CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

7g Bp gewijzigd vastgesteld Heikantstraat 7-11 en ong. - Toelichting

Commissie Ruimte 9 juni 2021, gemeente SomerenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Heikantstraat 7-11 en ong.24.680 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Kuilvenweg 11

175 028

376 556

Geurbelasting 4,3

Ruimte voor Ruimte

175 233

376 860

3,8

Zoals blijkt uit bovenstaande berekening is de geurbelasting op de woning aan Kuilvenweg 11 hoger dan op de Ruimte voor Ruimte locatie, ondanks dat als emissiepunt van de veehouderij het dichtstbijzijnde emissiepunt ten opzichte van de Ruimte voor Ruimte locatie is gehanteerd. De woning aan Kuilvenweg 11 zal dus altijd de eerst belemmerende woning voor deze veehouderij zijn.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

59

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

5.6

Gezondheid

5.6.1

Endotoxine

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.

Deze

notitie

haakt

in

op

de

lopende

ontwikkeling

van

het

landelijke

endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. De geactualiseerde gegevens zijn vastgelegd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In deze update van de handreiking is het stappenplan, waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Met de rekentool is een berekening gemaakt van de afstand waarop de adviesnorm van 30 EU/m³ wordt overschreden voor de veehouderijen aan Kuilvenweg 10 en Kuilvenweg 12: Kuilvenweg 10: De veehouderij aan Kuilvenweg 10 heeft een of of vergunning. In het worst-case-scenario worden op de locatie 39.990 opfokhennen en hanen van legrassen (cat. E1.100) gehouden met een fijn stof emissie van 1.200 kg/jr., waarvoor een vaste afstand geldt van 132 meter tot een gevoelig object.

In navolgende figuur is de contour van 132 meter vanuit het meest dicht bij het plangebied gelegen emissiepunt van de veehouderij aan Kuilvenweg 10 met een rode lijn weergegeven. Alle emissie is dan ook geprojecteerd op dit emissiepunt, waarmee het worst-case-scenario is weergegeven. Kuilvenweg 12: De veehouderij aan Kuilvenweg 12 heeft een of of vergunning. In het worst-case-scenario worden op de locatie 30.000 opfokhennen en hanen van legrassen (cat. E1.100) gehouden met een fijn stof emissie van 900 kg/jr., waarvoor een vaste afstand geldt van 121 meter tot een gevoelig object. In navolgende figuur is de contour van 121 meter vanuit het meest dicht bij het plangebied gelegen emissiepunt van de veehouderij aan Kuilvenweg 12 met een rode lijn weergegeven. Alle emissie is dan ook geprojecteerd op dit emissiepunt, waarmee de worst-case-scenario is weergegeven.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

60

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

Figuur 24: Endotoxinecontouren Kuilvenweg 10 en Kuilvenweg 12

Het plangebied is niet gelegen binnen de endotoxinecontour van het bedrijf aan Kuilvenweg 12. De endotoxinecontour van het bedrijf aan Kuilvenweg 10 is over een klein hoekje van het plangebied gelegen. Op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan is ter plaatse van de endotoxinecontour binnen het plangebied de aanduiding ‘overige zone – beperking milieuhinder’ opgenomen. In de regels van onderhavig bestemmingsplan is geregeld dat binnen deze aanduiding geen gebouwen en/of bouwwerken mogen worden opgericht die blijkens aard, vorm en functie zijn bedoeld voor een (milieu)gevoelige functie(s) die omliggende (agrarische) bedrijven beperkt in het vergunde en/of toekomstige gebruik en/of waarvoor geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar.

5.6.2

Geitenhouderijen

Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Op circa 1,8 km ten oosten van het plangebied worden geiten gehouden op de locatie Kerkendijk 38. Navolgend wordt de actueel vergunde situatie van deze veehouderij weergegeven.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

61

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

Figuur 25: Actueel vergunde situatie (bron: BVB)

Op de locatie Kerkendijk 38 worden slechts 4 geiten gehouden. Gemeente Someren mag een eigen afweging maken over de mogelijkheid tot het planologisch toestaan van nieuwe gevoelige objecten binnen de invloedsfeer van geitenhouderijen. In dit verband is de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011) relevant. Windrichting en windsterkte spelen een voorname rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof vanaf de locatie Kerkendijk 38 zich doorgaans verplaatsen uit de richting van het plangebied. De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is een belangrijke factor voor de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Een ruw oppervlak veroorzaakt afremming van de wind aan de grond, waardoor een zekere mate van turbulentie wordt gegenereerd en zich een hoogteafhankelijk windprofiel instelt. Het plangebied is op een afstand van 1,8 km van de 4 geiten gelegen. Op de tussengelegen gronden zijn in een landelijke setting bebouwing en vegetatie aanwezig. Dit betekent dat er sprake is van een bepaalde terreinruwheid waarmee het direct inwaaien van fijnstof of endotoxinen wordt voorkomen. De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen worden niet dichter tot de geitenhouderij georiënteerd dan bestaande woningen.

Daarnaast worden de nieuwe woningen niet gebruikt door ‘meer kwetsbare personen’ op het vlak van gezondheidsredenen. Vanwege de huidige regelgeving omtrent geitenhouderijen zal het woon- en leefklimaat in de toekomstige situatie niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Gelet op voornoemde aspecten is het toevoegen van een beperkt volume woningbouw aanvaardbaar in het kader van gezondheid en veehouderijen.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

62

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

5.7

Bedrijven en milieuzonering

5.7.1

Inleiding

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. De lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), geeft richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. In het gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

5.7.2

Niet-agrarische bedrijven in omgeving plangebied

De omgeving (straal van 200 meter) van het plangebied is te kwalificeren als ‘gemengd gebied’. In de omgeving is één niet-agrarisch bedrijf gelegen, te weten Ruitersportcentrum Het Keelven aan Kuilvenweg 6 te Someren. Dit bedrijf valt op grond van de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de omschrijving ‘manege’ en valt daarmee binnen milieucategorie 3.1, waarvoor een grootste aan te houden afstand geldt van 30 meter in het gemengd gebied. Er bevindt zich geen bebouwing binnen het plangebied binnen een straal van 30 meter tot het ruitersportcentrum. De bedrijfsbestemming aan Kuilvenweg 6 vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkelingen.

5.7.3

Niet-agrarische bedrijven binnen plangebied

De locatie Heikantstraat 7-11 kent in de toekomstige situatie de bestemming ‘Recreatie’. Binnen deze bestemming zal een groepsaccommodatie aanwezig zijn welke plaats biedt aan 80 -100 personen. Als nevenactiviteit bij het recreatiebedrijf zal ambachtelijke bedrijvigheid in de vorm van de reparatie van huishoudelijke apparatuur en elektrisch handgereedschap aanwezig zijn alsmede dagbesteding als nevenactiviteit bij het recreatiebedrijf alsook een akkerbouwtak. De lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ kent geen richtafstanden voor een groepsaccommodatie. Derhalve wordt aansluiting gezocht bij de richtafstanden die worden aanbevolen bij activiteiten die een raakvlak hebben met de beoogde activiteiten. Een groepsaccommodatie valt derhalve op grond van de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de omschrijving ‘hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra’ (SBI code 5510) en valt daarmee in milieucategorie 1. Reparatie van huishoudelijke apparatuur valt op grond van de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de omschrijving ‘reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto’s en motorfietsen)’ (SBI code 952) en valt daarmee in milieucategorie 1.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

63

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

Dagbesteding valt op grond van de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de omschrijving ‘artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven’ (SBI code 8623) en valt daarmee in milieucategorie 1. De akkerbouwtak valt op grond van de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de omschrijving ‘akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’ (SBI code 011, 012, 013) en valt daarmee in milieucategorie 2. Bij een milieucategorie 1 dient een richtafstand van 10 meter te worden gehanteerd. In gemengd gebied komt deze richtafstand te vervallen. Bij een milieucategorie 2 dient een richtafstand van 30 meter te worden gehanteerd. In gemengd gebied wordt deze afstand verkleind tot 10 meter. Het aspect geluid is hierbij de bepalende afstand. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door M&A Omgeving BV een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek d.d. 17 december 2020 met rapportnummer 220-SHe7-11-wl-il-v2 is als separate bijlage bij onderhavige toelichting

gevoegd.

De

conclusies

en

aanbevelingen

zoals

opgenomen

in

de

onderzoeksrapportage ten aanzien van industrielawaai zijn navolgend weergegeven: “Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Het hoogste geluidsniveau (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau) op de aanwezige woningen bedraagt 41 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de voorgevel van de meest noordelijke nieuwe woning. De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dagperiode worden met name bepaald door de rijdende personenauto’s en tractoren. In de avondperiode zijn met name de personenauto’s maatgevend (in de nachtperiode is geen relevante geluidproductie). Maximaal geluidniveau (LAmax) Er kan ten aanzien van de optredende maximale geluidsniveaus (piekgeluiden) worden geconcludeerd, dat overal wordt voldaan aan de richtwaarden vanuit ruimtelijke ordening. Er is er sprake van een acceptabel tot goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. Indirecte hinder Verder wordt ten aanzien van de indirecte hinder (voertuigbewegingen van en naar Heikantstraat 7-11), de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. Belemmering bedrijfsvoering Ook wordt het bedrijf aan de Heikantstraat 7-11 door de realisatie van het nieuwe plan niet beperkt in de bedrijfsvoering.” Uit de rapportage blijkt dat het aspect ‘industrielawaai’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

64

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

5.8

Natuur en ecologie

5.8.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

5.8.2

Gebiedsbescherming

5.8.2.1

Inleiding

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en heeft daarbij het voorheen geldende

wettelijke

stelsel

voor

de

natuurbescherming

vervangen,

namelijk

de

Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten (respectievelijk ‘gebiedsbescherming’ en ‘soortenbescherming’). Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de Natura 2000gebieden in de omgeving van het plangebied.

Figuur 26: Natura2000 gebied 'Strabrechtse Heiden & Beuven' ten opzichte van de ligging van het plangebied

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

65

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

Het meest dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het natuurgebied ‘Strabrechtse Heide en Beuven’. Dit Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 1.350 meter ten noordwesten van het plangebied. De Strabrechtse Heide bestaat grotendeels uit glooiend dekzandlandschap, met daarnaast een deel stuifzandlandschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van droge stukken met heide (deels op voormalig stuifzand), kleine stuifzanden en laagtes met natte heide en vennen. In het oosten van het gebied ligt het Beuven, het grootste ven van Nederland. De omringende bossen van het gebied bestaan vooral uit grove dennen. Aan de noordwestkant van het gebied ligt het beekdal van de Kleine Dommel, met alluviale bossen, wilgenstruweel, moerasruigten en vochtige schraallanden. Het gebied Strabrechtse Heide & Beuven is primair als Habitatrichtlijngebied begrensd vanwege de aanwezigheid van de navolgende habitattypen: −

2310: Psammofiele heide met Struikhei (Calluna) en Stekelbrem (Genista);

−

3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Noord-Atlantische zandvlakten met

−

3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Oeverkruid-

oeverkruidvegetatie (Littorelletalia uniflorae); orde (Littorelletalia uniflorae) en/of Dwergbiezen-klasse (Isoëto-Nanojuncetea). Daarnaast is het gebied aangemeld voor de volgende habitattypen en -soorten: −

2330: Open grasland met Buntgras en Struisgrassoorten (Corynephorusen Agrostis-soorten)

−

4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei (Erica tetralix);

−

91E0: Alluviale bossen met Zwarte els (Alnus glutinosa) en Es (Fraxinus excelsior) (Alno-

op landduinen;

Padion, Alnion incanae, Salicion albae); −

1831: Drijvende waterweegbree.

Vanuit de Vogelrichtlijn is het gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ voor drie soorten nietbroedvogels aangewezen als beschermd gebied, te weten: −

A021: Roerdomp;

−

A022: Woudaap;

−

A127: Kraanvogel.

5.8.2.2

Stikstof

Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

66

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is om de stikstofdepositie te bepalen door M&A Omgeving BV een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek d.d. 15 februari 2021 met rapportnummer 220-SHe7-11-lk-v3 is als separate bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. De conclusies en aanbevelingen zoals opgenomen in de onderzoeksrapportage zijn navolgend weergegeven: “Met behulp van de vigerende Aerius Calculator, is de stikstofdepositie bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden. De berekeningen zijn verricht als verschilberekening van de vigerende situatie in vergelijking met de nieuwe situatie. Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de natuurgebieden maximaal 0,00 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2020. Op nagenoeg alle natuurgebieden vindt zelfs een reductie plaats van de stikstofdepositie. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van de nieuwe situatie van de locaties.” Uit de rapportage blijkt dat het aspect ‘stikstof’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit de verschilberekening in de rapportage blijkt dat de locatie over meer stikstofrechten beschikt dan in toekomst nodig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De overtollige stikstofrechten worden verkocht aan een derde partij middels extern salderen.

5.8.3

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Voor de algemene broedvogelsoorten die binnen het plangebied te verwachten zijn geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten.

Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

67

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats vinden. Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.

Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ”het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Verblijfplaatsen voor vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, achter betimmering, daklijsten of onder dakpannen. Het plangebied vormt mogelijk geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Door de voorgenomen ontwikkeling is het mogelijk dat foerageergelegenheden tijdelijk verminderen. Echter in de directe omgeving zijn voldoende alternatieve foerageermogelijkheden. Geconcludeerd kan worden dat de betekenis van het plangebied voor flora en fauna zeer gering is en dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling vormt. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door M&A Omgeving BV een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek d.d. 22 december 2020 met rapportnummer 220SHe7-11-nw-v2 is als separate bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

De conclusies en aanbevelingen zoals opgenomen in de onderzoeksrapportage zijn navolgend weergegeven: “Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket). In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek in juli 2020 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van

beschermde soorten (waaronder

Huismussen, Gierzwaluwen en

vleermuisssoorten).

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

68

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dag- en avondperiode op 13 juli 2020, is binnen het broedvogelseizoen uitgevoerd. Desondanks is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken

van

broedende

vogelsoorten.

Onder

andere

uitwerpselen

van

broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De kieren en openingen in de stallen zijn onderzocht met een camera (Novascope) en hierbij zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna. De afstanden tot de ecologische verbindingszones en waardevolle natuurgebieden zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied een positieve invloed zullen hebben op deze gebieden. Door de sloop / verbouwing van de stallen, realiseren van de recreatieve bestemming en de nieuwbouw van 2 woningen, wordt het karakter van het gebied positief beïnvloed. Het open karakter in de omgeving wordt versterkt door de sloop van stallen. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden.

Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.” Uit de rapportage blijkt dat het aspect ‘soortenbescherming’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8.4

Houtopstanden

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat. Alleen als bos buiten de bebouwde kom ligt, valt het onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet. Bomen op erven en tuinen en een rij wilgen of populieren op of langs landbouwgronden zijn uitgezonderd van de meldingsplicht. Verder is in de Wet natuurbescherming ruimte gecreëerd voor vellen voor de productie van hout als biomassa. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd van de meld- en herplantplicht indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

69

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

boomgaarden zijn uitgezonderd. De uitzondering van de oude Boswet voor Italiaanse populieren, linden, paardenkastanjes en treurwilgen gaat onder de Wet natuurbescherming niet meer op. De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bomen gekapt. De herinrichting van het perceel kan dusdanig vorm worden gegeven dat het niet noodzakelijk is bomen te kappen. Het aspect houtopstanden is dan ook niet van toepassing.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

70

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

5.9

Archeologie

5.9.1

Inleiding

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt opgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.

5.9.2

Gemeentelijk archeologiebeleid

De gemeente Someren heeft in het kader van de Wamz en de Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur en dergelijke, en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Hierna is een uitsnede van deze beleidskaart weergegeven waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Figuur 27: Uitsnede Archeologiekaart gemeente Someren waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Het plangebied is op de ‘Archeologiekaart van Someren’ gedeeltelijk aangeduid als een locatie in een categorie 3 gebied. Dit is een categorie die een hoge archeologische waarde kent, waaronder AMK-terreinen van (hoge) archeologische waarde en de historische kernen van dorpen en gehuchten. De vrijstellingsdrempel bij deze categorie is een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 m. Het plangebied is op de ‘Archeologiekaart van Someren’ tevens gedeeltelijk aangeduid als een locatie in een categorie 4 gebied. Dit is een categorie die een hoge archeologische waarde kent. De vrijstellingsdrempel bij deze categorie is een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 m. Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

71

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

De locatie Heikantstraat 7-11 is tevens gedeeltelijk bestempeld als ‘mogelijke verstoring’ en categorie 7 gebied. Dit is een categorie zonder een archeologische verwachting. Op deze gebieden zijn geen ondergrenzen van toepassing. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door ArcheoPro ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek d.d. 1 september 2020 met rapportnummer 20-072 is als separate bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. De conclusies en aanbevelingen zoals opgenomen in de onderzoeksrapportage zijn navolgend weergegeven: “Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied in verband met de ligging in een gradientzone in de nabijheid van een voormalig ven, een hoge verwachting voor resten van bewoning uit het paleolithicum tot en met het mesolithicum. Resten uit het neolithicum tot en met de vroege-middeleeuwen zullen eerder hebben gelegen op aaneengesloten hogere zandgronden dan op de geïsoleerde dekzandrug waarop het plangebied ligt. Hiervoor geldt derhalve eerder een middelhogedan een hoge verwachting. De ligging op kleine, door houtwallen omgeven graslandjes buiten de historische bebouwing van Vaarsel, geeft het plangebied een lage verwachting voor resten van bewoning uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd.

Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied negen boringen gezet met behulp van een zandguts. Op basis van de resultaten hiervan kunnen de in paragraaf 1.5 gestelde onderzoeksvragen als volgt beantwoord worden: Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat het plangebied van oorsprong overwegend slecht ontwaterd is en dat plaatselijk zelfs veen is gevormd. Hoewel kleine delen van het plangebied voldoende ontwaterd waren om podzolvorming mogelijk te maken, zal het plangebied als geheel waarschijnlijk veel minder aantrekkelijk zijn geweest voor bewoning dan de hoger gelegen delen van het dekzandlandschap ten zuiden en ten oosten van het plangebied. De uitvoering van een vlakdekkende oppervlaktekartering heeft ondanks de goede vondstzichtbaarheid dan ook geen archeologische indicatoren opgeleverd die op bewoning in het (verre) verleden zouden kunnen wijzen. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.

In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11.” Uit de rapportage blijkt dat het aspect ‘archeologie’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

72

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

5.10

Cultuurhistorie

Het ruimtelijk erfgoed binnen de provincie Noord-Brabant wordt weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Het plangebied is op de CHW aangeduid als ‘Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang)’. De betreffende regio betreft ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Aan het plangebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden toegekend. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

73

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

5.11

Water

5.11.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel en waterschap Aa en Maas. De locatie Heikantstraat 7-11 valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. De locatie Heikantstraat ong. valt onder het beheer van waterschap De Dommel.

5.11.2

Beleidskader

5.11.2.1

Waterschap De Dommel

5.11.2.1.1

Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol Water’

Het waterschap heeft het Waterbeheerplan 4 ‘Waardevol Water’ vastgesteld. Het waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016–2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt: 1. De beekdalbenadering: Door het beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan het waterschap integraler en effectiever werken. Wel is samenwerking met andere overheden, andere waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het ommeland. Water verbindt mensen. 2. De gebruiker centraal: De omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt. Ook veranderen de behoeften en belangen van gebruikers. De waarde van water verandert met de maatschappij mee. Daar heeft het waterschap oog voor en speelt daarop in. 3. Samen sterker: Door de handen ineen te slaan met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven, bereikt het waterschap meer dan op eigen houtje. Zij aan zij zoekt het waterschap naar de beste oplossingen en maakt daar werk van. Het waterschap wil inspireren en ruimte geven. Door flexibel te zijn in de samenwerking met ideeën van derden versterkt het waterschap de uitvoeringskracht. 4. Gezonde toekomst: Ook toekomstige generaties wil het waterschap voldoende, veilig en schoon water kunnen bieden.

Overal in de maatschappij streeft het waterschap naar duurzaamheid. Het denken in kringlopen is daarbij de basis. Het waterschap sluit hierbij aan en ziet het als een inspirerende uitdaging. Mensen bewust maken van de waarde van water om zo tot duurzaam gebruik te komen zal de komende jaren in het werk van het waterschap verweven zijn. 5.11.2.1.2

Keur Waterschap De Dommel 2015

Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

74

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is op de kaart behorende bij de Keur niet aangewezen als gelegen in beschermd gebied of attentiegebied.

5.11.2.2

Waterschap Aa en Maas

5.11.2.2.1

Waterbeheerplan 2016-2021

In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van 4 programma’s: 1.

Veilig en Bewoonbaar beheergebied: Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen.

2.

Voldoende water en Robuust watersysteem: Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate

en

duurzame

watervoorziening

in

ons

beheergebied

voor

de

diverse

gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3.

Gezond en Natuurlijk water: Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten.

4.

Schoon water: Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen.

5.11.2.2.2

Keur waterschap Aa en Maas 2015

Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van de projectlocatie is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is op grond van de Keur gelegen in een invloedsgebied. Binnen deze invloedsgebieden rond Natura 2000-gebieden gelden strengere regels ten aanzien van grondwateronttrekkingen. De beoogde herontwikkeling heeft geen gevolgen voor grondwateronttrekkingen binnen het plangebied.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

75

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

5.11.2.3

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m² (categorie A), een toename tussen 2.000 m² en 10.000 m² (categorie B) en een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² (categorie C). De locatie Heikantstraat 7-11 valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. Binnen deze locatie vindt sloop van 1.770 m² bedrijfsgebouwen plaats. De locatie Heikantstraat ong. valt onder het beheer van waterschap De Dommel. Binnen deze locatie worden twee Ruimte voor Ruimte woningen opgericht.

Deze woningen hebben een toename van verhard oppervlak van circa 400 m² per woning tot gevolg, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding rondom de woning. Per saldo heeft de ontwikkeling dan ook een afname van verhard oppervlak tot gevolg. Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³).

5.11.3

Hemelwaterafvoer na herontwikkeling

5.11.3.1

Bodem en grondwater

Het plangebied bestaat gedeeltelijk uit een hoge zwarte enkeerdgrond bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand, voedselrijk en vochtig tot droog. Het plangebied is gelegen op een dekzandrug (+/- oud bouwlanddek). De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa NAP +25 meter. De GHG ter plaatse van het plangebied bedraagt 60 tot meer dan 250 cm-mv. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de wateratlas van de provincie Noord-Brabant met daarin de ligging van de GHG ter plaatse van het plangebied.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

76

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

Figuur 28: GHG ter plaatse van plangebied

5.11.3.2

Benodigde infiltratiecapaciteit

Voor het plangebied dient derhalve bij een verwachte toename van het verhard oppervlak van 800 m² zorggedragen te worden voor (800 x 0,06) = 48 m³ aan berging ten behoeve van regenwater.

5.11.3.3

Hemelwaterafvoer

In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woningen en de bijgebouwen worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratie transportriool. Dit infiltratieriool dient boven de GHG te worden aangelegd. Vanuit dit transportriool zal het hemelwater worden afgevoerd naar een bergingsvoorziening. Hierbij kan gedacht worden aan een infiltratieveld, een zaksloot of een grindkoffer. Ook de bergingsvoorziening zal boven de GHG worden gerealiseerd.

5.11.3.4

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.11.4

Afvalwater

Het afvalwater afkomstig van het plangebied wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel, dat aanwezig is aan de Heikantstraat. Indien het rioolstelsel hiervoor dient te worden aangepast, worden deze kosten verhaald op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt eveneens zorg voor de aansluitingskosten.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

77

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

5.12

Besluit milieueffectrapportage

5.12.1

Inleiding

De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een mer moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een mer te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarden dient een mer te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een mer nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarden uit lijst D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit mer dient een vormvrije mer-beoordeling plaats te vinden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit mer in werking getreden. In dit besluit is de vormvrije merbeoordeling voor activiteiten uit lijst D, ook beneden de grenswaarden, vervangen door de merbeoordelingsplicht.

5.12.2

Toets beoogde ontwikkeling

De beoogde uitbreiding van de groepsaccommodatie komt niet voor op lijst D van het Besluit mer. Het toevoegen van woningen is wel opgenomen op de lijst D onder 11.2 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (201807060/1/R1) blijkt dat de ontwikkeling van twee woningen niet aangemerkt wordt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De ontwikkeling van een tweetal Ruimte voor Ruimte woningen is dan ook niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt dan ook niet voor op lijst D van het Besluit mer. In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een vormvrije mer-beoordeling dan ook niet aan de orde.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

78

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

6.

JURIDISCHE VORMGEVING

6.1

Inleiding

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2 De

Toelichting op de analoge verbeelding verbeelding

heeft

een

belangrijke

rol

bij

het

bepalen

van

de

gebruiks-

en

bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken en functie-aanduidingen opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. De bestemmingen ‘Recreatie’ en ‘Wonen’ zijn aangegeven evenals een bouwvlak en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Op de verbeelding is een plangebied opgenomen. Daarnaast is op de verbeelding de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ opgenomen.

6.3

Algemene toelichting op de regels

De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt:

-

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen); De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen); Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels); Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd:

-

Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Specifieke gebruiksregels; Afwijking van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het aanleggen.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

79

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

6.4

Toelichting op de bestemmingen

6.4.1

Recreatie

Aan de locatie Heikantstraat 7-11 is de bestemming ‘Recreatie’ toegekend. Op een gedeelte van deze bestemming is een bouwvlak gelegen. Ook is gedeeltelijk de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ toegekend. De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een groepsaccommodatie (maximaal 100 personen) met bijkomende voorzieningen, bedrijfsmatige exploitatie van het recreatieterrein,

twee

bedrijfswoningen,

kleinschalige

ambachtelijke

bedrijvigheid

als

nevenactiviteit bij het recreatiebedrijf (maximaal 200 m²), dagbesteding als nevenactiviteit bij het recreatiebedrijf (maximaal 20 personen), akkerbouw als nevenactiviteit bij het recreatiebedrijf (maximaal 165 m²), groenvoorzieningen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing ' zijn de gronden mede bestemd voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verharding, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van water, waterberging en

infiltratie,

extensief

recreatief

medegebruik,

nutsvoorzieningen,

parkeerplaatsen

en

parkeervoorzieningen, erven en terreinen, (onverharde) paden, wegen.

6.4.2

Wonen

De locatie Heikanstraat ong. is bestemd als ‘Wonen’ met daarop gedeeltelijk de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor 2 woningen, aan huis verbonden beroepen, (on)verharde paden, wegen, parkeervoorzieningen, tuinen en erven, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van waterberging en – infiltratie, groenvoorzieningen en groene erfinrichting, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing ' zijn de gronden mede bestemd voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verharding. Binnen het bestemmingsvlak ‘Wonen’ aan Heikanstraat ong. kunnen 2 Ruimte voor Ruimte woningen worden opgericht met beiden een inhoud van 900 m³ met daarbij 150 m² aan bijbehorende bouwwerken.

6.4.3

Waarde – Archeologie (dubbelbestemming)

Aan het plangebied is grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ toegekend. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

80

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd vast te stellen.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

81

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

8.

PROCEDURE

8.1

Procedure

De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt:

-

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen;

- Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan.

-

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend worden gemaakt nadat zes weken zijn verstreken. Het bestemmingsplan wordt dan voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld.

8.2

Overleg

Het waterschap Aa en Maas en waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant zijn in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. De waterschappen hebben verzocht de benodigde bergingscapaciteit voor hemelwater zoals opgenomen in de toelichting overeen te laten komen met de bestemmingsplanregels. Ook is gevraagd een minimaal bouwpeil op te nemen in de bestemmingsplanregels. Deze opmerkingen zijn verwerkt. De provincie Noord-Brabant heeft verzocht de berekening van de kwaliteitsverbetering van het landschap aan te passen. Deze berekening is aangepast, waarbij ook in de toekomstige situatie rekening wordt gehouden met de 2 bedrijfswoningen.

8.3

Inspraak

In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. Voor dit bestemmingsplan wordt wegens omvang van het plan en de aard van de ontwikkeling geen inspraak verleend. Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

82

Bestemmingsplan – Heikantstraat 7-11 en ong. Someren - Toelichting

8.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 5 maart 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De termijn eindigde op 15 april 2021. Gedurende deze termijn is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze alsmede de gevolgen van deze zienswijze voor het bestemmingsplan zijn opgenomen in de nota van zienswijzen, welke als separate bijlage bij onderhavige toelichting is gevoegd.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

83

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10190010/1