CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

8b Regels Bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

Commissie Ruimte 9 juni 2021, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied Someren Deelgebied 341.889 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

3.5 Wijzigingsbevoegdheid 3.5.1 Wijziging naar ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ voor voorzieningen voor opslag van ruwvoer bij een veehouderij Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' voor het oprichten van voerplaten, sleufsilo’s of andere voorzieningen voor de opslag van ruwvoer bij een veehouderij. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e.

f. g. h. i. j. k. l.

de voorzieningen zijn ten behoeve van de aangrenzende grondgebonden veehouderij; het bedrijf is vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate aangewezen op de opslag van ruwvoer; de bedoelde voorziening is noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering; de ruimte is binnen het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aantoonbaar niet aanwezig; de voorzieningen moeten direct aansluiten aan het bestemmingsvlak 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' behorende bij de grondgebonden veehouderij waarvoor de voorzieningen worden gerealiseerd; de oppervlakte van de voorzieningen, niet zijnde gebouwen, bedraagt maximaal 5.000 m 2; de oppervlakte van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' na realisatie bedraagt niet meer dan 2,0 hectare; de voorzieningen mogen alleen gebruikt worden voor de opslag van ruwvoer; de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 2,00 m 1; de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m1; de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m1; minimaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing conform de bepalingen uit artikel 37.2.

3.5.2 Wijziging naar ‘Agrarisch’ met aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch teeltondersteunende voorzieningen’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ' Agrarisch' de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen' toekennen voor het realiseren van permanente teeltondersteunende voorzieningen anders dan kassen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

b. c.

het differentiatievlak met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch teeltondersteunende voorzieningen' sluit direct aan op een bestemmingsvlak 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' of 'Agrarisch - Glastuinbouw' ten behoeve waarvan de teeltondersteunende voorzieningen worden gerealiseerd; de oppervlakte van het differentiatievlak met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen' is maximaal 4,0 hectare; in afwijking van het bepaalde in sub b bedraagt binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' de oppervlakte van het differentiatievlak met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen' maximaal 3,0 hectare;

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|25 d.

e.

f. g. h.

de permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn ook op langere termijn noodzakelijk uit een oogpunt van de agrarische bedrijfsvoering. Ter zake wordt het advies van de AAB ingewonnen; wanneer permanente voorzieningen resulteren in een aaneengesloten afwaterend oppervlak, dienen deze te worden voorzien van een bergings- c.q. infiltratievoorziening die aantoonbaar voldoende capaciteit heeft; de bestaande natuurlijke, landschappelijke, hydrologische en/of cultuurhistorische waarden worden niet onevenredig aangetast; permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan ter plaatse van het 'Natuur Netwerk Brabant'; minimaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen' wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing conform de bepalingen uit artikel 37.2.

3.5.3 Wijziging naar ‘Agrarisch’ met aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie minicamping’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ' Agrarisch' de functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie - minicamping' toekennen voor het realiseren of uitbreiden van een minicamping. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

b.

c.

d. e. f. g. h.

het betreft uitsluitend recreatief medegebruik voor kleinschalig kamperen op gronden die direct aansluiten aan een bestemmingsvlak, indien er geen ruimte is binnen het bestemmingsvlak, waar een minicamping al is toegestaan dan wel in combinatie met onderhavige wijziging via een omgevingsvergunning wordt toegestaan; per minicamping zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan. Stacaravans en trekkershutten, zijn uitsluitend toegestaan binnen de aangrenzende bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', 'Bedrijf', 'Recreatie' of 'Wonen'; parkeer- en ondersteunende voorzieningen, zoals op sanitair gebied, zijn uitsluitend toegestaan binnen de aangrenzende enkelbestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', 'Bedrijf', 'Recreatie' of 'Wonen'; de afstand tot de as van de weg dient ten minste 20 m1 te zijn; de afstand tot woningen van derden dient ten minste 50 m 1 te zijn; de afstand tot de bestemmingsgrens dient ten minste 5,00 m1 te zijn; er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

3.5.4 Wijziging naar ‘Natuur’ en/of ‘Water’ Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' wijzigen in de bestemming 'Natuur' of 'Water' voor de ontwikkeling van nieuwe wateren, natuur- en/of landschapselementen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

b. c.

aan de ontwikkeling van nieuwe natuur en/of landschapselementen ligt een, door een deskundige opgesteld, en door het bevoegd gezag akkoord bevonden natuurontwikkelingsplan ten grondslag; er mag geen afbreuk worden gedaan aan andere belangen in de omgeving, zoals agrarische (bedrijfs)belangen; de ontwikkeling mag niet leiden tot onevenredig nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en/of waterkwaliteit. Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan de besluitvorming hiervoor advies in bij het betrokken waterschap.

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|26

Artikel 4 Agrarisch - Agrarisch bedrijf 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de bijbehorende bedrijfsbebouwing, niet zijnde een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf; b. één bedrijfswoning per bestemmingsvlak, tenzij anders aangeduid; c. bij het agrarisch bedrijf behorende gebouwen, bouwwerken, installaties en voorzieningen op bedrijfsniveau, hieronder in ieder geval begrepen bedrijfsgebouwen (anders dan kassen), verwerkingsruimten, sleufsilo’s, voerplaten, (vaste) mestplaten, waterbassins van folie, alsmede permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; d. mestopslagsilo’s en mestbassins van folie ten behoeve van een op dezelfde locatie gevestigde veehouderij, paardenhouderij of een grondgebonden teeltbedrijf; e. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - productiegerichte paardenhouderij' is tevens een productiegerichte paardenhouderij toegestaan; f. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' tevens een veehouderij; g. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' tevens mestbewerking ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest afkomstig van de op die locatie gevestigde veehouderij; h. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' tevens het wonen in de bedrijfswoning door derden die geen relatie hebben met het agrarisch bedrijf; i.

ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - agrarisch loonwerkbedrijf 300’ tevens een nevenfunctie in de vorm van een agrarisch loonwerkbedrijf, met een maximale oppervlakte van 2.100 m2 aan bebouwing; j. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - statische opslag 300’ tevens statische opslag, met een maximale oppervlakte van 400 m 2 aan bebouwing; k. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - statische opslag 301’ tevens statische opslag, met een maximale oppervlakte van 836 m2 aan bebouwing; l. productiegebonden detailhandel (verkoop van eigen producten), uitsluitend als ondergeschikte functie tot een maximum van 50 m 2 bruto vloeroppervlakte; m. aan huis verbonden beroepen conform de bepalingen in artikel 4.4.2; n. water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van water, waterberging en infiltratie; o. landschapselementen, groenvoorzieningen, erfbeplanting en landschappelijke inpassing, hieronder tevens begrepen tuinen en erven; p. verhardingen, (onverharde) paden, parkeerplaatsen en parkeervoorzieningen; q. extensief recreatief medegebruik. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen a. b.

c. d.

Op of in de voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de in artikel 4.1 genoemde bestemming. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - agrarisch loonwerkbedrijf 300’ is een maximale oppervlakte van 2.100 m2 aan bebouwing ten behoeve van een agrarisch loonwerkbedrijf toegestaan. De oppervlakte voor bebouwing, verharding en andere voorzieningen bedraagt maximaal 90% van het bestemmingsvlak. De ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.2.2 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|27 a. b. c. d. e. f. g.

h. i.

de maximaal toegestane goothoogte is 4,50 m1; de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m1; de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m1; de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m 1; de maximaal toegestane oppervlakte voor teeltondersteunende kassen is 1.000 m 2; in afwijking van het bepaalde onder sub f geldt dat binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' het bouwen of uitbreiden van teeltondersteunende kassen is uitgesloten; de teeltondersteunende kassen dienen te worden voorzien van een bergings- c.q. infiltratievoorziening die aantoonbaar voldoende capaciteit heeft; een toename van de oppervlakte dierenverblijven is niet toegestaan.

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor agrarische doeleinden Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor agrarische doeleinden gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d.

e.

f.

g.

h. i.

reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding; de bouwhoogte van torensilo's is maximaal 15 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1; de bouwhoogte van luchtwassers en combi-wassers is maximaal 10 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van mestbewerking en mestverwerking ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf mag niet meer bedragen dan respectievelijk 6,00 m1 en 10 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1; de bouwhoogte van mestsilo's mag niet meer bedragen dan 6,00 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1 en een afstand van ten minste 20 m1 tot de as van de weg; de bouwhoogte van sleufsilo's mag niet meer bedragen dan 2,50 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1 en een afstand van ten minste 20 m1 tot de as van de weg; de bouwhoogte van antenne- en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 8,00 m1 met een afstand van ten minste 5,00 m1 tot de bestemmingsgrens en een afstand van ten minste 20 m1 tot de as van de weg; de bouwhoogte van andere bouwwerken, met uitzondering van terreinafscheidingen, is maximaal 2,50 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1; de bouwhoogte van terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag maximaal 1,00 m 1

zijn en voor het overige maximaal 2,00 m1.

4.2.4 Verbod op uitbreiding bedrijfsbebouwing bij een veehouderij binnen de aanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’ a.

b.

c.

Binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' is het verboden om: 1. de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, uit te breiden; 2. de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde uit te breiden. Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die: 1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning. Het verbod zoals opgenomen in het bepaalde onder sub a geldt niet voor een grondgebonden veehouderij.

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|28 4.2.5 Bedrijfswoningen/plattelandswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen en plattelandswoningen gelden de volgende bepalingen: a.

per bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan tenzij anders aangeduid ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden'; b. ter plaatse van de bouwaanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee aaneen gebouwde woningen toegestaan; c. bij herbouw moet de bedrijfswoning of plattelandswoning overwegend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande fundering en, indien sprake is van uitbreiding van het bebouwde oppervlak van deze bedrijfswoning, aansluitend op de bestaande fundering; d. bij nieuwbouw van een bedrijfswoning moet aangetoond zijn dat deze bedrijfswoning noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, door middel van een advies van de AAB, waarbij de noodzaak van deze bedrijfswoning niet het gevolg mag zijn van een eerder aanwezige maar inmiddels afgestoten andere bedrijfswoning; e. herbouw van een cultuurhistorisch waardevolle woning is alleen mogelijk indien dit is gericht op behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden; f. de bedrijfswoning of plattelandswoning mag een inhoud hebben van maximaal 750 m3; g. indien de inhoud van de bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan op basis van een eerder verleende vergunning al meer bedraagt of mag bedragen, dan geldt deze inhoud, als maximaal toegestaan.

Bij herbouw geldt dat de woning tot maximaal de vergunde inhoud mag worden teruggebouwd; h. voor een cultuurhistorisch waardevolle woning geldt de totale inhoud van het oorspronkelijk opgerichte pand waaraan cultuurhistorische en/of monumentale waarden aan toegekend zijn op grond van een deskundigenrapport als de maximaal toegestane inhoud; i. de maximaal toegestane goothoogte is 6,00 m1; j. de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m1; k. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; l. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m1; m. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m 1. 4.2.6 Bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning of plattelandswoning Voor het bouwen van bijgebouwen bij de bedrijfswoning of plattelandswoning gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per bedrijfs- of plattelandswoning is maximaal 100 m2; in afwijking van het bepaalde onder sub a is ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouw' die specifieke oppervlakte toegestaan; de maximaal toegestane goothoogte is 3,00 m1; de maximaal toegestane bouwhoogte is 5,50 m1; de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 1,00 m1 achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd; de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m1; de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m1; de maximale afstand tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning bedraagt 20 m1.

4.2.7 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behorende bij de bedrijfswoning of plattelandswoning Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bij de bedrijfswoning of plattelandswoning gelden de volgende bepalingen: a.

per bedrijfswoning mag één overkapping worden gebouwd met de volgende maatvoering: 1. oppervlakte niet meer dan 20 m2;

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|29 bouwhoogte niet meer dan 3,00 m1; de overkapping moet op een afstand van ten minste 1,00 m1 achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd; 4. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m1; 5. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m 1; 6. de maximale afstand tussen de overkapping en de woning bedraagt 20 m 1; de bouwhoogte van overige bouwwerken, met uitzondering van terreinafscheidingen, is maximaal 2,50 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1; de bouwhoogte van terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag maximaal 1,00 m 1 zijn en voor het overige maximaal 2,00 m1. 2. 3.

b. c.

4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Afwijken voor een toename van oppervlakte dierenverblijven bij veehouderijen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 sub i voor de uitbreiding van een veehouderij bestaande uit de toename van de bestaande oppervlakte van de dierenverblijven. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

b. c. d. e.

f.

g.

h.

i. j. k.

er is sprake van een zorgvuldige veehouderij die voldoet aan de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij en de nadere regels zoals die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld in de Interim omgevingsverordening, waarbij de maatregelen die worden getroffen vervolgens in stand worden gehouden; er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden en de omgeving bij de planontwikkeling; de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in de Interim omgevingsverordening, inpasbaar is in de omgeving; mestbewerking ter plaatse alleen is toegestaan voor de binnen het bouwvlak geproduceerde mest; is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder, (achtergrondbelasting) in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); ter plaatse van de

gebiedsaanduiding 'overige zone - stalderingsgebied' geldt voor de uitbreiding van de oppervlakte van de dierenverblijven voor een hokdierhouderij de aanvullende eisen zoals gesteld in artikel 34.12; binnen de dierenverblijven mogen dieren – al dan niet in hokken – alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2; dit artikel is niet van toepassing indien sprake is van een geitenhouderij; dit artikel is niet van toepassing op veehouderijen, niet zijnde grondgebonden, binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’.

4.3.2 Afwijken voor een grotere goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 sub a en/of artikel 4.2.2 sub b voor een afwijkende goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat de goothoogte maximaal 10 m1 mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 12,50 m1 mag bedragen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|30 a. b. c.

er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB; de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bedrijfsgebouwen in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.3.3 Afwijken voor een grotere bouwhoogte van een torensilo Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.3 sub b, voor de bouw van torensilo’s hoger dan 15 m1. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e.

f. g.

de bouwhoogte mag maximaal 25 m1 zijn; er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB; de landschappelijke of andere waarden van de omliggende gronden mogen niet onevenredig worden aangetast; de silo's worden geïntegreerd in de bedrijfsbebouwing; de silo's dienen aan de achterkant van de bedrijfsbebouwing te worden gerealiseerd. Indien de doelmatigheid van de bedrijfsvoering dit niet toestaat, dienen de silo's zover mogelijk van de as van de weg geplaatst te worden, maar minimaal 30 m1 van de as van de weg; de landschappelijke inpassing is duurzaam geborgd; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.3.4 Afwijken van de dakhelling voor een plat dak Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 sub c voor een afwijkende dakhelling. Een bedrijfsgebouw mag worden uitgevoerd met een plat dak. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c.

er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering; de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen van artikel 37.2.

4.3.5 Afwijken voor een grotere bouwhoogte van terreinafscheidingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.3 sub i of artikel 4.2.7 sub c met betrekking tot de bouwhoogte van terreinafscheidingen tot maximaal 2,50 m1. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b.

c.

de terreinafscheiding is noodzakelijk ten dienste van de in artikel 4.1 genoemde bestemming; aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende waarden en functies, hetgeen onder andere betekent dat de terreinafscheiding passend is in het landschap; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.3.6 Afwijken van de bouwlocatie voor herbouw van een bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.5 sub c voor de herbouw van een bedrijfswoning of plattelandswoning op een andere plaats binnen het bestemmingsvlak. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b.

de herbouwde bedrijfswoning ligt tenminste 5,00 m1 van de bestemmingsgrens en ten minste 15 m1 uit de as van de weg waaraan wordt gebouwd; in het geval van de herbouw van een plattelandswoning, dient herbouw plaats te vinden binnen de aanduidingsvlak 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning';

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|31 c. d. e. f. g. h. i.

de woning wordt gebouwd ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning binnen hetzelfde bouwvlak; de ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; met de nieuwe situering is sprake van een milieukundige, stedenbouwkundige en ruimtelijke verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke situering; de sloop van de oorspronkelijke woning is duurzaam verzekerd; bij herbouw van een plattelandswoning moet worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. b. c. d. e.

het aanleggen van mest- of waterbassins van folie; het aanleggen van oppervlakteverhardingen; het plaatsen van zeecontainers; het gebruik van gronden en/of opstallen voor erotische dienstverlening; het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van (buiten)opslag, stort of lozing; f. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel, detailhandel of bedrijf; g. het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie; h. het gebruik van gronden en/of opstallen voor kuilvoeropslag, (sleuf)silo’s of mestopslagsilo’s; i. het gebruik van gronden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen; j. het gebruik van gronden en/of opstallen voor lawaaisporten; k. het gebruik van opstallen, behoudens bedrijfswoningen en plattelandswoningen, alsmede het gebruik van vrijstaande en/of aangebouwde bijgebouwen, niet vergund middels een omgevingsvergunning als zijnde een (onderdeel van de) woning, voor bewoning; l. het gebruik van opstallen voor het huisvesten van arbeidsmigranten; m. het gebruik van gronden en/of opstallen voor een manege; n. het gebruik van gronden en/of opstallen voor (de vestiging van of wijziging naar) een gebruiksgerichte paardenhouderij; o. het gebruik van gronden en/of opstallen ten behoeve van een productiegerichte paardenhouderij ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; p.

het gebruik van gronden en/of opstallen voor een veehouderij, uitgezonderd ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'; q. het gebruik van gebouwen en/of overkappingen die op 21 september 2013 niet in gebruik waren voor de huisvesting van dieren behoudens wanneer daarvoor een vergunning is verleend; r. het gebruik van gronden en/of opstallen voor de vestiging van, uitbreiding van en/of omschakeling naar een geitenhouderij, waarbij sprake is van toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijven voor de geitenhouderij. Hierbij wordt onder 'de bestaande oppervlakte' verstaan: 1. de oppervlakte dierenverblijf die op 7 juli 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2. de oppervlakte dierenverblijf die mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning.

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|32 s.

t.

u.

v.

het gebruik van opstallen voor het houden van dieren niet op de grond, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen, waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden voor het houden van dieren; het gebruik van gronden en/of opstallen waarbij er een toename plaatsvindt van de stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000gebied(en), tenzij voor de benodigde ontwikkeling ten tijde van de referentiesituatie reeds een onherroepelijke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend; het gebruik van gronden en/of opstallen voor de vestiging van, uitbreiding van en/of omschakeling naar een veehouderij, niet zijnde een grondgebonden veehouderij, binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij', waarbij sprake is van toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijven. Hierbij wordt onder 'de bestaande oppervlakte' verstaan: 1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; en/of 2. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning; het gebruik van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behorende bij de bedrijfswoning of plattelandswoning voor het houden van dieren;

tenzij de regels en/of verbeelding bij deze bestemming middels een specifiek gebruiksregel en/of aanduidingsvlak expliciet bepalen dat het gebruik wel is toegestaan. 4.4.2 Aan huis verbonden beroep De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is slechts toegestaan als ondergeschikte functie bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. b. c.

d. e. f. g. h.

de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door één van de bewoners; de beroepsactiviteit mag in de bedrijfswoning en/of in een bijgebouw bij de bedrijfswoning worden uitgeoefend; de omvang van de beroepsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en bijgebouwen bij de bedrijfswoning, tot een maximum van 150 m2; het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op een normale afwikkeling van het verkeer; het gebruik mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; detailhandel is niet toegestaan; reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding.

4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Afwijken voor buitenopslag Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub e voor buitenopslag bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c.

de buitenopslag plaatsvindt binnen het bestemmingsvlak; de opslag is noodzakelijk voor het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.2 Afwijken voor statische opslag als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub e en artikel 4.4.1 sub f voor statische opslag als nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|33 a. b.

c. d. e. f. g.

de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; het bestaande agrarisch bedrijf functioneert ook na toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid als zodanig en blijft dit ook in voldoende mate doen. Er is ook op langere termijn sprake van statische opslag als nevenfunctie bij de agrarische bedrijfsvoering; de maximale oppervlakte die wordt gebruikt voor de statische opslag is 1.000 m2; er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de statische opslag; buitenopslag is uitgesloten; opslag in kassen is uitgesloten; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.3 Afwijken voor ondersteunende horeca als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub f en artikel 4.4.1 sub g voor ondersteunende horeca als nevenfunctie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g. h.

de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de ondersteunende horeca; de activiteit mag uitsluitend uitgevoerd worden door de bewoner(s) van de betreffende locatie; de oppervlakte van de voorziening voor ondersteunende horeca bedraagt maximaal 100 m2, inclusief terras; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; de afstand tot de weg is ten minste 20 m1; de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m1; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.4 Afwijken voor kinderopvang en/of dagbesteding als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub f voor het exploiteren van kinderopvang en/of dagbesteding door de bewoner(s) van de agrarische locatie als nevenfunctie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e.

er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de kinderopvang en/of dagbesteding; de activiteiten leiden niet tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking en/of overlast; de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.5 Afwijken voor kleinschalige niet-agrarische nevenfuncties Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub f voor kleinschalige niet-agrarische nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

het bestaande agrarisch bedrijf functioneert na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid als zodanig en blijft dit ook in voldoende mate doen na realisatie van de ontwikkeling. Er is ook op termijn sprake van een kleinschalige nevenfunctie;

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|34 b.

c. d. e.

f. g. h. i.

de activiteiten behoren tot de milieucategorieën 1 of 2, of aantoonbaar daarmee gelijk te stellen qua aard, omvang en invloed, zoals genoemd in de ‘Brochure bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de activiteiten worden opgenomen in – tenminste – een melding Activiteitenbesluit welke betrokken wordt bij de beoordeling van deze afwijkingsbevoegdheid; de activiteiten worden uitgevoerd door de bewoner(s) c.q. agrarisch bedrijfsvoerende(n) van het betreffende agrarische bedrijf ter plaatse; de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die gebruikt mogen worden voor de kleinschalige nevenfunctie bedraagt 350 m 2, welke concreet aangeduid worden op een inrichtingsplan; er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de kleinschalige nevenfuncties; detailhandel is uitgesloten; buitenopslag is uitgesloten; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.6 Afwijken voor een zorgfunctie en/of dagbesteding als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub f voor het ter plaatse verlenen van zorg en/of dagbesteding aan derden door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie als nevenfunctie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g. h.

er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van het verlenen van zorg en/of dagbesteding aan derden; het is niet toegestaan om zelfstandige wooneenheden voor de huisvesting van zorgbehoevenden te realiseren; er mogen maximaal 15 personen worden gehuisvest; er wordt alleen huisvesting geboden aan personen met een zorgindicatie; de activiteiten leiden niet tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking en/of overlast; de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.7 Afwijken voor een minicamping als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub g voor het vestigen en exploiteren van een minicamping die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

er zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan, waaronder maximaal vijf stacaravans; er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van ondersteunende voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen; de oppervlakte van ondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 100 m2; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m1; de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m1; de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m1; er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|35 4.5.8 Afwijken voor een groepsaccommodatie als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub g voor het als ondergeschikte nevenfunctie toestaan van een groepsaccommodatie die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g.

de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de groepsaccommodatie; de maximale overnachtingscapaciteit van de groepsaccommodatie is 20 personen; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; de afstand tot de weg is ten minste 20 m1; de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m1; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.9 Afwijken voor bed and breakfast als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub g voor het als ondergeschikte nevenfunctie toestaan van een bed and breakfast die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f.

de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de bed and breakfast activiteiten; de maximale overnachtingscapaciteit van een bed and breakfast is 10 personen; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.10 Afwijken voor routegebonden horeca als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub f en artikel 4.4.1 sub g voor het als ondergeschikte nevenfunctie verstrekken van dranken en/of spijzen aan derden, voor gebruik en consumptie ter plaatse, door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g.

de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de ondergeschikte verhuuractiviteiten; de oppervlakte van het theehuis/uitspanning bedraagt maximaal 200 m2, inclusief terras; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; de afstand tot de weg is ten minste 20 m1; de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m1; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.11 Afwijken voor verhuur van fietsen/rijtuigen als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub g voor het als ondergeschikte nevenfunctie verhuren van fietsen, rijtuigen en andere vervoersmiddelen ten behoeve van recreatief gebruik door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak;

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|36 b. c. d.

er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de ondergeschikte verhuuractiviteiten; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.12 Afwijken voor dagrecreatie als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub g voor het aanbieden van ondergeschikte dagrecreatieve nevenfuncties door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d.

de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de ondergeschikte dagrecreatieve nevenfuncties; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.13 Afwijken voor gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub n voor de vestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij als ondergeschikte nevenfunctie bij een bestaand agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

b. c. d. e. f. g. h.

de afwijking is alleen toegestaan als sprake is van een bestaand agrarisch bedrijf met: 1. productiegerichte paardenhouderij(tak); en/of 2. de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'. deze afwijkingsbevoegdheid is niet toepasbaar binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; de ontwikkeling draagt bij aan de beoogde ontwikkeling van het gemengd landelijk gebied; er is duurzaam verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; er is aangetoond dat de vestiging van de gebruiksgerichte paardenhouderij ook op langere termijn past binnen de toegestane omvang; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.5.14 Afwijken voor het in gebruik nemen van gebouwen en overkappingen als dierenverblijf Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub q voor het in gebruik nemen van bestaande gebouwen en overkappingen als dierenverblijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

b. c. d.

er sprake is van een zorgvuldige veehouderij die voldoet aan de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij en de nadere regels zoals die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld in de Interim omgevingsverordening, waarbij de maatregelen die worden getroffen vervolgens in stand worden gehouden; een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden en de omgeving bij de planontwikkeling; de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in de Interim omgevingsverordening, inpasbaar is in de omgeving; is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder, (achtergrondbelasting) in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|37

e.

f.

g.

h. i. j.

er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - stalderingsgebied' gelden voor de uitbreiding van de oppervlakte van de dierenverblijven voor een hokdierhouderij de aanvullende eisen zoals gesteld in artikel 34.12; binnen de dierenverblijven mogen dieren – al dan niet in hokken – alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen van artikel 37.2; dit artikel is niet van toepassing indien sprake is van een geitenhouderij; dit artikel is niet van toepassing op veehouderijen, niet zijnde grondgebonden, binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij'.

4.5.15 Afwijken voor het huisvesten van arbeidsmigranten in een plattelandswoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub l voor de structurele of tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten in een plattelandswoning. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a. b.

c. d.

e. f.

g. h.

i. j. k.

het is toegestaan om een plattelandswoning te gebruiken voor bewoning door maximaal 4 personen; parkeren dient volledig op eigen terrein plaats te vinden, waarbij de parkeervoorzieningen middels inrichtingsplan aangetoond worden waarbij per huisvestingsplaats 0,7 parkeerplaats gerealiseerd dient te worden; de woning voldoet aan de regels uit het bouwbesluit; in een straat mogen maximaal 20% van de totaal aantal woningen gebruikt worden voor bewoning, waarbij de woningen niet direct naast elkaar, tegenover elkaar of boven elkaar gesitueerd mogen zijn, waarbij de perceelgrenzen bepalend zijn; er dient een nachtregister bijgehouden te worden; in afwijking op sub a is het mogelijk om tot een maximum van 20 personen bewoning te laten plaatsvinden, mits aangetoond wordt dat er voldoende parkeergelegenheid is op eigen terrein en dat bewoning niet tot overlast leidt in de omgeving; de woning (met meer dan 4 arbeidsmigranten) voldoet aan de SNF-normering en dit dient aangetoond te worden; er dient in het kader van de brandveiligheid voldaan te worden aan de (aanvullende) eisen bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur conform het Bouwbesluit, zoals geldend ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning; vanaf 11 personen dient minimaal 250 meter aangehouden te worden ten opzichte van een andere locatie waar meer dan 10 arbeidsmigranten gehuisvest worden; vanaf 11 personen dient

het perceel landschappelijk ingepast te worden; vanaf 11 personen dient het beheer in een overeenkomst vastgelegd te worden.

4.5.16 Afwijken voor het huisvesten van arbeidsmigranten in een bedrijfswoning of bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 sub l voor de structurele of tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten in een bedrijfswoning, in bestaande of direct vergunbare bedrijfsgebouwen of ten behoeve van alleen tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare onderkomens. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden:

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|38 a.

deze huisvesting dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de structurele of tijdelijke grote arbeidsbehoefte in het betreffende agrarisch bedrijf, waarover advies gevraagd kan worden aan de AAB; b. de huisvesting mag uitsluitend werknemers betreffen, die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten; c. de huisvestingslocatie voldoet aan de regels uit het bouwbesluit; d. de huisvesting (met meer dan 4 arbeidsmigranten) voldoet aan de SNF-normering en dit dient aangetoond te worden; e. per locatie mogen er in totaal maximaal 40 personen gehuisvest worden; f. bij huisvesting in een bedrijfswoning mogen maximaal 20 personen per locatie worden gehuisvest; g. bij huisvesting in een bedrijfsgebouw mogen maximaal 40 personen per locatie worden gehuisvest; h. huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare onderkomens is alleen toegestaan als het gaat om een aantoonbaar tijdelijke oplossing gedurende maximaal 6 maanden per kalenderjaar, waarbij de gemeente goedkeuring dient te geven over de kwaliteit en uiterlijk van de woonunit; i. bij tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-) caravans of vergelijkbare onderkomens dienen deze na afloop van de termijn (zoals bepaald onder sub h) te worden verwijderd; j. per woonunit mogen maximaal vier personen worden gehuisvest; k.

de bouwhoogte van een woonunit mag niet meer bedragen dan 3,5 m 1; l. de genoemde verblijven moeten worden geplaatst binnen het agrarische bestemmingsvlak; m. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform het beeldkwaliteitsplan buitengebied; n. het perceel dient bij structurele huisvesting landschappelijk ingepast te worden conform de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan buitengebied; o. parkeren dient volledig op eigen terrein plaats te vinden, waarbij de parkeervoorzieningen middels inrichtingsplan aangetoond worden en per huisvestingsplaats moet minimaal 0,7 parkeerplaats gerealiseerd te worden; p. in afwijking op sub e, sub f, sub g en sub j kan ten behoeve van piekmomenten in de vollegrondstuinbouw en glastuinbouw voor een periode van maximaal 6 maanden gemotiveerd worden afgeweken van maximaal aantal te huisvesten personen in woonunits of bestaande bebouwing. De noodzaak dient jaarlijks aangetoond te worden en daarnaast zal voor wat betreft de huisvesting in woonunits voldaan moeten worden aan het bepaalde onder sub h; q. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is niet toegestaan; r. er dient een nachtregister bijgehouden te worden; s. de beheerafspraken dienen vastgelegd te worden; t.

er dient in het kader van de brandveiligheid voldaan te worden aan de (aanvullende) eisen bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur conform het Bouwbesluit, zoals geldend ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning. 4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.6.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te (laten) voeren: a. b. c.

het verwijderen van landschapselementen, landschappelijke inrichting en/of waterhuishoudkundige voorzieningen; het graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels; het aanleggen van oppervlakteverhardingen met een omvang van meer dan 500 m 2.

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|39 4.6.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.6.1 is niet vereist voor: a. b.

werken en/of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud en beheer van de gronden, danwel van ondergeschikte betekenis zijn; werken en/of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn, danwel op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan nog mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds eerder verleende vergunning.

4.6.3 Toelaatbaarheid De in artikel 4.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien de werken en/of werkzaamheden: a.

b.

c.

geen afbreuk doen aan de waarden en kwaliteiten van de gronden, zoals omschreven in: 1. de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding(en); 2. het beeldkwaliteitsplan buitengebied; 3. de specifieke landschappelijke inpassingsplannen zoals opgenomen in de bijlagen; (op bedrijfsniveau) hydrologisch neutraal worden uitgevoerd, conform artikel 37.1, voor wat betreft: 1. het oppervlaktewater; 2. het grondwater; 3. de impact op de waterkwaliteit; het bevoegd gezag voorafgaand aan de vergunningverlening advies heeft ingewonnen en gekregen bij het betrokken waterschap ter toetsing van voorgestelde voorziening(en) aan de actuele wet- en regelgeving voor de onder sub b opgenomen criteria.

4.7 Wijzigingsbevoegdheid 4.7.1 Wijziging van ‘veehouderij’ naar andersoortig agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zonder de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch veehouderij'. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c.

d.

het is aantoonbaar dat ter plaatse feitelijk niet langer sprake is van een veehouderij; er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen; indien er sprake is van omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf gelden de volgende aanvullende voorwaarden: 1. de omvang van het nieuwe bestemmingsvlak bedraagt maximaal 1,5 hectare; 2. de ontwikkeling is noodzakelijke voor de agrarische bedrijfsvoering; 3. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' dient de omschakeling bij te dragen aan een afname van de emissie van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.7.2 Wijziging naar 'Wonen' Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zo ver het gaat om de agrarische bedrijfswoning met bijbehorende grond. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b.

het agrarisch bedrijf is beëindigd en hervatting van de agrarische activiteiten ligt niet meer in de rede; ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' ontbreken reële mogelijkheden om een veehouderij te hervestigen;

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|40 c.

d. e.

f. g. h. i.

j.

het nieuwe bestemmingsvlak wordt gereduceerd tot de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijbehorend(e) bouwwerk(en), erf, tuinen en verhardingen tot maximaal 2.500 m2; de gronden die niet worden omgezet naar de bestemming ' Wonen' krijgen dezelfde bestemming als de omliggende gronden; de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 250 m2, behoudens ingeval van toepassing van de sloopbonusregeling, zoals opgenomen in artikel 19.3.3, in welk geval de maximale oppervlakte bijgebouwen 350 m2 mag bedragen; splitsing in meerdere woonfuncties mag uitsluitend plaatsvinden als er sprake is van een splitsing overeenkomstig artikel 19.7.3; de sloop van overtollige bebouwing is duurzaam verzekerd tenzij de bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarde bezit; bewoning van (voormalige) bedrijfsgebouwen is niet toegestaan; er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen, of gelet op de aard en omvang van het wijzigingsplan is door middel van (milieu)onderzoek aangetoond dat het wijzigingsplan uitvoerbaar is; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

4.7.3 Wijziging naar ‘Wonen’ met aanduiding ‘wonen plus’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - wonen plus' voor de vestiging van een kleinschalig bedrijf in de milieucategorieën 1 of 2 zoals genoemd in de Brochure bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

het agrarisch bedrijf is beëindigd en hervatting van de agrarische activiteiten ligt niet meer in de rede; b. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' ontbreken reële mogelijkheden om een veehouderij te hervestigen; c. het nieuwe bestemmingsvlak wordt gereduceerd tot de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijbehorend(e) bouwwerk(en), erf, tuinen en verhardingen tot maximaal 2.500 m2; d. de gronden die niet worden omgezet naar de bestemming 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - wonen plus' krijgen dezelfde bestemming als de omliggende gronden; e. de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 250 m2, behoudens ingeval van toepassing van de sloopbonusregeling, zoals opgenomen in artikel 19.3.3, in welk geval de maximale oppervlakte bijgebouwen 350 m2 mag bedragen; f. de bedrijfsactiviteiten moeten plaatsvinden binnen de maximaal toegestane oppervlakte bebouwing; g. splitsing in meerdere woonfuncties is niet toegestaan; h. de sloop van overtollige bebouwing is duurzaam verzekerd tenzij de bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarde bezit; i. bewoning van (voormalige) bedrijfsgebouwen is niet toegestaan; j. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 37.4; k. buitenopslag is niet toegestaan; l.

reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding; m. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; n. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen, of gelet op de aard en omvang van het wijzigingsplan is door middel van (milieu)onderzoek aangetoond dat het wijzigingsplan uitvoerbaar is; o. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2.

NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01

bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3

|41 4.7.4 Wijziging naar ‘Bedrijf’ voor een agrarisch verwant bedrijf en/of een agrarischtechnisch hulpbedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' voor het vestigen van een agrarisch verwant bedrijf en/of een agrarischtechnisch hulpbedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.

het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; b. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toepasbaar binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone groenblauwe mantel'; c. de wijziging naar een agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf gaat gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in de omgeving; d. de maximale oppervlakte van het bestemmingsvlak voor het agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf bedraagt maximaal 1,5 hectare; e. aangetoond wordt dat de ontwikkeling ook op lange termijn past binnen de toegestane omvang; f. de gronden die niet worden omgezet naar de bestemming 'Bedrijf' krijgen dezelfde bestemming als de omliggende gronden; g. de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt met dien verstande dat er maximaal 600 m2 bedrijfsbebouwing mag worden behouden voor het agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf; h. de sloop van de overtollige bedrijfsbebouwing is duurzaam verzekerd; i. de inrichting van het bestemmingsvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag; j. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot twee of meer zelfstandige bedrijven; k.

de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; l. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening; m. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen; n. buitenopslag en mestbewerking is niet toegestaan; o. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 37.2. 4.7.5 Wijziging naar ‘Bedrijf’ voor een niet-agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' voor het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10233606/1