden verlaagd. Het plangebied ligt in een woongebied van Someren en kan dus worden aangemerkt als type rustige woonwijk. In navolgende tabel zijn de milieucategorieën en de bijbehorende richtafstanden voor beide omgevingstypen weergegeven , conform bijlage I van de VNGpublicatie.

In de omgeving (straal van 150 meter) van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven gelegen. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is dan ook niet belemmerend voor de beoogde ontwikkeling. Hierbij wordt aanvullend voor wat betreft het aspect ‘industrielawaai’ verwezen naar paragraaf 4. 1 en bijlage 3.

40

4. 10 Externe veiligheid De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare/beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te verlenen omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn (onder andere LPG-tankstations) , transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg , water , spoor , buisleidingen , alsmede luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid). Ter bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten , moet er een bepaalde afstand in acht genomen worden ten opzichte van risicovolle inrichtingen en transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen. In het kader van onderhavig planvoornemen heeft AVIV een onderzoek naar de externe veiligheid uitgevoerd. Deze is als bijlage 9 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De samenvatting van het onderzoek luidt zoals hieronder genoteerd. In deze quickscan zijn in het kader van het bouwplan aan de Dorpsweg 2 in Someren de EV-risicobronnen geïnventariseerd en getoetst aan de landelijke wet- en regelgeving (Bevb , Bevt en Bevi).

Hieruit is gebleken dat voor de ruimtelijke onderbouwing verder onderzoek met betrekking tot de beschouwde risicobronnen achterwege kan blijven. Met betrekking tot de A67 dient het bestuur van de veiligheidsregio in de te gaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Vanuit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan , rekening houdend met eventuele vervolgmaatregelen.

4. 11 Fysieke belemmeringen: kabels en (buis)leidingen Op de projectlocatie zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

41

5. Waterparagraaf Inleiding Om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen dient een watertoets te worden uitgevoerd. Met de watertoets wordt ernaar gestreefd om het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed in te passen en uit te voeren. Hoofdpunten van het instrument watertoets zijn vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder(s) bij het proces van ruimtelijke planvorming en een transparante besluitvorming rond het belang van water in het ruimtelijke plan. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3. 1. 6 van het Besluit ruimtelijke ordening , waarin is aangegeven dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving is neergelegd van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1.

Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig , robuust , veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen , het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: − schoon water niet naar de zuivering gaat , maar het grondwater voedt; − de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna , maar ook voor recreatie en evenementen; − de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; − de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners , bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen.

Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur , legger , communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebodsen verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit , waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.

42

Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken , waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Onderzoek Ten behoeve van onderhavig planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een Watertoets uitgevoerd. Navolgend zijn samenvatting en conclusies een op een overgenomen. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 10 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie ligt ter plaatse van Dorpsweg 2 te Someren en betreft het kadastrale perceel sectie B , nummer(s) 4923 , 5185 , 5186 en 4956. De gehele locatie heeft een oppervlakte van ongeveer 2. 013 m². Op de onderzoekslocatie is een bestaand bedrijfspand met een klinker verharde parkeerplaats aanwezig. Watertoets Het bouwplan omvat het realiseren van een appartementencomplex met 24 wooneenheden. De huidige bebouwing wordt gesloopt. De ontwikkeling op de locatie heeft tot gevolg dat het verhard oppervlak afneemt met circa 204 m.2 Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt de gemeente Someren dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd.

De vereiste compensatie wordt berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m)2 te vermenigvuldigen met een waterschijf van 30 mm (003 , m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke 3 meters (m). De benodigde compensatie bedraagt 54 m 3 (1. 808 m 2 x 003 , x 1). Initiatiefnemer wil aan de opgave voldoen door onder het parkeerterrein een puin- of grindkoffer te realiseren. Hemelwater wordt via IT-riolering vanaf de verharde delen naar de infiltratievoorziening geleidt. Deze voorzieningen dienen de volledige opgave in te vullen. Vanuit oogpunt van water zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan , rekening houdend met de geadviseerde vervolgmaatregelen. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen heeft Aelmans een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Uit de , vooralsnog , gemeten doorlatendheden blijkt dat infiltratie van neerslagwater tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van de Dorpsweg 2 te Someren. Tot op maaiveld -35, meter wordt zandig materiaal aangetroffen , hetgeen resulteert in homogene doorlatendheden. De testresultaten laten een gunstig beeld zien. Het wordt aanbevolen om een gereguleerde voeding/afvloeiing middels bijvoorbeeld een wadi en/of grindkoffers te voorzien. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 10. 1 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

43

6. Juridische planopzet De initiatiefnemer heeft met onderhavige rapportage een ‘ruimtelijke onderbouwing’ aangeleverd , waaruit is gebleken dat het voorgenomen plan geen negatieve ruimtelijkfysieke , logistieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor het planlocatie en de directe omgeving ervan. Met deze ruimtelijke onderbouwing is derhalve een planologische en juridische basis gelegd om het plan te kunnen realiseren.

44

7. Economische uitvoerbaarheid Exploitatie Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer en de gemeente hebben afspraken gemaakt over kostenverhaal en locatie-eisen welke middels anterieure overeenkomst juridisch zijn vastgelegd. Planschade Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen , dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit de planmaatregel voortvloeien , zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

45

8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijke onderbouwing dient op grond van artikel 3. 1. 1 van het Bro overleg plaats te vinden met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan , in overleg , afgezien worden van dit overleg. Op 19 oktober 2023 heeft een inloopavond plaatsgevonden voor de direct omwonenden. Het verslag van deze omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 11 van deze ruimtelijke onderbouwing.

46

9. Slotconclusie In deze ruimtelijke onderbouwing is nadrukkelijk gemotiveerd dat het onderliggende plan zich verhoudt , zowel in negatieve als positieve zin , tot de aanwezige functies en waarden binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologische beleid , de stedenbouwkundige toets zijn alle ruimtelijke en milieu-hygiënische deelaspecten onderzocht.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14800693/1