6a. Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Lieropsedijk 29 - Toelichting
Tekst van het document
5.6.2 Industrielawaai Ten behoeve van het herbestemmen van het plangebied is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Aan de hand van dit rapport wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor de bestemming van het bedrijf op de locatie uit akoestisch oogpunt. Het bedrijf kan gelijkwaardig worden gesteld aan een categorie 2 bedrijf. Het volledige onderzoek maakt als bijlage deel uit van dit bestemmingsplan.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
5.7
Agrarische bedrijvigheid
5.7.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. Zo kunnen oplossingen worden gezocht voor de spanning tussen het voortbestaan/de ontwikkeling van veehouderijen en de ontwikkeling van dorpskernen of recreatie. De gemeente kan zo een balans vinden tussen de gewenste ruimte voor de veehouderijen enerzijds en de bescherming van gevoelige objecten anderzijds. De gemeente Someren heeft in het kader van dit maatwerk een geurverordening vastgesteld. De ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij 2010’ stelt een norm van 14 oue/m³ als maximale voorgrondbelasting voor het buitengebied en dus ook het plangebied.
Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden), dienen de in de wet Wgv opgenomen vaste afstanden aangehouden te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gelegen is, minimaal 50 meter te bedragen en indien het binnen de bebouwde kom is gelegen minimaal 100 meter.
5.7.2 Veehouderijbedrijven in de omgeving In de directe omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gesitueerd. Het veehouderijbedrijf dat het dichtst tot het plangebied is gesitueerd bevindt zich op circa 250 meter. Navolgende figuur geeft een weergave van agrarische bedrijven in de omgeving.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
Vaarselstraat 2
Vaarselstraat 62
Vaarselstraat 54
Figuur 19: Veehouderijbedrijvenkaart met het plangebied aangeduid met een rode marker
Op deze bedrijven zijn de navolgende dieraantallen vergund:
Figuur 20: Vergunde situatie Vaarselstraat 2 (BVB-Brabant)
Figuur 21: Vergunde situatie Vaarselstraat 54 (BVB-Brabant)
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
Figuur 22: Vergunde situatie Vaarselstraat 62 (BVB-Brabant)
5.7.3 Voorgrondbelasting 5.7.3.1 Inleiding Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. Op de veehouderijbedrijven in de omgeving worden dieren gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor voor is vastgesteld. Tussen het her te bestemmen bedrijfspand en veehouderijen dient op basis van de Wet geurhinder en veehouderij een vaste afstand aangehouden te worden van ten minste 50 meter. Het plangebied ligt ruimschoots buiten deze afstand. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van de voorgrondbelasting geen bezwaar.
5.7.4 Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Door de omgevingsdienst is de achtergrondbelasting in de gemeente Someren op kaartmateriaal inzichtelijk gemaakt. Navolgende figuur is een uitsnede van deze kaart waarop het plangebied is aangeduid.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
Plangebied
Figuur 23: Achtergrondbelasting ter plaatse van de omgeving van het plangebied
Ter plaatse van het plangebied is volgens de gemeentelijke geurverordening sprake van een achtergrondbelasting van 3-7 oue/m³. Hiermee is er ter plaatse van het plangebied sprake van een ‘goed woon- en leefklimaat’. De herontwikkeling van het plangebied is in het kader van de achtergrondbelasting dan ook geen bezwaar.
5.7.5 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Herontwikkeling mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Deze veehouderijen worden eerder belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door burgerwoningen die dichter bij deze bedrijven gelegen zijn dan het te herbestemmen plangebied en de daarop aanwezige bedrijfsgebouwen. De herontwikkeling van het plangebied belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven dus niet verder dan dat momenteel het geval is.
5.8
Gezondheid
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt
gebruik
van
de
daaruit
voortkomende
onderzoeksresultaten.
De
voorlopige
onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinenkaart waarop het plangebied is aangeduid. Het plangebied ligt niet binnen de contouren van omliggende intensieve veehouderij bedrijven.
Figuur 19: Endotoxinen contouren in de omgeving van het plangebied
5.9
Bedrijven en milieuzonering
5.9.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
De omgeving van het plangebied in de bebouwingsconcentratie Lieropsedijk, kan getypeerd worden als een gemengd gebied. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. In navolgende figuur zijn de aan te houden richtlijnafstanden voor de bedrijfscategorieën opgenomen. Milieu-
Richtafstand tot omgevingstype rustige
Richtafstand
categorie
woonwijk en rustig buitengebied
gemengd gebied
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
tot
omgevingstype
Figuur 24: richtafstanden en omgevingstype tot en met categorie 3.2
5.9.2 Richtlijnafstanden voor beoogde herontwikkeling Binnen het plangebied wordt beoogd een vloerenbedrijf positief te bestemmen. De opstallen binnen het plangebied worden gebruikt ten behoeve van de opslag van materieel en materialen. Werkzaamheden vinden op locatie plaats. Dergelijke bedrijvigheid is op grond van de richtlijn Bedrijven en milieuzonering niet direct te karakteriseren. In dit geval wordt aansluiting gezocht bij de milieucategorieën en SBI-codes van een ‘aannemersbedrijf oppervlakte >1000 m 2’ voor het Vloerenbedrijf. Dergelijke bedrijvigheid valt in milieucategorie 2, en er gelden richtafstanden van 10 meter voor stof en gevaar en 30 meter voor geluid. Aan de afstanden voor stof en gevaar wordt derhalve voldaan. De overige bedrijfsactiviteiten vallen onder ‘opslag’ (milieucategorie 2). Hierbij geldt een richtafstand van 10 meter voor gevaar en 30 meter voor stof. In gemengd gebied mogen deze richtafstanden met één stap worden teruggebracht. Deze bedrijfsactiviteiten vormen geen bezwaar. De maatgevende factor betreft de factor geluid ten behoeve van het vloerenbedrijf. Derhalve is voor herontwikkeling van het plangebied is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd waaruit de feitelijke geluidbelasting van het bedrijf wordt berekend. De conclusies en aanbevelingen uit dit rapport zijn hierna samengevat opgenomen.
“Er wordt op de omliggende woningen voldaan aan de gestelde richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Voor de woningen Lieropsedijk 31, 30 en 27 vindt in de dagperiode een overschrijding plaats t.o.v. de richtwaarde voor het maximale geluidsniveau. Het betreft een rijbeweging van een vrachtwagen en hiervoor zijn geen maatregelen mogelijk, vanwege de korte afstand van de rijroute tot de bewuste woningen. De grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde wordt niet overschreden. Voor de indirecte hinder wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Geconcludeerd wordt daarom dat er geen belemmeringen bestaan voor de bestemming van het bedrijf op de locatie uit akoestisch oogpunt. CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
De omgevingsdienst heeft het rapport beoordeeld. Daaruit volgt navolgende conclusie: “Wij kunnen instemmen met de uitgangspunten van het rapport en de wijze waarop de geluidbelasting als gevolg van de gewenste ontwikkeling is berekend. Uit de meest recente rapportage blijkt nu dat tijdens een achteruitrijden van een vrachtwagen het waarschuwingssignaal wordt uitgezet. Dit betekent dat er geen sprake meer is van een geluidbijdrage met een tonaal karakter. De foutieve wijze van beoordeling een achteruitrijdende vrachtwagen met piepsignaal zoals opgenomen in de rapportage heeft hiermee geen enkele waarde. Onder deze voorwaarden is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat ter hoogte van woningen van derden. De bedrijfsvoering ter plaatse van het plangebied kan gezien de feitelijke werkzaamheden en omvang gekarakteriseerd worden als een categorie 2 bedrijf. In de gebruiksregels van dit bestemmingsplan is bepaald dat op het terrein de achteruitrijdsignalering wordt uitgeschakeld. Aan de richtafstanden voor de factoren gevaar, stof en geur wordt voldaan. De bedrijfsvoering vormt geen belemmering voor de omgeving.
5.10
Externe veiligheid
5.10.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht.
5.10.2 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen waarvoor een risico-contour geldt in het kader van de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied, waarop het plangebied is aangeduid.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
Figuur 25: Uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied
Het plangebied ligt niet binnen risicocontouren van inrichtingen.
5.10.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen 5.10.3.1 Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. In de omgeving van het plangebied kunnen gevaarlijke stoffen vervoerd worden over de provinciale weg (de N266). Met een afstand van 1,8 km ligt het plangebied ruim buiten de invloedssfeer van deze weg. Het plangebied binnen de invloedssfeer van de Rijksweg A67 vanwege het transport van toxische stoffen. Voor de verantwoording hiervan wordt gebruik gemaakt van het standaard advies van de veiligheidsregio.
5.10.3.2 Transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Binnen een afstand van 1 kilometer tot het plangebied zijn geen buisleidingen gesitueerd. Dit aspect vorm derhalve geen bezwaar.
5.10.3.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen via andere kanalen Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Daarbij is er in de omgeving van het plangebied geen waterweg aanwezig, de Zuid-Willemsvaart bevindt zich op circa 1,8 kilometer ten oosten van het plangebied. Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Aan de oostzijde van de gemeente Someren, parallel aan de gemeentegrens met Asten, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich eveneens op een dermate grote afstand dat er geen risico binnen het plangebied aanwezig is.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
5.10.4 Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Het plangebied ligt met een afstand van circa 3,6 kilometer formeel binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A67. De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid op een afstand van meer dan 200 meter van de snelweg is geen relevant onderwerp. De toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden bijzonder klein. Op een afstand van meer dan 200 meter van de snelweg speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt schuilen de beste wijze van bescherming. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Vanaf 200 meter van de snelweg vindt alleen blootstelling plaats bij specifieke weersomstandigheden (bijvoorbeeld pasquilklasse F 1,5: nagenoeg windstil, weinig vermenging met schone lucht) die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen). Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid zijn goed. Er zijn geen aanwijzingen dat een groep niet-of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied aanwezig (zullen) zijn. Daarnaast vindt het gros van de werkzaamheden plaats op locatie, niet binnen het plangebied. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om indien noodzakelijk zelfstandig te kunnen vluchten. Gevlucht kan worden in meerdere richtingen en van de risicobron af. Bij een toxische wolk is schuilen echter het beste handelingsperspectief.
5.10.5 Standaard advies veiligheidsregio Als bijlage bij deze toelichting is het standaard advies van de veiligheidsregio opgenomen.
5.11
Luchtkwaliteit
Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Dit plan valt onder het begrip ‘niet in betekenende mate’, waardoor de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Voor onderhavige ontwikkeling is bepaald of er sprake is van een substantiële bijdrage in het kader van de luchtkwaliteit.
Tabel 1: Berekening NIMB-tool
Er sprake is van een substantiële bijdrage in het kader van de luchtkwaliteit.
5.11.1 Luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied 5.11.1.1 Fijnstof In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.
-
de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM 10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving weer.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
Figuur 26; Fijnstof PM10 (bron: Atlas leefomgeving)
Figuur 27: Fijnstof PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-20 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.
5.11.1.2 Stikstof De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: -
De grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
Figuur 28: Stikstofdioxide 2019 (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO 2 van 14-18 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
5.12
Verkeer en infrastructuur
In het akoestisch onderzoek industrielawaai dat als bijlage bij deze toelichting behoort, zijn de verkeersbewegingen van en naar bedrijf in beeld gebracht. Voor het bedrijf geldt dat maximaal 44 lichte voertuigbewegingen en 24 zware voertuigbewegingen van of naar de inrichting via de Lieropsedijk rijden. Bij de berekeningen is uitgegaan van de situatie dat 50% noordelijk en 50% zuidelijk over de Lieropsedijk rijdt. Deze verkeersbewegingen dragen niet substantieel bij aan het verkeersbeeld aan de Lieropsedijk. Wanneer deze vrachtwagen of bestelauto’s het perceel verlaten, gaan deze direct op in het heersende verkeersbeeld. De bestaande inrit blijft gehandhaafd. De situatie ter plaatse is overzichtelijk. Er dient voldoende ruimte te zijn voor parkeren. Bij het bedrijf is ruimte voor het stallen van personenauto’s, bedrijfswagens en vrachtwagens op het eigen perceel.
5.13
M.e.r.-beoordeling
5.13.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activi-teit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang heeft die beneden de drempelwaarden ligt een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Dit bestemmingsplan ziet toe op herbestemming van de bedrijfsbestemming in een regulier woonbestemming. De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld wanneer dat de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd.
De beoogde herbestemming van het plangebied valt wegens aard en omvang van het project niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling waarop de drempelwaarden genoemd in de D-lijst. Omdat de
beoogde
ontwikkeling
geen
stedelijke
ontwikkeling
is,
als
bedoeld
in
het
Besluit
milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
5.13.2 Toets aan drempelwaarden Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is: “D11.3: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.” Dit initiatief ziet toe op herbestemming van het plangebied van ‘Agrarisch’ naar ‘Bedrijf’. De bouwmogelijkheden nemen niet toe. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.3 (oppervlakte 75 hectare of meer). Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
6.
PLANOPZET
6.1 Plansystematiek 6.1.1 Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. De verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De juridische systematiek van het bestemmingsplan is afgestemd op de ontwikkeling van de geplande ruimtelijke situatie. De mate van gedetailleerdheid van de bestemmingsregelingen en de ruimte die binnen die regelingen wordt geboden voor verdere uitbreiding of ontwikkeling is vooral afhankelijk van de aard van de functie, de planologische inpasbaarheid en de relatie tot andere functies in het plangebied.
6.1.2
Verbeelding
Op de verbeelding, die bestaat uit één kaartblad, is de bestemming van de gronden in het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarbij nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen is terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens heeft juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (bijvoorbeeld kadastrale en topografische gegevens).
6.1.3
Regels
In de regels staan regels voor het gebruik van gronden binnen de bestemming in het plangebied en voor het oprichten en gebruiken van bebouwing op die gronden. De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen. In artikel 1 en 2 zijn begripsbepalingen en wijze van meten opgenomen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de voorschriften in de overige hoofdstukken. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen die corresponderen met de bestemmingen op de verbeelding. De regels in een bestemming zijn als volgt opgebouwd en benoemd: 1.
bestemmingsomschrijving;
2.
bouwregels;
3
afwijken van de bouwregels;
4
specifieke gebruiksregels;
5
afwijken van de gebruiksregels;
6
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
7
omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
8
wijzigingsbevoegdheid.
Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien er sprake is van andere aan de grond toekende functies, worden deze daarna omschreven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen overzichtelijk is. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin regels zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat 2 regels, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het hele plangebied, namelijk het overgangsrecht en de slotregel.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
In deze Grondexploitatiewet (Grexwet) is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal derhalve met de gemeente Someren een anterieure overeenkomst sluiten. Ook worden hierin afspraken over planschade opgenomen. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan is conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van een zienswijze van de provincie Noord-Brabant op dit bestemmingsplan is dit bestemmingsplan op ondergeschikte punten gewijzigd.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Lieropsedijk 29 Someren’ - Toelichting
8.
PROCEDURE
8.1
Inspraakprocedure
In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. Voor onderhavig bestemmingsplan wordt geen inspraak verleend.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3.1.1 Bro zijn de provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg.
8.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan “Lieropsedijk 29 Someren” heeft met ingang van 1 juli 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Wel heeft zich een wijziging voorgedaan voor wat betreft de invulling van de landschappelijke inpassing. Dit heeft er toe geleid dat er een gewijzigde vaststelling plaatsvindt.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
51