6m Toelichting BP Veegplan XII Ruimtelijke onderbouwing Dertiensedijk 24
Tekst van het document
de bouwhoogte van de terreinafscheiding bedraagt maximaal 1,5 m1; Hier zal aan worden voldaan bij het oprichten van de rijbaan. h. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6 m1; Hier zal aan worden voldaan bij het oprichten van de rijbaan. i. maximaal 4 lichtmasten zijn toegestaan; Hier zal aan worden voldaan bij het oprichten van de rijbaan. j. binnen een afstand van 100 m1 van gronden met de bestemming 'Natuur' zijn geen lichtmasten toegestaan. Hier wordt aan voldaan. Binnen 100 meter zijn geen gronden gelegen met de bestemming ‘Natuur’ enkel gronden met een bestemming ten behoeve van landschappelijke inpassing.
28
3.4.6 Afwijken voor buitenopslag In het kader van “een goede ruimtelijke ordening” dient zo veel als mogelijk te worden aangesloten bij het van toepassing zijnde beleid. Ten aanzien van het planvoornemen is in het bestemmingsplan Buitengebied - Deelgebied 2 een mogelijkheid (afwijkingsbevoegdheid) opgenomen om af te wijken voor buitenopslag. De afwijkingsbevoegdheid spitst zich echter toe op de bestemming “bedrijf”, maar niet op buitenopslag bij de bestemming “wonen”. Gezien in het planvoornemen echter sprake is van een kleinschalig bedrijf bij een woonbestemming, wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening hieronder het planvoornemen beschreven aan de gestelde voorwaarden. De gemeente Someren hanteert in het bestemmingsplan Buitengebied - Deelgebied 2 een mogelijkheid om af te wijken voor buitenopslag bij een bedrijf. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a. de buitenopslag plaatsvindt binnen het bestemmingsvlak van het betreffende bedrijf; De buitenopslag vindt plaats binnen het woonvlak aangeduid als zijnde ‘Wonen-plus’ waar tevens een bedrijf is toegestaan in de vorm van het beoogde hoveniersbedrijf. b. de opslag is noodzakelijk voor het ter plaatse aanwezige bedrijf; De opslag is noodzakelijk voor het ter plaatse aanwezige hoveniersbedrijf.
Het plan voorziet in een buitenopslag voor de opslag van zand, grind en groenafval voor de beoogde ‘Wonen-plus’ activiteit in de vorm van het kleinschalige hoveniersbedrijf. De buiten opgeslagen bedrijfsstoffen zijn dusdanig van aard dat deze niet binnen opgeslagen kunnen worden. Daarbij zijn ze niet van dusdanige aard dat deze niet passend zijn binnen een ‘Wonen-plus’ bestemming. De stoffen zijn nagenoeg geurloos en zullen niet zorgen voor stof-overlast. Naast de bedrijfsstoffen wordt mest opgeslagen van het hobbymatig houden van paarden. Het houden van paarden behoort als hobby bij de woonbestemming. Daarnaast bestaat paardenmest hoofdzakelijk uit stro, waardoor geen geuroverlast is te verwachten ten aanzien van omliggende woningen. Ook het opslaan van paardenmest dient logischerwijs buiten plaats te vinden. c. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. Het plan is voorzien van een landschappelijk inpassingplan welke is goedgekeurd door de gemeente Someren en uitvoerig is getoetst aan de uitgangspunten van het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011. Artikel 30.2 beschrijft daarnaast dat een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. In het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
29
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Someren is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • •
bodem; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; waterhuishouding; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Beoordeling Het planvoornemen beoogd het toevoegen van 80 m² aan bijgebouw(en). Het bijgebouw wordt gebruikt als berging voor het woonhuis en als stalling van materieel, machines en goederen ten behoeve van het hoveniersbedrijf. Dit zijn geen gevoelige bodemfuncties. Daarbij vindt de ontwikkeling plaats binnen een bestaand bouwvlak van een burgerwoning. De bodem is daarmee niet aan te merken als ‘verdacht’. Conclusie De milieuhygiënische bodemkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen voor het planinitiatief.
30
4.3 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de locatie niet is gelegen binnen een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang.
Onderhavig initiatief is daarbij kleinschalig van aard en draagt geen noemenswaardige bijdrage aan eventueel cultuurhistorische waarden. De ontwikkeling doet hierdoor geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden in de omgeving.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant
31
4.4 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beleid gemeente Someren Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in de Nota Archeologiebeleid gemeente Someren met daarin een archeologische verwachtingskaart van de gemeente. In de nota wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming.
De Archeologiekaar van Someren – categorie 6: gebieden met een lage archeologische verwachting, geen onderzoeksplicht
Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is aan het plangebied geen dubbelbestemming voor archeologie toegekend aangezien de verwachtingswaarde laag is (categorie 6) en geen onderzoeksplicht geldt.
32
Conclusie Het planvoornemen voorziet in het realiseren van 80 m² extra bijgebouw(en) waarvoor bodemingrepen en nieuwbouwwerkzaamheden plaatsvinden. Echter voorziet het plangebied een lage archeologische verwachting zonder onderzoeksplicht. Het initiatief heeft geen consequenties voor eventuele aanwezige archeologische waarden. 4.5 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 – 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen. Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Dit is tevens aangetoond door de Aerius berekening toegevoegd in de bijlage, met onderstaand resultaat.
Voor de Aerius berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: Activiteit Aan- en af rijden bewoners en hoveniersbedrijf
Hoeveelheid 4 auto’s 2x per dag heen en 2x terug (16 vervoersbeweging)
Fase Gebruiksfase
Sector Wegverkeer
Aanleveren materiaal hoveniersbedrijf
Wekelijks 1 vrachtwagen
Gebruiksfase
Wegverkeer
Factor Continu: p/etmaal (worstcase) Continu: p/etmaal (worstcase)
Categorie Licht verkeer
Zwaar vrachtverkeer
33
Bouw bijgebouw vindt plaats door eigen tijd initiatiefnemer Aanleveren bouwmateriaal
Diverse mobiele werktuigen bouwfase
CV-installatie bijgebouw
Valt onder bovenstaande categorie in berekening
Verspreid over de bouwfase t.b.v. 80 m² bijgebouw: 25 vrachtwagens Verspreid over bouwfase 20 keer gebruik van diverse mobiele werktuigen (verreiker, bouwkraan, heftruck etc.) 1x 100 kW
Bouwfase
Wegverkeer
Bouwfase
Mobiele werktuigen
Gebruiksfase
Energie
Continu: p/etmaal (worstcase) 1.000 liter (50 liter per dag) Worstcase Continu: 100 kW
Zwaar vrachtverkeer
Worst-case STAGE I (130560 kw 1991)
-
Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan.
2,5 km
3,5 km
Natura 2000 gebieden in de omgeving
4.6 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.
34
Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden.
Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het planinitiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden door de realisatie van de Ruimte voor Ruimte woning.
Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. De planlocatie betreft een reguliere tuin met voornamelijk kortgehouden grasland zoals weergeven in onderstaande afbeeldingen. Ook de omgeving betreft agrarisch grasland met overwegend Engels raaigras.
35
Op de planlocatie is een ‘effectenindicator soorten’ scan van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit uitgevoerd op twee OLO-activiteiten: ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘Overig bouwwerk bouwen.
36
Conclusie Het plangebied is momenteel in gebruik als tuin en grasland waar geen wettelijke beschermde soorten zijn of worden verwacht. De ‘effectenindicator soorten’ van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit voorziet aangaande het planvoornemen geen nadelige gevolgen voor de flora en fauna waardoor geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Wettelijk beschermde Flora en fauna worden niet aangetast door het planvoornemen. De Wet Natuurbescherming staat het planvoornemen niet in de weg. Door het toevoegen van de beoogde landschappelijke inpassing draagt het plan zelfs bij aan het voorkomen van flora en fauna binnen het plangebied.
37
4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Beoordeling Het planvoornemen beoogd niet het toevoegen van een gevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.8.1 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden.
Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het planinitiatief omvat het realiseren van 80 m² aan extra bijgebouw(en). Daarbij gaat de planlocatie gebruikt worden voor het hoveniersbedrijf van initiatiefnemer. Op basis van de VNG-handreiking behoort een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlak van minder dan 500 m² tot milieucategorie 2. Bij deze milieucategorie geldt op basis van geluid een vaste afstand van 30 meter. Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt ligt het bijgebouw van de planlocatie op ca. 140 meter van de dichtst gelegen woning aan de Dertiensedijk 20. Conclusie Het planvoornemen voorziet niet in het toevoegen van een ‘gevoelige’ functie. Het exploiteren van een hoveniersbedrijf betreft een milieubelastende functie. De dichtst gelegen woning is echter op voldoende afstand gelegen om hinder te voorkomen.
Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ staat het planvoornemen niet in de weg.
38
140 m.
4.8.2 Wet geurhinder en veehouderij Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. Belangen omliggende veehouderijen De bestemmingswijziging mag de reguliere bedrijfsvoering van de omliggende veehouderijen niet schaden, c.q. het juridisch-planologisch toegestane gebruik niet belemmeren. Beoordeling Het planvoornemen voorziet in het toevoegen van 80 m² extra bijgebouw(en) en het vestigen van een hoveniersbedrijf. Het hoveniersbedrijf wordt geëxploiteerd door de bewoner van het adres Dertiensedijk 24. Op locatie wordt geen ‘geurgevoelige’ functie toegevoegd. Omliggende veehouderijbedrijven worden derhalve niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat de omliggende veehouderijen niet worden geschaad in hun belangen als gevolg van het planvoornemen.
Er is tevens geen sprake van belemmeringen voor het initiatief in het kader van bedrijven en milieuzonering. 4.9 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor
39
inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
Uitsnede Risicokaart provincie Noord-Brabant. Bron: Risicokaart.nl
Beoordeling Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van een risicobron. Daarnaast is de locatie, zoals weergegeven in de bovenstaande afbeelding, niet gelegen in de nabijheid van een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute. Tevens verandert de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid niet in geval van een toxisch scenario. Het beoogde bijgebouw en hoveniersbedrijf worden immers geëxploiteerd door de huidige bewoner van de burgerwoning. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden. 4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de
40
omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.
Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Beoordeling Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is
41
voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: - woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; - kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. In onderhavig geval is sprake van het toevoegen van 80 m² bijgebouw(en) bij een bestaande woning. Daarbij wordt een hoveniersbedrijf geëxploiteerd. Door de bouwfase van het bijgebouw en de gebruiksfase van het hoveniersbedrijf kunnen extra verkeersbewegingen worden verwacht. Echter uitgaande van het 3% criterium is binnen het plangebied daarmee geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Vanwege de mogelijke toename in verkeersbewegingen is onderstaande berekening gemaakt. Hieruit blijkt eveneens dat de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate is.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2020
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
5,0%
NO2 in μg/m3
0,02
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
18
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Concentratie PM10 (20-21 μg/m3)
Concentratie PM2.5 (11-12 μg/m3)
Conclusie Het onderdeel ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
42
4.11 Gezondheid Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld.
Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. Gemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Beoordeling Binnen 250 meter van de planlocatie zijn meerdere veehouderijbedrijven gelegen.
Het planvoornemen heeft echter geen betrekking op het toevoegen van een ‘gevoelige’ functie. Conclusie Doordat geen gevoelige functie wordt toegevoegd vormt het onderdeel ‘gezondheid’ in relatie tot endotoxinen geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s.
43
Beoordeling Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van het toevoegen van een gevoelige functie. Conclusie Doordat geen gevoelige functie wordt toegevoegd vormt het onderdeel ‘gezondheid’ in relatie tot geitenhouderijen geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.13 Waterhuishouding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op de planlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. De planlocatie valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. Principes waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: - gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; - doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; - hydrologisch neutraal bouwen; - water als kans; - meervoudig ruimtegebruik; - voorkomen van vervuiling; - wateroverlastvrij bestemmen; - waterschapsbelangen. Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Werken met water. Voor nu en later’
44
In het Waterbeheerplan (WBP) ‘Werken met water. Voor nu en voor later. is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van vier programma’s: 1. Veilig en Bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen. 2. Voldoende water en Robuust watersysteem Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in ons beheergebied voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3. Gezond en Natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water.
We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten. 4. Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen. 4.13.1 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen op de planlocatie is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. De planlocatie is niet gelegen in een beschermd gebied in het kader van de keur. 4.13.2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd.
Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van een uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom
45
een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toename in verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Wanneer sprake is van een toename in verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m², of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding. Het betreft dus versnelde afvoer van neerslag als gevolg van een toename in puntlozing.
Ter plaatse van de planlocatie wordt 80 m² aan extra bijgebouw(en) gerealiseerd. De toename van het verhard oppervlak is met de ontwikkeling in elk geval minder dan 500 m². Op basis van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. 4.13.3 Hemelwater na ontwikkeling De gemeente Someren vereist dat hemelwater op eigen terrein wordt geïnfiltreerd ter voorkoming van wateroverlast door toevoeging van de beoogde verharding binnen de planlocatie.
In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woning en bijgebouw(en) worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratie transportriool. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond. Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut, voert deze het water af naar een nieuw aan te leggen infiltratievoorziening. Deze voorziening wordt zodanig gedimensioneerd dat er een voldoende dynamische berging bij een extreme regenval. In het grootste deel van het jaar zal het water echter via infiltratiebuizen in de bodem infiltreren. Door het planvoornemen vindt een toevoeging van verharding plaats met 80 m² bebouwing en ca. 200 m² verharding van het reeds bestaande woonvlak. De omvang van de infiltratievoorziening bedraagt: hoeveelheid verhard oppervlak x 0,06 x gevoeligheidsfactor. De gevoeligheidsfactor bedraagt 1, zoals blijkt uit onderstaande uitsnede van de Keur-kaart van het waterschap. Derhalve dient op de planlocatie zorg gedragen te worden voor een watervoorziening met een omvang van (280 x 0,06 x 1 =) 16,8 m³. De GHG bedraagt -80 tot -100 cm -mv. De infiltratievoorziening
46
die op de planlocatie gerealiseerd word, krijgt, derhalve een diepte van maximaal 60 tot 80 centimeter. Mochten bestaande slootjes door het planvoornemen teniet worden gedaan dan dient de infiltratievoorziening hier op aangepast te worden.
4.14 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Uit deze wijziging blijkt dat de omvang van een project niet het enige criterium is om wel of geen m.e.r.(- beoordeling) uit te voeren.
Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het planinitiatief ziet toe op het oprichten van bijgebouwen ten behoeve van een hoveniersbedrijf. Hierbij
47
worden de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MERplichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.
Wel heeft er een vormvrije m.e.r.- beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Wet natuurbescherming. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
48
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd. Daarbij dienen de volgende bestemmingsplannen als basis voor het onderhavige plan en worden deze eveneens van toepassing verklaard in de regels: - ‘Buitengebied Someren – Deelgebied 1’ (vastgesteld 30-11-2017)
49
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en Gemeente Someren draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
50
7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het ontwerpbestemmingsplan dient te worden voorgelegd aan het waterschap en de provincie Noord-Brabant. 7.2 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavig hoofdstuk.
51
8 BIJLAGEN 1. Landschappelijk inpassingsplan 2. AERIUS-berekening
52
PV1 buiten bouwvlak
PV1 binnen bouwvlak P
PV2
PV3
PV8 PV2 AES
PV2 AC
PV4 1
PV7 FS
PV9 ES
PS
AM
PS
PV6
T
Openbare weg
Beplantingsplan Dertiensedijk 24, Someren Luke en Maxime Damen Jonge Heideontginningen
Plangebied PV
Plantvak
PV5
Projectberekening
Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron
Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Van Doormaal Advies Dertiensedijk 24, 5712SL Someren Dertiensedijk 24 Realiseren extra bijgebouw(en) en vestiging hoveniersbedrijf.
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RnVEgao43LT7 31 januari 2022, 18:37 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar 2022
Resultaten
Hoogste depositie Hexagon 0,00 ha 0,00 ha 0,00 mol/ha/j 0,00 mol/ha/j
Situatie 1 - Beoogd Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie
RnVEgao43LT7 (31 januari 2022)
Emissie NH3 < 0,1 ton/j
Emissie NOx < 0,1 ton/j Gebied
2/6
Projectberekening
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissie Emissie NH3 NOx werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Diverse < 0,1 < 0,1 4 Mobiele mobiele werktuigen bouwfase ton/j ton/j 5 Energie | Energie | CV installatie bijgebouw < 0,1 < 0,1 Verkeersnetwerk ton/j ton/j Emissiebronnen
RnVEgao43LT7 (31 januari 2022)
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn
Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. RnVEgao43LT7 (31 januari 2022)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal
RnVEgao43LT7 (31 januari 2022)
Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste gekarteerd) depositie (ha gekarteerd) toename (mol/ha/jr) (mol/ha/jr)
0,00
0,00
0,00
0,00
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol/ha/jr)
0,00
0,00
5/6
Projectberekening
Situatie 1, Rekenjaar 2022 4 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning Naam Locatie
Naam
Diverse mobiele werktuigen bouwfase 179176, 370958
Diverse mobiele werktuigen bouwfase
Stageklasse Stage-I, <= 2001, 75-560 kW, diesel, SCR: nee
NOx NH3
< 0,1 ton/j < 0,1 ton/j
BrandstofverbruikDraaiuren AdBlue Stof Emissie verbruik 1000 l/j
51 u/j
0,1 NOx <ton/j 0,1 NH3 <ton/j
5 Energie | Energie Naam CV installatie Uittreedhoogte bijgebouw Warmteinhoud Locatie 179180, 370943 Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Standaard Profiel Industrie
5,0 m 0,100 MW
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.0.2_20220128_2eee9c6138 Database versie 2021_2eee9c6138 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RnVEgao43LT7 (31 januari 2022)
6/6