CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

6i Regels bestemmingsplan Veegplan XI

Commissie Ruimte 7 april 2021, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Veegplan XI gemeente Someren 202033.403 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

het differentiatievlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch teeltondersteunende voorzieningen’ sluit direct aan op een bestemmingsvlak ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ ten behoeve waarvan de teeltondersteunende voorzieningen worden gerealiseerd; b. de oppervlakte van het differentiatievlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen’ is maximaal 4 hectare; c. in afwijking van het bepaalde in sub b, is in de groenblauwe mantel de oppervlakte van het differentiatievlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch teeltondersteunende voorzieningen’ maximaal 3 hectare; d. de teeltondersteunende voorzieningen zijn ook op langere termijn noodzakelijk uit een oogpunt van de agrarische bedrijfsvoering. Ter zake wordt het advies van de AAB ingewonnen; e. wanneer permanente voorzieningen resulteren in een aaneengesloten afwaterend oppervlak, dienen deze te worden voorzien van een bergings- c.q. infiltratievoorziening, zoals opgenomen in de waterparagraaf; f. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, hydrologische, cultuurhistorische en/of abiotische waarden worden niet onevenredig aangetast; g. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan ter plaatse van het Natuur Netwerk Brabant; h.

de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 3.7.3 Wijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Agrarisch’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - minicamping’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ‘Agrarisch’ de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - minicamping’ toevoegen ten behoeve van de realisatie of uitbreiding van een minicamping. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. het betreft uitsluitend recreatief medegebruik voor kleinschalig kamperen op gronden die direct aansluiten aan een bestemmingsvlak, indien er geen ruimte is binnen het bestemmingsvlak, waar een minicamping al is toegestaan dan wel in combinatie met onderhavige wijziging via een omgevingsvergunning wordt toegestaan;

b. per minicamping zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan. Stacaravans en trekkershutten, zijn niet toegestaan en slechts toelaatbaar binnen de aangrenzende bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', 'Bedrijf' of 'Wonen - Buitengebied'; c. parkeer- en ondersteunende voorzieningen, zoals op sanitair gebied, zijn niet toegestaan en slechts toelaatbaar binnen de aangrenzende bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', 'Bedrijf' of 'Wonen - Buitengebied'; d. de afstand tot de as van de weg dient ten minste 20 m¹ te zijn; e. de afstand tot woningen van derden dient ten minste 50 m¹ te zijn; f. de afstand tot de bestemmingsgrens dient ten minste 5 m¹ te zijn; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; h. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 3.7.4 Wijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Natuur’ en/of ‘Water’ (ontwikkeling van landschapselementen, natuur en/of wateren) Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch’ wijzigen in de bestemming ‘Natuur’ of ‘Water’ ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe natuur- en/of landschapselementen. Hierbij geldt de randvoorwaarde dat er geen afbreuk wordt gedaan aan andere belangen in de omgeving, zoals agrarische belangen.

3.7.5 Wijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Agrarisch’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ‘Agrarisch’ de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ toevoegen ten behoeve van de realisatie van landschappelijke inpassing. Hierbij geldt de voorwaarde dat de inpassing direct aansluit bij het bestemmingsvlak waar een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

Artikel 4 4.1

Agrarisch - Agrarisch bedrijf Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de bijbehorende bedrijfsbebouwing, niet zijnde een veehouderij of een glastuinbouwbedrijf; b. productiegerichte paardenhouderijen; c. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 5’ zijn de gronden bestemd voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen; d. bedrijfswoning(en), tenzij anders aangeduid. Binnen bestemmingsvlakken waar een bedrijfswoning is toegestaan, zijn aan huis verbonden beroepen toegestaan conform de bepalingen in artikel 4.4.2; e. mestbewerking ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest afkomstig van een op dezelfde locatie gevestigde veehouderij; f. mestopslagsilo’s; g. voer- en mestplaten, mest- of waterbassins van folie; h. permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van water, waterberging en infiltratie; j. verhardingen, parkeerplaatsen en parkeervoorzieningen; k. landschapselementen; l. groenvoorzieningen; m. tuinen en erven; n. erfbeplanting; o.

verkoop van ter plaatse geproduceerde producten is als ondergeschikte functie toegestaan met dien verstande dat de bruto vloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m²; p. extensief recreatief medegebruik.

4.2

Bouwregels

4.2.1

Algemeen a. Op of in de voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de in artikel 4.1 genoemde bestemming. b. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 5’ is het oprichten van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde en het aanleggen van verhardingen niet toegestaan. Perceelsgedeelten met deze functieaanduidingen worden niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht. c. De ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. d. De oppervlakte voor bebouwing, verharding en andere voorzieningen mag maximaal 90% van het bestemmingsvlak bedragen zodat er 10% overblijft voor de groene erfinrichting/landschappelijke inpassing.

4.2.2

Algemene bouwregels bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de maximaal toegestane goothoogte is 4,5 m¹; b. de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m¹; c. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; d. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; e. de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m¹; f. de maximaal toegestane oppervlakte voor teeltondersteunende kassen is 1.000 m². g. de teeltondersteunende kassen dienen te worden voorzien van een bergingsc.q. infiltratievoorziening die aantoonbaar voldoende capaciteit heeft en voldoet aan de criteria zoals omschreven in de waterparagraaf van het onderhavige bestemmingsplan; h. een toename van de oppervlakte bedrijfsbebouwing bij een niet grondgebonden veehouderij ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’ is niet toegestaan, zoals opgenomen onder artikel 4.2.4; i. een toename van de oppervlakte dierenverblijven is niet toegestaan.

4.2.3

Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de agrarische doeleinden Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van agrarische doeleinden gelden de volgende bepalingen: a. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding; b. de bouwhoogte van torensilo's is maximaal 15 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; c. de bouwhoogte van luchtwassers en combi-wassers is maximaal 10 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; d. de goot- en bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van mestbewerking en mestverwerking ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf mag niet meer bedragen dan respectievelijk 6 m¹ en 10 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; e. de bouwhoogte van mestsilo's mag niet meer bedragen dan 6 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹ en een afstand van ten minste 20 m¹ tot de as van de weg; f. de bouwhoogte van sleufsilo's mag niet meer bedragen dan 2,5 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹ en een afstand van ten minste 20 m¹ tot de as van de weg; g. de bouwhoogte van antenne- en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 8 m¹ met een afstand van ten minste 5 m¹ tot de bestemmingsgrens en een afstand van ten minste 20 m¹ tot de as van de weg; h.

de bouwhoogte van andere bouwwerken, met uitzondering van erfafscheidingen, is maximaal 2,5 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; i. de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag maximaal 1 m¹ zijn en voor het overige maximaal 2 m¹; j. de bouwhoogte van constructies voor het leiden van bomen mag niet meer bedragen dan 5 m¹, met dien verstande dat constructies voor het leiden van bomen op niet minder dan 0,5 m¹ uit de perceelsgrens mogen worden gebouwd, waarbij de bomen vanaf het eigen perceel gesnoeid moeten kunnen worden en er geen sprake mag zijn van overhangende takken over de perceelsgrens.

4.2.4 Verbod op uitbreiding bedrijfsbebouwing bij een veehouderij binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’ a. Binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’ is het verboden om: 1. de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, uit te breiden; 2. de bestaande oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde uit te breiden. b. Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt de oppervlakte die: 1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning. c. Het verbod zoals opgenomen in het bepaalde onder a geldt niet voor een grondgebonden veehouderij. 4.2.5

Bedrijfswoningen/plattelandswoningen Ten aanzien van bedrijfswoningen en plattelandswoningen gelden de volgende bepalingen: a. per bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan; b. bij herbouw mag de bedrijfswoning of plattelandswoning uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande fundering en als er sprake is van uitbreiding daar direct op aansluitend; c. bij bouw en herbouw dient te worden aangetoond dat de bedrijfswoning noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, door middel van een advies van de AAB, waarbij de noodzaak van (her)bouw niet het gevolg mag zijn van een eerder aanwezige maar inmiddels afgestoten bedrijfswoning; d. herbouw van een cultuurhistorisch waardevolle woning is alleen mogelijk indien dit is gericht op behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden; e. de bedrijfswoning of plattelandswoning mag een inhoud hebben van maximaal 750 m³. De inhoud van een kelder wordt niet meegeteld; f. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' is gebruik van de (voormalige) bedrijfswoning als plattelandswoning toegestaan; g. indien de inhoud van de bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan op basis van een eerder verleende vergunning al meer bedraagt of mag bedragen, dan geldt deze inhoud, als maximaal toegestaan.

Bij herbouw geldt dat de woning tot maximaal de vergunde inhoud mag worden teruggebouwd; h. voor een cultuurhistorisch waardevolle woning geldt de totale inhoud van het oorspronkelijk opgerichte pand waaraan cultuurhistorische en/of monumentale waarden aan toegekend zijn op grond van een deskundigenrapport als de maximaal toegestane inhoud; i. de maximaal toegestane goothoogte is 6 m¹; j. de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m¹; k. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; l. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; m. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹.

4.2.6

Bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning/plattelandswoning Ten aanzien van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. per bedrijfswoning of plattelandswoning is een bijgebouw toegestaan met een oppervlakte van maximaal 100 m²; b. de maximaal toegestane goothoogte is 3 m¹; c. de maximaal toegestane bouwhoogte is 5,5 m¹;

d. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; e. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 1 m¹ achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd; f. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; g. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹; h. de maximale afstand tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning bedraagt 20 m¹; i. het bepaalde in sub g geldt niet indien de bestaande afstand van een vergund of krachtens overgangsrecht toegelaten bijgebouw tot de woning al meer bedraagt, dan geldt deze afstand voor dit gebouw als maximaal toegestaan; j. bij volledige sloop en herbouw van een bijgebouw geldt 20 m¹ als maximale afstand tussen het bijgebouw en de woning, ongeacht de (afwijkende) situering van de te slopen bebouwing als bedoeld in sub i. 4.2.7

Bouwwerken geen gebouwen zijnde behorende bij bedrijfswoning/plattelandswoning Ten aanzien van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. per bedrijfswoning of plattelandswoning mag één overkapping worden gebouwd met de volgende maatvoering: 1. oppervlakte niet meer dan 20 m²; 2. bouwhoogte niet meer dan 3 m¹; 3. de overkapping dient op een afstand van ten minste 1 m¹ achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd; 4. afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; 5. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹; 6. de maximale afstand tussen de overkapping en de woning bedraagt 20 m¹; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag maximaal 1 m¹ zijn en voor het overige maximaal 2 m¹; c. de bouwhoogte van constructies voor het leiden van bomen mag niet meer bedragen dan 5 m¹, met dien verstande dat constructies voor het leiden van bomen op niet minder dan 0,5 m¹ uit de perceelsgrens mogen worden gebouwd, waarbij de bomen vanaf het eigen perceel gesnoeid moeten kunnen worden en er geen sprake mag zijn van overhangende takken over de perceelsgrens; d. in afwijking van het bepaalde onder sub a tot en met sub c mag de bouwhoogte van overige bouwwerken maximaal 2,5 m¹ bedragen en moet de afstand tot de bestemmingsgrens van deze bouwwerken ten minste 5 m¹ bedragen.

4.3

Afwijken van de bouwregels

4.3.1

Afwijking voor de toename van de oppervlakte dierenverblijven bij veehouderijen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder i voor de uitbreiding van een veehouderij bestaande uit de toename van de bestaande oppervlakte van de dierenverblijven, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. er sprake is van een zorgvuldige veehouderij die voldoet aan de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij en de nadere regels zoals die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld in de Interim omgevingsverordening, waarbij de maatregelen die worden getroffen vervolgens in stand worden gehouden; b. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden en de omgeving bij de planontwikkeling; c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in de Interim omgevingsverordening, inpasbaar is in de omgeving;

d. mestbewerking ter plaatse alleen is toegestaan ten behoeve van de binnen het bouwvlak geproduceerde mest; e. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder, (achtergrondbelasting) in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; f. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³; g. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); h. ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - stalderingsgebied’ gelden voor de uitbreiding van de oppervlakte van de dierenverblijven ten behoeve van een hokdierhouderij de aanvullende eisen zoals gesteld in artikel 15.4; i.

binnen de dierenverblijven mogen dieren - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; j. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. k. dit artikel is niet van toepassing indien sprake is van een geitenhouderij; l. dit artikel is niet van toepassing op veehouderijen, niet zijnde grondgebonden, binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’. 4.3.2

Afwijkende dakhelling Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder c voor een afwijkende dakhelling. Een bedrijfsgebouw mag worden uitgevoerd met een plat dak indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering; b. de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen van artikel 17.2.

4.3.3

Afwijkende goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder a en/of 4.2.2 onder b ten behoeve van een afwijkende gooten bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat de goothoogte maximaal 10 m¹ mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 12,5 m¹ mag bedragen. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB; b. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bedrijfsgebouwen in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.3.4

Afstand tot bestemmingsgrens Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder d, 4.2.3 onder b t/m h, 4.2.5 onder l, 4.2.6 onder f, 4.2.7 onder a.4) en/of 4.2.7 onder d ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen, een

bedrijfswoning, bijgebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde op een kortere afstand dan 5 m¹ tot de bestemmingsgrens. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid mogen niet worden belemmerd; b. er dient te worden aangetoond dat de afwijking voldoet aan de eisen die gelden in het kader van het woon- en leefklimaat; c. er dient te worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is; d. indien sprake is van afwijking van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder d en/of 4.2.3 onder b t/m h dient te worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt; e. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bouwwerken in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; f. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 4.3.5

Torensilo Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.3 onder b, ten behoeve van de bouw van torensilo’s hoger dan 15 m¹. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. de bouwhoogte mag maximaal 25 m¹ zijn; b. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB; c. de landschappelijke of andere waarden van de omliggende gronden mogen niet onevenredig worden aangetast; d. de silo's worden geïntegreerd in de bedrijfsbebouwing; e. de silo's dienen aan de achterkant van de bedrijfsbebouwing te worden gerealiseerd. Indien de doelmatigheid van de bedrijfsvoering dit niet toestaat, dienen de silo's zover mogelijk van de as van de weg geplaatst te worden, maar minimaal 30 m¹ van de as van de weg; f. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.3.6

Terreinafscheidingen/ erfafscheidingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.3 onder i en/of 4.2.7 onder b met betrekking tot de bouwhoogte van terreinafscheidingen tot maximaal 2,5 m¹. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a. de terreinafscheiding is noodzakelijk ten dienste van de in artikel 4.1 genoemde bestemming; b. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende waarden en functies, hetgeen onder andere betekent dat de terreinafscheiding passend is in het landschap; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.3.7

Herbouw bedrijfswoning/plattelandswoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.5 onder b ten behoeve van de herbouw van een bedrijfswoning of plattelandswoning op een andere plaats binnen het bestemmingsvlak. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. de nieuwe locatie ligt niet minder dan 5 m¹ van de bestemmingsgrens en niet minder dan 15 m¹ uit de as van de weg waaraan wordt gebouwd;

b. in het geval van de herbouw van een plattelandswoning, dient herbouw plaats te vinden binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'; c. de bedrijfswoning of plattelandswoning wordt gebouwd ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning; d. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; e. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; f. met de nieuwe situering is sprake van een milieukundige en ruimtelijke kwaliteitsverbetering; g. de sloop van de oorspronkelijke bedrijfswoning of plattelandswoning is duurzaam verzekerd; h. er dient te worden aangetoond dat de bedrijfswoning noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, waarbij de noodzaak van herbouw niet het gevolg mag zijn van een eerder aanwezige maar inmiddels afgestoten bedrijfswoning; i. bij herbouw van een plattelandswoning dient te worden aangetoond dat de nieuwe locatie voldoet aan de eisen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; j. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.4

Specifieke gebruiksregels

4.4.1

Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor erotische dienstverlening; b. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van (buiten)opslag, stort of lozing, anders dan voor de agrarische bedrijfsvoering; c. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel of detailhandel; d. het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie; e. het gebruik van gronden en/of opstallen voor andere bedrijfsdoeleinden dan volgens de bestemmingsomschrijving zijn toegestaan; f. het gebruik van gronden en/of opstallen voor de vestiging van, uitbreiding van en/of omschakeling naar een geitenhouderij, waarbij sprake is van toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijven voor de geitenhouderij. Hierbij wordt onder ‘de bestaande oppervlakte dierenverblijven’ verstaan: 1. de oppervlakte dierenverblijf die op 7 juli 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2. de oppervlakte dierenverblijf die mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning; g.

het gebruik van gronden en/of opstallen voor een veehouderij, uitgezonderd ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’; h. het huisvesten van tijdelijke werknemers; i. het gebruik van gebouwen voor bewoning anders dan de bedrijfswoning of de plattelandswoning voor wonen; j. het gebruik van opstallen voor het houden van dieren niet op de grond, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen, waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden voor het houden van dieren; k. het in gebruik nemen van bestaande gebouwen en/of overkappingen als dierenverblijf, wat leidt tot een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij. Hierbij wordt onder ‘de bestaande oppervlakte dierenverblijven’ verstaan:

1. de oppervlakte dierenverblijf die op 17 maart 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2. de oppervlakte dierenverblijf die mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning; l. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor een manege; m. het gebruik van gronden voor lawaaisporten; n. het gebruik van gronden en/of opstallen waarbij er een toename plaatsvindt van de stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); o. er is geen sprake van strijdig gebruik zoals omschreven onder sub n indien voor de benodigde ontwikkeling ten tijde van de referentiesituatie reeds een onherroepelijke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend; p. het gebruik van gronden en/of opstallen ten behoeve van (de vestiging van of wijziging naar) een gebruiksgerichte paardenhouderij; q. het plaatsen van zeecontainers; r. het gebruik van gronden en/of opstallen voor horeca, tenzij het vergunde ondersteunende of routegebonden horeca betreft; tenzij de regels van dit bestemmingsplan expliciet bepalen dat bovenstaande gebruik wel is toegestaan of een vergunning is verleend in afwijking op bovenstaande. 4.4.2

Aan huis verbonden beroep De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de beroepsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing bij een bedrijfswoning tot een maximum van 150 m²; b. de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een van de bewoners; c. de beroepsactiviteit mag zowel in de bedrijfswoning als in een bijgebouw worden uitgeoefend; d. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; e. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; f. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; g. detailhandel is niet toegestaan; h. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding.

4.4.3

Landschappelijke inpassing a. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 5' dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 4 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden.

4.4.4

Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van het perceel Nederweertseweg 34 conform de in artikel 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 5’ de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 4 bij het onderhavige bestemmingsplan of een

kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden. b. het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de bebouwing en gronden ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf' op het perceel Nederweertseweg 34 conform de in artikel 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als een storting van € 1.788,60 is gedaan aan de gemeente Someren ten behoeve van het fonds Buitengebied In Ontwikkeling Fonds.

4.5

Afwijken van de gebruiksregels

4.5.1

Gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenactiviteit buiten de groenblauwe mantel Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder p ten behoeve van de vestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij als ondergeschikte nevenactiviteit bij een bestaand agrarisch bedrijf buiten de groenblauwe mantel, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. deze afwijking is alleen toegestaan indien sprake is van een bestaande productiegerichte paardenhouderij of indien de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch veehouderij’ van toepassing is; b. de ontwikkeling draagt bij aan de beoogde ontwikkeling van het gemengd landelijk gebied; c. er is duurzaam verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. er is aangetoond dat de vestiging van de gebruiksgerichte paardenhouderij ook op langere termijn past binnen de toegestane omvang; e. er is geen sprake van een grootschalige ontwikkeling; f. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; g. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; h. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; i. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.5.2

Het in gebruik nemen van gebouwen en overkappingen als dierenverblijf Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder k ten behoeve van het in gebruik nemen van bestaande gebouwen en overkappingen als dierenverblijf. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a. er sprake is van een zorgvuldige veehouderij die voldoet aan de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij en de nadere regels zoals die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld in de Interim omgevingsverordening, waarbij de maatregelen die worden getroffen vervolgens in stand worden gehouden; b. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden en de omgeving bij de planontwikkeling; c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in de Interim omgevingsverordening, inpasbaar is in de omgeving; d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder, (achtergrondbelasting) in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³; f. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); g. ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - stalderingsgebied’ gelden voor de uitbreiding van de oppervlakte van de dierenverblijven ten behoeve van een hokdierhouderij de aanvullende eisen zoals gesteld in artikel 15.4; h. binnen de dierenverblijven mogen dieren - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; i. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen van artikel 17.2; j. dit artikel is niet van toepassing indien sprake is van een geitenhouderij; k. dit artikel is niet van toepassing op veehouderijen, niet zijnde grondgebonden, binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’. 4.5.3

Huisvesting in het buitengebied bij het agrarische bedrijf Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor de structurele of tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten in een bedrijfswoning, in bestaande of direct vergunbare bedrijfsgebouwen of ten behoeve van alleen tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare onderkomens. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a deze huisvesting dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de structurele of tijdelijke grote arbeidsbehoefte in het betreffende agrarisch bedrijf, waarover advies gevraagd kan worden aan de AAB; b de huisvesting mag uitsluitend werknemers betreffen, die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten; c de huisvestingslocatie voldoet aan de regels uit het bouwbesluit; d de huisvestingslocatie (met meer dan 4 arbeidsmigranten) is voorzien van een SNF-registratie en dit dient aangetoond te worden; e per locatie mogen er in totaal maximaal 40 personen gehuisvest worden; f bij huisvesting in een bedrijfswoning mogen maximaal 20 personen per locatie worden gehuisvest; g bij huisvesting in een bedrijfsgebouw mogen maximaal 40 personen per locatie worden gehuisvest; h bij huisvesting in een bedrijfsgebouw, wordt het gedeelte van het bedrijfsgebouw waar arbeidsmigranten worden

gehuisvest aangemerkt als logiesgebouw; i huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare onderkomens is alleen toegestaan als het gaat om een aantoonbaar tijdelijke oplossing gedurende maximaal 6 maanden per kalenderjaar, waarbij de gemeente goedkeuring dient te geven over de kwaliteit en uiterlijk van de woonunit; j bij tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-) caravans of vergelijkbare onderkomens dienen deze na afloop van de termijn (zoals bepaald onder lid 8) te worden verwijderd; k per woonunit mogen maximaal vier personen worden gehuisvest; l de bouwhoogte van een woonunit mag niet meer bedragen dan 3,5 m¹; m de genoemde verblijven moeten worden geplaatst binnen het agrarische bestemmingsvlak; n de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform het beeldkwaliteitsplan buitengebied 2011; o het perceel dient bij structurele huisvesting landschappelijk ingepast te worden conform de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan buitengebied 2011;

p parkeren dient volledig op eigen terrein plaats te vinden, waarbij de parkeervoorzieningen middels inrichtingsschets aangetoond worden en per huisvestingsplaats moet minimaal 0,7 parkeerplaats gerealiseerd te worden; q in afwijking op de leden 5, 6, 7 en 10 kan ten behoeve van piekmomenten in de vollegrondstuinbouw en glastuinbouw voor een periode van maximaal 6 maanden gemotiveerd worden afgeweken van maximaal aantal te huisvesten personen in woonunits of bestaande bebouwing. De noodzaak dient jaarlijks aangetoond te worden en daarnaast zal voor wat betreft de huisvesting in woonunits voldaan moeten worden aan het bepaalde onder lid 8; r zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is niet toegestaan; s er dient een nachtregister bijgehouden te worden; t de beheerafspraken dienen vastgelegd te worden; u als de bedrijfswoning vijf of meer wooneenheden bevat, moet men voldoen aan de aanvullende eisen uit het bouwbesluit van kamergewijze verhuur, zoals geldend ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning. (wooneenheden: 5 of meer slaapkamers).

Aan de omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden dat: a de vergunning voor het huisvesting van meer dan 40 personen wordt ingetrokken indien de daaraan ten grondslag liggende tijdelijk grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is; b binnen twee maanden nadat het gebruik als tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten is beëindigd, dient dit door het bedrijf schriftelijk gemeld te worden bij het college van burgemeester en wethouders; c de voorzieningen dienen te worden verwijderd binnen twee maanden na beëindiging van het gebruik van deze voorzieningen voor tijdelijke huisvesting van werknemers. 4.5.4

Minicamping als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder d ten behoeve van het toestaan van een minicamping die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. er zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan, waaronder maximaal vijf stacaravans; b. voor ondersteunende voorzieningen, zoals op sanitair gebied, is maximaal 100 m² bebouwing toegestaan. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de bestaande bebouwing; c. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; d. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; e. de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m¹; f. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; g. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; h. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; i. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.5.5

Groepsaccommodatie als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder d ten behoeve van het als ondergeschikte functie toestaan van een groepsaccommodatie die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie in de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de capaciteit is maximaal 20 personen;

b. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; c. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; d. de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; e. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; f. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 4.5.6

Bed and breakfast als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder d ten behoeve van het als ondergeschikte functie toestaan van bed and breakfast die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie in de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de capaciteit is maximaal 10 personen (eenpersoonsbedden); b. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; c. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; d. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.5.7

Theehuis/uitspanning (routegebonden horeca) als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder r ten behoeve van het als ondergeschikte functie vanuit de bestaande bebouwing door de bewoner(s) van de betreffende locatie verstrekken van dranken en/of spijzen voor gebruik ter plaatse. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. de oppervlakte van het theehuis/uitspanning bedraagt maximaal 200 m² inclusief terras; c. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; d. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; e. de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; f. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.5.8

Verhuur fietsen/rijtuigen als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder d ten behoeve van het door de bewoner(s) van de betreffende locatie als ondergeschikte functie verhuren van fietsen, rijtuigen e.d. vanuit de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; b. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.5.9

Dagrecreatie als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder d ten behoeve van het als ondergeschikte functie vanuit de bestaande bebouwing door de bewoner(s) van de betreffende locatie aanbieden van dagrecreatie. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; c. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; d. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.5.10 Ondersteunende horeca als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder r ten behoeve van ondersteunende horeca. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing; c. de activiteit mag uitsluitend uitgevoerd worden door de bewoner(s) van de betreffende locatie; d. de oppervlakte van de voorziening voor ondersteunende horeca bedraagt maximaal 100 m² inclusief terras; e. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; f. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; g. de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; h. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; i. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.5.11 Zorg als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder e voor het verlenen van zorg door de bewoner(s) van de betreffende locatie als nevenactiviteit. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteiten vinden plaats binnen bestaande bebouwing; b. het is niet toegestaan om zelfstandige wooneenheden ten behoeve van de huisvesting van zorgbehoevenden te realiseren; c. er mogen maximaal 15 personen worden gehuisvest; d. er wordt alleen huisvesting geboden aan personen met een zorgindicatie; e. de activiteiten leiden infrastructureel niet tot onevenredige verkeersoverlast en zijn landschappelijk goed inpasbaar; f. de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 4.5.12 Kinderopvang en dagbesteding als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder e voor het exploiteren van kinderopvang en dagbesteding door de bewoner(s) van de betreffende locatie als nevenactiviteit. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteiten vinden plaats binnen de bestaande bebouwing; b.

de activiteiten leiden infrastructureel niet tot onevenredige verkeersoverlast en zijn landschappelijk goed inpasbaar; c. de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; d. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 4.5.13 Statische opslag als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder b voor statische opslag als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a. het agrarisch bedrijf functioneert als zodanig en blijft dit ook in voldoende mate doen wanneer ter plaatse sprake is van statische opslag; b. de maximale oppervlakte die wordt gebruikt ten behoeve van de statische opslag is 1.000 m²; c. er dient gebruik gemaakt te worden van bestaande bebouwing; d. buitenopslag is uitgesloten; e. opslag in kassen is uitgesloten; f. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.5.14 Kleinschalige niet-agrarische nevenfuncties Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder e voor kleinschalige niet-agrarische nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf in de milieucategorieën 1 of 2, of aantoonbaar daarmee gelijk te stellen qua aard en invloed, zoals genoemd in de Brochure bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a. het agrarisch bedrijf functioneert als zodanig en blijft dit ook in voldoende mate doen wanneer ter plaatse sprake is van een kleinschalige nevenfunctie;

b. de activiteiten worden uitgevoerd door de bewoners van de betreffende locatie; c. de maximale oppervlakte die wordt gebruikt ten behoeve van de kleinschalige nevenfunctie is 350 m²; d. er dient gebruik te worden gemaakt van de bestaande bebouwing; e. detailhandel is uitgesloten; f. buitenopslag is uitgesloten; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 4.5.15 Huisvesting arbeidsmigranten in een plattelandswoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor de structurele of tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten in een plattelandswoning. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a. het is toegestaan om een plattelandswoning te gebruiken voor bewoning door maximaal 4 arbeidsmigranten; b. parkeren dient volledig op eigen terrein plaats te vinden, waarbij de parkeervoorzieningen middels inrichtingsschets aangetoond worden waarbij per huisvestingsplaats 0,7 parkeerplaats gerealiseerd dient te worden. c. de woning voldoet aan de regels uit het bouwbesluit; d. in een straat mogen maximaal 20% van de totaal aantal woningen gebruikt worden voor bewoning door arbeidsmigranten, waarbij de woningen niet direct naast elkaar, tegenover elkaar of boven elkaar gesitueerd mogen zijn, waarbij de perceelgrenzen bepalend zijn; e. er dient een nachtregister bijgehouden te worden; f.

in afwijking op lid 1 is het mogelijk om tot een maximum van 20 personen bewoning te laten plaatsvinden, mits aangetoond wordt dat er voldoende parkeergelegenheid is op eigen terrein en dat bewoning niet tot overlast leidt in de omgeving; g. de woning (met meer dan 4 arbeidsmigranten) is voorzien van een SNF-registratie en dit dient aangetoond te worden; h. als de woning vijf of meer wooneenheden bevat, moet men voldoen aan de aanvullende eisen uit het bouwbesluit van kamergewijze verhuur, zoals geldend ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning. (wooneenheden: 5 of meer slaapkamers); i. vanaf 11 personen dient minimaal 250 meter aangehouden te worden ten opzichte van een andere locatie waar meer dan 10 arbeidsmigranten gehuisvest worden; j. vanaf 11 personen dient het perceel landschappelijk ingepast te worden; k. vanaf 11 personen dient het beheer in een overeenkomst vastgelegd te worden.

4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.6.1

Vergunningplicht Het is verboden op of in de gronden met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 5’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden erfbeplanting te verwijderen, waarvan de aanleg in het kader van een vergunningverlening of bestemmingsplanherziening verplicht is gesteld.

4.6.2

Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.6.1 is niet vereist voor: a. werken of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud en beheer van de gronden overeenkomstig de bestemming dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;

b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn dan wel op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, nog mogen worden uitgevoerd op basis van een eerder verleende vergunning. 4.6.3

Toelaatbaarheid De in artikel 4.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a. De werken en/of werkzaamheden verband houden met de doeleinden, die aan de geldende bestemming zijn toegekend; b. het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk doet aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en de mogelijkheden voor herstel van deze waarden en kwaliteiten niet (onevenredig) worden verkleind, zoals omschreven in: 1. de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding(en); 2. de specifieke erfbeplantingsplannen; 3. in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011.

4.7

Wijzigingsbevoegdheden

4.7.1 Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’ naar ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ zonder functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’ Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zonder de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch veehouderij'. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. het is aantoonbaar dat ter plaatse niet langer sprake is van een veehouderij; b. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen; c. omzetting ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf is niet toegestaan; d. indien er sprake is van een omzetting naar een ‘overig agrarisch bedrijf’ bedraagt de omvang van het bestemmingsvlak maximaal 1,5 hectare; e. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 4.7.2

Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar 'Wonen - Buitengebied' Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Wonen - Buitengebied' voor zo ver het gaat om de agrarische bedrijfswoning met bijbehorende grond. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. het agrarisch bedrijf is beëindigd en hervatting van de agrarische activiteiten ligt niet meer in de rede; b. bewoning van bedrijfsgebouwen is niet toegestaan; c. het bestemmingsvlak wordt gereduceerd tot de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijbehorend(e) bouwwerk(en), erf, tuin en verharding tot maximaal 2.500 m². Deze krijgen de bestemming 'Wonen - Buitengebied' terwijl de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' dezelfde bestemming krijgt als de omliggende gronden; d. de maximaal toegestane oppervlakte aan te behouden bijgebouwen bedraagt 250 m², behoudens ingeval van toepassing van de sloopbonusregeling, zoals opgenomen in artikel 8.3.2. Dan mag de maximale oppervlakte bijgebouwen 350 m² bedragen; e. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt, behalve indien er sprake is van een splitsing overeenkomstig de regeling zoals opgenomen in artikel 8.7.2;

f. de sloop van overtollige bebouwing is duurzaam verzekerd tenzij de bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/ of architectonische waarde bezit; g. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' ontbreken reële mogelijkheden om een veehouderij te hervestigen; h. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen, of gelet op de aard en omvang van het wijzigingsplan is door middel van noodzakelijk (milieu)onderzoek aangetoond dat het plan uitvoerbaar is; i. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 4.7.3 Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen - Buitengebied’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - wonen plus’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen - Buitengebied’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - wonen plus’ ten behoeve van de vestiging van een kleinschalig bedrijf in de milieucategorieën 1 of 2 zoals genoemd in de Brochure bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hierbij moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden: a.

het bestemmingsvlak wordt gereduceerd tot de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijbehorend(e) bouwwerk(en), erf, tuin en verharding tot maximaal 2.500 m². Deze krijgen de bestemming 'Wonen - Buitengebied' met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - wonen plus’, terwijl de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' dezelfde bestemming krijgt als de omliggende gronden; b. de bedrijfsactiviteit moet plaatsvinden binnen de maximaal toegestane oppervlakte bebouwing; c. de maximaal toegestane oppervlakte aan te behouden bijgebouwen bedraagt 250 m², behoudens ingeval van toepassing van de sloopbonusregeling, zoals opgenomen in artikel 8.3.2. Dan mag de maximale oppervlakte bijgebouwen 350 m² bedragen; d. de sloop van overtollige bebouwing is duurzaam verzekerd tenzij de bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/ of architectonische waarde bezit; e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; f. parkeren, laden en lossen vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; g. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; h. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding; i. buitenopslag is niet toegestaan; j.

er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen, of gelet op de aard en omvang van het wijzigingsplan is door middel van noodzakelijk (milieu)onderzoek aangetoond dat het plan uitvoerbaar is; k. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 4.7.4 Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van een agrarisch verwant bedrijf en/of een agrarisch-technisch hulpbedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' voor het vestigen van een agrarisch verwant bedrijf en/of een agrarisch-technisch hulpbedrijf. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; b. de wijziging naar een agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf gaat gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

c. de maximale oppervlakte van het bestemmingsvlak voor het agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf bedraagt maximaal 1,5 hectare, waarbij wordt aangetoond dat de ontwikkeling ook op lange termijn past binnen de toegestane omvang; d. de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' krijgt dezelfde bestemming als de omliggende gronden; e. de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt met dien verstande dat er maximaal 600 m² bedrijfsbebouwing mag overblijven voor het agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf; f. de sloop van de overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is duurzaam verzekerd; g. de inrichting van het bestemmingsvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag; h. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot twee of meer zelfstandige bedrijven; i. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; j. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening; k. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen; l. buitenopslag en mestbewerking is niet toegestaan; m. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

4.7.5 Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’ voor het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; b. de locatie moet binnen een bebouwingsconcentratie liggen; c. de wijziging naar een niet-agrarisch bedrijf gaat gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; d. de maximale oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ bedraagt 5.000 m², waarbij wordt aangetoond dat de ontwikkeling ook op lange termijn past binnen de toegestane omvang; e. de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' krijgt dezelfde bestemming als de omliggende gronden; f. de sloop van de overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is duurzaam verzekerd; g. de inrichting van het bestemmingsvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag; h. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een bedrijf, behorende tot de milieucategorie 3 of hoger; i.

de beoogde ontwikkeling leidt niet tot twee of meer zelfstandige bedrijven; j. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; k. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening; l. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen; m. buitenopslag en mestbewerking is niet toegestaan;

n. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing worden gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2. 4.7.6

Wijziging ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van statische opslag Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’ voor het vestigen van statische opslag. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; b. de maximale oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ bedraagt 5.000 m², waarbij wordt aangetoond dat de ontwikkeling ook op lange termijn past binnen de toegestane omvang; c. de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' krijgt dezelfde bestemming als de omliggende gronden; d. de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt met dien verstande dat er maximaal 1.000 m² bedrijfsbebouwing mag overblijven voor statische opslag; e. de sloop van de overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is duurzaam verzekerd; f. buitenopslag en mestbewerking is niet toegestaan; g. opslag in kassen is niet toegestaan; h. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing worden gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 17.2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9935728/1