7a. bijlage Nota bodembeheer Gemeente Someren
Tekst van het document
Hieruit moet dan blijken dat de bodemkwaliteit op de locatie niet afwijkt van de gebiedskwaliteit zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart (onverdachte locatie). Op basis van de bodemkwaliteitskaart in combinatie met de nota bodembeheer kan aan de hand van de percentielwaarde van minimaal P80 vastgesteld worden of een veiligheidsklasse van toepassing is (zie bijlage 4). Op basis van de bodemkwaliteitskaart van gemeente Someren is voor alle zones vooralsnog geen sprake van een veiligheidsklasse. Wel is altijd sprake van de ‘basishygiëne’. De veiligheidskundige zal uiteindelijk de veiligheidsklassen definitief moeten vaststellen en de bijbehorende veiligheidsmaatregelen voorschrijven.
3.4
Melden, controle en handhaving grondverzet
Voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen (inclusief het tijdelijk opslaan) op de landbodem in Someren geldt een meldingsplicht. Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen moet dit ten minste vijf werkdagen van te voren melden via het Meldpunt bodemkwaliteit: https://www.meldpuntbodemkwaliteit.nl Namens het college van B&W worden (meldingen van) dergelijke toepassingen door toezichthouders van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) gecontroleerd.
pagina 20 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Uitzonderingen meldplicht: In het Besluit bodemkwaliteit zijn de volgende toepassingen vrijgesteld van de meldplicht:
het toepassen van grond of baggerspecie door particulieren. Schakelt een particulier een bedrijf in, bijvoorbeeld een aannemer, dan gelden deze vrijstelling niet. Ook als een particulier beroepsmatig bouwstoffen, grond of bagger toepast, geldt geen vrijstelling;
het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf als de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond of baggerspecie wordt toegepast;
het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen (zie § 3.1.1);
het toepassen van schone grond en baggerspecie (Landbouw/Natuur) in hoeveelheden kleiner dan 50 m3. Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie (Landbouw/Natuur) in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.
De zorgplicht blijft voor agrariërs en particulieren overigens wel gelden. De vrijstelling ontslaat particulieren en agrariërs ook niet van de plicht om te voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit. Wanneer vermoedens bestaan dat de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie niet voldoen aan de eisen van het besluit, kan door het bevoegd gezag handhavend worden opgetreden. Binnen grootschalige toepassingen, waarbij gedurende een lange periode verzet van grote hoeveelheden grond plaats gaat vinden, is het aan te bevelen om vooraf in overleg te treden met de gemeente en de ODZOB. Hierbij kunnen afspraken worden gemaakt over de wijze en termijn van melden, zodat voor de initiatiefnemer een werkbare procedure ontstaat, waarbij gewaarborgd blijft dat de gemeente en de ODZOB voldoende inzicht krijgen in de kwaliteit van de toegepaste partijen grond.
3.5
Transport van grond
In het kader van het Besluit Bodemkwaliteit moet alleen het toepassen van grond en baggerspecie worden gemeld bij het meldpunt bodemkwaliteit. Verplichtingen voor transport vanuit andere wet- en regelgeving Omdat grond of baggerspecie in veel gevallen bij transport over de openbare weg als afvalstof wordt gezien, moet het transport vergezeld gaan van een begeleidingsbrief. Dit geldt ook voor een transport van een partij herbruikbare grond of baggerspecie naar een toepassing of tijdelijke opslaglocatie onder het Besluit bodemkwaliteit. Als de grond of baggerspecie wordt afgevoerd naar een gronddepot (met een opslagcapaciteit groter dan 50 m3), reiniger of stortplaats (meldingsplichtige inrichtingen volgens het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen [25]), moet de acceptant van het materiaal een melding doen van de acceptatie van de afvalstoffen aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA). De acceptant verstrekt aan de ontdoener van de afvalstoffen een afvalstroomnummer, dat tijdens transport op de begeleidingsbrief moet staan. Meer informatie over afvalstroomnummers en begeleidingsbrieven vindt u op de website van het LMA.
pagina 21 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
4
Bodembeleid
Bij de aanvraag van een wijziging van een bestemming en van een omgevingsvergunning (bouwen en/of milieu) is in veel gevallen bodemonderzoek vereist. Dit hoofdstuk beschrijft wanneer bodemonderzoek daadwerkelijk nodig is en hoe de gegevens worden getoetst.
4.1
Bestemmingsplannen
Bij bestemmingsplannen, dan wel in het kader van de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, dient volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, art. 3.1.6) [26] rekening gehouden te worden met de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) [6]. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. De toelichting van een bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Daarnaast dienen de kosten voor milieukundig bodemonderzoek en van bodemsanering meegenomen te worden in een exploitatieplan (Bro, art. 6.2.4). De gemeente toetst of de bodem milieuhygiënisch geschikt is (of kan worden gemaakt, inclusief financiële toets) voor de geplande vorm van bodemgebruik. Om te kunnen bepalen of de bodem milieuhygiënisch geschikt is voor de geplande vorm van bodemgebruik dient altijd minimaal een historisch bodemonderzoek volgens de NEN 5725 [24] uitgevoerd te worden. Het historisch bodemonderzoek moet betrekking hebben op het gehele plangebied. Afhankelijk van de resultaten van het historisch bodemonderzoek kan aanvullend een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN 5740 [15] en/of NEN 5707 [27] of nader bodemonderzoek volgens de NTA 5755 [28] en/of NEN 5707 noodzakelijk zijn.
Deze bodemonderzoeken kunnen zich beperken tot de voor bodemverontreiniging verdachte deellocaties en tot de verdachte stoffen. Locaties of deellocaties waarvan op basis van het historisch bodemonderzoek geen lokale verontreinigingen bekend zijn (op grond van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken) en waar ook geen (potentiële) bronnen van bodemverontreiniging aanwezig zijn (geweest), kunnen als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging worden beschouwd. Bij dergelijke (deel)locaties kan voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit worden uitgegaan van de diffuse bodemkwaliteit van de bijbehorende bodemkwaliteitszone (conform ontgravingskaart in de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart). Voor onverdachte (deel-) locaties wordt in het kader van het bestemmingsplan verder geen bodemonderzoek noodzakelijk geacht. Als uit het historisch bodemonderzoek blijkt, dat er van een (deel)locatie wel lokale verontreinigingen bekend zijn of er zijn (potentiële) bronnen van bodemverontreiniging aanwezig (geweest), dan is er sprake van een voor bodemverontreiniging verdachte (deel)locatie en dient er alsnog een gericht bodemonderzoek te worden uitgevoerd volgens de NEN 5740 (verkennend bodemonderzoek) en/of NEN 5707 (verkennend asbestonderzoek in grond) en zo nodig ook een nader bodemonderzoek volgens de NTA 5755 en/of NEN 5707 asbest.
Na uitvoering van (historisch) bodemonderzoek kunnen er twee situaties worden onderscheiden:
Er is geen sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming (Wbb) [29]. Daarnaast is de huidige diffuse bodemkwaliteit geschikt voor de geplande
pagina 22 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
vorm van bodemgebruik. Dit betekent dat er geen belemmering is voor de bestemmingswijziging. De uitkomsten worden beschreven in de bodemparagraaf van het bestemmingsplan.
Er is wel sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wbb of een diffuse bodemkwaliteit die niet geschikt is voor de geplande vorm van bodemgebruik. De aanwezigheid van een lokale verontreiniging kan bij de realisatie van het bestemmingsplan aanleiding zijn voor het uitvoeren van bodemsanering.
De kosten van het verwerken van de bij het voorgenomen bestemmingsplan vrijkomende (diffuus) verontreinigde grond (denk aan grondverzet bij aanleg/bouw van wegen en huizen) en de kosten voor het nemen van sanerende maatregelen bij aanwezigheid van lokale verontreiniging dienen in het exploitatieplan van het bestemmingsplan te worden opgenomen. Indien het voornamelijk gaat om diffuus verontreinigde grond is het vooral van belang om in de planfase rekening te houden met het streven naar een gesloten grondbalans. Indien grond moet worden afgevoerd moet rekening worden gehouden met de meerkosten voor het elders toepassen of afvoeren naar een erkende verwerker (o.a. grondbank). Het gaat om het identificeren en kwantificeren van de (financiële) risico’s. Voor een bestemmingsplan dat enkel wordt geactualiseerd en waar de bebouwing en inrichting gehandhaafd blijft (conserverend bestemmingsplan), is de uitvoering van een historisch bodemonderzoek voldoende. Het aantreffen van een (mogelijke) verontreiniging bij een bestemmingsplanprocedure leidt in dat geval niet tot aanvullend bodemonderzoek of sanering. Pas op het moment dat hier daadwerkelijk ontwikkeling plaatsvindt, zijn de vervolgstappen van belang.
Indien voor de ruimtelijke ontwikkeling in een later stadium een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of milieu noodzakelijk is, is het aan te bevelen het hiervoor benodigde bodemonderzoek al uit te voeren voor de bestemmingsplanprocedure. Dit om zo vertragingen te voorkomen. Dit geldt ook voor bodemonderzoeken die dienen te worden uitgevoerd vanuit eventuele andere wettelijke kaders, zoals de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk (aanlegvergunning) en ontgronden.
4.2
Omgevingsvergunning bouwen
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit dient conform de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor, art. 2.4) [30] een onderzoeksrapport inzake de bodemgesteldheid aangeleverd te worden. In volgende gevallen kan de gemeente vrijstelling verlenen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek: 1.
Een bouwwerk is vergunningsvrij conform het Besluit Omgevingsrecht (Bor) art. 2 en 3 Bijlage II [33] of naar aard en omvang gelijk aan een vergunningsvrij bouwwerk;
2.
Het bouwwerk raakt de grond niet (ook inpandige verbouwing) of het bestaande feitelijk gebruik blijft gehandhaafd;
3.
Bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven (verblijfsruimten, zie richtlijn voor bepalen verblijfsduur van mensen in bouwwerken);
4.
Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn (max. 15 jaar) conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), art. 2.23 [34] en conform het Besluit Omgevingsrecht (Bor) art.5.16.
pagina 23 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Richtlijn voor bepalen verblijfsduur van mensen in bouwwerken Het primaire doel van de bodemtoets is te voorkomen dat er gebouwd wordt op dusdanig verontreinigde grond dat nadelige gevolgen kunnen ontstaan voor de gebruikers van het bouwwerk. De woningwet stelt dan ook in artikel 8 lid 3 dat geen bodemtoets hoeft plaats te vinden wanneer 'het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk, waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven'. In de memorie van toelichting staat hierover dat het bouwwerken moet betreffen waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een structureel verblijf van twee of meer uren van dezelfde mensen in het gebouw. In een aantal gevallen kan discussie ontstaan over het verblijfscriterium 'enige tijd'. Om deze discussie zoveel mogelijk te voorkomen, zijn hieronder enkele richtlijnen gegeven: < 2 uur
: schuren, garages, tuinhuisjes, gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, tijdelijke loodsen, opslagplaatsen;
< 2 uur, tenzij
: voor gebouwen voor het telen van groenten, fruit en overige gewassen en het houden van vee zoals varkensstallen, koeienstallen, kippenstallen e.d. wordt aangenomen dat zij niet voldoen aan het verblijfscriterium en dat dus geen bodemtoets plaatsvindt, tenzij uit de aanvraag en het aangegeven gebruik vast komt te staan dat wel voldaan wordt aan het verblijfscriterium;
> 2 uur, tenzij
: voor gebouwen voor de distributie van goederen (groothandels e.d.) wordt aangenomen dat zij wel voldoen aan het verblijfscriterium en dat dus op grond daarvan een bodemtoets dient plaats te vinden, tenzij kan worden aangetoond dat dit niet het geval is.
> 2 uur
: woningen, recreatiewoningen, scholen, kantoren, bedrijfsgebouwen, etc.
In de Bouwverordening van de gemeente Someren (art. 2.1.5) [31] is opgenomen dat het betreffende onderzoek naar de bodemgesteldheid bestaat uit:
Een recent milieuhygiënisch (verkennend) bodemonderzoek conform NEN 5740 [15], en;
Indien het vermoeden bestaat dat asbest in de bodem aanwezig is een (verkennend/nader) asbest in grond onderzoek conform NEN 5707 [27].
Onder een recent bodemonderzoek wordt verstaan een onderzoek dat niet ouder is dan 5 jaar (geldigheidstermijn) [32]. Indien onderzoeken verouderd zijn met een maximum van 10 jaar kan volstaan worden met aanleveren van een aanvullend bodemonderzoek conform NEN5740 van alleen de bovengrond. Voorwaarde hiervoor is wel dat de inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd en er geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Indien bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden na uitvoering van het bodemonderzoek, dient het bodemonderzoek geactualiseerd te worden. De opzet van het actualiserend bodemonderzoek is afhankelijk van de aard en omvang van de bodembedreigende activiteiten. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. De gemeente Someren toetst de bodemonderzoek(en) aan de Woningwet (art.8) [35]. In de Woningwet en de Bouwverordening (art. 2.4.2) zijn regels opgenomen om het bouwen op verontreinigde grond tegen te
pagina 24 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
gaan. Er mag niet gebouwd worden op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van gebruikers. Dit geldt voor bouwwerken:
waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven (verblijfsruimten);
waarvoor een omgevingsvergunning is vereist; en 1. die de grond raken of; 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
Indien door de gemeente vrijstelling wordt verleend voor het indienen van een verkennend bodemonderzoek, moet de gemeente toetsen of er al bodemonderzoeken bekend zijn bij de gemeente waaruit blijkt dat er sprake is van sterk verontreinigd grond en/of grondwater. Indien uit een ingediend of reeds bekend bodemonderzoek blijkt dat er sprake is van sterk verontreinigde grond en/of grondwater kan de gemeente de Omgevingsvergunning bouwen onder voorwaarden verlenen (art. 2.4.2, Bouwverordening). Er kan sprake zijn van twee situaties: Geval van niet-ernstige bodemverontreiniging of nieuwe bodemverontreinigingen De Omgevingsvergunning bouwen kan worden verleend onder de voorwaarde dat de bodem (grond en/of grondwater) geschikt gemaakt wordt voor het beoogde doel (zie § 5.1.2). Na afloop van de saneringswerkzaamheden dient een saneringsevaluatie ingediend te worden bij de gemeente. Het starten van de bouwwerkzaamheden voordat ingestemd is met de saneringsevaluatie is toegestaan, mits vooraf afstemming heeft plaatsgevonden met de gemeente en voldaan is aan de saneringsdoelstelling. Geval van ernstige bodemverontreiniging De Omgevingsvergunning bouwen kan worden verleend, maar treedt conform art.
6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) onverminderd niet in werking als er ter plaatse van het bouwwerk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan vóór 1 januari 1987 conform de Wet bodembescherming. De omgevingsvergunning treedt pas in werking als:
vastgesteld is dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waarbij een spoedige sanering noodzakelijk is (art. 29 en 37, Wet bodembescherming); of
er ingestemd is met een (deel)saneringsplan (Wbb art. 39, tweede lid) én het desbetreffende besluit in werking is getreden; of
er een BUS-melding (Wbb art. 39b, derde lid) is verricht en de gesteld termijn (5 weken) is verstreken.
Na afloop van de saneringswerkzaamheden dient een saneringsevaluatie ingediend te worden bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Het starten van de bouwwerkzaamheden voordat ingestemd is met de saneringsevaluatie is toegestaan, mits vooraf afstemming heeft plaatsgevonden met het bevoegd gezag en voldaan is aan de saneringsdoelstelling.
pagina 25 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
4.3
Verhoogde gehalten metalen in grondwater
In de regio komen verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwater voor die sterk kunnen fluctueren in plaats en tijd. Bij gehalten die de tussenwaarde of interventiewaarde overschrijden dient per situatie bekeken te worden of sprake kan zijn van een bodemverontreiniging of natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. Signaalwaarden Op basis van de grondwaterkwaliteitskaart heeft de gemeente Someren (zie bijlage 6) voor de zware metalen barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, nikkel en zink signaalwaarden vastgesteld waarmee beoordeeld kan worden of gemeten grondwaterconcentraties bij bodemonderzoek aansluiten bij de natuurlijke achtergrondkwaliteit van het grondwater op een locatie. Er is geen onderscheid gemaakt in zones. In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012 [36] wordt aanbevolen om gebruik te maken van de 98-percentielwaarde (P98) als signaalwaarde. Tabel 4.1: Signaalwaarden zware metalen (ondiep grondwater gemeente Someren Zware metalen
Signaalwaarde (P98)
Streefwaarde
Tussenwaarde
Interventiewaarde
Barium
513,20
50,00
337,00
625,00
Cadmium
6,23
0,40
3,20
6,00
Chroom
16,00
1,00
15,50
30,00
Kobalt
93,00
20,00
60,00
100,00
Koper
65,00
12,00
45,00
75,00
Nikkel
140,00
15,00
45,00
75,00
Zink
900,00
65,00
432,50
800,00
Daarnaast zijn er door de Provincie Noord-Brabant nog ‘gebiedswaarden de Kempen’ voor cadmium en zink vastgesteld [37, 44]. De gebiedswaarden zijn gebaseerd op de 90-percentielwaarden van gemeentelijke meetgegevens (vanaf 2000 t/m 2007) voor zware metalen in het ondiepe grondwater en berekende depositie-gegevens via het BeNeKempen grondwatermodel. Gebiedswaarden gelden alleen voor de stoffen cadmium en zink. Tabel 4.2:
gebiedswaarden de Kempen (ondiep grondwater)
Gemeente
Cadmium (µg/l)
Zink (µg/l)
Cranendonck
6,0
2000
3,0
800
Bergeijk, Bladel, Eersel, Veldhoven, Valkenswaard, Heeze-Leende, Someren, Asten, Waalre
Noodzaak herbemonstering en nader onderzoek Ten aanzien van de zinkassengerelateerde verontreinigingen van het grondwater met cadmium en zink in De Kempen is door het projectbureau Actief Bodembeheer de Kempen, een voormalig projectbureau van de Provincies Noord-Brabant en Limburg, een gebiedsgericht grondwaterbeheerplan opgesteld [44]. Binnen het gebiedsgericht grondwaterbeheerplan De Kempen is de aanpak beperkt tot verontreinigingen met cadmium en zink. De reden hiervoor is dat deze stoffen gecorreleerd zijn aan de regionale zinkassen-
pagina 26 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
problematiek en veelvuldig in verhoogde gehalten worden aangetroffen. De gemeente Someren sluit aan bij deze aanpak voor de metalen waarvoor een signaalwaarde is vastgesteld. Omgevingsvergunningen voor een bouwactiviteit kunnen in beginsel worden gehonoreerd als het grondwater niet boven de signaalwaarden voor barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, nikkel en zink verontreinigd is. Voor de overige zware metalen wordt hiervoor de tussenwaarde aangehouden. Indien de verhoogde gehalten niet gerelateerd kunnen worden aan bedrijfsactiviteiten en er geen sprake is van een verontreiniging van de grond, is vrijwel zeker sprake van een regionaal verhoogde achtergrondwaarde. Verder onderzoek is dan niet noodzakelijk. Het hanteren van deze verhoogde waarden voor barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, nikkel en zink levert geen risico's op voor de mens. Indien er sprake is van gehalten aan zware metalen boven de signaalwaarden èn deze kunnen worden gerelateerd aan bedrijfsactiviteiten op of in de omgeving van het onderzochte perceel (lokale potentiële bron van bodemverontreiniging m.b.t. zware metalen aanwezig), dan dient wel vervolg-onderzoek plaats te vinden (herbemonstering en/of nader grondwateronderzoek). De aanpak conform het gebiedsgericht grondwaterbeheerplan is beknopt weergegeven in tabel 4.3.
Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar het gebiedsgericht grondwaterbeheerplan De Kempen [44]. Tabel 4.3:
Aanpak verhoogde gehalten zware metalen in grondwater Oorzaak
Actie gericht op
Actie bij gehalten
Actie bij gehalten
bronverwijdering
> signaalwaarden
< signaalwaarden
Geen actie
Geen actie
Geen actie
Verwijderen zinkassen
Geen actie
Geen actie
Alleen door diffuse belasting Afkomstig uit zinkassen (en deels diffuus) Afkomstig uit andere bron(nen)
Bron verwijderen
Sanering tot signaalwaarden
Geen actie
Bovenstaande werkwijze geldt ook voor de door de gemeente uit te voeren bodemtoetsen van ruimtelijke plannen, etc. Overschrijding risicogrenswaarden Indien er sprake is een overschrijding van risicogrenswaarden dient een gebruiksadvies opgesteld te worden [38]. Afhankelijk van de situatie kan het volgende van toepassing zijn: 1)
in geval van een omgevingsvergunning, activiteit bouw: als advies bij de bouwvoorschriften opnemen;
2)
in geval van bestemmingsplan: als gebruiksbeperkingen opnemen in bestemmingsplan. De gebruiker dient daarnaast geïnformeerd te worden over eventuele gebruiksadviezen.
pagina 27 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Tabel 4.4:
risicogrenswaarden grondwater (µg/l) As
Ba
Cd
Cr
Co
Cu
Hg
Pb
Mo
Ni
Zn
Drinkwater
10
n.b.
5
50
n.b.
2000
1
10
n.b.
20
3000
Veedrenking
100
n.b.
10
1000
n.b.
500
10
100
n.b.
100
24000
Beregening
50
n.b.
10
100
n.b.
200
n.b.
50
n.b.
200
2000
Humaan risico1)
320
3740
11
574
100
4060
28
17
300
735
17700
n.b.
niet bekend
De P98 is voor geen van de stoffen hoger dan de risicowaarden voor beregening van gewassen en veedrenking. Voor arseen, cadmium, lood en nikkel is de P98 hoger dan de grenswaarde voor drinkwater (humaan risico). Grondwateronttrekking Grondwateronttrekking binnen een (mogelijk) geval van ernstige bodemverontreiniging betreft een sanerende handeling onder de Wet bodembescherming (Wbb). Hiervoor dient een saneringsplan opgesteld te worden. Grondwateronttrekking binnen een (mogelijk) geval van ernstige bodemverontreiniging is enkel mogelijk na toestemming van het bevoegd gezag Wbb, zie hoofdstuk 5.
4.4
Wet milieubeheer en activiteitenbesluit
In artikel 1.1a van de Wet milieubeheer (Wm) [39] staat: 'Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht.' Deze zogenoemde zorgplicht houdt in ieder geval in dat iedereen 'die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijke handelingen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.' Het zorgplichtartikel uit de Wm verplicht (evenals het algemene zorgplichtartikel 13 uit de Wbb [29]) om nieuwe bodemverontreiniging op te ruimen en vormt het uitgangspunt voor het opleggen van specifieke bodemgerelateerde voorschriften in de vergunning (omgevingsvergunning milieu) of in algemene regels (Activiteitenbesluit) [40]. 4.4.1 Omgevingsvergunning milieu De omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit milieu wordt ten aanzien van preventieve bodembescherming getoetst aan de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) [36]. Op basis van de NRB voert aanvrager een bodemrisicoanalyse uit om zo de aard en de mate van bodembedreigende activiteiten te bepalen.
Als sprake is van bodembedreigende activiteiten, dan is in het merendeel van de gevallen het uitvoeren van een bodemonderzoek verplicht. In de vergunning dienen zowel voorschriften voor het vastleggen van de nulsituatie als voor het uitvoeren van de eindsituatie te worden opgenomen. Bij actualisatie van omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kan om een nulsituatie bodemonderzoek worden gevraagd als er binnen de inrichting nieuwe bodembedreigende activiteiten plaatsvinden.
pagina 28 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
In de vergunning kan daarnaast worden opgenomen dat periodiek een herhalingsbodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Het herhalingsonderzoek maakt vroegtijdig ingrijpen door de - dan nog - actieve inrichting mogelijk bij onverhoopte verontreiniging van de bodem. De locatie (bodemtype), de mobiliteit van de bodembedreigende stoffen en het verspreidingsrisico spelen een rol bij de keuze voor een herhalingsfrequentie. Per geval wordt beoordeeld of het nodig is om een herhalingsbodemonderzoek voor te schrijven in de omgevingsvergunning. 4.4.2 Melding Activiteitenbesluit milieubeheer Bij bedrijven, die onder het Activiteitenbesluit vallen, wordt in een aantal voorschriften van het besluit specifiek aandacht besteed aan bodemaspecten. Op grond van artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit zijn er een drietal momenten dat bodemonderzoek verplicht is: 1.
Wanneer een inrichting wordt opgericht en binnen die inrichting bodembedreigende activiteiten worden uitgevoerd. De resultaten van het nulsituatie bodemonderzoek worden binnen drie maanden na oprichting van de inrichting toegezonden aan het bevoegd gezag (art. 2.11, lid 1). Een uitzondering hierop is dat een IPPC-installatie op grond van artikel 4.3 lid 1 van de Ministeriele regeling omgevingsrecht (MOR) [30] een onderzoeksrapport moet aanleveren voor de start van de activiteiten.
2.
Wanneer een inrichting of activiteit binnen een inrichting zodanig wijzigt dat het nodig is de bodemkwaliteit vast te leggen met het oog op een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem die kan of is ontstaan door een bodembedreigende activiteit. Het bevoegd gezag stelt dit met een ‘maatwerkvoorschrift’ vast, zijnde een besluit (art. 2.11, lid 2).
3.
Wanneer een dergelijke inrichting wordt beëindigd, of de IPPC-installatie, of na beëindiging van het opslaan van een vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse tank. De resultaten van het eindsituatiebodemonderzoek worden binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of de beëindiging van opslag in een ondergrondse tank verzonden aan het bevoegd gezag (art. 2.11, lid 3).
4.4.3 Nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek Hoewel conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) bij bodembedreigende activiteiten altijd een nulsituatie bodemonderzoek moet worden uitgevoerd, blijkt uit diverse jurisprudentie van de Raad van State, dat bij een bedrijf met een verwaarloosbaar bodemrisico geen nulsituatie bodemonderzoek verlangd mag worden zonder een deugdelijke motivering. Voor de mogelijke mate van bodemverontreiniging speelt naast de omvang ook de aard van de gebruikte stoffen een belangrijke rol. Het risico op bodemverontreiniging alsmede de ernst en omvang hiervan is in grote mate gerelateerd aan de mobiliteit van de stof. Gelet op het voorgaande, zal de gemeente Someren het al dan niet verlangen van een nulsituatie bodemonderzoek af laten hangen van zowel de omvang van de betreffende activiteit, alsmede de aard van de verontreinigende stof, overeenkomstig tabel 4.3. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen agrarische en niet-agrarische bedrijven.
pagina 29 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Tabel 4.3:
noodzaak nulsituatiebodemonderzoek in relatie tot omvang activiteit en aard stoffen Aard
Immobiel
: t/m 200 l of kg
mobiel
: t/m 100 l of kg
zeer mobiel
: t/m 25 l of kg
Immobiel
: onbeperkt
mobiel
: t/m 5.000 l of kg
zeer mobiel
: t/m 1.000 l of kg
Immobiel
: n.v.t.
mobiel
: > 5.000 l of kg
zeer mobiel
: > 1.000 l of kg
*)
Omvang
NRB Blijft buiten
Zeer gering
beschouwing Verwaarloosbaar
Gering
bodemrisico
Aanzienlijk
Verwaarloosbaar bodemrisico
Voorziening
0-sit.*)
Waar nodig beperkte voorschriften ter bescherming
Nee
van de bodem Vloeistofkerende voorziening Gecertificeerde vloeistofdichte voorziening
Nee Nee
Vloeistofkerende voorziening Gecertificeerde vloeistofdichte voorziening
Ja Nee
0-sit.: nulsituatie bodemonderzoek.
Eisen nul- en eindsituatiebodemonderzoek Het nulsituatie bodemonderzoek dient te voldoen aan de NEN 5740 [15] en uitgevoerd te worden conform de onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige belasting (NUL) of de onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige ondergrondse opslagtank(s) (NUL-OO). Een revisie- of eindsituatiebodemonderzoek wordt uitgevoerd volgens dezelfde strategie en op dezelfde plaats als het voorgaande nulsituatie bodemonderzoek. Indien geen nulsituatie bodemonderzoek beschikbaar is kan een revisie- of eindsituatiebodemonderzoek plaatsvinden volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijk bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern (VEP) of volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtank(s) (VEP-OO). Het onderzoek richt zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen of vormden en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, zullen plaatsvinden dan wel hebben plaatsgevonden (art. 2.11, lid 8, Activiteitenbesluit). Een aanwezige vloeistofdichte vloer of verharding wordt ten behoeve van het onderzoek niet doorboord of anderszins aangetast (art. 2.11, lid 9, Activiteitenbesluit).
Er kan in dat geval worden volstaan met onderzoek van het grondwater aan de stroomafwaartse zijde zo dicht mogelijk bij de bron. Voor het bepalen van de benodigde analyses kan gebruik gemaakt worden van het overzicht kritische paramaters, zie bijlage 9. 4.4.4 Herstelplicht Indien uit het eindsituatiebodemonderzoek blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat binnen zes maanden na toezending van dat rapport aan het bevoegd gezag de bodemkwaliteit is hersteld tot: 1.
de situatie bij oprichting of verandering van de inrichting voor zover die situatie is vastgelegd in een rapport van een nulsituatie bodemonderzoek;
2.
de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit indien er geen rapport van een nulsituatie bodemonderzoek beschikbaar is.
pagina 30 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Gelet op dit laatste kan het dus in het belang van de drijver van de inrichting zijn om wel een nulsituatiebodemonderzoek uit te voeren om te voorkomen dat deze verantwoordelijk kan worden gesteld voor de sanering van al aanwezige verontreinigingen. Herstel vindt plaats voor zover dat met de beste beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is, door een persoon of instantie die een erkenning bezit op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Degene die de inrichting drijft meldt de aanvang en de afronding van de werkzaamheden direct aan het bevoegd gezag.
4.5
Grondtransacties
Met betrekking tot het uitvoeren van bodemonderzoek bij aan- en verkoop van gronden door de gemeente Someren is de volgende beleidslijn vastgesteld: 4.5.1 Aankoop van gronden door de gemeente Someren 1.
bij onverdachte stroken grond ten behoeve van de aanleg van fietspaden of andere infrastructurele werken: beperkt verkennend bodemonderzoek a);
2.
bij onverdachte terreinen met een oppervlakte kleiner dan 100 m2: beperkt verkennend bodemonderzoek 1);
3.
bij terreinen waarbij sprake is van een samenloop met andere wettelijke eisen ten aanzien van bodemonderzoek: gecombineerd bodemonderzoek b);
4.
bij terreinen waarop reeds eerder een bodemonderzoek is uitgevoerd, dat voldoende actueel is en voldoet aan de hieraan gestelde eisen: geen bodemonderzoek;
5.
bij alle overige terreinen: verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740. a)
: Gelet op de geringe omvang van de locaties wordt vanuit kostenoogpunt volstaan met onderzoek van de
b)
: Door, waar mogelijk, vanuit verschillende (wettelijke) kaders vereiste onderzoeken te combineren, kunnen
bovengrond (beperkt verkennend bodemonderzoek).
kosten worden bespaard.
De kosten van bodemonderzoek worden meegenomen in de verwervingskosten van het terrein c.q. verrekend in de verkoopprijs van het terrein. Voor de koper dient aan de hand van het uitgevoerde bodemonderzoek een inschatting kunnen worden gemaakt van de risico's van eventuele verontreinigingen en een raming van de saneringskosten. In de koopovereenkomst dient duidelijk te worden aangegeven wie verantwoordelijk is voor een eventuele sanering van de bodemverontreiniging.
pagina 31 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
4.5.2 Verkoop van gronden door de gemeente Someren 1.
bij onverdachte terreinen met een oppervlakte kleiner dan 100 m2: geen bodemonderzoek (koper wordt wel in de gelegenheid gesteld om voor eigen rekening een bodemonderzoek uit te laten voeren);
2.
bij terreinen waarop reeds eerder een bodemonderzoek is uitgevoerd, dat voldoende actueel is en voldoet aan de hieraan gestelde eisen: geen bodemonderzoek;
3.
bij alle overige terreinen: verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740.
In de verkoopovereenkomst wordt een bepaling opgenomen met betrekking tot de bodemkwaliteit (met verwijzing naar het uitgevoerde bodemonderzoek) en, zo nodig, eventuele gebruiksbeperkingen, voorwaarden, aansprakelijkheden, etc. Indien geen bodemonderzoek is/wordt uitgevoerd (dit is dus uitsluitend het geval bij verkoop van kleine stroken grond), wordt dit ook expliciet vermeld in de verkoopovereenkomst, tezamen met een afwijzing van verdere aansprakelijk voor een eventueel later aangetoonde verontreiniging. De kosten van bodemonderzoek worden meegenomen in de verwervingskosten van het terrein c.q. verrekend in de verkoopprijs van het terrein. Voor de koper dient aan de hand van het uitgevoerde bodemonderzoek een inschatting kunnen worden gemaakt van de risico's van eventuele verontreinigingen en een raming van de saneringskosten. In de koopovereenkomst dient duidelijk te worden aangegeven wie verantwoordelijk is voor een eventuele sanering van de bodemverontreiniging. 4.5.3 Huur, verhuur of erfpacht Bij huur, verhuur of erfpacht moet minimaal een vooronderzoek conform de NEN 5725 zijn uitgevoerd. De noodzaak voor verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 moet per situatie worden bepaald.
Bij huur, verhuur of erfpacht van percelen waar in de toekomst sprake is van bodembedreigende activiteiten moet altijd een bodemonderzoek conform NEN 5740 plaatsvinden, zowel voorafgaand (nulsituatie) als na afloop (eindsituatie) van de huur-/erfpachtperiode.
pagina 32 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
5
Het saneren van een bodemverontreiniging
Indien op een terrein sprake is van een bodemverontreiniging, zal dit in vele gevallen beperkingen geven voor eventuele ontwikkelingen op een locatie. Om een locatie geschikt te maken voor het toekomstige gebruik is in deze situaties vaak een bodemsanering noodzakelijk. In de Wet bodembescherming (Wbb) [29] zijn regels opgenomen om de bodem te beschermen, daarnaast zijn er regels opgenomen over hoe om te gaan met gevallen van ernstige bodemverontreiniging. In de Circulaire bodemsanering 2013 [41] wordt ingegaan op het milieuhygiënisch saneringscriterium (wanneer is saneren noodzakelijk en op welke termijn) en de saneringsdoelstelling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende vormen van bodemverontreiniging en welke instantie het bevoegde gezag is. Daarnaast wordt kort de procedure besproken, welke doorlopen dient te worden om de bodemverontreiniging te saneren.
5.1
Historische bodemverontreiniging
Indien een bodemverontreiniging wordt aangetroffen moet vastgesteld worden of sprake is van een historische verontreiniging of van een recente ‘nieuwe’ verontreiniging. Er is sprake van een historisch geval van bodemverontreiniging als deze ontstaan is vóór 1 januari 1987. Voor asbest geldt dat sprake is van een historisch geval van bodemverontreiniging als deze ontstaan is vóór 1 juli 1993 (vanaf die datum is het in Nederland verboden om asbest(houdende) materialen te (her)gebruiken). In alle andere situaties is sprake van een zogenaamd nieuw geval van bodemverontreiniging (zie § 5.2). 5.1.1 Geval van ernstige bodemverontreiniging Indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, is de ODZOB namens de provincie Noord-Brabant bevoegd gezag Wet bodembescherming. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien voor ten minste één stof het gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van een grondverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. Er kunnen gevallen zijn waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden en er toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.
Ook in het geval van verontreinigingen met stoffen waarvoor geen interventiewaarde is afgeleid kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Voor asbest is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien het gehalte aan asbest (gewogen) in de grond de interventiewaarde 100 mg/kg ds overschrijdt. In tegenstelling tot andere stoffen geldt voor asbest geen volumecriterium. Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld, dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Er dient dan te worden bepaald of er sprake is van onaanvaardbare risico’s bij het huidige of toekomstig gebruik, in welk geval er spoedig moet worden gesaneerd. De spoedeisendheid wordt bepaald door middel van de uitvoering van een risicobeoordeling,
pagina 33 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
waarbij vastgesteld wordt of sprake is van onaanvaardbare actuele humane, ecologische of verspreidingsrisico’s. De volgende gevallen van kunnen zich voordoen:
Geval van ernstige bodemverontreiniging dat met spoed gesaneerd dient te worden (spoedlocatie). De ODZOB zal een saneringsverplichting opleggen, met een termijn waarbinnen de bodemsanering uitgevoerd zal moeten worden (veelal binnen 4 jaar na het afgeven van de beschikking ‘ernst en spoed’).
Geval van ernstige bodemverontreiniging dat niet met spoed gesaneerd dient te worden. Het is niet noodzakelijk om deze bodemverontreiniging direct te saneren. Het saneren kan plaatsvinden op een ‘natuurlijk’ moment, zoals bij (her)ontwikkeling of graafwerkzaamheden op een locatie.
Indien een geval van (mogelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt aangetroffen binnen de gemeente, dan meldt de gemeente dit bij het bevoegd gezag (Art. 41, Wbb). Een groot deel van de saneringen wordt uitgevoerd onder het Besluit Uniform Saneren (BUS), waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. Het BUS is een landelijke uniforme regeling voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd middels diverse standaardaanpakken kunnen worden afgerond. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor, waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. Indien een bodemsanering wordt uitgevoerd, moet de bodem ten minste geschikt gemaakt worden voor de functie die de locatie krijgt na sanering, waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt. Daarnaast moet het risico voor verspreiding en de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem (de nazorg) zo veel mogelijk beperkt worden (art. 38 Wbb). Bovenstaande geldt niet voor een BUS-melding tijdelijk uitplaatsen (BUS-TUP). Hierbij blijft de verontreinigingssituatie ongewijzigd. Wel moet een melding BUS-TUP worden ingediend om te waarborgen dat civieltechnische werkzaamheden op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden uitgevoerd.
De terugsaneerwaarden voor immobiele verontreinigingen dient bij voorkeur aan te sluiten bij de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart. Hiervan mag bij een saneringsplan gemotiveerd worden afgeweken (bij BUS-melding is afwijken niet mogelijk). Het aanvullen van een saneringsput valt onder het Besluit bodemkwaliteit, de aanvulgrond moet daardoor voldoen aan de gemeentelijke kwaliteitseisen (zie hoofdstuk 2 en 3). Bij een saneringsplan kan ook hier gemotiveerd van worden afgeweken. De sanering van mobiele verontreinigingen moet leiden tot een kwaliteit van grond en grondwater die het gewenste gebruik van de boven- en ondergrond mogelijk maakt, de risico’s van de verspreiding van (rest)verontreinigingen na sanering zo veel mogelijk beperkt en zo min mogelijk nazorg vereist. Dit kan worden beschouwd als een ‘stabiele, milieuhygiënisch acceptabele eindsituatie’. De precieze invulling hiervan hangt af van de kosteneffectiviteit van de sanering (afweging van onder andere kosten, technische mogelijkheden en eventuele nazorg voor de verontreiniging die achterblijft).
pagina 34 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Indieningsvereisten Om een bodemverontreiniging te saneren dient een saneringsplan of een melding Besluit Uniforme Sanering (BUS-melding) [8,9] ter beoordeling ingediend te worden bij de ODZOB. De standaard beoordelingstermijn voor een saneringsplan is 15 weken en voor een BUS-melding afhankelijk van het type melding 5 werkdagen (alleen voor categorie tijdelijk uitplaatsen waarvoor geen milieukundige begeleiding is vereist) of 5 weken (alle overige gevallen). De bodemsanering dient uitgevoerd te worden door een SIKB-BRL7000 [42] gecertificeerde aannemer en (in de meeste gevallen) begeleidt te worden door een SIKB-BRL 6000 [43] milieukundige begeleider. Na afronding van de bodemsanering dient binnen 8 weken een saneringsverslag of BUS-evaluatieformulier ingediend te worden bij de ODZOB. Namens de provincie Noord-Brabant beoordeelt de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) de saneringsplannen en saneringsevaluaties. Voor de juiste wijze van indienen wordt verwezen naar de website van de ODZOB (www.odzob.nl). Omgevingswet Bij het ingaan van de Omgevingswet zal er een bevoegdheidsverschuiving plaatsvinden.
De gemeente Someren wordt dan bevoegd gezag voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging met uitzondering van de gevallen waarvoor al een beschikking is genomen dat spoedige sanering noodzakelijk is of waarvoor al een saneringsplan of BUS-melding is ingediend en voor grondwaterverontreinigingen. 5.1.2 Geval van niet-ernstige bodemverontreiniging Indien sprake is van een geval van niet-ernstige bodemverontreiniging, kan de gemeente op grond van het Besluit bodemkwaliteit voorwaarden voorschrijven om deze niet-ernstige gevallen te verwijderen zodat voldaan wordt aan de gebiedskwaliteit. De gemeente Someren wil voorkomen dat sterk verontreinigde grond (met gehalte boven de interventiewaarde) vergraven wordt, dan wel elders wordt toegepast waardoor de lokale bodemkwaliteit kan verslechteren. Indien een initiatiefnemer graafwerkzaamheden wil uitvoeren in sterk verontreinigde grond, dan dient dit gemeld te worden bij de gemeente door middel van het indienen van een plan van aanpak. De terugsaneerwaarden dienen aan te sluiten bij de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart. Het plan van aanpak dient 4 weken voor aanvang van de graafwerkzaamheden ter beoordeling te zijn ingediend bij de gemeente. De bodemsanering van niet-ernstige gevallen valt formeel niet onder de Kwalibo-regelgeving.
De aannemer en de milieukundige begeleider hoeven niet gecertificeerd te zijn volgens de SIKB-BRL 7000 en de SIKB-BRL 6000. Dit wordt echter wel sterk aanbevolen. De gemeente zal voor het uitvoeren van bodemsaneringen altijd gebruik maken van erkende bodemintermediairs.
pagina 35 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Na afloop van de graafwerkzaamheden dient binnen een termijn van 4 weken een saneringsverslag te worden aangeleverd. De gemeente heeft 4 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring. Het plan van aanpak en de evaluatie kunnen ingediend worden via gemeente@someren.nl.
5.2
Nieuwe bodemverontreinigingen (zorgplicht)
Voor bodemverontreinigingen welke ontstaan zijn ná 1 januari 1987 en voor asbest ná 1 juli 1993 geldt dat sprake is van zorgplicht conform art. 13 Wet bodembescherming (Wbb) en art. 1.1a Wet milieubeheer (Wm). De omvang en mate van verontreiniging is hierbij niet relevant, dus kan ook betrekking hebben op verontreinigingen met een omvang van kleiner dan 25 m2 en/of gehalten kleiner dan de interventiewaarde. Op basis van deze artikelen is de veroorzaker van een bodemverontreiniging verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de verontreiniging ongedaan te maken. Dit houdt in dat de bodemverontreiniging in principe volledig verwijderd dient te worden, met inachtneming van het redelijkerwijs beginsel. Indien de bodemverontreiniging is ontstaan door een ongewoon voorval (calamiteit), dienen de sanerende maatregelen onverwijld genomen te worden om verdere verspreiding van de bodemverontreiniging tegen te gaan. De ODZOB is namens de provincie Noord-Brabant bevoegd gezag voor nieuwe bodemverontreinigingen buiten Wm-inrichtingen (art. 13 en 30 Wbb en art 17.9, lid 3 Wm). De gemeente is enkel bevoegd om handhavend op te treden bij het constateren van een nieuwe verontreiniging (art. 95 Wbb). De veroorzaker van de verontreiniging wordt hierbij verplicht gesteld om de verontreiniging te verwijderen.
De zaak wordt vervolgens afgehandeld door de ODZOB. Binnen Wm-inrichtingen conform de Wet milieubeheer is het bevoegd gezag voor nieuwe bodemverontreinigingen de vergunningverlenende instantie van de Omgevingsvergunning milieu (art. 17.2 en 17.9 Wm). Afhankelijk van het type inrichting is dit de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) namens de provincie of de gemeente. Indien de gemeente bevoegd gezag is, stemt de gemeente de benodigde herstelmaatregelen af met het bevoegd gezag Wet bodembescherming (ODZOB) (art. 17.2, lid 3 en 17.9, lid 5 Wm). 5.2.1 Nieuwe bodemverontreinigingen buiten Wm-inrichtingen De veroorzaker van bodemverontreinigingen welke ontstaan zijn ná 1 januari 1987 en voor asbest ná 1 juli 1993 buiten Wm-inrichtingen, is verplicht om verdere aantasting van de bodem te voorkomen en de aantasting zo veel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging is ontstaan als gevolg van een calamiteit (ongewoon voorval) dienen de maatregelen direct genomen (zonder uitstel) te worden om verdere verspreiding te voorkomen. Dit heeft alleen zin als de verontreiniging kort geleden is ontstaan en het eenvoudig is op te ruimen door middel van ontgraving.
pagina 36 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Degene die de bodemverontreiniging veroorzaakt of opmerkt meldt dit aan het bevoegd gezag (ODZOB) en geeft aan welke maatregelen worden genomen om de verontreiniging ongedaan te maken (art. 27 Wbb). De melding kan gedaan worden via bodemloket@odzob.nl. In het geval van een calamiteit (ongewoon voorval) moet de veroorzaker in de gelegenheid gesteld worden om de benodigde maatregelen te nemen om de verontreiniging ongedaan te maken. Als de geboden spoed zich hiertegen verzet, kan het bevoegd gezag acties (laten) uitvoeren en deze later in rekening brengen bij de veroorzaker. Er is sprake van rauwelijkse bestuursdwang (art 5.24 Algemene wet bestuursrecht) [6]. De veroorzaker moet wel zo spoedig mogelijk schriftelijk aansprakelijk worden gesteld. De ODZOB is het bevoegde gezag voor het beoordelen en handhaven van deze nieuwe bodemverontreinigingen. Indieningsvereisten Om een nieuwe bodemverontreiniging te saneren dient een plan van aanpak ter beoordeling ingediend te worden bij de ODZOB. In geval van een calamiteit kan direct gestart worden met de sanering en is een melding voldoende. De bodemsanering zal uitgevoerd moeten worden door een SIKB-BRL7000 gecertificeerde aannemer en begeleidt dienen te worden door een SIKB-BRL 6000 milieukundige begeleider. Uitzondering hierop vormen situaties waarin direct handelen is vereist (calamiteiten).
In deze situatie hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn volgens SIKB-BRL7000 (bereddering), de milieukundige begeleider bepaald de ontgravingsgrenzen en verzorgt de eindbemonstering. Na afloop van de graafwerkzaamheden zal binnen een termijn van 8 weken een saneringsevaluatie ter beoordeling aangeleverd moeten bij de ODZOB. De meldingen, het plan van aanpak en de saneringsevaluatie kunnen ingediend worden via bodemloket@odzob.nl. Regeling verwijdering calamiteuze stoffen (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, 23-12-2019) De “Regeling Verwijdering Calamiteuze Stoffen” (hierna RVCS) [45] is bedoeld om op een verantwoorde wijze gevaarlijke stoffen, onbekende stoffen en lege verpakkingen van gevaarlijke stoffen, die vrijkomen bij een calamiteit of onbeheerd worden aangetroffen of gedumpt (niet zijnde in een gebouw), af te voeren. Tevens is de RVCS bedoeld om de gevolgen van deze calamiteit of dumping voor de bodem ongedaan te maken. De gemeente Someren heeft de RVCS vastgesteld waarmee regionaal dezelfde werkwijze wordt gehanteerd bij het aantreffen van calamiteuze stoffen (voornamelijk drugsafval). Indien er een calamiteit heeft plaats gevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt, zal in overleg met de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant direct gestart worden met de bodemsanering.
De milieukundig begeleider stelt binnen één week na ontvangst van de analyseresultaten een briefrapport op over de uitvoering van de bodemsanering en stuurt dat ter beoordeling naar bodemloket@odzob.nl.
pagina 37 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Voor een nadere toelichting over de werkwijze bij het aantreffen van calamiteuze stoffen wordt verwezen naar de RVCS.
5.2.2 Nieuwe bodemverontreinigingen binnen Wm-inrichtingen De veroorzaker van bodemverontreinigingen welke ontstaan zijn ná 1 januari 1987 en voor asbest ná 1 juli 1993 binnen Wm-inrichtingen, is verplicht om verdere aantasting van de bodem te voorkomen en de aantasting zo veel mogelijk ongedaan te maken (art. 1.1a Wm en art. 2.11 Activiteitenbesluit) [40]. Indien de verontreiniging is ontstaan als gevolg van een calamiteit (ongewoon voorval) dienen de maatregelen direct genomen (zonder uitstel) te worden om verdere verspreiding te voorkomen (art. 17.1 Wm). Dit heeft alleen zin als de verontreiniging kort geleden is ontstaan en het eenvoudig is op te ruimen door middel van ontgraving. Bij een calamiteit wordt hiervan melding gemaakt bij het bevoegd gezag (de gemeente of bij provinciale inrichtingen de OMWB, zie § 5.2) (art. 17.2 Wm). Indien het uit een (eindsituatie) bodemonderzoek blijkt dat er door de activiteiten van de inrichting de bodemkwaliteit is aangetast, dan zorgt de drijver van de inrichting dat de bodemkwaliteit hersteld wordt en er binnen 6 maanden een evaluatie is ingediend bij het bevoegde gezag (art. 2.11 Activiteitenbesluit). Bij geen directe spoed zal voor aanvang een plan van aanpak ter beoordeling ingediend moeten worden bij het bevoegd gezag (art. 2.9a, Activiteitenbesluit). Zie ook §4.4.4.
Indieningsvereisten Om een nieuwe bodemverontreiniging te saneren binnen een inrichting dient een plan van aanpak ter beoordeling ingediend te worden bij de gemeente (of OMWB bij provinciale inrichtingen). In geval van een calamiteit kan direct gestart worden met de sanering en is een melding voldoende. De bodemsanering zal uitgevoerd moeten worden door een SIKB-BRL7000 gecertificeerde aannemer en begeleidt dienen te worden door een SIKB-BRL 6000 milieukundige begeleider. Uitzondering hierop vormen situaties waarin direct handelen is vereist (calamiteiten). In deze situatie hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn volgens SIKB-BRL7000 (bereddering), de milieukundige begeleider bepaald de ontgravingsgrenzen en verzorgt de eindbemonstering. Na afloop van de graafwerkzaamheden zal binnen een termijn van 8 weken een saneringsevaluatie ter beoordeling aangeleverd moeten bij de gemeente (of OMWB bij provinciale inrichtingen). De meldingen, het plan van aanpak en de saneringsevaluatie kunnen ingediend worden via gemeente@someren.nl. Voor provinciale inrichtingen dient contact opgenomen te worden met de Omgevingsdienst Midden en West-Brabant (OMWB).
pagina 38 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
6
Bodeminformatie
Alle bij de gemeente bekende gegevens over bodemonderzoeken en saneringen worden bijgehouden in het gemeentelijk bodeminformatiesysteem. Inzicht in de milieuhygiënische bodemkwaliteit kan noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld het uitvoeren van een bodemonderzoek, de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging of omgevingsvergunning, de aan/verkoop van een woning of als er graafwerkzaamheden in de bodem noodzakelijk zijn. De bodeminformatie van de gemeente Someren is online raadpleegbaar via de kaart ‘Omgevingsrapportage Noord-Brabant’. Aan de rechterzijde op de website ‘Omgevingsrapportage Noord-Brabant’ zit een pulldownmenu waar verschillende kaartlagen geselecteerd kunnen worden. Aan de linkerzijde kan de gewenste locatie opgezocht worden en is er de mogelijkheid om een rapportage met de bodeminformatie op te vragen (PDF). Op de website en in de rapportage wordt de volgende informatie weergegeven:
historische informatie over potentieel bodembedreigende activiteiten die zijn of worden uitgevoerd (historisch bodembestand);
rapporten van uitgevoerde bodemonderzoeken;
aanwezige grond- en grondwaterverontreinigingen;
saneringsplannen en saneringsevaluaties van in uitvoering zijnde of afgeronde bodemsaneringen.
In de rapportage worden eveneens de bodemgegevens geleverd in een straal van 25 meter rondom de geselecteerde locatie. Daarnaast is vaak een beknopte samenvatting aanwezig met de resultaten van de bodemonderzoeken. De gemeentelijke bodemdossiers kunnen worden opgevraagd via gemeente@someren.nl. Binnen 5 werkdagen zal de gemeente reageren. In de omgevingsrapportage worden ook de bodemdossiers van de Provincie Noord-Brabant weergegeven. Deze bodemdossiers zijn op te vragen bij de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant via bodemloket@odzob.nl.
pagina 39 van 39
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Bijlage 1
Referenties
1.
Besluit bodemkwaliteit, 22 november 2007;
2.
Regeling bodemkwaliteit, 13 december 2007;
3.
Nota van toelichting op het Besluit bodemkwaliteit;
4.
Nota van toelichting op de Regeling bodemkwaliteit;
5.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;
6.
Algemene Wet bestuursrecht;
7.
Bodemkwaliteitskaart gemeente Someren (WSP, kenmerk: SOB016556.RAP001, d.d.: 10-01-2022);
8.
Besluit uniforme saneringen;
9.
Regeling uniforme saneringen;
10.
Bestemmingsplannen;
11.
Categoriseringsplan Wegennet Someren;
12.
Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009);
13.
Bodemkwaliteitskaart PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant (Anteagroup, kenmerk: 0462683.100, d.d.: 28-10-2020);
14.
Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten, 3 september 2007, VROM & Ministerie van Verkeer en Waterstaat;
15.
NEN 5740. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond;
16.
Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (Geactualiseerde versie 2 juli 2020);
17.
Keur Waterschap Aa en Maas 2015 en Keur Waterschap De Dommel 2015;
18.
Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie (Agentschap NL, kenmerk: mca/201004004, d.d.: 7 juli 2010);
19.
BRL SIKB 7500. Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie;
20.
BRL 9335. Nationale beoordelingsrichtlijn voor Grond;
21.
BRL SIKB 1000. Beoordelingsrichtlijn Monsterneming voor partijkeuringen, Protocol 1001 – Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie;
22.
NEN 5720. Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie.
23.
CROW 400: Werken in en met verontreinigde bodem, richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risico gestuurd werken (Kennisplatform CROW, tweede gewijzigde druk, december 2017)
24.
NEN 5725. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek;
25.
Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
26.
Besluit Ruimtelijke Ordening;
27.
NEN 5707. Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond;
28.
NTA 5755. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging;
29.
Wet bodembescherming;
30.
Ministeriële regeling omgevingsrecht;
31.
Bouwverordening Someren;
32.
Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering;
33.
Besluit Omgevingsrecht;
34.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
35.
Woningwet;
36.
Nederlandse Richtlijn bodembescherming 2012 (NRB), Agentschap NL, maart 2012;
37.
Beleidsregel gebiedswaarden de Kempen Noord-Brabant, 10 juli 2015;
38.
Omgaan met regionaal verhoogde concentraties van zware metalen in grondwater in Noord-Brabant” (Platform bodembeheer Brabant, 1 november 2011);
39.
Wet Milieubeheer;
40.
Activiteitenbesluit Milieubeheer;
41.
Circulaire bodemsanering 2013;
42.
BRL SIKB 7000. Beoordelingsrichtlijn Uitvoering (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem;
43.
BRL 6000. Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van (water)bodemsaneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg.
44.
Grondwaterplan in de Kempen – Actieplan cadmium en zink, Actief Bodembeheer de Kempen, kenmerk 3101082, vastgesteld juni 2013.
45.
Regeling verwijdering calamiteuze stoffen (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, d.d.: 23-12-2019).
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Bijlage 2
Begrippenlijst
NOTA BODEMBEHEER GEMEENTE SOMEREN
Achtergrondwaarden Bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.
Baggerspecie Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, evenals van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.
Bodembeheergebied Aaneengesloten, afgebakend deel van de oppervlakte van één of meer gemeenten of het beheergebied van één of meer waterkwaliteitsbeheerders.
Bodemfunctie Gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater, zoals overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling.
Bodemfunctieklasse Bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van bodemfuncties:
Industrie;
Wonen;
Overig (landbouw/natuur).
Bodemfunctieklassenkaart Kaart waarop de bodemfunctieklassen staan aangegeven.
Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten in een gebied. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).
Bodemkwaliteitskaart Kaart waarop zones met gelijke chemische bodemkwaliteit staan aangegeven.
Bodemkwaliteitsklasse In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:
klasse Landbouw/Natuur (AW2000): o
de gemiddelde gehalten van de toe te passen grond/baggerspecie voldoen aan de achtergrondwaarden;
klasse Wonen: o