CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

6i Regels bestemmingsplan Veegplan XI

Commissie Ruimte 7 april 2021, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Veegplan XI gemeente Someren 202033.403 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.7.7 Wijziging ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ te voorzien van een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' ter plaatse van een bestaande bedrijfswoning. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. er moet sprake zijn van een in werking zijnde landbouwinrichting, waar agrarische activiteiten worden verricht en waarbij de vergunning of melding aanwezig moet zijn op het moment van toekennen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch plattelandswoning’; b. er moet sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de plattelandswoning; c. de bouwregels van artikelen 4.2.5, 4.2.6 en 4.2.7 zijn van overeenkomstige toepassing; d. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing worden gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

Artikel 5 5.1

Agrarisch met waarden - Landschapswaarden Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. al dan niet bedrijfsmatige agrarische doeleinden; b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aanwezige landschapswaarden in het algemeen en verder specifiek voor: 1. het behoud en/of herstel van aanwezige cultuurhistorische waarden ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch waardevol’; c. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 3’ zijn de gronden bestemd voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen; d. ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - ecologische verbindingszone’ de instandhouding en ontwikkeling van een ecologische verbindingszone; e. groenvoorzieningen; f. landschapselementen; g. infiltratie; h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van water, waterberging en infiltratie; i. extensief recreatief medegebruik.

5.2

Bouwregels

5.2.1

Algemeen a. Op of in de voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde onder a, mogen er wel terreinafscheidingen worden gerealiseerd op de voor ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ aangewezen gronden; c. de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag maximaal 1 m1 bedragen; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 3' is het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en het aanleggen van verhardingen niet toegestaan. Perceelsgedeelten met deze aanduiding worden niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schuilgelegenheid' mag de oppervlakte maximaal 25 m2, de bouwhoogte maximaal 3,0 m1 en de goothoogte 2,5 m1 bedragen.

5.3

Afwijken van de bouwregels

5.3.1

Afwijken ten behoeve van schuilgelegenheid voor dieren Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder 5.2.1 onder a voor het realiseren van een schuilgelegenheid voor dieren die hobbymatig worden gehouden. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. de schuilgelegenheid wordt niet opgericht ten behoeve van een agrarisch bedrijf;

b. een schuilgelegenheid is slechts toegestaan binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone bebouwingsconcentratie’; c. aangetoond is dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om een soortgelijke voorziening ter plaatse van de bestemming 'Wonen - Buitengebied' of andere gelijk te stellen bestemming op te richten of bestaande bebouwing als schuilgelegenheid te gebruiken; d. per agrarisch perceel mag maximaal een schuilgelegenheid worden opgericht, met dien verstande dat het perceel een minimale oppervlakte heeft van 2.500 m2; e. de schuilgelegenheid wordt opgericht op een afstand van ten minste 2 m1 en ten hoogste 10 m1 van de bestemmingsgrens; f. de schuilhut moet minimaal aan een zijde open zijn; g. de maximaal toegestane goothoogte is maximaal 2,5 m1; h. de maximaal toegestane bouwhoogte is maximaal 3 m1; i. de dakhelling is minimaal 20 graden en maximaal 45 graden; j. de oppervlakte is maximaal 25 m2; k. binnen- en buitenopslag van goederen en aanverwante zaken is niet toegestaan; l. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende functies, hetgeen onder andere betekent dat de schuilgelegenheid passend is in het landschap. Om te bepalen of de schuilgelegenheid passend is in het landschap, wordt getoetst aan het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011; m. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 5.3.2

Afwijken ten behoeve van terreinafscheidingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van artikel 5.2.1 onder c met betrekking tot de bouwhoogte van terreinafscheidingen tot maximaal 2,5 m1. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a. de terreinafscheiding is noodzakelijk ten dienste van de in artikel 5.1 genoemde bestemming; b. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende waarden en functies, hetgeen onder andere betekent dat de terreinafscheiding passend is in het landschap; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

5.3.3

Afwijken ten behoeve van buitenrijbaan voor paarden Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.1 ten behoeve van het oprichten van een buitenrijbaan voor paarden. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a. maximaal een buitenrijbaan is toegestaan, behorende bij de aansluitende bestemming 'Wonen - Buitengebied' of daarmee gelijk te stellen bestemming; b. de buitenrijbaan wordt direct aansluitend op de woonbestemming of de bedrijfsbestemmnig opgericht; c. per aangrenzend bestemmingsvlak is een buitenrijbaan toegestaan; d. de afstand tot een (bedrijfs-)woning van een derde bedraagt minimaal 50 m1; e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2; f. de buitenrijbaan is uitsluitend voor hobbymatig gebruik toegestaan; g. de oppervlakte bedraagt maximaal 1.200 m2; h. de bouwhoogte van de terreinafscheiding bedraagt maximaal 1,5 m1; i. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6 m1; j. maximaal 4 lichtmasten zijn toegestaan.

5.4

Specifieke gebruiksregels

5.4.1

Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. het aanleggen van mest- of waterbassins van folie; b. het aanleggen van oppervlakteverhardingen; c. het plaatsen van zeecontainers; d. het gebruik van gronden en/of opstallen voor erotische dienstverlening; e. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van opslag, stort of lozing; f. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel, detailhandel of bedrijf; g. het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie; h. het gebruik van opstallen voor bewoning; i. het gebruik van gronden voor kuilvoeropslag en/of (sleuf)silo’s en/of mestopslagsilo’s; j. het gebruik van gronden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen; k. het gebruik van gronden voor lawaaisporten.

5.4.2

Voorwaardelijke verplichting a. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 3’ dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. b. het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de bebouwing en gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - schuilgelegenheid' op het perceel Ruiter ongenummerd. conform de in artikel 5.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als binnen 12 maanden na het in werking treden van het onderhavige bestemmingsplan de overtollige bebouwing, zoals opgenomen in bijlage 9 bij het onderhavige bestemmingsplan, ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde sloop gebouwen’ is gesloopt.

5.5

Afwijken van de gebruiksregels

5.5.1

Afwijken ten behoeve van het aanleggen van verharding Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder artikel 5.4.1 onder b met betrekking tot het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, danwel het aanbrengen van overige oppervlakteverhardingen kan worden toegestaan indien: a. dit ten dienste staat van de doeleinden die zijn genoemd in artikel 5.1; b. er sprake is van hydrologisch neutraal ontwikkelen; c. er geen oneigenlijke vergroting van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ plaatsvindt; d. de maximaal toelaatbare oppervlakteverharding voor veepaden op agrarische huiskavels bedraagt 400 m2; e. de maximaal toelaatbare oppervlakteverharding voor overige verhardingen bedraagt 200 m2.

5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.6.1

Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. het verwijderen van landschapselementen; d. het verwijderen van erfbeplanting ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 3’ waarvan de aanleg in het kader van een vergunningverlening of bestemmingsplanherziening verplicht is gesteld; e. het verwijderen van onverharde wegen of paden.

5.6.2

Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als hiervoor aangegeven is niet vereist voor: a. werken of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud en beheer van de gronden overeenkomstig de bestemming dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn dan wel op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan nog mogen worden uitgevoerd op basis van een eerder verleende vergunning.

5.6.3

Toelaatbaarheid Deze werken en/of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien zij verband houden met de doeleinden, die aan de bestemming zijn toegekend en door het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en voor zover de mogelijkheden voor herstel niet (onevenredig) worden verkleind zoals omschreven in de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding en het beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011.

5.7

Wijzigingsbevoegdheid

5.7.1 Wijziging van ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ naar ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - minicamping’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’ de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - minicamping’ (sr mc) toevoegen ten behoeve van de realisatie of uitbreiding van een minicamping. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. het betreft uitsluitend recreatief medegebruik voor kleinschalig kamperen op gronden die direct aansluiten aan een bestemmingsvlak, indien er geen ruimte is binnen het bestemmingsvlak, waar een minicamping al is toegestaan dan wel in combinatie met onderhavige wijziging via een omgevingsvergunning wordt toegestaan; b. per minicamping zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan. Stacaravans en trekkershutten, zijn uitsluitend toegestaan binnen de aangrenzende bestemming 'Wonen - Buitengebied'; c. parkeer- en ondersteunende voorzieningen, zoals op sanitair gebied, zijn gelegen binnen de aangrenzende bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf, 'Bedrijf' of 'Wonen Buitengebied';

d. de afstand tot de as van de weg dient ten minste 20 m1 te zijn; e. de afstand tot woningen van derden dient ten minste 50 m1 te zijn; f. de afstand tot de bestemmingsgrens dient ten minste 5 m1 te zijn; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; h. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 5.7.2 Wijziging van ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ naar ‘Natuur’ en/of ‘Water’ (ontwikkeling van landschapselementen, natuur en/of wateren) Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’ wijzigen in de bestemming ‘Natuur’ of ‘Water’ ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe natuur- en/of landschapselementen. Hierbij geldt de randvoorwaarde dat er geen afbreuk wordt gedaan aan andere belangen in de omgeving, zoals agrarische belangen. 5.7.3 Wijziging van ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ naar ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’ de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ toevoegen ten behoeve van de realisatie van landschappelijke inpassing.

Hierbij geldt de voorwaarde dat de inpassing direct aansluit bij het bestemmingsvlak waar een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. 5.7.4

Wetgevingszone - afwijkingsgebied Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden' ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - afwijkingsgebied' te wijzigen in de bestemming 'Wonen - Buitengebied' ten behoeve van de bouw van extra woningen met een maximum van twee woningen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. een bouwtitel Ruimte voor Ruimte, samengesteld conform de regeling Ruimte voor Ruimte, of een opvolgende regeling, van de provincie Noord-Brabant, is aangeleverd; b. de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven mogen door de wijziging niet onevenredig worden aangetast; c. ten aanzien van de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de extra woning(en) zijn de regels zoals neergelegd in de bestemming 'Wonen-buitengebied' van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat; 1. de extra woningen een inhoud mogen hebben van maximaal 900 m³; 2. met de betrekking tot de goothoogte van het hoofdgebouw geldt dat deze niet meer mag bedragen dan 4,5 m; 3. met betrekking tot de bouwhoogte van het hoofdgebouw geldt dat deze niet meer dan 8 meter mag bedragen; 4. het hoofdgebouw dient te worden afgedekt met een kap, met dien verstande dat de dakhelling niet minder dan 30 graden en niet meer dan 70 graden mag bedragen ten opzichte van het horizontale vlak; 5.

het gezamenlijke grondoppervlak van de bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 150 m²; 6. de goothoogte van de bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m; 7. de bouwhoogte van de bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 5,5 m; d. ter plaatse moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;

e. de ontwikkeling zal worden getoetst aan milieu hygiënische belemmeringen waaronder in ieder geval wordt verstaan het uitvoeren van een bodemonderzoek, akoestisch onderzoek, een quickscan natuur en een archeologisch onderzoek. f. de gronden achter de twee woningen, gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - ecologische verbindingszone’ dienen te worden ingericht ten behoeve van de EVZ; g. Een goede landschappelijke inpassing is verzekerd conform de bepalingen in artikel 17.2; Van deze wijzigingsbevoegdheid kan geen gebruik worden gemaakt indien uit de door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimtekavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld.

Artikel 6 6.1

Natuur Bestemmingsomschrijving De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurgebieden en leefgebied van daar voorkomende soorten; b. extensief recreatief medegebruik; c. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 6’ zijn de gronden tevens bestemd voor het realiseren en instandhouden van natuur; d. bestaande wegen en paden ten behoeve van extensief recreatief medegebruik en/of onderhoud; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.2

Bouwregels Op de in de voor ‘Natuur’ aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

6.3

Afwijken van de bouwregels ten behoeve van kleine bouwwerken Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 6.2 voor het toestaan van wildrasters, terreinafscheidingen en andere daarmee vergelijkbare kleine bouwwerken geen gebouwen zijnde. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. De maximaal toegestane bouwhoogte van hekwerken en/of terreinafscheidingen is 2 m¹; b. De maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken, niet zijnde hekwerken en/of terreinafscheidingen, is 3 m¹; c. Het maximaal toegestane oppervlak van bouwwerken, niet zijnde hekwerken en/of terreinafscheidingen, is 10 m².

6.4

Specifieke gebruiksregels

6.4.1

Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van (buiten)opslag, stort of lozing; b. het gebruik van gronden voor agrarische doeleinden; c. het gebruik van gronden voor lawaaisporten; d. het plaatsen van zeecontainers. tenzij de regels van dit bestemmingsplan expliciet bepalen dat bovenstaande gebruik wel is toegestaan of een vergunning is verleend in afwijking op bovenstaande.

6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.5.1

Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, allen dieper dan 0,5 m¹, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen; c. het graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels; d. het verwijderen van landschapselementen; e. het verwijderen van onverharde wegen of paden; f. het verwijderen van gewassen en beplanting, anders dan landschapselementen, voor zover deze deel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant; g. het verwijderen van natuur ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 6’ waarvan de realisatie in het kader van een vergunningverlening of bestemmingsplanherziening verplicht is gesteld; h. het aanleggen van verharde of onverharde wegen of paden dan wel het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.

6.5.2

Uitzondering Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.5.1 is niet vereist voor: a. werken of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud en beheer van de gronden overeenkomstig de bestemming, danwel van ondergeschikte betekenis zijn; b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn, danwel op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan nog mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds eerder verleende vergunning.

6.5.3

Toelaatbaarheid De in artikel 6.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a. De werken en/of werkzaamheden verband houden met de doeleinden, die aan de geldende bestemming zijn toegekend; b. het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk doet aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en de mogelijkheden voor herstel van deze waarden en kwaliteiten niet (onevenredig) worden verkleind, zoals omschreven in: 1. de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding(en); 2. de specifieke erfbeplantingsplannen; 3. in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011.

6.6

Wijzigingsbevoegdheid

6.6.1

Wijziging van ‘Natuur’ naar ‘Water’ Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Natuur’ met de daarbij behorende aanduidingen wijzigen in de bestemming ‘Water’ ten behoeve van de aanleg van nieuwe waterlopen en/of waterstaatkundige doeleinden. Hierbij gelden de randvoorwaarden dat: a. er geen afbreuk wordt gedaan aan andere belangen in de omgeving; b. wanneer sprake is van gronden met de bestemming ‘Natuur’ die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant, zal voor een wijziging in de bestemming ‘Water’ voldaan moeten worden aan de regels die de Interim omgevingsverordening in dit kader stelt.

Artikel 7 7.1

Water Bestemmingsomschrijving De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water; b. waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van aan- en afvoer van water voor landbouw en natuur; c. extensief recreatief medegebruik; d. het behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers.

7.2

Bouwregels Op of in de voor ‘Water’ aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

7.3

Afwijken van de bouwregels

7.3.1

Afwijken van de bouwregels ten behoeve van bouwwerken geen gebouwen zijnde Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 7.2 voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde is 3 m¹.

7.4

Specifieke gebruiksregels

7.4.1

Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. het dempen van waterlopen; b. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van opslag, stort of lozing.

Artikel 8 8.1

Wonen - Buitengebied Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Buitengebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, in de vorm van huisvesting van huishoudens in woningen; b. bij bestemmingsvlakken met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus’ is een kleinschalig bedrijf toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2, of aantoonbaar daarmee gelijk te stellen qua aard en invloed, zoals genoemd in de Brochure bedrijven en milieuzonering, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; c. aan huis verbonden beroepen conform de bepalingen in artikel 8.4.2; d. (on)verharde paden, wegen; e. parkeervoorzieningen; f. tuinen en erven; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van waterberging en infiltratie; h. groenvoorzieningen en groene erfinrichting; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' is een ruimte voor ruimte woning toegestaan; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouwen uitgesloten' zijn gebouwen uitgesloten; k.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landschappelijke inpassing 1', 'specifieke vorm van wonen - landschappelijke inpassing 2', 'specifieke vorm van wonen landschappelijke inpassing 3' en 'specifieke vorm van wonen - landschappelijke inpassing 6' zijn de gronden mede bestemd voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verharding.

8.2

Bouwregels

8.2.1

Algemeen a. Op of in de voor ‘Wonen - Buitengebied’ aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de in artikel 8.1 genoemde bestemming; b. per bestemmingsvlak is één woning toegestaan; c. bij herbouw mag de woning uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande fundering en als er sprake is van uitbreiding daar direct op aansluitend; d. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2; e. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 1', 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 2', 'specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 3' en 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inrichting 6' is het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en het aanleggen van verhardingen niet toegestaan. Perceelsgedeelten met deze aanduiding worden niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouwen uitgesloten' zijn gebouwen uitgesloten.

8.2.2

Hoofdbebouwing a. Indien op het perceel een bouwvlak aanwezig is, dient het hoofdgebouw binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Tevens dient de voorgevel van de woning gesitueerd te worden in de voorgevelrooilijn; b. de inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 750 m³, de inhoud van kelders wordt niet meegeteld; c. voor het bestemmingsvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' geldt een maximale inhoud van 900 m3, de inhoud van kelders wordt niet meegeteld; d. indien de inhoud van een bestaande woning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan op basis van een eerder verleende vergunning al meer bedraagt of meer mag bedragen, geldt de bestaande inhoud als maximaal toegestaan. Bij herbouw geldt dat de woning tot maximaal de vergunde inhoud mag worden teruggebouwd; e. voor een cultuurhistorisch waardevolle woning geldt de totale inhoud van het oorspronkelijk opgerichte pand waaraan cultuurhistorische en/of monumentale waarden aan toegekend zijn op grond van een deskundigenrapport als de maximaal toegestane inhoud; f. bij herbouw mag de woning uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande fundering en als sprake is van uitbreiding daar direct op aansluitend; g. herbouw van een cultuurhistorisch waardevolle woning is alleen mogelijk indien dit is gericht op behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden; h.

de maximaal toegestane goothoogte is 6 m¹; i. voor een bestemmingsvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' geldt een maximaal toegestane goothoogte van 3,5 m1; j. de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m¹; k. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; l. voor een bestemmingsvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' dient de dakhelling tussen de 40 graden en 50 graden te zijn; m. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; n. voor een bestemmingsvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' is de afstand tot de bestemmingsgrens ten minste 8 m1; o. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹; p. in afwijking van het bepaalde in sub o moet ter plaatse van een aangeduide gevellijn het hoofdgebouw achter deze gevellijn worden gerealiseerd.

8.2.3

Bijgebouwen a. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per woning is maximaal 100m2. b. voor een bestemmingsvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' geldt een maximale oppervlakte van 150 m2; c. in afwijking van het bepaalde onder a. is ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte bijgebouw’ die specifieke oppervlakte toegestaan; d. de maximaal toegestane goothoogte is 3 m¹; e. de maximaal toegestane bouwhoogte is 5,5 m¹; f. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; g. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 1 m¹ achter de voorgevel van de woning te worden gebouwd; h. de maximale afstand tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning bedraagt 20 m¹; i. in afwijking van het bepaalde in sub i geldt de bestaande afstand van een vergund of krachtens overgangsrecht toegelaten bijgebouw tot de woning als maximaal toelaatbaar indien deze afstand groter is;

j. bij volledige sloop en herbouw van een bijgebouw geldt 20 m¹ als maximale afstand tussen het bijgebouw en de woning, ongeacht de (afwijkende) situering van de te slopen bebouwing als bedoeld in sub i; k. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; l. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹. 8.2.4

Bouwwerken geen gebouwen zijnde Ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels: a. per woning mag één overkapping worden gebouwd met de volgende maatvoering: 1. oppervlakte niet meer dan 20 m²; 2. bouwhoogte niet meer dan 3 m¹; 3. de overkapping dient op een afstand van ten minste 1 m¹ achter de voorgevel van de woning te worden gebouwd; 4. afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; 5. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹; 6. de maximale afstand tussen de overkapping en de woning bedraagt 20 m¹; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag maximaal 1 m¹ zijn en voor het overige maximaal 2 m¹; c. de bouwhoogte van constructies voor het leiden van bomen mag niet meer bedragen dan 5 m1, met dien verstande dat constructies voor het leiden van bomen op niet minder dan 0,5 m1 uit de perceelsgrens mogen worden gebouwd, waarbij de bomen vanaf het eigen perceel gesnoeid moeten kunnen worden en er geen sprake mag zijn van overhangende takken over de perceelsgrens; d. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m1; e. in afwijking van het bepaalde onder sub a, sub b en sub d mag de bouwhoogte van overige bouwwerken maximaal 2,5 m¹ bedragen en moet de afstand tot de bestemmingsgrens van deze bouwwerken ten minste 5 m¹ bedragen.

8.3

Afwijken van de bouwregels

8.3.1

Afwijken ten behoeve van inhoud woning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.2 onder b, ten behoeve van het toestaan van een uitbreiding van de maximaal toegestane inhoud (zijnde: 750 m³) van een woning tot maximaal 900 m³. Hierbij gelden ten minste de volgende voorwaarden: a. per m³ uitbreiding dient telkens minimaal het aantal m2 zoals opgenomen in onderstaande tabel te worden gesloopt. De landschapsindeling is gebaseerd op het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied, dat is toegevoegd als bijlage 6 bij dit bestemmingsplan. De te slopen bebouwing dient legaal opgericht te zijn of krachtens overgangsrecht te zijn toegelaten; Aantal m2 te slopen bebouwing op 1 m3 Type landschap extra bebouwing mogelijk te maken NNB 1 Kampenlandschap 1 2/3 Beekdallandschap 1 2/3 Oude heideontginning 2 Jonge heideontginning 2 1/3 Bebouwingsconcentraties 1 2/3 b. de locatie waar bebouwing wordt gesloopt kan slechts één keer worden ingezet voor de toepassing van deze regeling;

c. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; d. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; e. de sloop van overtollige bebouwing is duurzaam verzekerd; f. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 8.3.2

Afwijken ten behoeve van oppervlakte bijgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.3 onder a, ten behoeve van het toestaan van een uitbreiding van de maximaal toegestane oppervlakte (zijnde: 100 m²) aan bijgebouwen tot maximaal 350 m². Hierbij gelden ten minste de volgende voorwaarden: a. per m2 uitbreiding dient telkens minimaal het aantal m2 zoals opgenomen in onderstaande tabel te worden gesloopt. De landschapsindeling is gebaseerd op het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied, dat is toegevoegd als bijlage 6 bij dit bestemmingsplan. De te slopen bebouwing dient legaal opgericht te zijn of krachtens overgangsrecht te zijn toegelaten; Aantal m2 te slopen bebouwing op 1 m3 Type landschap extra bebouwing mogelijk te maken NNB 1 Kampenlandschap 2 Beekdallandschap 2 Oude heideontginning 3 Jonge heideontginning 3 1/2 Bebouwingsconcentraties 2 b. de oppervlakte te slopen bebouwing op de locatie waar bebouwing wordt gesloopt kan slechts één keer worden ingezet voor de toepassing van deze regeling; c. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; d. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; e. de sloop van overtollige bebouwing is duurzaam verzekerd; f.

de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

8.3.3

Afwijken ten behoeve van herbouw woning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.1 onder c, ten behoeve van de herbouw van een woning op een andere plaats binnen het bestemmingsvlak. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de nieuwe locatie ligt niet minder dan 5 m¹ van de bestemmingsgrens en niet minder dan 15 m¹ uit de as van de weg waaraan wordt gebouwd; b. de woning wordt gebouwd ter vervanging van de bestaande woning; c. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; d. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; e. met de nieuwe situering is sprake van een milieukundige en ruimtelijke kwaliteitsverbetering; f. de sloop van de oorspronkelijke woning is duurzaam verzekerd; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

8.3.4

Afwijken ten behoeve van afstand tot bestemmingsgrens Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.3 onder k, ten behoeve van de bouw van bouwwerken op een kortere afstand dan 5 m1 tot de bestemmingsgrens. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; b. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bouwwerken in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; c. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering; d. de groene erfinrichting, landschappelijke inpassing is anderszins duurzaam geborgd; e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

8.4

Specifieke gebruiksregels

8.4.1

Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. het gebruiken van bijgebouwen voor bewoning; b. het gebruiken van gronden en gebouwen voor bedrijfsactiviteiten, uitgezonderd aan huis verbonden beroepen; c. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor erotische dienstverlening; d. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van opslag, stort of lozing; e. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel of detailhandel of bedrijf; f. het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie; g. het gebruik van gronden voor lawaaisporten; h. het plaatsen van zeecontainers; i. het gebruik van de woning ten behoeve van bewoning door arbeidsmigranten; j. het gebruik van gronden en/of opstallen voor horeca. tenzij de regels van dit bestemmingsplan expliciet bepalen dat bovenstaande gebruik wel is toegestaan of een vergunning is verleend in afwijking op bovenstaande.

8.4.2

Aan huis verbonden beroep De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de beroepsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 150 m²; b. de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een van de bewoners; c. de beroepsactiviteit mag zowel in het hoofdgebouw als in een bijgebouw worden uitgeoefend; d. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; e. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; f. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; g. detailhandel is niet toegestaan; h. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding.

8.4.3

Voorwaardelijke verplichting a. Het gebruiken en (doen) laten gebruiken van het perceel Eindje ongenummerd conform de in artikel 9.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 1’ de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 24 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden. b. het gebruiken en (doen) laten gebruiken van het perceel Hugterweg 10 conform de in artikel 9.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 2’ de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden. c.

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de bebouwing en gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen plus' op het perceel Hugterweg 10 conform de in artikel 8.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als een storting van €6.075,- is gedaan aan de gemeente Someren ten behoeve van het fonds Buitengebied In Ontwikkeling Fonds. d. het gebruiken en (doen) laten gebruiken van het perceel Ruiter 15 conform de in artikel 9.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 3’ de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden. e.

het gebruiken en (doen) laten gebruiken van het perceel Ruiter 19 conform de in artikel 9.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 6’ de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 5 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden. f. het gebruiken en (doen) laten gebruiken van het perceel Eindje ong. conform de in artikel 8.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - waterberging 1' een waterbergingsvoorziening van ten minste 0,06 m3 per vierkante meter verharding op het bouwperceel is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.

g. het gebruiken en (doen) laten gebruiken van het perceel Eindje ong. conform de in artikel 8.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - waterberging 2' een waterbergingsvoorziening van ten minste 0,06 m3 per vierkante meter verharding op het bouwperceel is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.

h. het gebruiken en (doen) laten gebruiken van het perceel Ruiter 15 conform de in artikel 8.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als de bebouwing, zoals weergegeven in bijlage 8 bij het onderhavige bestemmingsplan, ter plaatse van de

functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - voorwaarde sloop gebouwen’ binnen 12 maanden na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is gesloopt. i. het gebruiken en (doen) laten gebruiken van het perceel Eindje ong. conform de in artikel 8.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - maatregelen geluid’ de volgende maximale belasting en voorwaarden zijn toegepast en in stand worden gehouden: 1. de woningen beschikken over minimaal één geluidsluwe gevel en één geluidsluwe buitenruimte met een gevelbelasting van maximaal 53 dB; 2. er dient een karakteristieke gevelwering (GA;k) toegepast te worden, waardoor de binnenwaarde voor wegverkeerslawaai te allen tijde maximaal 33 dB bedraagt; 3. de woningindeling moet dusdanig zijn dat tenminste 50% van het aantal verblijfsruimten of tenminste 50% van het oppervlakte van het verblijfsgebied aan de zijde van de geluidsluwe gevel gelegen zijn;

8.5

Afwijken van de gebruiksregels

8.5.1

Minicamping als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.4.1 onder f, ten behoeve van het toestaan van een minicamping die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. er zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan, waaronder maximaal vijf stacaravans; b. voor ondersteunende voorzieningen, zoals op sanitair gebied, is maximaal 100 m² bebouwing toegestaan. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de bestaande (of vergunbare) bebouwing; c. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; d. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; e. de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m¹; f. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; g. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; h. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; i. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2 en aangetoond met een erfinrichtingsplan.

8.5.2

Groepsaccommodatie als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.4.1 onder f, ten behoeve van het als ondergeschikte functie toestaan van een groepsaccommodatie die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie in de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de capaciteit is maximaal 20 personen; b. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; c. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; d. de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; e. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; f. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

8.5.3

Bed and breakfast als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.4.1 onder f, ten behoeve van het als ondergeschikte functie toestaan van bed and

breakfast die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie in de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de capaciteit is maximaal 10 personen (eenpersoonsbedden); b. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; c. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; d. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

8.5.4

Theehuisuitspanning (routegebonden horeca) als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.4.1 onder f, ten behoeve van het als ondergeschikte functie vanuit de bestaande bebouwing door de bewoner(s) van de betreffende locatie verstrekken van dranken en/of spijzen voor gebruik ter plaatse. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. de oppervlakte van het theehuis/uitspanning bedraagt maximaal 200 m2 inclusief terras; c. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; d. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; e. de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; f. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; g. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2 en aangetoond met een erfinrichtingsplan.

8.5.5

Verhuur fietsenrijtuigen als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.4.1 onder f, ten behoeve van het door de bewoner(s) van de betreffende locatie als ondergeschikte functie verhuren van fietsen, rijtuigen e.d. vanuit de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; b. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

8.5.6

Dagrecreatie als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.4.1 onder f voor het als ondergeschikte nevenactiviteit vanuit de bestaande bebouwing door de bewoner(s) van de betreffende locatie aanbieden van dagrecreatie. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; c. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; d. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

8.5.7

Zorg als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het verlenen van zorg door de bewoner(s) van de betreffende locatie als nevenactiviteit. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteiten vinden plaats binnen bestaande bebouwing; b. het is niet toegestaan om zelfstandige wooneenheden ten behoeve van de huisvesting van zorgbehoevenden te realiseren; c. er mogen maximaal 15 personen worden gehuisvest;

d. er wordt alleen huisvesting geboden aan personen met een zorgindicatie; e. de activiteiten leiden infrastructureel niet tot onevenredige verkeersoverlast en zijn landschappelijk goed inpasbaar; f. de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 8.5.8

Kinderopvang en dagbesteding als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het exploiteren van kinderopvang en dagbesteding door de bewoner(s) van de betreffende locatie als nevenactiviteit. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteiten vinden plaats binnen de bestaande bebouwing; b. de activiteiten leiden infrastructureel niet tot onevenredige verkeersoverlast en zijn landschappelijk goed inpasbaar; c. de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; d. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

8.5.9

Huisvesting arbeidsmigranten Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor de structurele of tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten in een woning. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a. het is toegestaan om een woning te gebruiken voor bewoning door maximaal 4 arbeidsmigranten; b. parkeren dient volledig op eigen terrein plaats te vinden, waarbij de parkeervoorzieningen middels inrichtingsschets aangetoond worden waarbij per huisvestingsplaats 0,7 parkeerplaats gerealiseerd dient te worden. c. de woning voldoet aan de regels uit het bouwbesluit; d. in een straat mogen maximaal 20% van de totaal aantal woningen gebruikt worden voor bewoning door arbeidsmigranten, waarbij de woningen niet direct naast elkaar, tegenover elkaar of boven elkaar gesitueerd mogen zijn, waarbij de perceelgrenzen bepalend zijn; e. er dient een nachtregister bijgehouden te worden; f. in afwijking op lid 1 is het mogelijk om tot een maximum van 20 personen bewoning te laten plaatsvinden, mits aangetoond wordt dat er voldoende parkeergelegenheid is op eigen terrein en dat bewoning niet tot overlast leidt in de omgeving; g. de woning (met meer dan 4 arbeidsmigranten) is voorzien van een SNF-registratie en dit dient aangetoond te worden; h.

als de woning vijf of meer wooneenheden bevat, moet men voldoen aan de aanvullende eisen uit het bouwbesluit van kamergewijze verhuur, zoals geldend ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning. (wooneenheden: 5 of meer slaapkamers); i. vanaf 11 personen dient minimaal 250 meter aangehouden te worden ten opzichte van een andere locatie waar meer dan 10 arbeidsmigranten gehuisvest worden; j. vanaf 11 personen dient het perceel landschappelijk ingepast te worden; k. vanaf 11 personen dient het beheer in een overeenkomst vastgelegd te worden.

8.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.6.1

Vergunningplicht Het is verboden op of in de gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 1', 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 2', 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 3' en 'specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 6' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden landschappelijke inpassing te verwijderen, waarvan de aanleg in het kader van een vergunningverlening of bestemmingsplanherziening verplicht is gesteld.

8.6.2

Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als hiervoor aangegeven is niet vereist voor: a. werken of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud en beheer van de gronden overeenkomstig de bestemming dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn dan wel op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, nog mogen worden uitgevoerd op basis van een eerder verleende vergunning.

8.6.3

Toelaatbaarheid Deze werken en/of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien zij verband houden met de doeleinden, die aan de bestemming zijn toegekend en door het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en voor zover de mogelijkheden voor herstel niet (onevenredig) worden verkleind zoals omschreven in de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding, in de specifieke erfbeplantingsplannen en/of in het beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011.

8.7

Wijzigingsbevoegdheid

8.7.1

Wijzigingsbevoegdheid voor 'wonen plus' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aan de bestemming ‘Wonen - Buitengebied’ de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - wonen plus’ toe te voegen ten behoeve van de vestiging van een kleinschalig bedrijf in de milieucategorieen 1 of 2, of aantoonbaar daarmee gelijk te stellen qua aard en invloed, zoals genoemd in de Brochure bedrijven en milieuzonering, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hierbij moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden: a. de bedrijfsactiviteit moet plaatsvinden binnen de maximaal toegestane oppervlakte bebouwing; b. de maximaal toegestane oppervlakte voor de bedrijfsbebouwing is 350 m2, met dien verstande dat de voorwaarden zoals genoemd in de sloopbonusregeling (artikel 8.3.2) dienen te worden toegepast; c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; d. parkeren, laden en lossen vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; e. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; f. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding; g. buitenopslag is niet toegestaan;

h. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygienische belemmeringen, of gelet op de aard en omvang van het wijzigingsplan is door middel van noodzakelijk (milieu)onderzoek aangetoond dat het plan uitvoerbaar is; i. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 8.7.2

Wijzigingsbevoegdheid voor splitsing Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming 'Wonen - Buitengebied' te wijzigen voor het splitsen van een woonboerderij in maximaal twee aaneen gebouwde woningen. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a. splitsing is alleen mogelijk als de woonboerderij een inhoud heeft van tenminste 900 m3; b. beide woningen dienen na splitsing elk een inhoud te hebben van tenminste 350 m3; c. per woning is een vrijstaand bijgebouw toegestaan van maximaal 100 m2, behoudens ingeval van toepassing van de sloopbonusregeling (artikel 8.3.2). Dan mag de maximale oppervlakte bijgebouwen 350 m2 bedragen; d. eventueel aanwezige overtollige (voormalige bedrijfs-)bebouwing dient te worden gesloopt tenzij de bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarde bezit; e. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygienische belemmeringen, of gelet op de aard en omvang van het wijzigingsplan is door middel van noodzakelijk (milieu)onderzoek aangetoond dat het plan uitvoerbaar is; f. gesplitste woningen komen niet in aanmerking voor gewijzigde situering; g. de splitsing kan slechts plaatsvinden indien deze gericht is op het behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; h. splitsing is enkel mogelijk indien er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object waarbij geldt dat: 1.

er sprake is van een (rijks-, provinciaal of gemeentelijk) monument met de dubbelbestemming ‘Waarde –Cultuurhistorie’; of 2. een beeldbepalend pand dat is opgenomen in de lijst met beeldbepalende panden in bijlage 7 bij de regels van dit bestemmingsplan; of 3. indien door een terzake deskundige instantie zoals Stichting Monumentenhuis Brabant aangetoond is dat het pand beeldbepalend is; i. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

Artikel 9 9.1

Wonen - Kom Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Kom' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, in de vorm van huisvesting van huishoudens in woningen; b. aan-huis-verbonden beroepen als ondergeschikte functie bij wonen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

9.2

Bouwregels

9.2.1

Algemeen a. Voor het bouwen van woningen en bijbehorende aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen, geldt dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel/de standplaats niet meer mag bedragen dan: 1. vrijstaande woningen: 1. voor een bouwperceel met een oppervlakte tot en met 500 m²: 50%; 2. voor een bouwperceel met een oppervlakte groter dan 500 m²: 50% van 500 m² vermeerderd met 10% van de oppervlakte van de gronden meer dan 500 m².

9.2.2

Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' dient het aangegeven bebouwingstype te worden behouden; b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; c. het toevoegen van woningen is niet toegestaan; d. de voorgevel van een hoofdgebouw moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn, dan wel op een afstand van niet meer dan 3 m1 daar achter; e. de breedte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 10 m1, met inachtneming van het bepaald onder i, en behoudens de uitzondering als omschreven f. Indien de bestaande breedte van een hoofdgebouw mee bedraagt dan 10 m1, dan betreft de bestaande breedte de maximale breedte van het hoofdgebouw; f. een vrijstaande woning mag breder worden dan 10 m1, mits voor iedere meter dat de onder e geregelde maximum breedte van 10 m1 wordt overschreden, de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens aan beide zijde met 0,5 m1 wordt vergroot ten opzichte van het bepaalde onder i; g. de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte, maximum bouwhoogte (m)’; h. de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte, maximum bouwhoogte (m)’; i.

de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag ter plaatse van de aanduiding: 1. ‘vrijstaand’ aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m1; j. hoofdgebouwen dienen te worden voorzien van een hellend dak met een dakhelling van minimaal 30 graden en maximaal 60 graden. k. in afwijking van het bepaalde onder j dient ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' het hoofdgebouw voorzien te worden van dak zonder dakhelling.

9.2.3

Aanbouwen en bijgebouwen Binnen de bestemming ‘Wonen - Kom’ mogen aanbouwen en bijgebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. aanbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduidingen 'bijgebouwen' worden gebouwd; b. aanbouwen aan de achtergevel van een vrijstaande woning worden gebouwd met in achtneming van de volgende bepalingen: 1. de aanbouwen mogen uitsluitend in één bouwlaag worden gebouwd; 2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m1; 3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m1; 4. in afwijking van het bepaalde onder 3 mag de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende bouwhoogte aanbouwen en bijgebouwen' niet meer bedragen dan 3,3, m1; 5. de afstand van een aanbouw tot de achterste perceelsgrens mag niet minder dan 5 m1 bedragen. c bijgebouwen bij woningen mogen worden gebouwd achter de achtergevellijn en naast het hoofdgebouw op een afstand van ten minste 3,5 m1 uit de voorgevel van het hoofdgebouw met inachtneming van de volgende bepalingen: 1. het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen op bouwpercelen: 1. kleiner dan 500 m² mag niet meer bedragen dan 50 m²; 2. van 500 m² tot en met 1.000 m² mag niet meer bedragen dan 60 m²; 3. van 1.000 m² tot en met 2.000 m2 mag niet meer bedragen dan 75 m²; 4. groter dan 2.000 m2 mag niet meer bedragen dan 100 m2; 2.

de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m1; 3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m1; 4. in afwijking van het bepaalde onder 3 mag de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende bouwhoogte aanbouwen en bijgebouwen' niet meer bedragen dan 3,3, m1; 5. bij vrijstaande woningen mogen slechts aan één zijde naast het hoofdgebouw bijgebouwen worden gebouwd. Indien aan één zijde van het hoofdgebouw al een overkapping aanwezig is, mag uitsluitend aan deze zijde een bijgebouw naast de woning worden gerealiseerd; 6. het bebouwingspercentage zoals bedoeld in 9.2.1 mag niet worden overschreden; d. in afwijking van het bepaalde onder a mogen ondergeschikte uitbouwen en luifels voor de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd, welke aan de volgende kenmerken voldoen: 1. de bouwgrens wordt met niet meer dan 1 m1 naar de wegzijde overschreden; 2. de breedte van een uitbouw en/of luifel mag niet meer bedragen dan 40% van de gevel waarin de uitbouw en/of luifel wordt gebouwd, met een maximumbreedte van 3,5 m1; 3. de bouwhoogte van een uitbouw en/of luifel mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; 4. de afstand van de uitbouw en/of luifel tot de straat mag niet minder bedragen dan 2 m1; e.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9935728/1