6. Toelichting vast te stellen bestemmingsplan Waterlaat en Opper
Tekst van het document
5.2.4
Huishoudelijk afvalwater na herontwikkeling
Met de realisatie van de woonwijk Groote Hoeven is een gescheiden rioolstelsel aangelegd. De beoogde woningen kunnen hierop worden aangesloten. Het huishoudelijk afvalwater zal daarmee worden afgevoerd naar het gescheiden rioolstelsel. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd in de bodem. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
5.3 Geluid 5.3.1
Wegverkeerslawaai
Ingevolge de Wet geluidhinder moet de geluidbelasting vanwege een weg worden bepaald door middel van een akoestisch onderzoek. Niet alleen wordt hiermee uitsluitsel verkregen over de te verwachten geluidbelasting over 10 jaar maar ook of en met welke planologische maatregelen eventueel nog wel kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke woonfuncties is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. Het plangebied is gelegen binnen een 30 kilometerzone. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde.
5.3.2
Industrielawaai
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van grote lawaaimakers. Wel is op een afstand van circa 15 meter ten westen van het plangebied een sporthal gevestigd. Op basis van het destijds uitgevoerde geluidonderzoek kan worden geconcludeerd dat de sporthal op korte afstand tot VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
29
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
het plangebied geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw ter plaatse van het plangebied. Het uitgevoerde onderzoek (memo ‘Bepaling geluidsbelasting relevante inrichtingen De Groote Hoeven’, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, d.d. 21 juli 2016) is voor de volledigheid als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Sinds het uitgevoerde onderzoek zijn bedrijfsactiviteiten niet toegenomen. Actualisatie van het uitgevoerde onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5.4 Geur 5.4.1
Inleiding
In het kader van een goede ruimtelijke ordening bestaat de toets in het kader van geur uit twee aspecten. Ten eerste dient te worden aangetoond dat binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten tweede dient te worden aangetoond dat veehouderijbedrijven door de ontwikkeling niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening bij een agrarisch bedrijf als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij hiermee consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.
5.4.2
Woon- en leefklimaat
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderijbedrijven betreffen Ruiter 1, Ruiter 5 en Ruiter 10 op een afstand van ruim 400 meter tot het plangebied. Deze veehouderijen hebben geen vastgestelde geuremissiefactor, waarmee een berekening van de voorgrondbelasting dan ook niet aan de orde is. Op zodanig grote afstand kan worden gesteld dat de geuremissie op het plangebied verwaarloosbaar is. Gesteld kan dan ook worden dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied leidend zal zijn voor het bepalen van het woon- en leefklimaat. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum maart 2022) gepubliceerd.
Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het plangebied met een zwarte cirkel is aangeduid.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
Figuur 10: Achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied en de omgeving
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een indicatieve achtergrondbelasting van 3-7 oue/m³. Het woon- en leefklimaat kan op basis van het aspect geur dan ook worden bestempeld als ‘goed’.
5.4.3
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven
Herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen omliggende veehouderijen en het plangebied zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen. Deze veehouderijen worden door de beoogde herontwikkeling dan ook niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie reeds het geval is.
5.5 Gezondheid 5.5.1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt
gebruik
van
de
daaruit
voortkomende
onderzoeksresultaten.
De
voorlopige
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinekaart waarop het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 11: Endotoxinecontouren in de omgeving van het plangebied, kaart 2021
Het plangebied is niet gelegen binnen de contouren van omliggende intensieve veehouderijbedrijven. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar.
5.5.2
Geitenhouderijen
Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Op ruim 500 meter ten (zuid)westen van het plangebied worden geiten gehouden op de locatie Kerkendijk 38. Ter plaatse worden echter slechts 4 geiten gehouden. Gemeente Someren mag een eigen afweging maken over de mogelijkheid tot het planologisch toestaan van nieuwe gevoelige objecten binnen de invloedsfeer van geitenhouderijen. In dit verband is de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011) relevant.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is een belangrijke factor voor de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Een ruw oppervlak veroorzaakt afremming van de wind aan de grond, waardoor een zekere mate van turbulentie wordt gegenereerd en zich een hoogteafhankelijk windprofiel instelt. Het plangebied is op een afstand van ruim 500 meter van de 4 geiten gelegen. Op de tussengelegen gronden is reeds veel vegetatie en vooral ook al veel woningbouw aanwezig. Dit betekent dat er sprake is van een bepaalde terreinruwheid waarmee het direct inwaaien van fijnstof of endotoxinen wordt voorkomen. De beoogde woningen binnen het plangebied worden niet dichter tot de geitenhouderij georiënteerd dan bestaande woningen. Daarnaast worden de nieuwe woningen niet gebruikt door ‘meer kwetsbare personen’ op het vlak van gezondheidsredenen. Vanwege de huidige regelgeving omtrent geitenhouderijen zal het woon- en leefklimaat in de toekomstige situatie niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Gelet op voornoemde aspecten is het toevoegen van de beoogde woningen binnen het plangebied aanvaardbaar in het kader van gezondheid en veehouderijen.
5.5.3
Gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
via
drift.
Met
de
term
drift
wordt
de
hoeveelheid
gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van teelt van gewassen waarop gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden toegepast. Dit aspect is niet aan de orde bij onderhavig bestemmingsplan.
5.6 Bedrijven en milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Deze richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van een bedrijfsbestemming en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De omgeving van het plangebied kan worden gezien als ‘rustige woonwijk’.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
Agrarische bedrijvigheid is reeds nader toegelicht in paragraaf 5.4. In de omgeving van het plangebied is een tweetal niet-agrarische bedrijven gevestigd, binnen het plan ‘Groote Hoeven’. Deze worden navolgend nader toegelicht. Sporthal Loovebaan 25 Op circa 15 meter ten westen van het plangebied is een sporthal gevestigd (SBI-code 931, milieucategorie 2 en 3.1). Op basis van het in 2016 uitgevoerde geluidonderzoek kan worden geconcludeerd dat de sporthal op korte afstand tot het plangebied geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw ter plaatse van het plangebied. Het uitgevoerde onderzoek (memo ‘Bepaling geluidsbelasting relevante inrichtingen De Groote Hoeven’, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, d.d. 21 juli 2016) is voor de volledigheid als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Sinds het uitgevoerde onderzoek zijn bedrijfsactiviteiten niet toegenomen. Actualisatie van het uitgevoerde onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Brandweerkazerne Loovebaan 29 Op een afstand van circa 120 meter ten zuidwesten van het plangebied is de brandweerkazerne gevestigd (SBI-code 8425, milieucategorie 3.1). Met vaststelling van het vigerende bestemmingsplan ‘Groote Hoeven’ is hieraan eveneens aandacht besteed.
Op zodanige afstand en gezien de feitelijke aard, de feitelijke duur en de maximale hoeveelheid van 20 oefeningen, kan worden gesteld dat de brandweerkazerne geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw. Het destijds uitgevoerde onderzoek naar de brandweerkazerne (‘Notitie benadering brandweerkazerne Someren’, d.d. 16 januari 2017) is tevens als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Sinds het uitgevoerde onderzoek zijn bedrijfsactiviteiten niet toegenomen. Actualisatie van het uitgevoerde onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De beoogde herontwikkeling is in het kader van het aspect Bedrijven en milieuzonering geen bezwaar.
5.7 Externe veiligheid 5.7.1
Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.
5.7.2
Risico’s
Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR):
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
5.7.3 5.7.3.1
Beleidskader Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 5.7.3.2
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. 5.7.3.3
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
5.7.4 5.7.4.1
Beoordeling van het plangebied Vervoer over het spoor
Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
5.7.4.2
Vervoer over de weg
Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de gemeente Someren zijn de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. Het plangebied ligt op een afstand van circa 1,6 kilometer van de N266, circa 1,9 kilometer van de N612 en op een afstand van 5,1 kilometer van de A67. Plaatsgebonden risico In het Bevt wordt voor het plaatsgebonden risico van een weg een veiligheidszone gehanteerd. Dit is een zone langs een weg waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan. De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrensd door de maximale 10-6/jaar contour. Ten aanzien van de A67 dient ter plaatse van het plangebied een veiligheidsafstand van 29 meter te worden aangehouden. Het plangebied ligt buiten deze veiligheidszone. Voor de provinciale wegen N266 en N612 gelden geen veiligheidsafstanden. Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het gehele plangebied ligt buiten 200 meter van de A67. Ook ligt het groepsrisico van de rijksweg A67 en de provinciale wegen N266 en N612 ruim beneden de oriëntatiewaarde.
Invloedsgebied Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien het plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van de A67. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor de A67 zijn dit vloeibare toxische stoffen (LT1, LT2 en LT3). De A67 kent dan ook een invloedsgebied van 4.000 meter. Het plangebied is dan ook buiten het invloedsgebied van de A67 gelegen. 5.7.4.3
Vervoer over het water
Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,6 kilometer meter van de Zuid-Willemsvaart. De Zuid-Willemsvaart is in het Basisnet Water gekenmerkt als een groene route. Dit betekent dat het gevaar van vervoer van gevaarlijke stoffen over het Zuid-Willemsvaart dermate klein is dat er geen PR-contouren aanwezig zijn en dat het GR buiten beschouwing gelaten kan worden. 5.7.4.4
Buisleidingen
Circa 1,9 kilometer ten westen van het plangebied is een tweetal buisleidingen (hogedruk aardgastransportleidingen) gelegen. De aardgasleiding A-521-KR heeft een diameter van 914 mm en een gasdruk van maximaal 66,2 bar. De aardgasleiding A-585-KR heeft een diameter van 1067 mm en een gasdruk van maximaal 66,2 bar. Circa 1,6 kilometer ten oosten van het plangebied is een buisleiding gelegen (hogedruk aardgastransportleiding). De aardgasleiding Z-540-01 heeft een diameter van 368 mm en een gasdruk van maximaal 40,0 bar.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bestaande transportleidingen voor gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Plaatsgebonden risico Ten aanzien van deze ondergrondse hoge druk aardgastransportleidingen geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan een belemmerde strook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Buiten deze belemmeringenstrook is geen plaatsgebonden risico (10-6/jaar) aanwezig. De buisleidingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico De invloedsgebieden van de aardgasleidingen bedragen: Leiding
Invloedsgebied (1% letaal)
A-521-KR
430 meter
A-585-KR
490 meter
Z-540-01
180 meter
Het plangebied is buiten de invloedsgebieden (1% letaal) van de aardgasleidingen gelegen. De buisleidingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.7.4.5
Hoogspanningslijnen
Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Aan de zuidoostzijde van de gemeente Someren, parallel aan de gemeentegrens met Asten, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van circa 1,6 kilometer van het plangebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.
5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1
Inleiding
Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.
5.8.2
Uitstoot van schadelijke stoffen
De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
Plannen die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit hoeven niet afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Dat staat in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn regels gesteld. In dit Besluit is aangegeven wanneer sprake is van een NIBM bijdrage. Een project is niet in betekenende mate als de bijdrage van het project maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2) is. In de praktijk vertaalt dit naar een jaargemiddelde bijdrage van maximaal 1,2 µg/m³. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeft geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden.
In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Binnen het plangebied worden maximaal 14 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Derhalve kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip ‘niet in betekende mate’ valt en in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar is.
5.8.3 5.8.3.1
Blootstelling aan verontreiniging Inleiding
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide. 5.8.3.2
Fijnstof
De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en de directe omgeving weer. Het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.
Figuur 12: Fijnstof PM10 2020 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Figuur 13: Fijnstof PM2,5 2020 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Voor het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 17-18 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van fijnstof.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
5.8.3.3
Stikstof
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.
Figuur 14: Stikstofdioxide NO2 2020 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 10-12 µg/m³. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van stikstofdioxide.
5.9 Milieueffectrapportage 5.9.1
Inleiding
De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1.
In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven.
2.
In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets of een activiteit zodanige gevolgen voor het milieu heeft dat de procedure van een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is een lijst van mogelijke ontwikkelingen (kolom 1) opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is, indien er wordt voldaan aan de voorwaarden (drempelwaarden) zoals opgenomen in kolom 2 van onderdeel D. Wanneer een ontwikkeling uit onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. wordt beoogd, maar de activiteit niet aan de in kolom 2 opgenomen voorwaarden voldoet, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
5.9.2
Toets aan drempelwaarden
De beoogde herontwikkeling komt niet voor op de C-lijst. De beoogde activiteit is wel aan te merken als activiteit D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r.. Het gaat daarbij om de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet. Een m.e.r.beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.
5.9.3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Omdat de activiteit is aan te merken als activiteit D 11.2 maar omdat de activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. De aanmeldnotitie is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
6.
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2 Algemene toelichting verbeelding Op de verbeelding, die bestaat uit één kaartblad, zijn de bestemmingen en aanduidingen van de gronden in het plangebied aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen is terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens heeft juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (bijvoorbeeld kadastrale of topografische gegevens).
6.3 Algemene toelichting regels In de regels staan regels voor het gebruik van gronden binnen de bestemming in het plangebied en voor het oprichten en gebruiken van bebouwing op die gronden. De regels zijn afgeleid van het zogenoemde ‘moederplan’: ‘Groote Hoeven’ zoals door de gemeenteraad van Someren vastgesteld op 25 januari 2018.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
7.
UITVOERBAARHEID
7.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in ruimtelijk plan. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en/of de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Er is geen exploitatieplan nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (aan openbare weg of woningcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Tussen grondeigenaren en de gemeente Someren is een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal is verzekerd.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Dit bestemmingsplan wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt, waarna het plan of onderdelen van dit plan kunnen worden heroverwogen.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Waterlaat en Opper oneven Someren’ - Toelichting
8.
PROCEDURE
8.1 Wettelijke procedure Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling
3.4
van
de
Algemene
wet
bestuursrecht.
Deze
procedure
houdt
in
dat
het
ontwerpbestemmingsplan na behandeling in het college van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan is alsdan ook digitaal raadpleegbaar op de site van de gemeente. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijze kenbaar maken bij de gemeente. Na het ontwerpbestemmingsplan wordt het bestemmingsplan door de gemeenteraad van Someren al dan niet gewijzigd vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.2 Overleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg besproken met de provincie en het waterschap. Dit vooroverleg heeft inhoudelijk niet geleid tot aanpassingen in dit bestemmingsplan, anders dan het tekstueel aanvullen van de waterparagraaf naar aanleiding van vragen vanuit het waterschap.
8.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een termijn van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd voor de zienswijzentermijn.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
44