6e Toelichting BP Veegplan XI bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Ruiter 15 en ong
Tekst van het document
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Ruiter 15
Ruiter ong.
Figuur 24: Ongewenste elementen Ruiter
Een gedeelte van de bestaande beplanting op de locatie Ruiter 15 is aangemerkt als ongewenst element, welke een gewenst doorzicht belemmert. Bouwsteen 4: groene omranding Om het groene karakter van het buitengebied te behouden is een groene erfafscheiding rondom de percelen gewenst. Hierdoor ontstaat er ook een duidelijk onderscheid tussen bebouwd en onbebouwd. Wanneer de haag zo dicht mogelijk geplant wordt tegen de bebouwing is er meer ruimte voor doorzichten. Navolgende figuur geeft de visie op de Ruiter wat betreft de gewenste groene omranding weer.
Ruiter 15
Ruiter ong.
Figuur 25: Gewenste groene omranding
Op de locatie Ruiter 15 is reeds een forse landschappelijke inpassing aanwezig. Deze ligt aan de westzijde dicht tegen de bebouwing, wat mogelijkheden biedt voor een doorzicht indien achtergelegen beplanting wordt verwijderd, zoals aangegeven onder ‘bouwsteen 3: ongewenste elementen’. De landschappelijke inpassing van deze locatie is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing.
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
De Ruimte voor Ruimte woningen worden conform de visie voor de Ruiter landschappelijk ingepast middels een groene erfafscheiding aan de westzijde. Dit is weergegeven in hoofdstuk 3 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Bouwsteen 5: verdichten van erven Binnen de erven aan de Ruiter is op sommige plekken nog ruimte voor ontwikkeling van bebouwing. Dit laat ook zien op welke plekken juist geen ruimte meer is voor nieuwe ontwikkelingen in vorm van bebouwing. Daar waar nieuwe bebouwing gewenst is, streeft de gemeente Someren ernaar om deze binnen de bestaande erven/ clusters te situeren om zo de open ruimte daaromheen te benadrukken en doorzichten naar het buitengebied te behouden. Binnen de clusters is het streven om toch nog eens een doorkijk te maken naar het omliggende landschap. Navolgende figuur geeft de visie wat betreft het verdichten van erven aan de Ruiter weer.
Ruiter 15
Ruiter ong.
Figuur 26: Verdichten van erven aan Ruiter
Op de locatie Ruiter ong. is aangegeven dat er ruimte is voor de ontwikkeling van twee Ruimte voor Ruimte woningen met behoud van de bestaande schuilgelegenheid. De huidige situatie op de locatie Ruiter 15 is één op één overgenomen in de visie. Middels de verplaatsing en verkleining van de bedrijfsloods op de locatie Ruiter 15, waarmee deze meer gecentreerd op het erf komt te liggen, wordt ook aan de oostzijde van deze locatie een doorzicht gecreëerd. Bouwsteen 7: tweedelijns bebouwing In principe is de Ruiter een lint waarbij de hoofdbebouwing georiënteerd is op het lint met de daarbij horende bijgebouwen. De gemeente Someren streeft ernaar om zoveel mogelijk de bebouwing aan het lint te situeren maar er kan ook gedacht worden aan tweedelijns bebouwing wanneer met deze tweedelijns bebouwing een investering in het landschap wordt gedaan in de vorm van een nieuwe route en een doorzicht. Navolgende figuur geeft een uitwerking van de toevoeging van bebouwing in de tweede lijn ter plaatse van de locatie Ruiter ong. weer.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Figuur 27: Visie tweedelijns bebouwing
Onderhavige ruimtelijke onderbouwing voorziet onder andere in een uitwerking waarbij de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen op het lint worden georiënteerd, in samenhang met de verplaatsing van de schuilgelegenheid. Het creëren van een nieuw doorzicht aan de oostzijde ligt op basis van deze invulling niet voor de hand. Bouwsteen 8: inzetten op routes Om de leefbaarheid van het gebied te vergroten, wil de gemeente Someren ‘ommetjes’ mogelijk maken. Deze ‘ommetjes’ kunnen ook bijdragen aan de beleving van het buitengebied en de eventuele nieuwe ontwikkelingen. Navolgende figuur geeft de mogelijke ommetjes aan de Ruiter weer.
Ruiter 15
Ruiter ong.
Figuur 28: Mogelijke ommetjes aan Ruiter
Ter plaatse van Ruiter ong. is, in combinatie met een ontwikkeling met tweedelijns bebouwing, een ommetje ingetekend aan de oostzijde van de locatie. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing voorziet in een uitwerking waarbij de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen op het lint worden georiënteerd, in samenhang met de verplaatsing van de schuilgelegenheid. Het creëren van een ommetje aan de oostzijde van de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen ligt op basis van deze
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
invulling niet voor de hand. Aan de westzijde van de locatie Ruiter ong. is tevens een ommetje ingetekend. Bij de situering van de te verplaatsen paardenstal kan rekening gehouden worden met het gewenste ommetje. Dit hoeft elkaar niet in de weg te zitten. Bouwsteen 9: ruimte voor functies Naast wonen is er ook ruimte voor andere functies. Deze functies dienen bij te dragen aan de leefbaarheid van het buitengebied en de recreatieve routes. Deze bouwsteen is niet van toepassing op de beoogde herontwikkeling. Bouwsteen 10: versterking van de beek De kleine Aa is nu in het landschap nauwelijks zichtbaar. De gemeente Someren wil meer ruimte geven aan de beek door deze te laten meanderen en aanliggende gronden te vernatten. Door beekbegeleidende beplanting langs de beek zal deze ook zichtbaarder worden. De kleine Aa is niet gelegen binnen het projectgebied, maar grenst wel aan gronden van initiatiefnemer. Onderdeel van de beoogde ontwikkeling is de versterking van het beekdal van de Kleine Aa ten zuiden van het projectgebied middels de aanplant van beekbegeleidende beplanting. Deze beplanting zal worden aangebracht op een perceel landbouwgrond in eigendom van initiatiefnemer, ten zuiden van het projectgebied. Deze aanplant is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing.
NAF-beleid 4.3.3.1
Inleiding
De gemeente Someren heeft in de raadsvergadering van 25 februari 2016 het ‘Beleid voor niet agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen’ (NAF-beleid) vastgesteld. Het doel van deze beleidsnota is een aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied voor Someren te creëren dat in combinatie met een vitale dorpskern ervoor zorgt dat iedere bewoner en bezoeker een prettige fysieke en sociale leefomgeving wordt geboden. Er is een duidelijke scheiding tussen stedelijk gebied en buitengebied en er is sprake van zo min mogelijk leegstand van voormalig agrarische bedrijfsgebouwen. Duurzaamheid is daarbij het kernwoord.
4.3.3.2
Stenen voor stenen
´Stenen voor stenen´ houdt onder andere in dat woningen de hoeveelheid bijgebouwen kunnen uitbreiden boven hetgeen het bestemmingsplan toestaat, mits er elders stallen gesloopt worden. De verhouding van de te slopen stallen en terug te bouwen gebouwen is afhankelijk van de locatie waar gesloopt wordt. Het deel van het projectgebied waar de sloop plaatsvindt, is gelegen in een ‘kampenlandschap’. Op basis van het NAF-beleid dient er 2 m² bebouwing in dat landschap te worden gesloopt om 1 m² extra bijgebouwen bij een woning mogelijk te maken.
4.3.3.3
Bestaande bijgebouwen bij woningen
Doorgaans is in het buitengebied (behalve bij Ruimte voor Ruimte woningen) maximaal 100 m² aan bijgebouwen toegestaan. Het NAF-beleid geeft aan dat met het wijzigen van de agrarische bestemming naar woonbestemming het gebruik van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van de woonfunctie toegestaan wordt, ondanks dat het bestemmingsplan slechts 100
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
m² aan bebouwing toestaat. De gemeente Someren staat middels het NAF-beleid tot maximaal 250 m² aan bijgebouwen toe bij een naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning, mits overtollige bebouwing wordt gesloopt.
4.3.3.4
Ruiter 15
Op de locatie Ruiter 15 is thans 157 m² aan bijgebouwen aanwezig. Deze oppervlakte aan bijgebouwen is ook in de toekomstige situatie toegestaan op basis van het NAF-beleid (maximaal 250 m²). Een recent gesloopte schuur op de locatie Ruiter 15, met een oppervlakte van 230 m², wordt in de sloopbank gebracht. Op basis van het principe ‘stenen voor stenen’ mag middels de sloop van 230 m² bebouwing 115 m² extra bijgebouwen bij de woning worden opgericht, bovenop de reeds aanwezig 157 m². In de toekomstige situatie zijn bij de burgerwoning (en voormalige agrarische bedrijfswoning) aan Ruiter 15 dan ook 272 m² bijgebouwen toegestaan.
Beeldkwaliteitplan Buitengebied De gemeente Someren heeft het ‘Beeldkwaliteitplan Buitengebied’ vastgesteld als onderdeel van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. De gemeente Someren wil met dit beeldkwaliteitsplan de dynamiek en de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied op een positieve wijze met elkaar verbinden zodat veranderingsprocessen in het landelijk gebied op een liefst eenvoudige en bijna natuurlijke wijze bijdragen aan een duurzame ruimtelijke kwaliteit en diversiteit. In hoofdstuk 3 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is het ‘Beeldkwaliteitplan Buitengebied’ locatie specifiek uitgewerkt voor het projectgebied.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren Deelgebied 2’ Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren Deelgebied 2’ gelegen. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 5 maart 2020, maar ten tijde van het schrijven van onderhavige ruimtelijke onderbouwing niet onherroepelijk. De locatie Ruiter ong. is in dit bestemmingsplan bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Deze bestemming kent een afwijkingsmogelijkheid voor het realiseren van een schuilgelegenheid voor dieren die hobbymatig worden gehouden. Onderdeel van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is de verplaatsing van de paardenstal, welke thans aanwezig is op de locatie van de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen. Navolgend zijn de regels uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren Deelgebied 2’ wat betreft het realiseren van een schuilgelegenheid voor dieren opgenomen en wordt de beoogde verplaatsing getoetst aan de randvoorwaarden. 7.3.1 Afwijken ten behoeve van schuilgelegenheid voor dieren Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder 7.2.1 onder a voor het realiseren van een schuilgelegenheid voor dieren die hobbymatig worden gehouden. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a.
de schuilgelegenheid wordt niet opgericht ten behoeve van een agrarisch bedrijf; De schuilgelegenheid wordt opgericht voor de woonbestemming op locatie Ruiter 15.
b.
een schuilgelegenheid is slechts toegestaan binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone bebouwingsconcentratie’; De locatie Ruiter ong. kent de gebiedsaanduiding ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
c.
een schuilgelegenheid is niet toegestaan binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie'; Ter plaatse van de locatie Ruiter ong. is de dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’ niet gelegen.
d.
aangetoond is dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om een soortgelijke voorziening ter plaatse van de bestemming 'Wonen' of andere gelijk te stellen bestemming op te richten of bestaande bebouwing als schuilgelegenheid te gebruiken; De bestaande paardenstal op de locatie Ruiter ong. is gelegen ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen. Derhalve wordt beoogd deze te verplaatsen. De schuilgelegenheid wordt opgericht voor de woonbestemming op locatie Ruiter 15. Deze woonbestemming is echter aan de overzijde van de Ruiter gelegen en sluit derhalve niet aan op het agrarische perceel waarop de paarden weiden. Het is derhalve redelijkerwijs niet mogelijk om een soortgelijke voorziening ter plaatse van de bestemming 'Wonen' op te richten.
e.
per agrarisch perceel mag maximaal een schuilgelegenheid worden opgericht, met dien verstande dat het perceel een minimale oppervlakte heeft van 2.500 m²; De beoogde schuilgelegenheid betreft de enige op het perceel. Het perceel heeft een grotere oppervlakte dan 2.500 m².
f.
de schuilgelegenheid wordt opgericht op een afstand van ten minste 2 m1 en ten hoogste 10 m1 van de bestemmingsgrens; De schuilgelegenheid wordt opgericht op een afstand van 2 meter van de bestemmingsgrens. Dit om het doorzicht naar achteren zo breed mogelijk te houden.
g.
de schuilhut moet minimaal aan een zijde open zijn; De schuilgelegenheid zal aan minimaal één zijde open zijn.
h.
de maximaal toegestane goothoogte is maximaal 2,5 m1; De goothoogte van de schuilgelegenheid zal maximaal 2,5 meter zijn.
i.
de maximaal toegestane bouwhoogte is maximaal 3 m1; De bouwhoogte van de schuilgelegenheid zal maximaal 3 meter zijn.
j.
de dakhelling is minimaal 20 graden en maximaal 45 graden; De dakhelling van de schuilgelegenheid zal minimaal 20 graden en maximaal 45 graden zijn.
k.
de oppervlakte is maximaal 25 m²; De oppervlakte van de schuilgelegenheid zal maximaal 25 m² bedragen.
l.
binnen- en buitenopslag van goederen en aanverwante zaken is niet toegestaan; Er zal geen sprake zijn van binnen- en buitenopslag van goederen en aanverwante zaken.
m.
aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende functies, hetgeen onder andere betekent dat de schuilgelegenheid passend is in het landschap. Om te
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
bepalen of de schuilgelegenheid passend is in het landschap, wordt getoetst aan het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011; Het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011’ kent geen belemmeringen voor de oprichting van de schuilgelegenheid. n.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. De totale herontwikkeling van het projectgebied gaat gepaard met een landschappelijke inpassing, waaronder een versterking van het beekdal. Bovendien betreft het een verplaatsing van een bestaande paardenstal van het midden van het perceel naar de zijkant van het perceel,
waarbij
de
oppervlakte
wordt
verkleind.
De
ruimtelijke
impact
van
de
schuilgelegenheid is in de toekomstige situatie dan ook kleiner dan in de huidige situatie. De beoogde verplaatsing van de paardenstal is passend binnen het gemeentelijk beleid. De mogelijkheid voor het oprichten van de paardenstal zal dan ook rechtstreeks mogelijk worden gemaakt middels de bestemmingsplanherziening zodat geen omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken meer hoeft te worden aangevraagd.
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
5.
MILIEU- EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN
5.1
Bodemkwaliteit
Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. De beoogde ontwikkeling voorziet in de omzetting van een agrarische bedrijfslocatie in een burgerwoonlocatie waarbij de agrarische bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning. De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen worden mogelijk gemaakt middels een tweetal wijzigingsbevoegdheden. Als voorwaarde bij de wijzigingsbevoegdheid voor de oprichting van een Ruimte voor Ruimte woning zal worden gesteld dat er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen. Alsdan zal, indien nodig, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd in het kader van de wijzigingsprocedure.
5.2
Wegverkeerslawaai
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder (Wgh). Het hoofddoel van de Wgh is het beschermen van de mens tegen geluidhinder. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een geluidzone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van een geluidgevoelig object binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige objecten gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). De bestaande bedrijfswoning aan Ruiter 15 betreft reeds een geluidsgevoelige object. De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen betreffen wel geluidsgevoelige objecten. Als voorwaarde bij de wijzigingsbevoegdheid voor de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woningen zal worden gesteld dat er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen. Alsdan zal, indien nodig, een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd in het kader van de wijzigingsprocedure. Op basis van de kaart ‘Geluid in Nederland’ van de Atlas leefomgeving wordt ter plaatse van het projectgebied een geluidbelasting van 45-50 dB verwacht. De verwachting is dan ook dat het aspect ‘wegverkeerslawaai’ geen belemmering zal opleveren voor de wijzigingsprocedure.
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
5.3
Luchtkwaliteit Inleiding
Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).
Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Plannen die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit hoeven niet afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Dat staat in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn regels gesteld. In dit Besluit is aangegeven wanneer sprake is van een NIBM bijdrage. Een project is niet in betekenende mate als de bijdrage van het project maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2) is. In de praktijk vertaalt dit naar een jaargemiddelde bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeft geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Binnen het projectgebied worden middels een wijzigingsbevoegdheid twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Derhalve kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip ‘niet in betekende mate’ valt en in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar is.
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Blootstelling aan verontreiniging 5.3.3.1
Inleiding
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide.
5.3.3.2
Fijnstof
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het projectgebied en directe omgeving weer.
Figuur 29: Fijnstof 2017 PM10 (bron: Atlas leefomgeving)
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Figuur 30: Fijnstof 2017 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 19-20 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof geen bezwaar is.
5.3.3.3
Stikstofdioxide
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het projectgebied en directe omgeving weer.
Figuur 31: Stikstofdioxide 2017 (bron: Atlas leefomgeving)
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Ter plaatse van het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 16-20 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
5.4
Externe veiligheid Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.
Risico’s Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Bedrijven Het projectgebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart waarop het projectgebied met een paarse contour is aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Figuur 32: Uitsnede risicokaart
Ten noordoosten van het projectgebied is ter plaatse van een inrichting aan Zandstraat 25 te Someren een opslag van bestrijdingsmiddelen aanwezig. Ten opzichte van deze opslag geldt een veiligheidsafstand van 20 meter. Het projectgebied is op circa 575 meter van de terreingrens van deze inrichting gelegen.
Vervoer van gevaarlijke stoffen 5.4.4.1
Vervoer over het spoor
Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing.
5.4.4.2
Vervoer over de weg
Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de gemeente Someren zijn de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. Het projectgebied ligt op een afstand van circa 2 kilometer van deze wegen en ligt daarmee buiten de PR 10-6/jaar contour van deze wegen en buiten het invloedsgebied van de provinciale wegen N266 en N612. Het projectgebied is buiten het invloedsgebied van 4 kilometer van de A67 gelegen.
5.4.4.3
Vervoer over het water
Het projectgebied is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer meter van de Zuid-Willemsvaart. De Zuid-Willemsvaart is in het Basisnet Water gekenmerkt als een groene route. Dit betekent dat het gevaar van vervoer van gevaarlijke stoffen over het Zuid-Willemsvaart dermate klein is dat er geen PR-contouren aanwezig zijn en dat het GR buiten beschouwing gelaten kan worden.
5.4.4.4
Buisleidingen
Circa 1,5 kilometer ten westen van het projectgebied zijn een tweetal buisleidingen (hogedruk aardgastransportleidingen) gelegen. De aardgasleiding A-521-KR heeft een diameter van 914 mm
Crijns Rentmeesters bv
45
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
en een gasdruk van maximaal 66,2 bar. De aardgasleiding A-585-KR heeft een diameter van 1067 mm en een gasdruk van maximaal 66,2 bar. Circa 2 kilometer ten oosten van het projectgebied is een buisleiding gelegen (hogedruk aardgastransportleiding). De aardgasleiding Z-540-01 heeft een diameter van 368 mm en een gasdruk van maximaal 40,0 bar. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bestaande transportleidingen voor gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Plaatsgebonden risico Ten aanzien van deze ondergrondse hoge druk aardgastransportleidingen geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan een belemmerde strook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Buiten deze belemmeringenstrook is geen plaatsgebonden risico (10-6/jaar) aanwezig. De buisleidingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico De invloedsgebieden van de aardgasleidingen bedragen: Leiding
Invloedsgebied (1% letaal)
A-521-KR
430 meter
A-585-KR
490 meter
Z-540-01
180 meter
Het projectgebied is buiten de invloedsgebieden (1% letaal) van de aardgasleidingen gelegen. De buisleidingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoogspanningslijnen Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Aan de zuidoostzijde van de gemeente Someren, parallel aan de gemeentegrens met Asten, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van circa 2 kilometer van het projectgebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.
5.5
Agrarische bedrijvigheid Inleiding
Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -
Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de
Crijns Rentmeesters bv
46
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.
Veehouderijen in omgeving In de omgeving van het projectgebied (binnen een straal van 500 meter) zijn zes veehouderijbedrijven gelegen. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van de veehouderijbedrijven in de omgeving van het projectgebied.
Kerkendijk 38 Ruiter 1 Ruiter 5 Ruiter 10
Zandstraat 61
Vlasstraat 4 Figuur 33: Veehouderijbedrijven in de omgeving van projectgebied
Navolgende figuur geeft de actueel vergunde situatie weer van de veehouderijbedrijven in de omgeving.
Crijns Rentmeesters bv
47
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Crijns Rentmeesters bv
48
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Figuur 34: Actueel vergunde situatie (bron: Web BVB)
Op de veehouderijen gelegen aan Ruiter 1, Ruiter 5, Ruiter 10, Zandstraat 61 en Kerkendijk 38 worden dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriele regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Derhalve dient ten aanzien van deze veehouderijbedrijven een vaste afstand aangehouden te worden van ten minste 50 meter tot een geurgevoelig object. De beoogde woonbestemmingen zijn op grotere afstand dan 50 meter tot deze veehouderijbedrijven gelegen. De afstand van de (dan) voormalige bedrijfswoning tot de locatie Ruiter 10 betreft 35 meter. Deze woning betreft thans een bedrijfswoning horende bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij. Daarmee is deze reeds te kwalificeren als geurgevoelig object. De bescherming van de woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt niet door de omzetting van de woning van agrarische bedrijfswoning, niet zijnde bij een veehouderij, naar burgerwoning. De beoogde herontwikkeling is in het kader van de vaste afstanden ten aanzien van de veehouderijen derhalve geen bezwaar.
Woon- en leefklimaat 5.5.3.1
Inleiding
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het projectgebied inzichtelijk gemaakt.
5.5.3.2
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen.
Crijns Rentmeesters bv
49
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
De veehouderij aan Vlasstraat 4 is in dit geval de dominante veehouderij. Met behulp van het programma V-Stacks Vergunning is de voorgrondbelasting van deze veehouderij op het projectgebied berekend. De resultaten van de berekening zijn navolgend weergegeven: Brongegevens: BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
Vlasstraat 4
177 791
375 653
6,0
6,0
0,50
4,00
40 573
Geurgevoelige locaties: Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurbelasting Vlasstraat 4
177 506
376 027
2,9
177 448
376 053
2,4
177 474
376 103
2,3
177 485
376 147
2,1
177 501
376 196
1,8
177 566
376 165
1,9
177 529
376 092
2,5
Navolgende tabel geeft de relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’. Voorgrondbelasting ≤1 1-3 4-6 7-9 10 - 13 14 - 18 19 - 24 ≥ 25
Geurgehinderden (%) <5 5 - 10 10 - 15 15 - 20 20 - 25 25 - 30 30 - 35 35 - 40
Leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van het projectgebied sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat.
5.5.3.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat weergeeft. Achtergrondbelasting
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
≤3
<5
Zeer goed
3–7
5 - 10
Goed
7 – 13
10 - 15
Redelijk goed
13 – 20
15 - 20
Matig
Crijns Rentmeesters bv
50
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
20 – 28
20 - 25
Tamelijk slecht
28 - 38
25 - 30
Slecht
38 -50
30 - 35
Zeer slecht
≥ 50
35 - 40
Extreem slecht
Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de achtergrondbelasting (peildatum 1 januari 2020) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen.
Figuur 35: Achtergrondbelasting omgeving Ruiter 15 en ong. te Someren (situatie januari 2020)
Ter plaatse van het projectgebied is op basis van de achtergrondbelasting sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat.
5.5.3.4
Conclusie
Gezien de grootte van het projectgebied is voor bepaalde gedeelten van het projectgebied de voorgrondbelasting bepalend voor het woon- en leefklimaat en voor andere gedeelten de achtergrondbelasting. Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Op basis van de achtergrondbelasting is ter plaatse sprake van een ‘redelijk goed’ tot ‘goed’ woon- en leefklimaat. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van het woon- en leefklimaat dan ook geen bezwaar.
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De beoogde ontwikkelingen mogen de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. De veehouderijen in de omgeving van het projectgebied worden reeds belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door geurgevoelige objecten welke gelegen zijn tussen het projectgebied en de veehouderijen dan wel door geurgevoelige objecten die op kortere afstand tot de veehouderijen gelegen zijn dan het projectgebied.
Crijns Rentmeesters bv
51
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
5.6
Gezondheid Endotoxine
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Deze
notitie
haakt
in
op
de
lopende
ontwikkeling
van
het
landelijke
endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinekaart waarop het projectgebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 36: Endotoxinecontouren in de omgeving van Ruiter 15 en ong. te Someren
Crijns Rentmeesters bv
52
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Het
projectgebied
is
niet
gelegen
binnen
de
contouren
van
omliggende
intensieve
veehouderijbedrijven. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar.
Geitenhouderijen Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Op circa 330 meter ten westen van het projectgebied worden geiten gehouden op de locatie Kerkendijk 38. Navolgend wordt de actueel vergunde situatie van deze veehouderij weergegeven.
Figuur 37: Actueel vergunde situatie (bron: BVB)
Op de locatie Kerkendijk 38 worden slechts 4 geiten gehouden. Gemeente Someren mag een eigen afweging maken over de mogelijkheid tot het planologisch toestaan van nieuwe gevoelige objecten binnen de invloedsfeer van geitenhouderijen. In dit verband is de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011) relevant. De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is een belangrijke factor voor de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Een ruw oppervlak veroorzaakt afremming van de wind aan de grond, waardoor een zekere mate van turbulentie wordt gegenereerd en zich een hoogteafhankelijk windprofiel instelt. Het projectgebied is op een afstand van circa 330 meter van de 4 geiten gelegen. Op de tussengelegen gronden zijn in een landelijke setting bebouwing en vegetatie aanwezig. Dit betekent dat er sprake is van een bepaalde terreinruwheid waarmee het direct inwaaien van fijnstof of endotoxinen wordt voorkomen.
Crijns Rentmeesters bv
53
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen worden niet dichter tot de geitenhouderij georiënteerd dan bestaande woningen. Daarnaast worden de nieuwe woningen niet gebruikt door ‘meer kwetsbare personen’ op het vlak van gezondheidsredenen. Vanwege de huidige regelgeving omtrent geitenhouderijen zal het woon- en leefklimaat in de toekomstige situatie niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Gelet op voornoemde aspecten is het toevoegen van een beperkt volume woningbouw aanvaardbaar in het kader van gezondheid en veehouderijen.
5.7
Bedrijven en milieuzonering Inleiding
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. De lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), geeft richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. In het gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging. Het projectgebied is gelegen in een gemengd gebied. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.
Niet-agrarische bedrijven in omgeving projectgebied In de omgeving van het projectgebied zijn een aantal bedrijfsbestemmingen gelegen. In onderstaande tabel zijn deze bedrijfsbestemming geïnventariseerd. Adres
Soort bedrijf
Categorie
Aan te
Werkelijke
houden
afstand
afstand Ruiter 10
Maatschappelijk met paardenpension
3.1
30 meter
35 meter
Ruiter 23-25
Gemechaniseerd grondverzetbedrijf
3.1
30 meter
100 meter
Ruiter 28
Ambachtelijk bedrijf
2
10 meter
35 meter
De bedrijfsbestemmingen in de omgeving vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
54
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
5.8
Natuur en ecologie Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000 gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Navolgende figuur geeft de ligging van het projectgebied weer ten opzichte van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied. Het projectgebied is daarbij met een rode cirkel aangeduid.
Figuur 38: Natura2000 gebied 'Strabrechtse Heiden & Beuven' ten opzichte van het projectgebied
Het meest dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het natuurgebied ‘Strabrechtse Heide en Beuven’. Dit Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van ruim 3,5 kilometer meter ten noordwesten van het projectgebied. De Strabrechtse Heide bestaat grotendeels uit glooiend
Crijns Rentmeesters bv
55
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
dekzandlandschap, met daarnaast een deel stuifzandlandschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van droge stukken met heide (deels op voormalig stuifzand), kleine stuifzanden en laagtes met natte heide en vennen. In het oosten van het gebied ligt het Beuven, het grootste ven van Nederland. De omringende bossen van het gebied bestaan vooral uit grove dennen. Aan de noordwestkant van het gebied ligt het beekdal van de Kleine Dommel, met alluviale bossen, wilgenstruweel, moerasruigten en vochtige schraallanden. Het gebied Strabrechtse Heide & Beuven is primair als Habitatrichtlijngebied begrensd vanwege de aanwezigheid van de navolgende habitattypen: −
2310: Psammofiele heide met Struikhei (Calluna) en Stekelbrem (Genista);
−
3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Noord-Atlantische zandvlakten met oeverkruidvegetatie (Littorelletalia uniflorae);
−
3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Oeverkruidorde (Littorelletalia uniflorae) en/of Dwergbiezen-klasse (Isoëto-Nanojuncetea).
Daarnaast is het gebied aangemeld voor de volgende habitattypen en -soorten: −
2330: Open grasland met Buntgras en Struisgrassoorten (Corynephorusen Agrostis-soorten) op landduinen;
−
4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei (Erica tetralix);
−
91E0: Alluviale bossen met Zwarte els (Alnus glutinosa) en Es (Fraxinus excelsior) (Alno-
−
1831: Drijvende waterweegbree.
Padion, Alnion incanae, Salicion albae);
Vanuit de Vogelrichtlijn is het gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ voor drie soorten nietbroedvogels aangewezen als beschermd gebied, te weten: −
A021: Roerdomp;
−
A022: Woudaap;
−
A127: Kraanvogel.
De beoogde ontwikkeling maakt niet rechtstreeks nieuwe woningen mogelijk. De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen zijn slechts mogelijk middels een wijzigingsbevoegdheid. Als voorwaarde bij de wijzigingsbevoegdheid voor de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woningen zal worden gesteld dat er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen. Alsdan zal, indien nodig, een berekening van de stikstofdepositie worden uitgevoerd in het kader van de wijzigingsprocedure. Gezien de afstand van het projectgebied tot het Natura 2000-gebied zal er geen sprake zijn van oppervlakteverlies,
verontreiniging,
optische
verstoringen,
geluids-
en
lichtverstoring
of
mechanische effecten op het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen negatief effect op het Natura-2000 gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het
Crijns Rentmeesters bv
56
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen zijn slechts mogelijk middels een wijzigingsbevoegdheid. Als voorwaarde bij de wijzigingsbevoegdheid voor de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woningen zal worden gesteld dat er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen. Alsdan zal, indien nodig, een quickscan flora en fauna worden uitgevoerd in het kader van de wijzigingsprocedure. Ter plaatse van de locatie Ruiter 15 vindt sloop van bebouwing plaats. Ter behoeve van deze ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek d.d. 7 oktober 2020 met rapportnummer 2009-2 is als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
In deze rapportage is aangegeven dat wanneer de voorzorgsmaatregelen en mitigatiemaatregelen die hoofdstuk 6 van de rapportage vermeldt in acht worden genomen, geen overtreding van de Wet natuurbescherming wordt verwacht.
5.9
Archeologie Verdrag van Valletta
In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.
Wet op de archeologische monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt opgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.
Crijns Rentmeesters bv
57
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Erfgoedwet Met de Erfgoedwet (1 juli 2016) beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden. Ook dient het college van burgemeester en wethouders het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekendmaken.
Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Someren heeft in het kader van de Wamz en de Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur en dergelijke, en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Hierna is een uitsnede van deze beleidskaart weergegeven waarop de ligging van het projectgebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 39: Uitsnede Archeologiekaart gemeente Someren
Het projectgebied is op de ‘Archeologiekaart van Someren’ gedeeltelijk aangeduid als een locatie in een categorie 3 gebied. Dit is een categorie die een hoge archeologische waarde kent, waaronder AMK-terreinen van (hoge) archeologische waarde en de historische kernen van dorpen en gehuchten. De vrijstellingsdrempel bij deze categorie is een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 m. Het projectgebied is op de ‘Archeologiekaart van Someren’ tevens grotendeels aangeduid als een locatie in een categorie 4 gebied. Dit is een categorie die een hoge archeologische waarde kent. De vrijstellingsdrempel bij deze categorie is een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 m.
Crijns Rentmeesters bv
58
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Het projectgebied is tevens gedeeltelijk bestempeld als categorie 6 gebied. Dit is een categorie met een lage archeologische verwachting. Op deze gebieden zijn geen ondergrenzen of een aanlegvergunning van toepassing. De
beoogde
Ruimte
voor
Ruimte
woningen
zijn
slechts
mogelijk
middels
een
wijzigingsbevoegdheid. Als voorwaarde bij de wijzigingsbevoegdheid voor de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woningen zal worden gesteld dat er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen. Alsdan zal, indien nodig, archeologisch onderzoek worden uitgevoerd in het kader van de wijzigingsprocedure. Indien ter plaatse van de locatie Ruiter 15 nieuwe bebouwing wordt opgericht, dan zal worden getoetst aan de aldaar gelegen dubbelbestemmingen en, indien nodig, archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
5.10
Cultuurhistorie
Het ruimtelijk erfgoed binnen de provincie Noord-Brabant wordt weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Het projectgebied is op de CHW aangeduid als ‘Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang)’. De betreffende regio betreft ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Aan het projectgebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden toegekend. Ook de gemeente Someren heeft aangegeven te weinig aanleiding te zien om de boerderij aan Ruiter 15 op te nemen als beeldbepalend pand in de Nota Ruimtelijke kwaliteit. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding.
5.11
Water Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het projectgebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.
Crijns Rentmeesters bv
59
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Beleidskader 5.11.2.1
Waterschap Aa en Maas
5.11.2.1.1
Waterbeheerplan 2016-2021
In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van 4 programma’s: 1.
Veilig en Bewoonbaar beheergebied: Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen.
2.
Voldoende water en Robuust watersysteem: Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate
en
duurzame
watervoorziening
in
ons
beheergebied
voor
de
diverse
gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3.
Gezond en Natuurlijk water: Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten.
4.
Schoon water: Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen.
5.11.2.1.2
Keur waterschap Aa en Maas 2015
Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van het projectgebied is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart behorende bij de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ ter plaatse van het projectgebied weer.
Crijns Rentmeesters bv
60
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Figuur 40: Kaart behorende bij ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’
Het projectgebied is op grond van de Keur gedeeltelijk gelegen in een invloedsgebied. Binnen deze invloedsgebieden rond Natura 2000-gebieden gelden strengere regels ten aanzien van grondwateronttrekkingen. De beoogde herontwikkeling heeft geen gevolgen voor grondwateronttrekkingen binnen het projectgebied.
5.11.2.2
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m² (categorie A), een toename tussen 2.000 m² en 10.000 m² (categorie B) en een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² (categorie C). De beoogde ontwikkeling maakt de oprichting van twee Ruimte voor Ruimte woningen middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk. Deze woningen hebben een toename van verhard oppervlak van circa 400 m² per woning tot gevolg, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding rondom de woning.
Crijns Rentmeesters bv
61
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren
Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³).
Hemelwaterafvoer na herontwikkeling 5.11.3.1
Bodem en grondwater
Het projectgebied bestaat ter plaatse van Ruiter 15 uit eerdgronden; voedselrijk en vochtig tot droog en ter plaatse van Ruiter ong. uit een beekdallandschap; matig voedselrijk en vochtig tot nat. Beide locaties zijn gelegen op een dekzandvlakte. De maaiveldhoogte ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa NAP +26 meter. De GHG ter plaatse van het projectgebied bedraagt 20-100 cm-mv. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de wateratlas van de provincie Noord-Brabant met daarin de ligging van de GHG ter plaatse van het projectgebied.
Figuur 41: GHG ter plaatse van projectgebied
De GHG ter plaatse van de Ruimte voor Ruimte woningen, welke middels een wijzigingsbevoegheid mogelijk worden gemaakt, bedraagt 40-60 cm-mv.
5.11.3.2
Benodigde infiltratiecapaciteit
Voor het projectgebied dient bij een verwachte toename van het verhard oppervlak van 800 m² zorggedragen te worden voor (800 x 0,06) = 48 m³ aan berging ten behoeve van regenwater.
Crijns Rentmeesters bv
62
Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren