CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

5q Toelichting BP Veegplan XII Ruimtelijke onderbouwing Kanaaldijk zuid ong.

Commissie Ruimte 9 februari 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Veegplan XII28.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Voor een uitgebreide analyse van de onderzoeksresultaten wordt verwezen naar het bodemrapport dat als bijlage bij deze onderbouwing is gevoegd.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 24

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er gezien het bodemonderzoek geen beperkingen gelden voor de beoogde plannen op het plangebied en dat de plannen geen bedreiging vormen voor de bodem en/of het grondwater.

2.2.2 Waterhuishouding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt in het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas. Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: ✓ gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; ✓ doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; ✓ hydrologisch neutraal bouwen; ✓ water als kans; ✓ meervoudig ruimtegebruik; ✓ voorkomen van vervuiling; ✓ wateroverlastvrij bestemmen; ✓ waterschapsbelangen. Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Werken met water. Voor nu en later’ In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van vier programma’s: 1.

Veilig en Bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen.

2.

Voldoende water en Robuust watersysteem Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in ons beheergebied voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact.

3.

Gezond en Natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water.

4.

Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 25

Waterschap Aa en Maas De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Hydrologisch neutraal bouwen - Keur 2015 (geactualiseerd november 2018) Bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen of bedrijven of de aanleg van parkeerterreinen en wegen, neemt de hoeveelheid verharding vaak toe. Het waterschap vindt het belangrijk dat deze verhardingstoename niet leidt tot een versnelde afvoer van het regenwater. De ontwikkeling dient daarom ‘hydrologisch neutraal’ te zijn. Per 1 maart 2015 gelden de bepalingen uit de Keur 2015 en ‘de Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

Hierbij is de regelgeving versoepeld. In november 2018 is het Keur geactualiseerd. Het betrof hier een tekstuele verduidelijking van de begrippen en regels in/van het Keur. De wijziging van het Keur heeft niet geleid tot andere regels inzake de toename van het verhard oppervlak. Plannen met een verhardingstoename tót 2000 m² zijn onder de Keur nog altijd vrijgesteld van het (moeten) nemen van compenserende maatregelen. Vanuit het watersysteem geredeneerd bestaat er geen aanleiding om onder deze oppervlaktemaat compenserende maatregelen te eisen. In het plangebied aan de Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) neemt de hoeveelheid verhard oppervlak wel toe (met circa 890 m²) maar deze toename blijft ruim onder de 2.000 m². Derhalve hoeven er geen aanvullende maatregelen te worden getroffen. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Someren 2018-2022 (vGRP) Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad van Someren het ‘verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Someren 2018-2022’ vastgesteld. Het vGRP in relatie tot het buitengebied In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen stedelijk afvalwater, is het niet toegestaan om regenwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteiten en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van regenwater.

In beginsel zorgt de perceeleigenaar zelf voor de verwerking van hemelwater (volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren). In de meeste gevallen zijn er voldoende mogelijkheden om het hemelwater in de bodem te brengen. Alleen wanneer geen andere oplossingen mogelijk zijn biedt de gemeente de mogelijkheid om het hemelwater (indirect) via bermsloten af te voeren. In veel bestaande situaties wordt het hemelwater (indirect) via bermsloten afgevoerd. Voor nieuwbouw geldt altijd dat eerst gezocht moet worden voor verwerking op eigen terrein, ook wanneer het overige hemelwater via bermsloten wordt afgevoerd. Het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om het hemelwater op eigen terrein te laten infiltreren. De te bouwen woning zal voor wat betreft het hemelwater afgekoppeld worden van het rioleringsstelsel. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd in de bodem. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 26

gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Conclusie Gelet op de beoogde plannen binnen de grenzen van het plangebied (de realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning plus bedrijfsmatige activiteiten), is het treffen van aanvullende maatregelen in het kader van een goede waterhuishouding niet aan de orde aangezien de toename van verhard oppervlak onder de 2.000 m² blijft. Er geldt wel een afkoppelplicht in het kader van het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Someren (vGRP Someren 20182022).

2.2.3 Cultuurhistorie Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart 2010 is te zien dat in het plangebied noch in de directe omgeving cultuurhistorische waarden voorkomen die een provinciaal belang vertegenwoordigen (zie onderstaand overzicht) dan wel die, mochten ze desondanks aanwezig zijn geweest, door genoemde ontwikkelingen (geen sloop, enkel de bouw van een woning en bijgebouwen) binnen het plangebied verstoord zouden kunnen worden.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 (geactualiseerd 2016), provincie Noord-Brabant. Plangebied blauw omcirkeld.

Conclusie Onderhavige plannen van initiatiefnemers passen binnen de kaders voor cultuurhistorie en een nadere onderzoeksplicht is dan ook niet aan de orde.

2.2.4 Archeologie In het kader van de door de gemeente op 28 maart 2012 vastgestelde ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ en de vaststelling in 2015 van de geactualiseerde waardenkaart kan gesteld worden dat het plangebied is aangeduid als een locatie in een categorie 5 gebied. Zie ook de toelichting hierover voor dit plangebied behorende tot het ‘Veegplan IV 2016 Someren’. Deze categorie heeft gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Voor deze gebieden geldt een onderzoeksplicht indien er sprake is van een bodemverstoring van meer dan 40 centimeter diep over een oppervlakte van meer dan 2.500 m². Als gevolg van de beoogde herontwikkeling zal een bodemverstoring over een oppervlakte van ongeveer 775 m² plaats vinden Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 27

(bebouwing 525 m² en verharding/oprit 250 m2). Archeologisch onderzoek is dan ook niet aan de orde.

Archeologiekaart gemeente Someren met plangebied (rood omcirkeld)

Conclusie Onderhavige plannen passen binnen de kaders voor archeologie. Gezien de archeologische waarde 5 en het gegeven dat de beoogde verstoring van de bodem niet verder gaat dan 40 centimeter onder het maaiveld en/of niet groter is dan 2.500 m² qua oppervlakte, leidt ertoe dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Ook is geen aanvraag omgevingsvergunning in het kader van de aanlegvergunningplicht benodigd.

2.2.5 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de (nieuwe) Wet Natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, de WetlandConventie, de Conventie van Bern, het Cites en Verdrag van Ramsar. Het plangebied bestaat uit productiegrasland dat regelmatig wordt gemaaid, het ligt tussen bebouwing in, met aan de westzijde open agrarisch gebied. Gezien de ligging, de aard en het (voormalige en huidige) gebruik van het perceel is de kans zeer gering dat beschermde soorten aanwezig zijn. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkelingen op het plangebied en gezien de afstand tot het Natura 2000- gebied ‘Nationaal Park De Groote Peel’ (2,7 kilometer) en tot het Natura 2000-gebied ‘Weerter- en Budelerbergen & Ringselven’ (4,2 kilometer) zijn negatieve effecten uit te sluiten.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 28

Ook ligt het perceel niet in een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Brabant. (De nabijgelegen Zuid-Willemsvaart behoort wel tot NNB/EVZ, maar de beoogde ontwikkeling heeft hierop geen invloed).

Wat betreft natuur- en landschapswaarden wordt de situatie er met de beoogde ontwikkeling beter van gezien het feit dat het nieuwe plan landschappelijk ingepast dient te worden. Met deze landschappelijke inpassing (met streekeigen groen) worden natuur- en landschapswaarden ter plaatse versterkt. De biodiversiteit zal daardoor toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Dat is een positieve ontwikkeling. Een quickscan is in onderhavige situatie niet aan de orde. Tevens wordt een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming als niet noodzakelijk gezien. Er bestaat geen noodzaak voor nader ecologisch onderzoek. Conclusie Het uitvoeren van (nader) onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. De plannen passen binnen de kaders van de Wet natuurbescherming en vormen geen bedreigen voor de flora en fauna op en rond het plangebied.

2.2.6 Bedrijven en milieuzonering De VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. In deze publicatie worden per bedrijfssoort en milieucompartiment indicatieve afstanden gegeven tot gevoelige objecten (voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar). Deze vormen vaak de basis voor de Staat van Inrichtingen van bestemmingsplannen. De afstanden hebben een signalerende werking wat betekent dat, zeker wanneer niet direct duidelijk is óf de nieuwe beoogde situatie inpasbaar is, nader onderzoek noodzakelijk kan zijn. Een goede milieuhygiënische kwaliteit in het Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 29

gebied kan worden gerealiseerd door een juiste afstemming van de situering van bedrijven ten opzichte van milieugevoelige functies. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/ rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De planlocatie, gelegen binnen een bebouwingsconcentratie aan de Kanaaldijk-Zuid ongenummerd, kan getypeerd worden als ‘rustig buitengebied’. Initiatiefnemers beogen op het noordelijke deel van het plangebied in een te bouwen bijgebouw van 350 m² bedrijfsactiviteiten uit te oefenen bestaande uit de opslag van accessoires/onderdelen en materieel ten behoeve van het installatiebedrijf van initiatiefnemers. Van daaruit rijdt initiatiefnemer naar de klanten toe. De installatiewerkzaamheden vinden elders (bij de klant) plaats. Bij gelijknamige activiteiten van initiatiefnemers en hun (schoon)vader op de hoek Havenoord 1/ Sluisstraat (naast 84) is eerder door de gemeente aangegeven dat het alleen opslaan van materialen een zogeheten A-inrichting betreft (Wet milieubeheer) met weinig impact voor gevoelige objecten (woningen) in de omgeving.

In het kader van de VNG-brochure kunnen de bedrijfsactiviteiten getypeerd worden als categorie-2 bedrijf met (rekening houdend met de ligging van het bedrijfsgebouw in een rustig buitengebied) een minimaal in acht te nemen richtafstand van 30 meter. Aan deze afstand wordt ten aanzien van de noordelijk gelegen woning (aan de KanaaldijkZuid 23) niet geheel voldaan. De werkelijke afstand van de gevel van het bedrijfsgebouw (plangebied) tot aan de gevel bedraagt 26 meter. Gezien het feit het aantal vervoersbewegingen van de twee bedrijfsauto’s (inclusief die van de auto’s voor privégebruik) maximaal 8 per dag bedraagt én omdat de installatiewerkzaamheden voornamelijk elders (op locatie bij de klant) plaatsvinden, kan gesteld worden dat de hinder voor derden beperkt zal zijn. Nader (akoestisch) onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Wél zal de gevel van de woning, parallel lopend aan de Kanaaldijk-Zuid als dove gevel moeten worden uitgevoerd. De afstand van de beoogde loods tot de woning aan Kanaaldijk-zuid 25 (ten zuiden van het plangebied) bedraagt circa 60 meter en aan de minimale richtafstand wordt ruimschoots voldaan. De plannen op het plangebied vormen geen bezwaar omdat deze passen binnen de richtafstanden van de VNG-Brochure Bedrijven en Milieuzonering. Het woon- en leefklimaat van woningen in de omgeving blijft nagenoeg hetzelfde. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

2.2.7 Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. In het kader van de omgekeerde werking moet bij planherzieningen ook getoetst worden of de beoogde ontwikkelingen geen omliggende veehouderijbedrijven (verder dan bestaand) in hun ontwikkelingen belemmeren. Op verzoek van initiatiefnemers heeft Agron Advies B.V. onderzoek gedaan naar de invloed van de beoogde ontwikkelingen op het plangebied (rapport d.d. 1 oktober 2019 met projectnummer VALK01.OV01). In het kader van een zorgvuldige besluitvorming dienen de volgende aspecten te worden beoordeeld: • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang veehouderij); Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 30

•

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het perceel van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het perceel (belang veehouderij). Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het perceel als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het perceel (belang geurgevoelig object). Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat omliggende veehouderijbedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt en het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aanvaardbaar is ten aanzien van het aspect geur. Uit de berekening blijkt dat de geurbelasting vanuit de veehouderij aan de Gezandebaan 2 ruimschoots onder de norm blijft. Het bedrijf aan de Gezandebaan wordt dan ook niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden beperkt door de oprichting van de woning aan de Kanaaldijk-Zuid. Dit ook omdat dit bedrijf door andere woningen reeds in haar ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt. Andere geurgevoelige objecten zijn reeds op kortere afstand gelegen ten opzichte van de woning aan Kanaaldijk-Zuid. Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat voldaan wordt aan de streefwaarde voor de achtergrondbelasting van 28,0 ouE/m³ in het buitengebied van de gemeente Someren.

De achtergrondbelasting (lees: kwaliteit woon- en leefklimaat) ter plaatse van de woning kan als ‘goed’ tot ‘redelijk goed’ worden geclassificeerd en wordt hiermee aanvaardbaar geacht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren Ruimte voor Ruimte woning en dat voorgenomen plannen op het plangebied niet leiden tot een (verdere) beperking voor omliggende bedrijven.

2.2.8 Endotoxine (veehouderij en volksgezondheid) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. In de juridische notitie ‘Veehouderij en volksgezondheid; Mogelijkheden om volksgezondheidaspecten mee te wegen bij vergunningverlening’ van juni 2014 is geconcludeerd dat het aspect volksgezondheid dient te worden meegewogen in zowel het ruimtelijk als het milieuspoor. Door de rechter is uitdrukkelijk uitgesproken dat gezondheid als een onderdeel van het begrip milieu wordt gezien. Dit betekent dat risico's voor de volksgezondheid, die door het in werking zijn van een inrichting kunnen ontstaan, bij de beoordeling van de aanvraag moeten worden betrokken. Veehouderijen hebben zowel positieve als negatieve gezondheidseffecten op hun omgeving. Astma en neusallergie komen minder vaak voor bij mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. Daarnaast hebben echter de uitstoot van fijnstof en endotoxinen negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.

Op 30 april 2018 is de definitieve ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0, een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering door de GGD wenselijk is’ van kracht geworden. Beoordeeld moet worden of nader advies van de GGD noodzakelijk is bij een ruimtelijke ontwikkeling. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0; een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is’. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 31

zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden (geen harde eis). De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinenkaart waarop het plangebied is aangegeven. Het plangebied ligt niet binnen de contouren van omliggende intensieve veehouderij bedrijven.

Kaart Endotoxinecontouren 2018. Geel omcirkeld het plangebied aan de Kanaaldijk-Zuid ong. (tussen 23 en 25)

Het plangebied ligt op circa 83 meter van de Gezandebaan 2 (gevel beoogde woning KanaaldijkZuid ongenummerd tot bestemmingsvlak ‘Agrarisch - agrarisch bedrijf’ aan de Gezandebaan 2). De te bouwen woning van initiatiefnemers is echter niet het meest bepalende gevoelige object gezien de ligging van reeds bestaande woningen ten noorden van dit veebedrijf aan de Gezandebaan (korter bij de veehouderij dan de beoogde ruimte voor ruimte woning).

En op meer dan 250 meter van intensieve veehouderij aan de Peelweg 4. Gezien de ligging van de veehouderijen wordt voldaan aan de voorwaarde dat omliggende veehouderijen niet verder in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Verder wordt gewaarborgd dat ter plaatse van de woning op het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 32

landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in deze notitie. In 2017 en 2018 is de handreiking geactualiseerd. Dit is gebeurd naar aanleiding van de onderzoekrapporten "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden" uit 2016 en 2017, de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0" en de ‘Memo Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen’ uit 2017. De geactualiseerde gegevens zijn vastgelegd in de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’. In deze update van de handreiking is het stappenplan, waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie. Het plan ligt niet binnen de berekende endotoxine contouren. Het plan is echter wel gelegen binnen diverse 1 kmcontouren rondom pluimveehouderijen. In het laatste VGO-onderzoek (VGO-3) is echter het eerder gevonden verband tussen longontstekingen en de nabijheid van pluimveehouderijen ontkracht.

Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is (en blijft) dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de endotoxine kaart, opgesteld op aanvraag van de gemeente Someren, ter plaatse van de planlocatie met daarop de endotoxinecontouren in de omgeving van de planlocatie. In het kader van endotoxine bestaan er dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de plannen van initiatiefnemers op voornoemd plangebied. Geitenmoratorium / geitenhouderij Nieuwendijk 114 In juni 2017 en in oktober 2018 zijn de onderzoeken Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO 2 en 3) naar buiten gebracht. Deze rapporten tonen gezondheidsrisico’s aan bij omwonenden van geitenhouderijen in een straal van 500 meter tot 2 km. Naar aanleiding van het VGO 2 heeft de provincie op 7 juli 2017 een moratorium afgekondigd, op basis waarvan geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden gevestigd én de gebouwen van bestaande geitenhouderijen niet meer mogen worden uitgebreid Op basis van het VGO 3 onderzoek is het moratorium van kracht gebleven.

Het geitenmoratorium betreft een rechtstreeks werkende regel in de Verordening ruimte, namelijk: “Een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geitenhouderijen door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van gebouwen voor het houden van geiten is niet toegestaan”. Specifiek voor de Somerense situatie hebben we te maken met 1 geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114 die (vanwege de omvang) valt onder het Activiteitenbesluit. Een kleine toename van extra geiten is mogelijk op deze locatie, gezien vanuit de dierwelzijnseisen in de combinatie met het geitenmoratorium. De extra geiten moeten namelijk in de huidige geitenstallen gehuisvest kunnen worden. Bij ruimtelijke besluiten (bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik) moet rekening gehouden worden met de omgekeerde werking. Zolang het geitenmoratorium van kracht is, is het advies om binnen de straal van 2 km rondom de geitenhouderij: ✓ Geen woningbouwontwikkelingen toe te staan dichter bij de geitenhouderij dan in de huidige situatie al het geval is. ✓ Voor de ontwikkeling van gevoelige groepen/ objecten, te weten kinderen, kwetsbare mensen en ouderen maatwerk toe te passen door het in kaart brengen van de Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 33

✓

gezondheidslast (risico op longontsteking). Op basis hiervan kan beoordeeld worden of de gezondheidslast door deze ontwikkeling significant toeneemt. Bij ontwikkelingen voor “grote” woningbouwlocaties ook de gezondheidslast in kaart te brengen, zodat bepaald kan worden of als gevolg van deze ontwikkeling het percentage longontstekingen toeneemt. Het betreffen in dit kader wel grootschalige ontwikkelingen waar de procedure voor het bestemmingsplan nog doorlopen moeten worden. Woningbouwontwikkelingen die met een vergunning rechtstreeks passend zijn in het bestemmingsplan, zijn op basis van de huidige onderzoeken niet tegen te houden.

Het plangebied is gelegen binnen een afstand van 2 kilometer van de geitenhouderij aan de Nieuwendijk 114. Gezien de beoogde bouw van de woning op het plangebied kan de ontwikkeling niet getypeerd worden als een ‘grote’ woningbouwlocatie. In dit geval wordt ook niet ‘dichterbij’ gebouwd, omdat naastgelegen burgerwoningen op eenzelfde afstand zijn gesitueerd van de dichtstbijzijnde pluimveehouderij. Ook zijn er woningen gelegen op kortere afstand (kern SomerenEind), waardoor door het initiatief de belangen van de geitenhouderij niet worden geschaad. Doordat diverse woningen dichter bij de pluimveehouderij zijn gelegen kan in redelijkheid worden aangenomen dat er bij de planolocatie sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ook wordt met dit planvoornemen geen woningbouw mogelijk gemaakt dichter bij de pluimveehouderij, dan in de huidige situatie reeds het geval is. Dit betekent dat het geitenmoratorium geen invloed heeft op de beoogde plannen (o.a. bouw woning) op het plangebied. Deze conclusie geldt ook voor het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de te bouwen woning dat hierdoor niet noemenswaardig wordt aangetast.

Conclusie De beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied (Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) vormen in het kader van de wet geurhinder en veehouderij en endotoxine geen verdere belemmering voor de omliggende veehouderijen. Ook is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor toekomstige bewoners van het woonhuis op het plangebied en daarmee is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

2.2.9 Geluid Een nieuwe ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een nieuw geluidgevoelig object, dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door Tritium advies. In de rapportage ‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Kanaaldijk-zuid ong. Someren-eind’ (rapportnummer 1905/103/NB-01 d.d. 23 mei 2019) zijn de volgende conclusies weergegeven. Het rapport is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. In opdracht van initiatiefnemers is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde realisatie van een nieuwe Ruimte voor Ruimte woning op de locatie Kanaaldijk-Zuid ong. (ten zuiden van huisnummer 23) te Someren-Eind. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het onderzoek dient derhalve te worden uitgevoerd ten behoeve van een juridisch-planologische procedure.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 34

Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Langendijk, Bennenbroekstraat, Gezandebaan, Kanaaldijk-Zuid (parallelweg en N266), Sluisstraat en Stevensvaartje. Voor de wegen Bennenbroekstraat, Kanaaldijk-Zuid (parallelweg), Langendijk Gezandebaan, Sluisstraat en Stevensvaartje geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Voor de provinciale weg N266 geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. Op een aantal toetspunten wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied eveneens overschreden. Een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde wordt in principe niet toegestaan door de Wet geluidhinder. Om toch woningbouw te kunnen realiseren is het mogelijk de geveldelen ter plaatse van deze toetspunten als “dove gevel” conform artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder uit te voeren. Een “dove gevel” is namelijk geen gevel volgens de Wet geluidhinder. Dit betekent derhalve dat er geen te openen delen (ramen en deuren) in deze gevels zijn toegestaan, met uitzondering van eventuele incidenteel te openen delen (zoals een verhuisraam), mits deze delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte.

Aangezien draaiende delen voor de vereiste spuiventilatie noodzakelijk zijn, dient hier in de plattegrond rekening mee te worden gehouden. Voor onderhavige woning geldt dat de gehele voorgevel over alle verdiepingen als “doof” uitgevoerd dient te worden. Een voordeur is in principe niet mogelijk in een “dove gevel”. De gemeente heeft uiteindelijk bepaald dat er geen sprake kan zijn van de realisatie van een voordeur in de voorgevel die als dove gevel moet worden uitgevoerd. Ook de gehele linker zijgevel met uitzondering van de begane grond en de gehele rechterzijgevel met uitzondering van de begane grond en de eerste verdieping vanaf 4 meter uit de voorgevel dient als “doof” te worden uitgevoerd. Voor de geveldelen waarvoor een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde geldt, maar geen overschrijding van de maximale ontheffingswaarde wordt een (ontwerp)beschikking hogere waarde Wet geluidhinder vastgesteld. Het ontwerp en de definitieve beschikking hogere waarde zullen gelijk met beschikkingen op grond van de Wabo ter inzage worden gelegd. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard.

Voor het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) op de N266 geldt dat de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze maatregel is derhalve niet erg doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. De woning betreft een Ruimte voor Ruimte woning, waarmee voldaan wordt aan het subcriterium zoals gesteld in het geluidbeleid van de gemeente Someren. Tevens beschikt de woning over een geluidluwe achtergevel waaraan een buitenruimte is gelegen. Bij het uitwerken van het ontwerp zal bij de indeling van de verblijfsruimten rekening gehouden moeten worden dat voldoende verblijfsruimten aan de zijde van de geluidluwe gevel liggen. Dit geldt voor ten minste 50% van het aantal verblijfsruimten of 50% van de oppervlakte van het verblijfsgebied. Indien voldaan wordt aan voornoemde eis van 50% wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. De cumulatieve geluidbelasting is eveneens bepaald. Deze bedraagt maximaal 62 dB (exclusief aftrek artikel 110g Wgh). De cumulatieve geluidbelasting is niet zodanig hoog dat een geluidbinnenniveau van maximaal 33 dB niet gewaarborgd kan worden.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 35

Akoestisch onderzoek geluidwering gevels In opdracht van initiatiefnemers is een akoestisch onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd naar aanleiding van de nieuwbouw van een woning aan Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen huisnummer 23 en 25) te Someren-Eind. Er is bepaald of de woning voldoet aan de eisen zoals gesteld in het bouwbesluit 2012 met betrekking tot bescherming tegen geluid van buiten en óf er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De geluidbelasting op de gevels van woning bedraagt conform het eerder door opgestelde rapport “Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Kanaaldijk-Zuid ong. Someren-Eind” d.d. 23 mei 2019 (kenmerk: 1905/103/NB-01) maximaal 62 dB (exclusief aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder) op de eerste verdieping ter plaatse van voorgevel. In bijlage 3 van het rapport ‘Akoestisch onderzoek geluidwering gevels’ is aangetoond dat de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, tenminste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting en 33 dB. In hoofdstuk 4 van voornoemd rapport zijn de benodigde voorzieningen en de minimale geluidisolatie weergegeven. Alternatieve voorzieningen zijn mogelijk indien de geluidisolatiewaarden minimaal gelijk zijn aan de in dit rapport vermelde waarden.

Conclusie Gezien het bovenstaande en gelet op het akoestisch rapport kan geconcludeerd worden dat er vanwege de cumulatieve geluidbelasting geen overwegende bezwaren zijn om het bouwplan doorgang te laten vinden. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woning een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels uitgevoerd. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Op grond van het aanvullende rapport geluidwering gevels kan gesteld worden dat gelet op het materiaal gebruik in/aan de gevels de geluidwering zodanig is (naast de uit te voeren dove gevel) dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

2.2.10 Externe veiligheid Onder externe veiligheid wordt begrepen het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij die activiteit betrokken personen. Het hierop gebaseerde beleid is erop gericht risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport van onder andere gevaarlijke stoffen te voorkomen en te beheersen. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen en omstandigheden.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 36

Uitsnede risicokaart met blauw omcirkeld het plangebied

Voor de propaantanks (5 m³) bij Gezandebaan 2 en Kanaaldijk-Zuid 40 geldt geen plaatsgebonden risicocontour. Wel is er sprake van een veiligheidsafstand van 10 meter volgens artikel 3.28 Activiteitenbesluit. Gezien de werkelijk afstanden van respectievelijk 175 meter en 220 meter kan gesteld worden dat ruim aan de veiligheidsafstanden wordt voldaan. Vervoer Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de omgeving van het plangebied waarover dergelijke transporten kunnen plaatsvinden zijn de A67 en de N266. Het plangebied ligt op een afstand van respectievelijk 5,1 kilometer van de A67 en ligt daarmee op een zodanige afstand van het plangebied dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. Het plangebied bevindt zich op een afstand 6 meter van de Kanaaldijk-Zuid (parallelweg van N266), op 20 meter van de N266 en op 40 meter van de Zuid-Willemsvaart. De ‘Visie externe veiligheid’ van de gemeente Someren geeft aan de er geen veiligheidsafstanden voor deze weg gelden. Het groepsrisico ligt (ook gezien de vervoersprognoses) ruim beneden de oriëntatiewaarde. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 40 meter van het Zuid-Willemsvaart. De ZuidWillemsvaart is gekenmerkt als een groene route.

Dit betekent dat het gevaar van vervoer van gevaarlijke stoffen over het Zuid-Willemsvaart dermate klein is dat er geen PR-contouren aanwezig zijn en dat het GR buiten beschouwing gelaten kan worden. Gasleiding Op een afstand van circa 65 meter ten oosten van het plangebied is een buisleiding hogedruk aardgastransportleidingen) gelegen. De aardgasleiding Z-540-01 heeft een diameter van 14 inch en een gasdruk van maximaal 40 bar. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bestaande transportleidingen voor gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Plaatsgebonden risico Ten aanzien van deze ondergrondse hogedruk aardgastransportleidingen geldt een belemmeringsstrook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Buiten deze belemmeringenstrook is geen plaatsgebonden risico (10-6/jaar) aanwezig. De buisleiding vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 37

Groepsrisico De aardgasleiding heeft een invloedsgebied van 150 meter (1% letaal). Het plangebied ligt derhalve binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding. In de ‘Visie externe veiligheid gemeente Someren 2013’ is aangegeven dat er ten aanzien van hogedruk aardgastransportleidingen, een risico op twee mogelijke incidenten bestaat: een lekkage of leidingbreuk (guillotinebreuk). Het maatgevend scenario voor aardgastransportleidingen is een gasbrand en/of explosie als gevolg van een breuk van de leiding (door een externe oorzaak, bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). De kans op een breuk is echter zeer klein (kans op een breuk is 5 tot 10 keer kleiner dan een lek). Het meest geloofwaardige scenario is een lek in de buisleiding. Voor de aardgasleidingen in de omgeving van het plangebied ligt de effectafstand van een lek op circa 10 meter van de buisleidingen. Als gevolg van de herontwikkeling wordt een kwetsbaar object (woning) opgericht. Als gevolg van de herontwikkeling zal sprake zijn van een geringe toename van het aantal aanwezige personen ter plaatse van het plangebied. Gelet op de zeer kleine kans op een breuk en de zeer geringe toename van het aantal personen ter plaatse van het plangebied als gevolg van de herontwikkeling, kan de toename van de hoogte van het groepsrisico als niet relevant gekenmerkt worden.

Letterlijk meldt de Visie externe veiligheid 2013 het volgende (citaat): “Gelet op de zeer kleine kans op een guillotinebreuk en de naar verhouding hoge kosten die gemaakt moeten worden om de gebouwde omgeving hiertegen te beschermen, is het niet reëel om hiervoor extra maatregelen op te leggen in een bestemmingsplan of omgevingsvergunning. Ook voor het scenario van een lek van een buisleiding is het niet zinvol maatregelen aan de gebouwde omgeving op te leggen. De effectafstand is immers zeer klein (ligt op de buisleiding zelf of op zeer korte afstand), en bebouwing op de buisleiding is al uitgesloten vanwege de vrij te houden onderhoudszone van 5 meter.” Tenslotte kan in dit kader gemeld worden dat de veiligheidsregio geen belemmeringen ziet voor de geplande ontwikkelingen op het plangebied. Gezien bovenstaande, en gelet op de zelfredzaamheid van de bewoners van de beoogde woning op het plangebied, is het uitvoeren van nader onderzoek naar een mogelijk groepsrisico niet noodzakelijk en voldoen onderhavige plannen op het plangebied aan de eisen op het gebied van externe veiligheid. Conclusie De beoogde plannen aan de Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) passen binnen de kaders van de wet- en regelgeving ten aanzien van de externe veiligheid en bewoners van de woning lopen geen veiligheidsrisico. Het is niet noodzakelijk nader onderzoek te doen naar het groepsrisico.

2.2.11 Luchtkwaliteit Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 38

invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Dg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantooren woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor woningen wordt hierbij een ondergrens van 1500 woningen aangehouden voor locaties waarbij sprake is van één ontsluitingsweg. Onderhavige planontwikkeling voorziet in de bouw van een Ruimte voor Ruimte woning en het opslaan en verhandelen van accessoires, onderdelen en dergelijke ten behoeve van een installatiebedrijf van initiatiefnemers in een van de bijgebouwen bij de woning.

Derhalve is er sprake van een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is dan ook niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het Luchtmeetnet is de luchtkwaliteit matig tot redelijk te noemen. Deze website is een initiatief van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid (RIVM), GGD Amsterdam, DCMR Milieudienst Rijnmond, Provincie Limburg, Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA) en Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB). De website toont de ongevalideerde gemeten luchtkwaliteit op meetpunten in Nederland maar geeft desondanks een goede indicatie van de waarden van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Kaart Atlas leefomgeving De luchtkwaliteit (PM10) kan gekwalificeerd worden als redelijk tot goed en dat is voldoende om ook na de realisering van de plannen te kunnen spreken van een redelijk goed woon- en leefklimaat voor de bewoners van de nieuwe woning aan de Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25).

Kaart Atlas Leefomgeving: Fijnstof 2017 (pm10) – RIVM Fijnstof 2017 (pm2,5) – RIVM (geel omcirkeld plangebied)

Nader onderzoek is niet aan de orde. Conclusie Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 39

Het onderhavige plan draagt ‘niet in een betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit op of rond het plangebied. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmerende factor voor de plannen aan de Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25).

2.2.12 Verkeer en infrastructuur Het herbestemmen van het plangebied zal leiden tot een geringe toename van het aantal vervoersbewegingen (4 per dag) en dus volstaat de huidige wegenstructuur in de omgeving om te kunnen voldoen aan de afwikkeling van het bestemmingsverkeer. Aan de CROW-norm (2012) van 2 parkeerplaatsen per woning wordt ruimschoots voldaan. Ook als je daar de parkeernorm in het buitengebied van kleinschalige opslag bij optelt (minimaal 0,8 en maximaal 1,3 parkeerplaats per 100 m² BVO; op basis van 300 m² = 3 parkeerplaatsen ) kan gesteld worden dat hieraan voldaan wordt (er worden er in totaal 5 gecreëerd, 2+3) mede omdat wonen en de bedrijfsactiviteiten gecombineerd worden en de parkeerbehoefte elkaar in die zin overlappen. Initiatiefnemers beschikken over voldoende parkeergelegenheid binnen de grenzen van het plangebied. Conclusie Het herbestemmen van het plangebied voldoet aan de normen voor verkeer en infrastructuur (parkeernorm CROW). De verkeersaantrekkende werking is bescheiden zeker in relatie tot de omvang van het verkeer dat al over de N266 rijdt.

2.2.13 Besluit m.e.r. / vormvrije m.e.r. Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De beoogde ontwikkeling op het plangebied komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig. Conclusie Het Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de beoogde plannen aan de KanaaldijkZuid ongenummerd (tussen 23 en 25) te Someren.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 40

3 Uitvoerbaarheid 3.1 Economische uitvoerbaarheid In de Grondexploitatiewet (Grexwet), als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening, is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van een of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemers. De initiatiefnemers zullen derhalve met de gemeente Someren een anterieure overeenkomst sluiten. Ook worden hierin afspraken over planschade opgenomen. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

3.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het projectafwijkingsbesluit/ de omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (ex art. 2.12 lid 1, sub a onder 3o Wabo) waarin dit initiatief in meegenomen zal worden, zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van (eventuele) zienswijzen op het ontwerpbesluit vindt een heroverweging op deze onderdelen plaats en kan besloten worden de omgevingsvergunning op een aantal punten te wijzigen of niet vast te stellen. Bij een latere actualisatie van het voor het plangebied dan vigerende bestemmingsplan zal het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan worden meegenomen waarbij de bestemming van het plangebied gewijzigd zal worden in de bestemming ‘Wonen’ met de functieaanduiding ‘WonenPlus’ en overige aanduidingen.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 41

4 Eindconclusie De plannen voor het plangebied aan de Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) te Someren passen binnen de planologische kaders en voldoen verder aan de eisen op het gebied van milieu en veiligheid en omliggende functies worden ook niet belemmerd. Gezien de landschappelijke inpassing van het plangebied dragen de plannen zelfs bij aan de verbetering van de kwaliteit van het buitengebied. Op grond van deze onderbouwing en bijgevoegde rapporten (bodem/ inpassingsplan/geluid) en tekeningen kan dan ook ingestemd worden met de beoogde aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van een Ruimte voor Ruimte woning en het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten in een van de bijgebouwen (opslag onderdelen, accessoires e.d.) ten behoeve van een installatiebedrijf van initiatiefnemers en het daarvoor (buitenplans) moeten afwijken van het bestemmingsplan.

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 42

5 Bijlagen Bijlage 1

Bouwtekening – Situatietekening

Bijlage 2

Bouwtekening – Voorgevelaanzicht

Bijlage 3

Bodemrapport

Bijlage 4a

Akoestisch rapport

Bijlage 4b

Aanvullend akoestisch rapport geluidwering gevels (Bouwbesluit)

Bijlage 5

Landschappelijk inpassingsplan – situatietekening+beschrijving

Bijlage 6

Verklaring inzake verkoop sloopmeters Stenen voor Stenen regeling

Bijlage 7

Bewijsstuk aankoop bouwtitel Ruimte voor Ruimte

Bijlage 8

Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel

Onderbouwing Kanaaldijk-Zuid ongenummerd (tussen 23 en 25) 43

Opdrachtgever:

Erven Smits p/a Kerkstraat 16T 5721 GV Asten

Opdrachtnummer:

67765

Status rapport:

Definitief

Datum rapport:

22 juni 2016

Rapport

Verkennend bodemonderzoek

Kanaaldijk-Zuid (ong.) te Someren-Eind

Lankelma Geotechniek Zuid B.V. Moorland 4a Postbus 38 5688 ZG Oirschot Tel: 0499 - 578520 Fax: 0499 - 578573 E-mail: info@lankelma-zuid.nl Internet: www.lankelma-zuid.nl

verkennend bodemonderzoek, Kanaaldijk-Zuid (ong.) te Someren-Eind.

Inhoudsopgave 1

Inleiding ............................................................................................................................................1 1.1 Opdrachtvorming.........................................................................................................................1 1.2 Doelstelling van het onderzoek ...................................................................................................1 1.3 Gevolgde richtlijnen en opbouw rapportage................................................................................1 2 Vooronderzoek.................................................................................................................................2 2.1 Locatiegegevens .........................................................................................................................2 2.2 Historische informatie..................................................................................................................2 2.3 Regionale bodemopbouw en geohydrologie...............................................................................3 2.4 Resumé .......................................................................................................................................4 3 Onderzoeksprogramma ..................................................................................................................5

3.1 Hypothese ...................................................................................................................................5 3.2 Onderzoeksstrategie ...................................................................................................................5 4 Uitvoering veldwerk en de bevindingen ........................................................................................6 4.1 Veldwerk......................................................................................................................................6 4.1.1 Grond ....................................................................................................................................6 4.1.2 Grondwater ...........................................................................................................................6 4.1.3 Afwijkingen ten opzichte van de BRL SIKB 2000 protocollen 2001 en 2002 .......................7 5 Analyses en resultaten laboratoriumonderzoek ..........................................................................8 5.1 Samenstelling en analyseparameters .........................................................................................8 5.2 Toetsingscriteria ..........................................................................................................................8 5.2.1 Generiek referentiekader Wet

bodembescherming (Wbb) ...................................................8 5.2.2 Toetsing van de analyseresultaten grond.............................................................................9 5.2.3 Toetsing van de analyseresultaten grondwater....................................................................9 5.2.4 Verklaring van de getoetste analyseresultaten.....................................................................9 6 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen .............................................................................10 6.1 Samenvatting en conclusies......................................................................................................10 6.2 Resumé en aanbevelingen........................................................................................................11 Bijlagen Bijlage 1: Regionale ligging locatie Bijlage 2: Situatietekening met boorlocaties Bijlage 3: Profielbeschrijvingen Bijlage 4: Analysecertificaten grond en grondwater Bijlage 5: Toetsingstabellen grond en grondwater Bijlage 6: Fotorapportage Bijlage 7: Verklaring van onafhankelijkheid Paraaf

Datum

Auteur rapport: ing. C.N.W. van Eck

22 juni 2016

Kwaliteitscontrole: ing. W.J.H. van den Heuvel

22 juni 2016

Verzonden

Datum

Erven Smits Crijns Rentmeesters

22 juni 2016 22 juni 2016

projectnummer: 67765, d.d. 22 juni 2016

Digitaal Digitaal

verkennend bodemonderzoek, Kanaaldijk-Zuid (ong.) te Someren-Eind.

1

Inleiding

1.1 Opdrachtvorming In opdracht van Erven Smits heeft Lankelma Geotechniek Zuid B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een locatie aan de Kanaaldijk-Zuid (ong.) te Someren-Eind, gemeente Someren. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage 1. De aanleiding voor het laten uitvoeren van een bodemonderzoek is de geplande ontwikkeling van deze locatie. In verband met de voorgenomen ontwikkeling dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden ten einde hieromtrent een uitspraak te kunnen doen. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Opgemerkt wordt dat bij een bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering die er op is gericht om een beoordeling te krijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Tevens wordt erop gewezen dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is. Lankelma Geotechniek Zuid B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau.

Verder is zij gecertificeerd in het kader van ISO-9001 en de BRL-SIKB 2000 “veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” en de daarbij behorende protocollen. Hierbij gelden de ten tijde van het uitvoeren van het veldwerk, vigerende versies van deze documenten. 1.2 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek wordt onderstaand puntsgewijs benoemd: • historisch onderzoek naar bodembedreigende activiteiten/situaties binnen de locatie; • bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie; • op basis van de resultaten vaststellen of in het kader van de Wbb sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. 1.3 Gevolgde richtlijnen en opbouw rapportage De werkzaamheden zijn door Lankelma Geotechniek Zuid b.v. onder certificaat uitgevoerd, te weten conform BRL-SIKB 2000 en de daaraan gekoppelde protocollen: • 2001: “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen”; • 2002: “Het nemen van grondwatermonsters”. In de BRL SIKB 2000 wordt verwezen naar de Nederlandse normen voor bodemonderzoek die eveneens bepalend zijn voor de uitvoering van het bodemonderzoek.

De belangrijkste en meest bepalende normeringen zijn de NEN-5725 “Bodem-landbodem-strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek” en de NEN 5740: 2009 “Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek”. Voorliggend rapport presenteert de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2), de onderzoekshypothese en -strategie (hoofdstuk 3) en de resultaten van het veldwerk (hoofdstuk 4) en analytisch onderzoek en de aan het onderzoek te verbinden interpretatie van de onderzoeksresultaten (hoofdstuk 5) en conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6).

projectnummer: 67765, 22 juni 2016

1

verkennend bodemonderzoek, Kanaaldijk-Zuid (ong.) te Someren-Eind.

2

Vooronderzoek

Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.4 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: • terreininspectie; • het archief van Lankelma Geotechniek Zuid B.V.; • archiefonderzoek door een ambtenaar van de gemeente Someren; • informatie opdrachtgever; • historische kaarten; • TNO (Regis); • NAVOS bestand voormalige stortplaatsen; • Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME); • website www.archeologieinNederland.nl; • website www.topotijdreis.nl; • asbestsignaleringskaart gemeente Someren; • website www.bodemloket.nl. Vermeld dient te worden dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten van onderhavig onderzoek worden beperkt tot de aan deze resultaten ten grondslag liggende en op het moment van onderzoek ter beschikking staande gegevens, alsmede de bij de terreininspectie geconstateerde situatie. In het kader van de Omgevings- en/of Wm vergunning of de Regeling bodemkwaliteit kan afhankelijk van de mate van verdachtheid volstaan worden met het uitvoeren van een beperkt vooronderzoek. Voor onderhavige locatie is gekozen voor een standaard vooronderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11084080/1