5b. Vaststellen van bestemmingsplan Smulderslaan 46 - Planregels
Tekst van het document
25
bouwhoogte maximaal 12,5 m¹ mag bedragen. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
a.
er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB;
b.
de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bedrijfsgebouwen in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
c.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2.
3.3.4 Afwijkende bouwhoogte van luchtwassers en combi-wassers Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.3 sub c ten behoeve van een afwijkende bouwhoogte van luchtwassers en combi-wassers, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 12,5 m¹ mag bedragen met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a.
er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB;
b.
de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bedrijfsgebouwen in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
c.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2.
3.3.5 Torensilo Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.3 b, ten behoeve van de bouw van torensilo’s hoger dan 15 m¹. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
a.
de bouwhoogte mag maximaal 25 m¹ zijn;
b.
er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige
bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB; c.
de landschappelijke of andere waarden van de omliggende gronden
mogen niet onevenredig worden aangetast; d.
de silo's worden geïntegreerd in de bedrijfsbebouwing;
26
e.
de silo's dienen aan de achterkant van de bedrijfsbebouwing te
worden gerealiseerd. Indien de doelmatigheid van de bedrijfsvoering dit niet toestaat, dienen de silo's zover mogelijk van de as van de weg geplaatst te worden, maar minimaal 30 m¹ van de as van de weg; f.
de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 3.3.6 Afstand tot bestemmingsgrens Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 sub d, 3.2.3 sub b t/m h, 3.2.5 sub i, 3.2.6 sub f, 3.2.7 sub a.4, 3.2.7 sub d en/of 3.3.4 ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning, bijgebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde op een kortere afstand dan 5 m¹ tot de bestemmingsgrens. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
a.
de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de
nabijheid mogen niet worden belemmerd; b.
er dient te worden aangetoond dat de afwijking voldoet aan de eisen
die gelden in het kader van het woon- en leefklimaat; c.
er dient te worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is;
d.
indien sprake is van afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2 sub d
en/of 3.2.3 sub b t/m h dient te worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt; e.
de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de
bouwwerken in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; f.
de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 3.3.7 Terreinafscheidingen/ erfafscheidingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.3 sub i en/of 3.2.7 sub b met betrekking tot de bouwhoogte van terreinafscheidingen tot maximaal 2,5 m¹. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden:
a.
de terreinafscheiding is noodzakelijk ten dienste van de in artikel 3.1
genoemde bestemming; b.
aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting
van de omliggende waarden en functies, hetgeen onder andere betekent dat de terreinafscheiding passend is in het landschap; c.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2.
27
3.3.8 Herbouw bedrijfswoning/plattelandswoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.5 sub b ten behoeve van de herbouw van een bedrijfswoning of plattelandswoning op een andere plaats binnen het bestemmingsvlak. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
a.
de nieuwe locatie ligt niet minder dan 5 m¹ van de
bestemmingsgrens en niet minder dan 15 m¹ uit de as van de weg waaraan wordt gebouwd; b.
de bedrijfswoning of plattelandswoning wordt gebouwd ter
vervanging van de bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning; c.
de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de
nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; d.
de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de
woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; e.
met de nieuwe situering is sprake van een milieukundige en
ruimtelijke kwaliteitsverbetering; f.
de sloop van de oorspronkelijke bedrijfswoning of plattelandswoning
is duurzaam verzekerd; g.
er dient te worden aangetoond dat de bedrijfswoning noodzakelijk is
vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, waarbij de noodzaak van herbouw niet het gevolg mag zijn van een eerder aanwezige maar inmiddels afgestoten bedrijfswoning; h.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2. 3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a.
het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens
voor erotische dienstverlening; b.
het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van
(buiten)opslag, stort of lozing, anders dan voor de agrarische bedrijfsvoering; c.
het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel
of detailhandel;
28
d.
het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of
verblijfsrecreatie; e.
het gebruik van gronden en/of opstallen voor andere
bedrijfsdoeleinden dan volgens de bestemmingsomschrijving zijn toegestaan; f.
het gebruik van gronden en/of opstallen voor de vestiging van,
uitbreiding van en/of omschakeling naar een geitenhouderij, waarbij sprake is van toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijven voor de geitenhouderij. Hierbij wordt onder ‘de bestaande oppervlakte dierenverblijven’ verstaan: 1.
de oppervlakte dierenverblijf die op 7 juli 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of
2.
de oppervlakte dierenverblijf die mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning.
g.
het gebruik van gronden en/of opstallen voor een veehouderij,
uitgezonderd ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’; h.
het huisvesten van tijdelijke werknemers;
i.
het gebruik van gebouwen voor bewoning anders dan de
bedrijfswoning of de plattelandswoning voor wonen; j.
het binnen gebouwen meer dan één bouwlaag gebruiken voor het
houden van dieren, behalve ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - meerlaagse stal'. Dit geldt niet voor volière- en scharrelstallen voor legkippen. Hier mogen maximaal twee lagen worden gebruikt om de dieren te huisvesten; k.
het in gebruik nemen van bestaande gebouwen en/of overkappingen
als dierenverblijf, wat leidt tot een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij. Hierbij wordt onder ‘de bestaande oppervlakte dierenverblijven’ verstaan: 1.
de oppervlakte dierenverblijf die op 17 maart 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of
2.
de oppervlakte dierenverblijf die mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning.
l.
het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens
voor een manege; m.
het gebruik van gronden voor lawaaisporten;
n.
het gebruik van gronden en/of opstallen waarbij er een toename
plaatsvindt van de stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch
29
bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); o.
er is geen sprake van strijdig gebruik zoals omschreven onder sub n
indien voor de benodigde ontwikkeling ten tijde van de referentiesituatie reeds een onherroepelijke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend; p.
het gebruik van gronden en/of opstallen ten behoeve van (de
vestiging van of wijziging naar) een gebruiksgerichte paardenhouderij; q.
het plaatsen van zeecontainers;
r.
het gebruik van gronden en/of opstallen voor horeca, tenzij het
vergunde ondersteunende of routegebonden horeca betreft; s.
tenzij de regels van dit bestemmingsplan expliciet bepalen dat
bovenstaande gebruik wel is toegestaan of een vergunning is verleend in afwijking op bovenstaande. 3.4.2 Aan huis verbonden beroep De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie ter plaatse van de bedrijfswoning/plattelandswoning, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:
a.
de omvang van de beroepsactiviteiten mag niet meer bedragen dan
30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing bij een bedrijfswoning tot een maximum van 150 m²; b.
de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een van de bewoners;
c.
de beroepsactiviteit mag zowel in de bedrijfswoning als in een
bijgebouw worden uitgeoefend; d.
het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale
afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; e.
parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;
f.
er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in
stand gehouden; g.
detailhandel is niet toegestaan;
h.
reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden
naamsaanduiding.
30
3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Huisvesting tijdelijke werknemers Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 h ten behoeve van de structurele of tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers in een bedrijfswoning, in bestaande of direct vergunbare bedrijfsgebouwen of ten behoeve van alleen tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare onderkomens. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden:
a.
deze huisvesting dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van een
doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de structurele of tijdelijke grote arbeidsbehoefte in het betreffende agrarisch bedrijf, waarover advies gevraagd kan worden aan de AAB; b.
de huisvesting mag uitsluitend werknemers betreffen, die alleen
binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten; c.
bij huisvesting in een woning mogen maximaal 20 personen per
locatie worden gehuisvest; d.
bij huisvesting in een bedrijfsgebouw mogen maximaal 40 personen
per locatie worden gehuisvest; e.
huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare
onderkomens is alleen toegestaan als het gaat om een aantoonbaar tijdelijke oplossing gedurende niet meer dan 6 maanden per kalenderjaar; f.
bij tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare
onderkomens deze na afloop van de termijn zoals bepaald onder sub e worden verwijderd; g.
per woonunit mogen maximaal vier personen worden gehuisvest. Het
maximaal te huisvesten personen is niet meer dan 40; h.
de bouwhoogte van een woonunit mag niet meer bedragen dan 3 m¹;
i.
de onder sub e genoemde verblijven moeten worden geplaatst
binnen het agrarische bedrijfsbestemmingsvlak; j.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2; k.
per drie huisvestingsplaatsen moet minimaal 1 parkeerplaats binnen
het bestemmingsvlak beschikbaar zijn. Het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen wordt naar boven afgerond; l.
in afwijking van het bepaalde in sub d en sub g kan ten behoeve van
piekmomenten in de vollegrondstuinbouw voor een periode van maximaal 6 maanden gemotiveerd worden afgeweken van het aantal maximaal te huisvesten personen; m.
zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen en andere niet voor
bewoning bestemde gebouwen is niet toegestaan.
31
Aan de omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden dat:
1.
de vergunning wordt ingetrokken indien de daaraan ten grondslag
liggende tijdelijk grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is; 2.
binnen twee maanden nadat het gebruik als tijdelijke huisvesting van
tijdelijke werknemers is beëindigd, dit door de bedrijfsvoerder schriftelijk wordt gemeld bij het college van burgemeester en wethouders; 3.
na beëindiging van het gebruik als tijdelijke huisvesting van tijdelijke
werknemers de voorzieningen ten behoeve van de tijdelijke huisvesting binnen zes maanden na beëindiging van het gebruik worden verwijderd. 3.5.2 Groepsaccommodatie als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 sub d ten behoeve van het als ondergeschikte functie toestaan van een groepsaccommodatie die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie in de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a.
de capaciteit is maximaal 20 personen;
b.
parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;
c.
er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in
stand gehouden; d.
de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹;
e.
de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹;
f.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2. 3.5.3 Bed and breakfast als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 sub d ten behoeve van het als ondergeschikte functie toestaan van bed and breakfast die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie in de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden:
a.
de capaciteit is maximaal 10 personen (eenpersoonsbedden);
b.
parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;
c.
er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in
stand gehouden;
32
d.
er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van
andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; e.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2. 3.5.4 Zorg als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 sub e voor het verlenen van zorg door de bewoner(s) van de betreffende locatie als nevenactiviteit. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden:
a.
de activiteiten vinden plaats binnen bestaande bebouwing;
b.
het is niet toegestaan om zelfstandige wooneenheden ten behoeve
van de huisvesting van zorgbehoevenden te realiseren; c.
er mogen maximaal 15 personen worden gehuisvest;
d.
er wordt alleen huisvesting geboden aan personen met een
zorgindicatie; e.
de activiteiten leiden infrastructureel niet tot onevenredige
verkeersoverlast en zijn landschappelijk goed inpasbaar; f.
de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen
veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; g.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2. 3.5.5 Kinderopvang en dagbesteding als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 sub e voor het exploiteren van kinderopvang en dagbesteding door de bewoner(s) van de betreffende locatie als nevenactiviteit. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden:
a.
de activiteiten vinden plaats binnen de bestaande bebouwing;
b.
de activiteiten leiden infrastructureel niet tot onevenredige
verkeersoverlast en zijn landschappelijk goed inpasbaar; c.
de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen
veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; d.
parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;
e.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2.
33
3.5.6 Statische opslag als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 b voor statische opslag als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden:
a.
het agrarisch bedrijf functioneert als zodanig en blijft dit ook in
voldoende mate doen wanneer ter plaatse sprake is van statische opslag; b.
de maximale oppervlakte die wordt gebruikt ten behoeve van de
statische opslag is 1.000 m²; c.
er dient gebruik gemaakt te worden van bestaande bebouwing;
d.
buitenopslag is uitgesloten;
e.
opslag in kassen is uitgesloten;
f.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2. 3.5.7 Kleinschalige niet-agrarische nevenfuncties Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 sub e voor kleinschalige nietagrarische nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf in de milieucategorieën 1 of 2, of aantoonbaar daarmee gelijk te stellen qua aard en invloed, zoals genoemd in de Brochure bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a.
het agrarisch bedrijf functioneert als zodanig en blijft dit ook in
voldoende mate doen wanneer ter plaatse sprake is van een kleinschalige nevenfunctie; b.
de activiteiten worden uitgevoerd door de bewoners van de
betreffende locatie; c.
de maximale oppervlakte die wordt gebruikt ten behoeve van de
kleinschalige nevenfunctie is 350 m²; d.
er dient gebruik te worden gemaakt van de bestaande bebouwing;
e.
detailhandel is uitgesloten;
f.
buitenopslag is uitgesloten;
g.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2.
34
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1
Vergunningplicht
Het is verboden op of in de gronden met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden erfbeplanting te verwijderen, waarvan de aanleg in het kader van een vergunningverlening of bestemmingsplanherziening verplicht is gesteld.
3.6.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.6.1 is niet vereist voor:
a.
werken of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud
en beheer van de gronden overeenkomstig de bestemming dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b.
werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn dan wel op het
tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, nog mogen worden uitgevoerd op basis van een eerder verleende vergunning. 3.6.3 Toelaatbaarheid De in artikel 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a.
De werken en/of werkzaamheden verband houden met de
doeleinden, die aan de geldende bestemming zijn toegekend; b.
het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch
indirect onevenredige afbreuk doet aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en de mogelijkheden voor herstel van deze waarden en kwaliteiten niet (onevenredig) worden verkleind, zoals omschreven in: 1.
de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding(en);
2.
de specifieke erfbeplantingsplannen;
3.
in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011.
35
3.7 Wijzigingsbevoegdheden
3.7.1 Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’ naar ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ zonder functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’ Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zonder de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden:
a.
het is aantoonbaar dat ter plaatse niet langer sprake is van een
veehouderij; b.
er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische
belemmeringen; c.
omzetting ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf is niet
toegestaan; d.
indien er sprake is van een omzetting naar een ‘overig agrarisch
bedrijf’ bedraagt de omvang van het bestemmingsvlak maximaal 1,5 hectare; e.
de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 3.7.2 Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar 'Wonen' Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zo ver het gaat om de agrarische bedrijfswoning met bijbehorende grond. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a.
het agrarisch bedrijf is beëindigd en hervatting van de agrarische
activiteiten ligt niet meer in de rede; b.
bewoning van bedrijfsgebouwen is niet toegestaan;
c.
het bestemmingsvlak wordt gereduceerd tot de voormalige
agrarische bedrijfswoning met bijbehorend(e) bouwwerk(en), erf, tuin en verharding tot maximaal 2.500 m². Deze krijgen de bestemming 'Wonen' terwijl de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' dezelfde bestemming krijgt als de omliggende gronden; d.
de maximaal toegestane oppervlakte aan te behouden bijgebouwen
bedraagt 250 m²; e.
er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;
36
f.
de sloop van overtollige bebouwing is duurzaam verzekerd tenzij de
bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/ of architectonische waarde bezit; g.
ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch -
veehouderij' ontbreken reële mogelijkheden om een veehouderij te hervestigen; h.
er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische
belemmeringen, of gelet op de aard en omvang van het wijzigingsplan is door middel van noodzakelijk (milieu)onderzoek aangetoond dat het plan uitvoerbaar is; i.
de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 3.7.3 Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - wonen plus’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - wonen plus’ ten behoeve van de vestiging van een kleinschalig bedrijf in de milieucategorieën 1 of 2 zoals genoemd in de Brochure bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hierbij moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:
a.
het bestemmingsvlak wordt gereduceerd tot de voormalige
agrarische bedrijfswoning met bijbehorend(e) bouwwerk(en), erf, tuin en verharding tot maximaal 2.500 m². Deze krijgen de bestemming 'Wonen' met de functieaanduiding ‘specifieke functieaanduiding - wonen plus’, terwijl de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' dezelfde bestemming krijgt als de omliggende gronden; b.
de bedrijfsactiviteit moet plaatsvinden binnen de maximaal
toegestane oppervlakte bebouwing; c.
de maximaal toegestane oppervlakte aan te behouden bijgebouwen
bedraagt 250 m2; d.
de sloop van overtollige bebouwing is duurzaam verzekerd tenzij de
bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/ of architectonische waarde bezit; e.
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen
waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; f.
parkeren, laden en lossen vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;
g.
er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in
stand gehouden;
37
h.
reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden
naamsaanduiding; i.
buitenopslag is niet toegestaan;
j.
er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische
belemmeringen, of gelet op de aard en omvang van het wijzigingsplan is door middel van noodzakelijk (milieu)onderzoek aangetoond dat het plan uitvoerbaar is; k.
de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 3.7.4 Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van een agrarisch verwant bedrijf en/of een agrarischtechnisch hulpbedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' voor het vestigen van een agrarisch verwant bedrijf en/of een agrarisch-technisch hulpbedrijf. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
a.
het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische
activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; b.
de wijziging naar een agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch
hulpbedrijf gaat gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; c.
de maximale oppervlakte van het bestemmingsvlak voor het
agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf bedraagt maximaal 1,5 hectare, waarbij wordt aangetoond dat de ontwikkeling ook op lange termijn past binnen de toegestane omvang; d.
de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch
bedrijf' krijgt dezelfde bestemming als de omliggende gronden; e.
de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt
met dien verstande dat er maximaal 600 m² bedrijfsbebouwing mag overblijven voor het agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf; f.
de sloop van de overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing
is duurzaam verzekerd; g.
de inrichting van het bestemmingsvlak bevordert een gunstige
verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag; h.
de beoogde ontwikkeling leidt niet tot twee of meer zelfstandige
bedrijven;
38
i.
de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige
kantoorvoorziening met een baliefunctie; j.
de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige
detailhandelsvoorziening; k.
er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische
belemmeringen; l.
buitenopslag en mestbewerking is niet toegestaan;
m.
de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing wordt
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 3.7.5 Wijziging van ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’ voor het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
a.
het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische
activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; b.
de locatie moet binnen een bebouwingsconcentratie liggen;
c.
de wijziging naar een niet-agrarisch bedrijf gaat gepaard met een
positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; d.
de maximale oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak ‘Bedrijf’
bedraagt 5.000 m², waarbij wordt aangetoond dat de ontwikkeling ook op lange termijn past binnen de toegestane omvang; e.
de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch
bedrijf' krijgt dezelfde bestemming als de omliggende gronden; f.
de sloop van de overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing
is duurzaam verzekerd; g.
de inrichting van het bestemmingsvlak bevordert een gunstige
verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag; h.
de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een bedrijf, behorende tot de
milieucategorie 3 of hoger; i.
de beoogde ontwikkeling leidt niet tot twee of meer zelfstandige
bedrijven; j.
de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige
kantoorvoorziening met een baliefunctie; k.
de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige
detailhandelsvoorziening;
39
l.
er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische
belemmeringen; m.
buitenopslag en mestbewerking is niet toegestaan;
n.
de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing worden
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 3.7.6 Wijziging ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van statische opslag Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’ voor het vestigen van statische opslag. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
a.
het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische
activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; b.
de maximale oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak ‘Bedrijf’
bedraagt 5.000 m², waarbij wordt aangetoond dat de ontwikkeling ook op lange termijn past binnen de toegestane omvang; c.
de rest van het voormalige bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch
bedrijf' krijgt dezelfde bestemming als de omliggende gronden; d.
de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt
met dien verstande dat er maximaal 1.000 m² bedrijfsbebouwing mag overblijven voor statische opslag; e.
de sloop van de overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing
is duurzaam verzekerd; f.
buitenopslag en mestbewerking is niet toegestaan;
g.
opslag in kassen is niet toegestaan;
h.
de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing worden
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 3.7.7 Wijziging ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfswoning’ te wijzigen naar een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
a.
er moet sprake zijn van een in werking zijnde landbouwinrichting,
waar agrarische activiteiten worden verricht en waarbij de vergunning of
40
melding aanwezig moet zijn op het moment van toekennen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning’; b.
er moet sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse
van de plattelandswoning; c.
de bouwregels van artikelen 3.2.5, 3.2.6 en 3.2.7 zijn van
overeenkomstige toepassing; d.
de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing worden
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2.
41
HOOFDSTUK ARTIKEL 4
3 ALGEMENE REGELS ANTI-DUBBELTELREGELING Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
42
ARTIKEL 5
ALGEMENE BOUWREGELS 5.1 Uitsluiting aanvullende werking Bouwverordening De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven conform het bepaalde in artikel 9, lid 2 van de Woningwet buiten toepassing behalve ten aanzien van de volgende onderwerpen:
a.
de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen;
b.
de bereikbaarheid van gebouwen voor het wegverkeer;
c.
de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;
d.
het bouwen bij ondergrondse transportleidingen;
e.
de ruimte tussen bouwwerken. 5.2 Bestaande maten en hoeveelheden
a.
Indien afstanden tot de bestemmingsgrens en bouw- en of goothoogten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer respectievelijk minder bedragen dan in gevolge het in Hoofdstuk 2 en/of Hoofdstuk 3 van deze regels bepaalde mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
b.
In het geval van (her-)bouw van gebouwen is het bepaalde onder sub a alleen van toepassing indien de (her-)bouw geschiedt op dezelfde plaats. 5.3 Ondergronds bouwen 5.3.1 Algemeen Ondergronds bouwen in de vorm van maximaal één bouwlaag (tot maximaal 3,5 m¹ onder peil) is toegestaan binnen de gevelgrenzen van de (bedrijfs-)woning en de verder binnen bouwvlakken toegestane bebouwing met uitzondering van dierenverblijven en andere gebouwen die zijn bedoeld voor het huisvesten van de veestapel. De inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud van een gebouw. 5.3.2 Afwijken van de regeling Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.1 voor het toestaan van ondergrondse bebouwing van maximaal één bouwlaag (tot maximaal 3,5 m¹ onder peil) buiten de gevelgrenzen van de bebouwing mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
43
a.
het ondergronds gebouwde wordt niet gebruikt ten behoeve van de huisvesting van de veestapel;
b.
de totale oppervlakte van ondergrondse bebouwing binnen een bouwvlak mag maximaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak bedragen met een absoluut maximum van 150 m². Deze maximale maat geldt niet voor mestputten en mestkelders binnen de bestemming ‘Agrarisch- Agrarisch bedrijf’;
c.
de afstand tot de as van de weg dient minimaal 15 m¹ te bedragen behalve als de bestaande bebouwing dichter op de as van de weg staat; dan is deze afstand bepalend.
d.
het bouwwerk dient geheel onder het maaiveld te worden gebouwd;
e.
afhankelijk van de situatie kan een landschappelijke inpassing worden geëist die voldoet aan het bepaalde in artikel 9.2;
f.
de inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud van een gebouw.
44
ARTIKEL 6
ALGEMENE GEBRUIKSREGELS 6.1 Algemeen Het is verboden de in artikel 3 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de bestemmingsomschrijving.
6.2 Voorwaardelijke verplichting waterberging Het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken conform de bestemming in artikel 3 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
binnen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ dient het hemelwater afkomstig van bebouwing en verharding op eigen terrein te worden geborgen, waarbij een bergingsvoorziening met een minimale omvang van 60 mm per m² verhard oppervlak dient te worden gerealiseerd;
b.
de voorzieningen als bedoeld onder a dienen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de bedrijfswoning uitgewerkt te zijn én dienen in stand te worden gehouden.
6.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken conform de bestemming in artikel 3 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
mits voldaan is aan de kwalitatieve bijdrage in het kader van de kwalitatieve verbetering binnen het plangebied conform de Landschapsinvesteringsregeling Gemeente Someren 2018 door middel van een storting in het BIO-fonds;
b.
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ is voorzien in de aanleg en duurzame instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in bijlage 2 dan wel een ander door het college van B&W goedgekeurd erfinrichtingsplan;
c.
in afwijking van het bepaalde onder a en b mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig artikel 3 worden gebruikt gedurende maximaal 24 maanden na het tijdstip van in werking treden van dit bestemmingsplan.
6.4 Voorwaardelijke verplichting parkeerplaatsen Het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken conform de bestemming in artikel 3 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
45
a.
binnen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ dienen drie parkeerplaatsen ten behoeve de bedrijfswoning op eigen terrein gerealiseerd te worden;
b.
de voorzieningen als bedoeld onder a dienen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de bedrijfswoning uitgewerkt te zijn én dienen in stand te worden gehouden.
46
ARTIKEL 7
ALGEMENE AANDUIDINGSREGELS 7.1 reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied’ zijn de gronden bestemd voor een menging van functies van landbouw, wonen en natuur. In tegenstelling tot de reconstructieplannen is nieuwvestiging van intensieve veehouderij niet toegestaan. Hervestiging en uitbreiding van intensieve veehouderij is wel mogelijk op die plaatsen waar de ruimtelijke kwaliteit of aanwezige functies zich daartegen niet verzetten.
47
ARTIKEL 8
ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS
8.1 Evenementen Het bevoegd gezag kan in afwijking van de gebruiksregels elders in dit plan een omgevingsvergunning verlenen voor het gebruik ten behoeve van het houden van een (al dan niet meerdaags) evenement in het buitengebied met dien verstande dat:
a.
het evenement maximaal één keer per jaar wordt georganiseerd;
b.
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omliggende (agrarische) bedrijven en woningen en rekening wordt gehouden met aanwezige milieuhygiënische aspecten, waaronder begrepen ten minste de aspecten geur, geluid en veiligheid;
c.
er geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden;
d.
onder andere zijn toegestaan tenten, paviljoens en kramen. 8.2 10%-regeling Het bevoegd gezag kan in afwijking van de bouwregels elders in dit plan een omgevingsvergunning verlenen voor een andere maatvoering dan de in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale bouwmaten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) en/of bebouwingspercentages tot maximaal 10% van die maten en/of percentages, met dien verstande dat:
a.
deze regeling niet geldt voor veehouderijen;
b.
de afwijking vanuit een goede of doelmatige functionele, stedenbouwkundige, bouwkundige of architectonische inpassing noodzakelijk is;
c.
de afwijking alleen mag worden toegepast indien elders in deze regels geen andere regels voor afwijking van deze maten zijn opgenomen;
d.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 8.3 Bouwen op kleinere afstand tot de as van de weg Het bevoegd gezag kan in afwijking van de bouwregels elders in dit plan een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen op een kleinere afstand van de weg dan is voorgeschreven met dien verstande dat:
a.
de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of perceelsinrichting is aangetoond;
b.
er geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden;
c.
de overschrijding niet mag leiden tot een vermindering van de gebruiksmogelijkheden van de gronden voor piekberging en infiltratie;
d.
de wegbeheerder wordt gehoord;
48
e.
de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd, niet minder is dan minimaal de afstand van bestaande reeds dichter bij de weg gelegen bebouwing in hetzelfde bouw- of bestemmingsvlak. Als het bouwperceel aan 2 of meer zijden direct grenst aan een weg is het mogelijk om slechts tot één weg die bestaande, kleinere afstand aan te houden. Tot de andere weg dient een afstand van niet minder dan 10 m¹ te worden aangehouden.
49
ARTIKEL 9
OVERIGE REGELS 9.1 Hydrologisch neutraal ontwikkelen a.
Alle gronden binnen het plangebied zijn mede bestemd voor het behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden.
b.
Regenwater dient op eigen terrein te worden opgevangen en verwerkt.
c.
Uitgangspunt voor ‘omgaan met afstromend hemelwater’ is de voorkeursvolgorde: hergebruik - vasthouden - bergen - afvoeren.
d.
Indien het toepassen van de in dit bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden resulteren in een toename aan verhard oppervlak met meer dan 500 m², vindt in alle gevallen een toets plaats aan de eis dat er sprake moet zijn van hydrologisch neutraal ontwikkelen conform de Keur, beleidsregels en algemene regels van het betreffende waterschap. Het bevoegd gezag wint in die gevallen advies in van het betrokken waterschap. 9.2 Waarborgen ruimtelijke kwaliteit 9.2.1 Algemeen
a.
Een ruimtelijke ontwikkeling draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving en in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
1.
alle gronden binnen het plangebied zijn mede bestemd voor landschapsopbouw in de vorm van een landschappelijke inpassing en voor het behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden;
2.
nieuwe ontwikkelingen zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot een onevenredige aantasting van natuur- en landschapswaarden, cultuurhistorische en aardkundige waarden;
3.
de landschappelijke inpassing moet in een redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van de desbetreffende ontwikkeling.
b.
Alle ontwikkelingen die op basis van de Landschapsinvesteringsregeling gemeente Someren als categorie 2 of 3 ontwikkeling zijn aan te merken, moeten vergezeld gaan van een eigen landschappelijk inpassingsplan, dat is gebaseerd op het algemene inspiratiedocument Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011.
c.
In afwijking op sub b zijn ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone vestigingsgebied glastuinbouw’ geen ontwerprichtlijnen opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011 en worden de volgende richtlijnen gehanteerd:
1.
de landschappelijke inpassing dient te bestaan uit inheemse, gebiedseigen soorten met een afschermende werking die lichtvervuiling voor de omgeving en schaduwwerking voor de kassen voorkomt;
50
9.2.2 Principe zorgvuldig ruimtegebruik Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, als bedoeld in artikel 9.2.1a, houdt in ieder geval in dat: a.
in geval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat eerst gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing;
b.
uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden;
c.
uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag dient aansluitend aan de bestaande bebouwing plaats te vinden in het kader van concentratie van bebouwing en zuinig ruimtegebruik. 9.3 Waarborgen belangen van derden en andere waarden Het toepassen van de in dit bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden is slechts toegestaan, indien is aangetoond dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van andere waarden en van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven. 9.4 Parkeren, laden en lossen 9.4.1 Algemeen Ten behoeve van het gebruik in relatie tot de omvang van het gebruik, dient er te worden voorzien, en ook tevens in stand gehouden, in voldoende parkeergelegenheid, alsook ruimte en het in stand houden daarvan van ruimte voor het laden en lossen van goederen, met dien verstande dat:
a.
Dit alleen van toepassing is wanneer sprake is van nieuwbouw, herbouw, uitbreiding of functiewijziging;
b.
Voor het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen de parkeerkencijfers van het CROW worden gebruikt;
c.
Voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor het laden en lossen van goederen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd, welke zich op of onder het gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende, onbebouwd blijvende terrein mogen bevinden. 9.4.2 Afwijken van de parkeernorm in verband met bijzondere omstandigheden Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.1 voor wat betreft de te hanteren parkeernorm indien het voldoen aan de parkeernorm door bijzondere omstandigheden op overwegende
51
bezwaren stuit, dan wel naar het oordeel van het bevoegd gezag op andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid wordt voorzien. 9.4.3 Afwijken van de parkeernorm en/of ruimte voor laden en lossen in verband met een andere wijze van oplossen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.1 voor wat betreft het realiseren van voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor het laden en lossen van goederen op eigen terrein indien op een andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. 9.4.4 Afmeting parkeerplaatsen Een ruimte voor het parkeren van een personenauto moet tenminste de afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: a.
indien de afmetingen voor een voor gehandicapten gereserveerde parkeerruimte, bij haaks parkeren ten minste 3,5 m¹ bij 5 m¹ bedraagt;
b.
indien de afmetingen voor een parkeerruimte:
1.
in het geval van langsparkeren, voor een personenauto ten minste 1,8 m¹ bij 5,5 m¹ en ten hoogste 3,25 m¹ bij 6 m¹ bedraagt;
2.
in geval van haaksparkeren, voor een personenauto ten minste 2,5 m¹ bij 5 m¹ bedraagt.
52
HOOFDSTUK ARTIKEL 10
4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS OVERGANGSRECHT 10.1 Overgangsrecht bouwwerken a.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1.
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2.
na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen geschiedt binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
b.
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
c.
Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.2 Overgangsrecht gebruik a.
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
b.
Het is verboden het met het wijzigingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
c.
Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
d.
Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
53
ARTIKEL 11
SLOTREGEL De regels worden aangehaald als: Regels van het Postzegelbestemmingsplan ‘Smulderslaan 46 Someren’.
54
BIJLAGEN BIJLAGE 1: BEELDKWALITEITSPLAN BUITENGEBIED 2011
55
BEELDKWALITEITSPLAN BUITENGEBIED 2011 GEMEENTE SOMEREN VASTGESTELD 29 JUNI 2011
INHOUD
Inleiding
4
1.
Leeswijzer
6
2.
Gebiedsindeling 2.1 Gebiedsindeling gebruik 2.2 Gebiedsindeling landschap 2.3 Streefbeeld
8 8 10 12
3.
Ontwerprichtlijnen 3.1 Inleiding 3.2 Ontwerprichtlijnen Heide- en Bosgebieden 3.3 Ontwerprichtlijnen Beekdalen 3.4 Ontwerprichtlijnen Kampenlandschap 3.5 Ontwerprichtlijnen Oudere Heideontginningen 3.6 Ontwerprichtlijnen Jonge Heideontginningen 3.7 Algemene Ontwerprichtlijnen voor Linten, Knopen en Clusters
14 14 16 18 24 30 36 42
4.
Elementen ten aanzien de landschappelijke kwaliteit 4.1 Algemeen 4.2 Bebouwingsvormen en kleurstellingen 4.3 Hekwerken 4.4 Heggen en hagen 4.5 Opslagplaatsen 4.6 Beplanting in het landschap
48 48 49 50 52 53 54
BIJLAGE: Analyse B.1 B.2 B.3 B.4 B.5 B.6 B.7 B.8 B.9 B.10 B.11
Reliëf Geomorfologie Bodem Ontginningsgeschiedenis Landschapstypen Cultuurhistorische waarden Natuur Water Landbouw Kwaliteiten Aandachtsgebieden
58 58 60 60 62 64 70 74 76 78 80 82
3
INLEIDING Dit boekje gaat over het buitengebied van Someren. Een bijzonder buitengebied met twee in het oog springende kenmerkende kwaliteiten: 1. een hoge diversiteit aan karakteristieke, vaak natuurlijk en cultuurhistorisch waardevolle landschappen; 2. en een hoge dynamiek door intensief gebruik door bewoners, bewerkers en recreanten. Deze twee kenmerken maken dat het in het buitengebied van Someren goed toeven is: prettig wonen, goed werken en aangenaam recreëren in een mooie landschappelijke omgeving. Twee kenmerken die elkaar kunnen versterken maar evengoed ook kunnen bedreigen. Met name de afgelopen decennia is de dynamiek in het landelijk gebied enorm toegenomen. Veranderende eisen aan de ruimte vanuit de landbouw, de natuur, de recreatie en in toenemende mate het wonen leggen een druk op de ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. In een aantal gebieden is daardoor de eigenzinnige karakteristiek en kwaliteit van de diverse landschappen onder druk komen staan en het contrast dat daarvoor juist zo kenmerkend is, is afgenomen.
De gemeente Someren wil met dit beeldkwaliteitsplan voor haar buitengebied deze dynamiek en de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied op een positieve wijze met elkaar verbinden zodat veranderingsprocessen in het landelijk gebied op een liefst eenvoudige en bijna natuurlijke wijze bijdragen aan een duurzame ruimtelijke kwaliteit en diversiteit. Bij het opstellen van dit beeldkwaliteitsplan is gebruikgemaakt van het reeds vastgestelde beleid, zoals LOP De Peel en de Structuurvisie. Dit beeldkwaliteitsplan is dan ook vooral een inspiratiebron voor iedereen die wat wil ontwikkelen in het buitengebied. Geen blauwdruk over hoe het moet, maar een ideeënboek over hoe het zou kunnen. Met dezelfde moeite en in het besef dat een verantwoord sociaal economisch beleid voor het buitengebied zich rekenschap moet geven van het feit dat veranderingen nu eenmaal nodig zijn en dat dit ook prima is.
Dit beeldkwaliteitsplan zegt niet ‘wat moet en zal’ of ‘wat kan en mag’. Dat wordt geregeld in het bestemmingsplan. Dit beeldkwaliteitsplan vult het bestemmingsplan aan en concurreert hier niet mee. Ook verbeeldt het ‘hoe het zou kunnen’. Rekening houdend enerzijds met het streven naar een aantrekkelijk, karakteristiek en contrastrijk landschap maar anderzijds evengoed ruimte biedend aan wat nu eenmaal nodig is voor gezonde sociaal-economische ontwikkeling in het buitengebied. Ruimte dus voor functies en activiteiten in het buitengebied om te kunnen voldoen aan de huidige eisen van de tijd. Dit beeldkwaliteitsplan zal worden gebruikt als toetsingskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied.
Dit beeldkwaliteitsplan spreekt daarom ook niet van eisen en randvoorwaarden. Die worden in het bestemmingsplan geregeld. In dit boekje zijn ontwerprichtlijnen opgenomen die bij aanvang van de ontwikkeling van een plan kunnen worden meegenomen om op een passende wijze invulling te geven van in het bestemmingsplan opgenomen randvoorwaarden ten aanzien van bijvoorbeeld een goede landschappelijke inpassing. Daarnaast is dit beeldkwaliteitsplan bedoeld als inspiratiebron voor iedereen die mede bij wil dragen aan de karakteristieke kwaliteiten van het Somerense buitengebied. Niet omdat het per se moet maar omdat je graag trots wil zijn op de kwaliteit en schoonheid van je eigen woon-, werk- en leefgebied. De gemeente Someren wil met dit beeldkwaliteitsplan graag ruimte bieden aan eigen initiatief. Dat wil zeggen dat de ontwerprichtlijnen zich vooral richten op de landschappelijke kwaliteit en niet zozeer op de gedetailleerde architectonische invulling. Deze keuze is enerzijds gebaseerd op de bestuurlijke wens om op het gebied van ‘schoonheid’ geen betuttelend en detaillistisch beleid te willen voeren en anderzijds vanuit de absolute overtuiging dat investeringen in met name een sterk en contrastrijk landschappelijk raamwerk een duurzamer kwaliteitsborging geeft dan de toevalligheid van de in de tijd voortdurend wisselende opvattingen ten aanzien van architectuur en detaillering.
4
Ligging in de omgeving Someren ligt ten zuiden van de stedelijke regio Eindhoven - Helmond. Door de snelweg A67 vindt Someren een goede verkeersaansluiting naar Limburg in het oosten en zuiden en de steden Eindhoven, ‘s-Hertogenbosch en Tilburg in het noorden en westen. Gemeente Someren en gemeente Asten zijn door hun nabije ligging en gemeenschappelijke geschiedenis nauw met elkaar verbonden en onderhouden hechte relaties op verschillende niveaus. Beide kernen liggen dan ook dicht bij elkaar en zijn alleen door het beekdal van de Aa en de Zuid-Willemsvaart van elkaar gescheiden. De Strabrechtse Heide als groot samenhangend natuurgebied ligt voor een groot deel op het grondgebied van Someren en is mede bepalend voor de landschappelijke en natuurlijke waarden van het Somerense landschap. Verder naar het oosten ligt het natuurgebied van De Peel. De zuidoosthoek van Someren ligt in de invloedsfeer van dit bijzondere natuurgebied. In de bijlage wordt in de analyse ingegaan op de kenmerken van de gemeente zoals de geomorfologische aspecten, cultuurhistorie, water, natuur, gebruik, waarden en kwetsbaarheden.
5
1. LEESWIJZER Opbouw en leeswijzer Dit beeldkwaliteitsplan voor het buitengebied van Someren is opgebouwd in 4 delen: 1. Indeling in landschappelijke eenheden, linten en clusters met een streefbeeld; 2. Ontwerprichtlijnen voor de verschillende landschappen, linten en clusters; 3. Landschapselementen; BIJLAGE: Her en erkenning van de kernkwaliteiten van het buitengebied. 1. Indeling in landschappelijke eenheden, linten en clusters en het streefbeeld blz. 08 - 12 In dit deel van het beeldkwaliteitsplan wordt het landschap ingedeeld in 6 karakteristieke deelgebieden: Heide en bosgebieden Beekdalen Kampenlandschap Oudere heideontginningen Jongere heideontginningen Linten, knopen en clusters. In een samenvattende kaart wordt het streefbeeld gepresenteerd voor het landschappelijk raamwerk voor het gehele buitengebied. Dit is geen gedetailleerde blauwdruk die als het ware ‘programmatisch’ wordt gerealiseerd, maar een perspectief voor de inrichting van het landelijk gebied die als inspiratiebron wordt gebruikt voor integrale landschapsontwikkeling op structuurniveau. Tevens vormt deze het kader voor het opstellen van de ontwerprichtlijnen ten aanzien van ontwikkelingen in de diverse deelgebieden. 2. Ontwerprichtlijnen voor ontwikkeling in de afzonderlijke deelgebieden blz.
14 - 46 In dit deel worden de ontwerprichtlijnen beschreven die initiatiefnemers in het gebied mee kunnen nemen bij de ontwikkeling van hun plannen. Enerzijds om op passende wijze te kunnen voldoen aan de in het bestemmingsplan gestelde eisen ten aanzien van landschappelijke inpassing, maar ook wanneer het niet verplicht is maar men graag invulling wil geven aan de wens om bij te dragen aan de kwaliteit van de eigen woon-, werk- en leefomgeving. De ontwerprichtlijnen bieden handvaten en ideeën voor: De structuur van het landschap De inrichting van het landschap De inrichting en inpassing van de kavel De bebouwing 3. Landschapselementen 48 - 57 In dit deel worden op beeldende wijze ideeën aangereikt voor middelen die bij kunnen dragen aan een herkenbaar en contrastrijk landschap. BIJLAGE: Her- en erkenning van de kernkwaliteiten blz. 58 - 83 Dit deel van het beeldkwaliteitsplan beschrijft de basis waarop de kernkwaliteiten van het buitengebied kunnen worden benoemd en omvat een analyse van de ontstaansgeschiedenis van de duurzame lagen van de ondergrond, het landschap en het occupatiepatroon. Het landschap is immers niet zo maar door iemand verzonnen, maar heeft zijn oorsprong in de diepere ondergrond die in hoge mate bepaalt hoe het landschap zich aan ons toont. Deze analyse leidt tot twee samenvattende kaarten ten aanzien van kwaliteiten en aandachtsgebieden.
Leeswijzer voor de initiatiefnemer. U woont of werkt in het buitengebied of bent anderszins geïnteresseerd en heeft plannen voor een ontwikkeling in het gebied. In bijgaand schema wordt u door dit beeldkwaliteitsplan geleid om uw initiatief van begin af aan op een zo kansrijk mogelijke wijze tot een plan te ontwikkelen.
6
U bent van plan om in het buitengebied een project te starten. Bijvoorbeeld om uw bedrijf uit te breiden, van functie te veranderen of een geheel nieuwe activiteit te ondernemen.
Raadpleeg in eerste instantie het bestemmingsplan buitengebied om te zien welke mogelijkheden en voorwaarden gelden ten aanzien van functie, gebruik en bebouwingsmogelijkheden voor het perceel dat u voor ogen heeft.
Het bestemmingsplan biedt ruimte maar stelt eisen aan een goede landschappelijke inpassing.
Het bestemmingsplan biedt ruimte en stelt geen nadere eisen aan een goede landschappelijke inpassing maar u wilt graag zelf met uw ontwikkeling bijdragen aan de kwaliteit van uw woon, werk en leefomgeving
In welk landschappelijk gebied ligt de kavel? Op te zoeken op de kaart Gebiedsindeling blz. 37 11
Uw kavel ligt binnen een Heide- en Bosgebied Gebiedskenmerkenvoor de omgeving Ontwerprichtlijnen
blz. 44 16
Uw kavel ligt binnen een Beekdal / Broekgebied Ontwerprichtlijnen voor landschap omgeving en en kavel kavel Ontwerprichtlijnen voor bebouwing
blz. 20 46 blz. 48 22
Uw kavel ligt binnen het Kampenlandschap Ontwerprichtlijnen voor landschap omgeving en en kavel kavel Ontwerprichtlijnen voor bebouwing
blz. 52 26 blz. 54 28
Uw kavel ligt binnen een de Oudere OudereHeidegebieden Heideontginning Ontwerprichtlijnen voor landschap omgeving en en kavel kavel Ontwerprichtlijnen voor bebouwing
blz. 32 58 blz. 60 34
Uw kavel ligt binnen de eenJonge JongeHeidegebieden Heideontginning Ontwerprichtlijnen voor landschap omgeving en en kavel kavel Ontwerprichtlijnen voor bebouwing
blz. 38 64 blz. 66 40
Kijk voor meer uitleg en inspiratie naar de veel voorkomende landschapselementen in het buitengebied blz. 74 48 Meer informatie en achtergronden over het u omringende landschap, zijn waarden en kwetsbaarheden vindt u in de analyse blz. 8 58- -33 83
Uw kavel ligt binnen een Lint,of Knoop Cluster of Cluster Algemene Ontwerprichtlijnen
blz. 68 42
7
2. GEBIEDSINDELING De wijze waarop het landschap zich aan ons toont wordt bepaald door haar verschijningsvorm maar ook door de wijze waarop het gebied wordt gebruikt. De gebiedsindeling is daarom verbeeld in drie kaarten:
1. Gebiedsindeling gebruik Toont de beleidmatig ingedeelde gebieden en geeft, samen met het bestemmingsplan, de mogelijkheden ten aanzien van functie, gebruik en bebouwing. 2. Gebiedsindeling landschap Toont het landschappelijk kader voor het gehele buitengebied en is tevens uitgangspunt voor het opstellen van de ontwerprichtlijnen ten aanzien van ontwikkelingen in de diverse deelgebieden. 3. Streefbeeld Biedt een perspectief voor de inrichting van het landelijk gebied die als inspiratiebron wordt gebruikt voor integrale landschapsontwikkeling op structuurniveau.
2.1 Gebiedsindeling gebruik De kaart gebiedsindeling gebruik laat zien op welke wijze verschillende delen van het buitengebied hoofdzakelijk worden gebruikt. Uiteraard is er sprake van vaak gemengde functies, toch is nog altijd goed afleesbaar wat de hoofdfunctie van deze gebieden is. Deze kaart heeft geen sturende functie maar geldt meer als referentiekader. De functies en het bouwen worden immers in het bestemmingsplan geregeld. De onderscheiden hoofdfuncties zijn: Agrarische functies met (glas)tuinbouw, intensieve veehouderij, grondgebonden (melk)veehouderij, landbouw, et cetera. Dorpen, dorpsranden en linten met woonfunctie, brede multifunctionele bedrijvigheid en recreatie. Recreatief gebruik in het landschap met intensieve dag- en verblijfsrecreatie maar ook extensieve dagrecreatie zoals wandelen in de natuur. Natuurgebieden met gebruiksrestricties voor andere functies en ecologische verbindingzones. Waterberging gebieden en het waterwingebied met gebruiksrestricties voor andere functies.