5b. Vaststellen van bestemmingsplan Smulderslaan 46 - Planregels
Tekst van het document
POSTZEGELBESTEMMINGSPLAN SMULDERSLAAN 46 SOMEREN PLANREGELS
1
POSTZEGELBESTEMMINGSPLAN SMULDERSLAAN 46 SOMEREN PLANREGELS Locatie:
Smulderslaan 46 5712 PN Someren
Adviseur/contact:
FarmConsult Postbus 91 7241 CW Lochem farmconsult@forfarmers.eu
Identificatienummer:
NL.IMRO.0847.BP02021010-OW01
Status:
Ontwerp
Datum:
Oktober 2021
2
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
4
ARTIKEL 1
BEGRIPPEN
4
ARTIKEL 2
WIJZE VAN METEN
19
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS
20
ARTIKEL 3
20
AGRARISCH –AGRARISCH BEDRIJF
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
42
ARTIKEL 4
ANTI-DUBBELTELREGELING
42
ARTIKEL 5
ALGEMENE BOUWREGELS
43
ARTIKEL 6
ALGEMENE GEBRUIKSREGELS
45
ARTIKEL 7
ALGEMENE AANDUIDINGSREGELS
47
ARTIKEL 8
ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS
48
ARTIKEL 9
OVERIGE REGELS
50
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS
53
ARTIKEL 10
OVERGANGSRECHT
53
ARTIKEL 11
SLOTREGEL
54
BIJLAGEN BIJLAGE 1: BEELDKWALITEITSPLAN BUITENGEBIED 2011 BIJLAGE 2: ERFINRICHTINGSPLAN SMULDERSLAAN 46
3
HOOFDSTUK ARTIKEL 1
1 INLEIDENDE REGELS BEGRIPPEN In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan ‘Smulderslaan 46 Someren’ van de gemeente Someren. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0847.BP02021010-OW01 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen. 1.3 verbeelding: de kaart, waarop de bestemmingen en aanduidingen van de gronden die in het plangebied zijn gelegen, zijn aangegeven. 1.4 aan huis verbonden beroep: het door een van de bewoners als ondergeschikte functie uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verrichten van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, met uitzondering van detailhandel of erotische dienstverlening, dat door zijn beperkte omvang en beperkte ruimtelijke uitstraling met behoud van de woonfunctie in een (bedrijfs-)woning met de daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend. 1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.7 aardkundige waarden: waarden die samenhangen met de geologische, geomorfologische en/of bodemkundige kenmerken en ontstaanswijze van een gebied, zoals bodemopbouw en -samenstelling, hoogteverschillen en de daarmee samenhangende waterhuishouding. 1.8 abiotische waarden: geheel van waarden in verband van het abiotische milieu (niet levende natuur) in de vorm van specifieke aardkundige en/of hydrologische kenmerken en eventueel op basis daarvan aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van specifieke natuurwaarden. 1.9 adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB): commissie van deskundigen die gemeenten adviseert over aanvragen in de agrarische sector in het algemeen met name wat betreft aspecten als continuïteit, noodzaak en volwaardigheid. 1.10 agrarisch: het (bedrijfsmatig) telen van gewassen en/of het houden van dieren. 1.11 agrarisch bedrijf: inrichting die tot een, krachtens artikel 1.1, derde lid, Wet milieubeheer, aangewezen categorie behoort en die gericht is op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds-)teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig agrarisch bedrijf.
4
1.12 agrarisch gebruik/doeleinden: het al dan niet bedrijfsmatig gebruik van gronden of gebouwen voor het telen van gewassen of het houden van dieren. 1.13 agrarisch loonbedrijf: een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur of op het verrichten van werkzaamheden op het gebied van grondverzet en cultuurtechniek, met uitzondering van mestbewerking. 1.14 agrarisch-technisch hulpbedrijf: bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking. 1.15 agrarisch verwant bedrijf: bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik wordt gemaakt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. 1.16 archeologisch deskundige: een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.
Deze dient in ieder geval te voldoen aan de kwalificaties van senior-archeoloog die gesteld zijn in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). 1.17 archeologisch monument: terrein dat op basis van de Erfgoedwet is aangewezen als beschermd archeologisch monument. 1.18 archeologisch onderzoek: onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingvergunning ex artikel 9.6 van de Erfgoedwet (of voor de betreffende werkzaamheden een vergunning heeft van de minister van OCW) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 1.19 archeologische waarden: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden). 1.20 architectonische waarden: de waarden, die aan een gebouw zijn toegekend vanwege de karakteristieke bouwkunst, bouwstijl of bouwvorm. 1.21 A-waterloop: oppervlaktewaterlichaam met een maatgevende aan- en/of afvoer van meer dan 30 liter per seconde. 1.22 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.23 bebouwingscluster: vlakvormige verzameling van bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied. 1.24 bebouwingsconcentratie: kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster.
1.25 bebouwingslint: min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten het bestaand stedelijk gebied.
5
1.26 bebouwingspercentage: een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage, dat het percentage van het deel van een bestemmingsvlak aangeeft dat mag worden bebouwd. 1.27 bed and breakfast: het bij wijze van nevenactiviteit verstrekken van logies en ontbijt, door het beschikbaar stellen van slaap-, ontbijt- en sanitaire ruimten, aan een steeds wisselend publiek dat voor een korte periode, namelijk één tot enkele nachten, ter plaatse verblijft. Onder bed and breakfast worden niet verstaan overnachtingen, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. 1.28 bedrijf (bedrijfsinrichting): elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. 1.29 bedrijfsgebouw: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten. Bedrijfswoningen met bijgebouwen worden niet als bedrijfsgebouw aangemerkt.
1.30 bedrijfsmatige exploitatie: complex van economische activiteiten gericht op winst door de uitoefening van een bedrijf, waarbij de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen bedrijfsactiviteiten, de vraag of er voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden, het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement en de vraag of de exploitant een hoofdfunctie elders heeft, factoren zijn die meegewogen kunnen worden. 1.31 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een bestemmingsvlak, die uitsluitend is bedoeld voor de huisvesting van het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het bestemmingsvlak, noodzakelijk is. 1.32 beeldkwaliteit: het samenstel van de beoordeling van: a. de plaats van de bebouwing in het verleden en nu; b. de maten en verhoudingen van de gebouwen in het verleden en nu; c. het ritme of patroon van de bebouwing langs de weg in het verleden en nu; d. de beplanting langs de openbare weg en op particuliere gronden; e. het materiaalgebruik voor de bebouwing en de straat; f. kenmerkende objecten zoals een molen, kerk, bos, houtwal, kunst e.d.; g. staat van verzorging, detaillering en onderhoud van gebouwen, weg- en bermonderhoud, verlichting e.d.; h. abiotische omgeving, patronen en structuren.
1.33 Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011: het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011 dat op 29 juni 2011 door de raad is vastgesteld of diens rechtsopvolger en zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels. 1.34 beperkingen veehouderij: gebied waar de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen zijn beperkt. 1.35 besluit omgevingsrecht (Bor): besluit van 25 maart 2010, houdende regels ter uitvoering van de Wabo. 1.36 bestaande bebouwing: bebouwing zoals die rechtens mag bestaan, zonder toepassing van wijzigingsbevoegdheden. Hieronder valt ook de bebouwing waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.
6
1.37 bestaand gebruik: gebruik zoals dat rechtens mag bestaan, zonder toepassing van wijzigingsbevoegdheden. Hieronder valt ook het gebruik waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is. 1.38 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.39 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.40 bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wabo. 1.41 bewoning: het verblijven in of het gebruiken van een ruimte als woonruimte inclusief nachtverblijf. 1.42 bijgebouw: een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat bouwkundig of architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.43 bodemingreep (diepte, oppervlakte): werken of werkzaamheden die een bodemverstorende werking kunnen hebben op het aanwezige archeologische bodemarchief. De diepte van een bodemingreep wordt gemeten ten opzichte van het maaiveld ter plaatse. De oppervlakte van een bodemingreep is het gebied waarbinnen bodemingrepen plaatsvinden die een verstorende werking kunnen hebben op het archeologische bodemarchief. 1.44 boerderij/boerderijgebouw een gebouw, dat bestaat uit één ongelede (hoofd)bouwmassa, waarbinnen zich de (voormalige) agrarische bedrijfswoning en de (voormalige) agrarische bedrijfsruimten bevinden, zoals een langgevelboerderij.
1.45 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.46 bouwen, ondergronds: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een bouwwerk onder het ter plaatse vastgestelde peil. 1.47 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. 1.48 bouwperceel: een aangesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningsvrije bouwwerken zijn toegestaan. 1.49 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel. 1.50 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge dit bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
7
1.51 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.52 Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij (BZV): instrument dat is ontwikkeld om een zorgvuldige veehouderij te kunnen sturen en stimuleren, waarbij uitbreidingsruimte verdiend kan worden door middel van het behalen van een vastgestelde minimale score op verschillende maatlatten. 1.53 consumptieruimte ruimte in een (ondersteunende) horecagelegenheid waar gasten/klanten hun consumpties gebruiken/nuttigen. 1.54 covergisting(installatie): (een installatie ten behoeve van) de vergisting van mest, andere organische (rest)producten en/of energiegewassen om daarmee energie (in de vorm van warmte en/of elektriciteit) en/of CO2 (ten behoeve van gebruik in de glastuinbouw) op te wekken. 1.55 cultuurhistorische waarde: waarden die samenhangen met de nalatenschap van de mens, door zijn aanwezigheid en activiteiten in het verleden, en die hij heeft achtergelaten in het huidige landschap. Hierbij gaat het om archeologisch, historisch-landschappelijk, historisch-geografisch en/of historisch-bouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing.
1.56 cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting): geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. 1.57 dagbesteding: voorziening waar aan ouderen, mensen met een handicap, mensen met psychiatrische problemen of in het kader van een re-integratietraject een zinvolle invulling van de dag wordt geboden, zonder dat daar een overnachting ter plaatse mee gepaard gaat. 1.58 dagrecreatie: het bieden van een product en/of dienst op het gebied van recreatie, educatie en/of cultuur, dat door de consument binnen één dag kan worden afgenomen en zonder dat daarmee een overnachting ter plaatse mee gepaard gaat. 1.59 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop/huur aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop/verhuur, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen/huren voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.60 detailhandel, productiegebonden: detailhandel van goederen vanuit het bedrijf dat die goederen vervaardigt, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandel een nevenactiviteit is van dat bedrijf.
1.61 detailhandel, volumineuze: detailhandel met een groot winkeloppervlak in auto's, boten, caravans, keukens, badkamers en sanitair en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen; bij rechtstreeks samenhangende artikelen kan gedacht worden aan inbouwapparatuur en tegels. Onder volumineuze detailhandel wordt tevens begrepen een tuincentrum en detailhandel in grove bouwmaterialen, alsmede woninginrichting waaronder meubels, die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling. 1.62 dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de inpandige daartoe behorende voorzieningen.
8
1.63 dierenweide: een niet voor het grote publiek geopende, kunstmatig afgeschermde weide, die is gelegen in niet-openbaar gebied, met voorzieningen waar verschillende boerderijdieren in lage aantallen worden gehouden. 1.64 differentiatievlak: een op de plankaart als zodanig aangegeven vlak, waarbinnen van de basisbestemming afwijkende functies en/ of maatvoeringen zijn toegestaan. 1.65 dove gevel een scheidingsconstructie zonder te openen delen en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 35 dB(A). Bij uitzondering mag een dove gevel te openen delen bevatten, mits die niet direct grenzen aan geluidgevoelige ruimten; 1.66 ecologische verbindingszone (evz): een als zodanig in een bestemmingsplan aangeduid langgerekt gebied waarbinnen verbindende landschapselementen zijn of worden gerealiseerd. 1.67 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.
1.68 erfbeplanting: visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie. 1.69 erfinrichtingsplan: een inrichtingstekening waarbij de inrichting van een erf wordt weergegeven en waarbij wordt aangesloten op het beeldkwaliteitsplan. 1.70 erotische dienstverlening: elke vorm van erotische dienstverlening met een bedrijfsmatig karakter zoals erotische massage, escortservice, parenclub, prostitutie, seksbioscoop, seksclub, sekstheater en dergelijke. 1.71 escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend. 1.72 evenement: een tijdelijke activiteit gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden. 1.73 extensief recreatief medegebruik: het medegebruik van gronden voor routegebonden recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport en kanovaren, alsmede route-ondersteunende voorzieningen zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.
1.74 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.75 gebruiken: gebruiken, doen of laten gebruiken.
9
1.76 gebruiksgerichte paardenhouderij een paardenhouderij waar het accent ligt op het bedrijfsmatig houden en stallen van paarden en pony’s met als nevenactiviteit het fokken en africhten ervan. Voorbeelden zijn: stalhouderijen en paardenpensions. 1.77 geluidsreducerende voorzieningen: voorzieningen die lawaai (voor een fors deel) moeten tegenhouden zodat de achterliggende voorzieningen (meestal woningen) minder geluidshinder ondervinden, zoals een geluidsscherm en geluidswal. 1.78 gietwatervoorziening: een voorziening waarmee hemelwater opgevangen wordt voor hergebruik ten behoeve van de teelt van gewassen, zoals een watersilo, waterbassin of een vijver. 1.79 glastuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf waarbij de productie, in de vorm van het telen van gewassen, in hoofdzaak in kassen plaatsvindt, en dat als niet-grondgebonden wordt aangemerkt. 1.80 groenvoorzieningen: allerlei vormen van beplanting en groen, die niet zijn aan te merken als agrarische bodemexploitatie, maar die een functie vervullen in de aankleding van het landschap. 1.81 groepsaccommodatie: een gebouw dat geheel of gedeeltelijk is ingericht voor het bedrijfsmatig verschaffen van recreatief nachtverblijf in groepsverband in permanent daarvoor ingerichte ruimten met gemeenschappelijke voorzieningen, keuken en verblijfsruimten.
1.82 grondgebonden veehouderij: veehouderij die voldoet aan één van de volgende criteria: a. de veebezetting bedraagt niet meer dan 2.75 GVE/ha, berekend over de grond die blijkens de gecombineerde opgave bij het bedrijf in gebruik is, voor zover gelegen binnen 15 kilometer van de bedrijfslocatie; b. tenminste 75% van de op het bedrijf geproduceerde mest, uitgedrukt in fosfaat, wordt aangewend op grond die blijkens de gecombineerde opgave bij het bedrijf in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 kilometer van de bedrijfslocatie. Een veehouder toont via de jaarlijkse gecombineerde opgave aan dat de veehouderij aan dit criterium voldoet; c. tenminste 95% van het ruwvoer (gras en mais), uitgedrukt in fosfaat, wordt gewonnen op grond die blijkens de gecombineerde opgave bij het bedrijf in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 kilometer van de bedrijfslocatie. Daarbij is tenminste 50% van het fosfaat in het rantsoen afkomstig uit ruwvoer (gras en mais). Een veehouder toont via een jaarlijkse rapportage uit BEX aan dat de veehouderij aan dit criterium voldoet; d. indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.
1.83 grootschalige ontwikkeling ontwikkeling waarbij, blijkens een economisch effectenonderzoek, de som van het te verwachten aantal bezoekers en overnachtingen meer dan 150.000 bedraagt. 1.84 GVE (groot vee-eenheid): eenheid waarmee de fosfaatproductie van landbouwhuisdieren wordt uitgedrukt en waarbij 1 GVE overeenkomt met de fosfaatproductie van één melkkoe. 1.85 hervestiging agrarisch bedrijf: het verplaatsen van een bestaand agrarisch bedrijf van het ene agrarische bedrijfsbestemmingsvlak naar een ander agrarisch bedrijfsbestemmingsvlak, waar de agrarische activiteiten zijn gestaakt.
10
1.86 hokdierhouderij: veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij. 1.87 hoofdgebouw: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw is aan te merken. 1.88 horeca(-bedrijf): het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse met uitzondering van discotheken. 1.89 huishouden: één of meerdere personen die gemeenschappelijk samenleven in een onderlinge persoonlijke verbondenheid en gericht op duurzaam samen zijn. 1.90 huiskavel: kavel grenzend aan het bouwperceel van een agrarisch bedrijf. 1.91 huisvesting tijdelijke werknemers: het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten, voor zover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering. 1.92 hydrologisch neutraal ontwikkelen met betrekking tot het oppervlaktewater: het in combinatie met bouwwerken, verhardingen en hoge of lage permanente teeltondersteunende voorzieningen aanbrengen/aanwezig zijn van voorzieningen ten behoeve van een afdoende piekberging voor het hemelwaterwater.
1.93 hydrologisch neutraal ontwikkelen met betrekking tot het grondwater: het in combinatie met bouwwerken, verhardingen en hoge of lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zodanig loskoppelen van (een deel van) de hemelwateropvang zodat het hemelwater in voldoende mate via infiltratievoorzieningen op eigen terrein passief in de bodem geïnfiltreerd wordt. 1.94 hydrologisch neutraal ontwikkelen, toetsingsinstrumentarium: hydrologisch neutraal bouwen maakt onderdeel uit van de keur van Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas. Hierin staat dat de aanvrager/initiatiefnemer bij de realisatie van nieuw verhard oppervlak voldoende compenserende maatregelen dient te nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem voldoende robuust blijft. 1.95 hydrologische waarden: waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie in relatie tot een of meer van de volgende omstandigheden: a. eveneens aanwezige aardkundige waarden; b. eveneens aanwezige waterafhankelijke natuurwaarden; c. eveneens aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van waterafhankelijke natuurwaarden. Daarbij behoren tevens kwantitatieve aspecten (zoals hoge waterstand, stabiel waterpeil, kwelsituatie) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild). 1.96 infiltratie: het indringen van water in de bodem.
1.97 infiltratievoorziening: een open voorziening, zonder bodemverhardingen en gelegen boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand, waarmee tijdelijk opgevangen (schoon) regenwater weg kan indringen c.q. passief kan infiltreren in de bodem. 1.98 inpassingsplan: een visueel inrichtingsplan van een perceel ten behoeve van het op verantwoorde wijze inpassen van gebouwen en andere voorzieningen bestaande uit een ontwerptekening van dat perceel met daarin opgenomen de ligging, soorten en hoeveelheden van landschappelijke elementen.
11
1.99 Interim omgevingsverordening de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, vastgesteld d.d. 25 oktober 2019, of diens rechtsopvolger. 1.100 intern salderen: de mogelijkheid om binnen een veehouderij in (een deel van) de bestaande huisvestingssystemen geen Beste Beschikbare Technieken (BBT) toe te passen, waarbij de voorwaarde wordt gesteld dat de veehouder de ammoniakreductie die hij daardoor mist, compenseert door het toepassen van verdergaande technieken dan BBT in de overige huisvestingssystemen binnen hetzelfde bestemmingsvlak. 1.101 kampeermiddel: een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander (gewezen) voertuig of gedeelte daarvan, dat geen bouwwerk is waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is, een en ander voor zo ver deze onderkomens of voertuig geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.102 kampeerterrein: een terrein of een plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf. 1.103 kamperen: het hebben van recreatief nachtverblijf in een kampeermiddel.
1.104 kas of hoge tunnel: een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak of dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander licht doorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden; schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen (met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m¹) worden daaronder ook verstaan. 1.105 kernrandzone: overgangsgebied naar het buitengebied, gelegen langs bestaand stedelijk gebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar en met een ondergeschikte of afnemende agrarische functie. 1.106 kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint, waarbij minimaal 6 kinderen worden opgevangen. 1.107 kwaliteitsverbetering: een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.
1.108 landschapswaarden: het geheel van waarden in verband met bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, cultuurhistorische, archeologische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang. 1.109 landschapselement: een streekeigen natuur- of landschapsobject dat een waardevolle landschappelijke, natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarde heeft, zoals een houtwal of een bomenlaan. 1.110 lawaaisport: een voorziening voor sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, de motorsport en de modelvliegsport.
12
1.111 maaiveld: de bovenkant van het ter plaatse aanwezige terrein. 1.112 maatschappelijke voorziening: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en/of levensbeschouwelijke voorziening. 1.113 manege: een bedrijf waarvan de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geven tot het beoefenen van de paardensport, het geven van instructie in diverse disciplines aan derden met gebruik van paarden in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en het al dan niet bieden van huisvesting en verzorging van paarden, met de daarbij behorende ondergeschikte en ondersteunende functies, voorzieningen en activiteiten. 1.114 mestbewerking: de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest. 1.115 milieucategorie: milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. 1.116 milieuhygiëne: het op een dusdanige wijze omgaan met de bestaande en gewenste waarden van de bodem, lucht (waaronder fijnstof), water, geur, ecologie en natuur, zodat een verslechtering van deze waarden wordt voorkomen.
1.117 minicamping: een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf, agrarisch verwant bedrijf, recreatiebedrijf of bij een burgerwoning. 1.118 Natuur Netwerk Brabant: een samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. 1.119 natuurwaarden: de waarden die aan een gebied zijn toegekend in verband met het voorkomen van biotische en/ of abiotische elementen die bijdragen aan de diversiteit en natuurlijkheid van een gebied. 1.120 nevenactiviteit/nevenfunctie: ondergeschikte activiteit, die gezien de relationele aard en geringe omvang, slechts een aanvulling is op de hoofdactiviteit. 1.121 niet-agrarisch bedrijf: een bedrijf, niet zijnde een agrarisch of agrarisch verwant bedrijf, dat gericht is op de productie, het bewerken en/ of het verwerken van goederen en/ of het leveren van niet-agrarische diensten.
1.122 nieuwvestiging: vestiging op een locatie die volgens het geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel of de (af)splitsing van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel; 1.123 noodwoning: een woning die in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1998’ specifiek was aangeduid als 'woning vallende onder het overgangsrecht'. 1.124 nutsvoorziening: voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie.
13
1.125 omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wabo. 1.126 omschakeling: geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm. 1.127 ondergeschikt bouwdeel: bouwdeel van beperkte afmetingen, dat buiten de gevel of het dakvlak van een bouwwerk uitsteekt en niet gericht is op vergroting van het oppervlakte, zoals dakgoten, dakoverstekken, regenafvoerpijpen, rookgasafvoeren, schoorstenen, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, luifels en balkons. 1.128 ondergeschikte functie: een activiteit van een zeer beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft. De ondergeschiktheid van de functie kenmerkt zich door een omvang van maximaal 30% van de hoofdfunctie. 1.129 onderkomens: voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.
1.130 ondersteunende detailhandel: detailhandel die ten dienste staat van de hoofdfunctie en die in ruimtelijk opzicht hieraan ondergeschikt is. Het ondersteunend karakter dient van beperkte functionele en ruimtelijke omvang te zijn zodat de hoofdfunctie qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als zodanig herkenbaar blijft. 1.131 ondersteunende functie: functie die ten dienste staat van de hoofdfunctie en die in ruimtelijk opzicht hieraan ondergeschikt is. Het ondersteunende karakter dient van beperkte functionele en ruimtelijke omvang te zijn zodat de hoofdfunctie qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als zodanig herkenbaar blijft. 1.132 ondersteunende (dag)horeca: a. ondersteunende horeca: horeca die ten dienste staat van de hoofdfunctie en die in ruimtelijk opzicht hieraan ondergeschikt is. Het ondersteunend karakter dient van beperkte functionele en ruimtelijke omvang te zijn zodat de hoofdfunctie qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als zodanig herkenbaar blijft. Daar waar ondersteunende horeca is toegestaan, zijn feesten, partijen en vergaderingen niet toegestaan. b.
ondersteunende daghoreca: in aanvulling op het hetgeen gesteld wordt onder a., geldt voor daghoreca het volgende: horeca die gericht is op het verstrekken van eenvoudige maaltijden en dranken gedurende de dagperiode van 09:00 uur tot uiterlijk 17:00 uur en daarmee een bijdrage levert aan de exploitatie van de voorziening waarvan zij onderdeel uitmaakt. 1.133 open gebied: een ruimtelijk begrensd gebied met landschappelijke waarde die wordt gekenmerkt door een landschap met een bepaalde openheid. 1.134 openbare weg: een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. 1.135 openheid: het ontbreken van bebouwing en hoogopgaande beplanting.
14
1.136 oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna. 1.137 overig agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf dat niet binnen de definitie van veehouderij, vollegrondsteeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt. 1.138 overkapping: een overdekte open ruimte, waarvan de begrenzingen worden gevormd door bestaande gebouwen of door vrijstaande ondersteuningen, en die niet wordt aangemerkt als een gebouw. 1.139 peil: a. voor bouwwerken en gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van deze toegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.140 perceel: zie bouwperceel. 1.141 piekberging (hemelwater): een gebouwde of aangelegde voorziening voor de tijdelijke opvang/buffering van overtollig hemelwater afkomstig van bebouwing en/of verhardingen. 1.142 plattelandswoning: een van oorsprong agrarische bedrijfswoning die structureel bewoond wordt door personen die geen (bedrijfstechnische) relatie hebben met het agrarisch bedrijf dat ter plaatse nog wordt uitgeoefend. 1.143 recreatie: activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q.
vrijetijdsbesteding in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie en het bedrijfsmatig verstrekken van dagen/of verblijfsrecreatie. 1.144 recreatiebedrijf: een bedrijf dat overwegend gericht is op het bedrijfsmatig verstrekken van verblijfsrecreatie in de vorm van een groepsaccommodatie, vakantiehuisjes, een kampeerterrein en/of kleinschalig kamperen, daaronder begrepen ondersteunende horeca en ondersteunende detailhandel. 1.145 referentiesituatie: de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. 1.146 routegebonden horeca: een kleinschalige horecavoorziening, niet zijnde een café of restaurant, waar vanuit de bestaande bebouwing dranken en etenswaren worden verstrekt aan passanten, zoals een theehuis. 1.147 ruimtelijke kwaliteit: kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. 1.148 ruimtelijke ontwikkeling: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is. 1.149 SNF: Stichting Normering Flexwonen. 1.150 stacaravan: een wagen (niet uitklapbaar) gebouwd, ingericht en bestemd om te kamperen, welke volgens de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet over de
15
openbare weg achter een auto mag worden voortbewogen en die bedoeld is voor gebruik op een vaste standplaats. 1.151 stalderingsgebied: gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel de regionale concentratie van vee te reguleren en verdere leegstand te voorkomen. 1.152 statische opslag: opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd nietagrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke. 1.153 structurele voorziening voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers: woningen/wooneenheden, hotels, pensions, logiesgebouwen of andere gebouwen, als zodanig bestemd en tevens geschikt en ingericht ten behoeve van tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers waarbij zelfstandige bewoning is uitgesloten. 1.154 teeltondersteunende voorzieningen: ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegronds tuinbouwbedrijf of -bedrijfstak, boom- of vaste plantenteeltbedrijf of -bedrijfstak en die gebruikt worden om de teeltomstandigheden c.q. bedrijfsvoering te optimaliseren.
Hierbij kunnen de volgende vormen/typen worden onderscheiden: a. (teelt)ondersteunende kas: een (teelt)ondersteunende voorziening in de vorm van een (permanente) kas. b. hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen, die in de regel hoger dan 1,5 m¹ en vrij makkelijk verwijderbaar zijn, maar waarbij dat niet na elk teeltseizoen plaatsvindt. Hieronder worden in ieder geval verstaan: teeltbakken in stellingen of teelttafels, eventueel met regenkappen; plastic/foliekassen, -tunnels en -regenkappen. c. hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen, in de regel hoger dan 1,5 m¹, die aanwezig zijn gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 6 maanden, weer worden verwijderd. Hieronder worden in ieder geval verstaan: menstoegankelijke wandelkappen; schaduwhallen; hagelnetten. d. lage permanente teeltondersteunende voorzieningen of containervelden: permanente teeltondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, in de regel lager dan 1,5 m¹, die op of nabij de grond worden aangebracht, voor zogenaamde containerteelt. Hierbij kan het volgende onderscheid worden gemaakt: 1.
containervelden als onomkeerbare voorziening, waarbij gebruik gemaakt wordt van een geheel verharde ondergrond veelal van nietopneembare/gesloten verhardingen, zoals beton; 2. containervelden als omkeerbare voorzieningen, waarbij gebruik gemaakt wordt van anti-worteldoek met daartussen opneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- of klinkerbestratingen. e. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen, met een bouwhoogte van maximaal 1,5 m¹, aanwezig gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 6 maanden na plaatsing, weer worden verwijderd. Hieronder worden in ieder geval verstaan: lage tunnels, van halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen; insectengaas; afdekfolies; acryldoek; vlakveldfolies; vraatnetten. f. overige teeltondersteunende voorzieningen of boomteelthekken: een permanente teeltondersteunende voorziening c.q. een bouwwerk in de vorm van een hek met afrastering, met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5 m¹, op boomteeltpercelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden.
16
1.155 trekkershut: een klein gebouw zonder eigen sanitaire voorzieningen bestemd voor verblijfsrecreatie. 1.156 tuin: een beplante, veelal afgesloten ruimte, grenzend aan een hoofdgebouw dat in verschillende vormen voorkomt, zoals siertuinen met gazon, moestuinen met groente- en fruitplanten, bloemenperken en hagen. Verhardingen zijn niet toegestaan. 1.157 tuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf waarbij in hoofdzaak gebruik wordt gemaakt van de teelt van gewassen in de open grond en/of met behulp van teeltondersteunende voorzieningen. 1.158 veehouderij: agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren. 1.159 veldschuur: een gebouw dat wordt gebruikt voor de opslag van agrarische grondstoffen, agrarische producten en/of agrarische werktuigen ten behoeve van het gebruik, beheer en onderhoud van de direct aangrenzende agrarische gronden, dat zowel planologisch, feitelijk als functioneel niet aan een naastgelegen bouwvlak te koppelen is. Binnen de veldschuur en de direct aangrenzende gronden is een bedrijfsmatige inrichting niet toegestaan. 1.160 verblijfsruimte een verblijfsruimte is een ruimte in een gebouw waarin de mensen verblijven volgens de gebruiksfunctie.
1.161 verblijfsrecreatie: een activiteit die overwegend gericht is op het bedrijfsmatig verstrekken van recreatie met een overnachting ter plaatse. 1.162 verhard oppervlak: de oppervlakte van het geheel van bouwwerken, verhardingen en hoge of lage permanente teeltondersteunende voorzieningen op de bij één bedrijf of andere functionele eenheid behorende gronden die gelegen kunnen zijn binnen meerdere bestemmingen. 1.163 volière: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestemd voor het houden van dieren. 1.164 vestiging: mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten, op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan; 1.165 uitbreiding: vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak; 1.166 volwaardig agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat de arbeidsomvang heeft van één volledige arbeidskracht, met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen, waarvan de continuïteit ook op langere termijn in voldoende mate is verzekerd zowel in bedrijfseconomisch opzicht als op milieuhygiënisch verantwoorde wijze.
1.167 vormverandering van een bouwvlak of bestemmingsvlak: vormverandering van de begrenzing van een bouwvlak of bestemmingsvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte van het bouwvlak of bestemmingsvlak. 1.168 voorgevelrooilijn: de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op een afstand van de weg die:
17
a. b.
gelijk is aan de in deze regels voorgeschreven afstand van gebouwen tot de as van de weg op het betreffende bouwperceel; gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het betreffende bouwperceel, indien die afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand.
1.169 wabo: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht welke op 1 oktober 2010 in werking is getreden. 1.170 water en waterhuishoudkundige voorzieningen: al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, etc. 1.171 wonen: het verblijven van een huishouden in een (bedrijfs-)woning, daaronder ook begrepen een plattelandswoning. 1.172 wonen plus: het door een van de bewoners aan huis uitoefenen van een bedrijfsmatige activiteit met maximaal milieucategorie 2 zoals bepaald op basis van de Brochure bedrijven en milieuzonering, niet zijnde detailhandel of erotische dienstverlening, die door zijn beperkte omvang en beperkte ruimtelijke uitstraling met behoud van de woonfunctie in een woning met de daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend. Hieronder wordt ook verstaan het uitoefenen van een bedrijf waarbij de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in hoofdzaak elders op locatie plaatsvinden terwijl aan huis de organisatorische activiteiten en activiteiten zoals opslag van materialen en stalling van voertuigen plaatsvinden.
1.173 woning/wooneenheid: één complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.174 woningsplitsing: het opdelen van een bestemde woning in twee of meer zelfstandige woningen of wooneenheden. 1.175 woonunit: een te verplaatsen/verwijderen bouwwerk bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen. 1.176 zelfstandige bewoning: bewoning met een eigen toegang waarbij de noodzakelijke voorzieningen (keuken, douche en toilet) niet gedeeld hoeven te worden met andere bewoners. 1.177 zorgboerderij: instelling waar mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking, psychiatrische cliënten en/of zorgbehoevende ouderen met een zorg- en/of hulpvraag terecht kunnen voor dagbesteding, dagopvang en/of arbeidstraining. 1.178 zorgvuldige veehouderij: een veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.
18
ARTIKEL 2
WIJZE VAN METEN Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de as van de weg: tussen de as van de weg waaraan het bouwwerk is gebouwd en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2 de afstand tot de bestemmingsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in een bestemmingsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend bouwwerk. 2.3 het bebouwingspercentage: het door bouwwerken bebouwde oppervlak, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel voor zo ver dat is gelegen binnen de bestemming of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de breedte van een bestemmingsvlak: tussen de twee zijdelingse grenzen van het bestemmingsvlak, gemeten in de bestemmingsgrens op de minimum afstand die bebouwing tot de weg in acht moet nemen. 2.6 de breedte van een bouwperceel: tussen de twee zijdelingse perceelsgrenzen, gemeten in de bebouwingsgrens of (rooi)lijn op de minimum afstand die bebouwing tot de weg in acht moet nemen. 2.7 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.8 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.9 de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden niet meegeteld bij de inhoud van een bouwwerk. 2.10 de lengte c.q. breedte van een bouwwerk: horizontaal tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren. 2.11 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.12 het peil: het peil wordt als volgt gemeten: a. voor bouwwerken en gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk grenst aan de weg: de hoogte van de weg ter plaatse van deze toegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
19
HOOFDSTUK ARTIKEL 3
2 BESTEMMINGSREGELS AGRARISCH –AGRARISCH BEDRIJF 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de bijbehorende
bedrijfsbebouwing, niet zijnde een veehouderij of een glastuinbouwbedrijf; b.
ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch -
veehouderij’ is tevens een veehouderij toegestaan; c.
ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen -
landschappelijke inpassing’ zijn de gronden bestemd voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen; d.
bedrijfswoning ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm
van agrarisch – bedrijfswoning’. Waar een bedrijfswoning is toegestaan, zijn aan huis verbonden beroepen toegestaan conform de bepalingen in artikel 3.4.2.; e.
mestbewerking ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest
afkomstig van een op dezelfde locatie gevestigde veehouderij; f.
mestopslagsilo’s;
g.
voer- en mestplaten, mest- of waterbassins van folie;
h.
permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
i.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van
water, waterberging en infiltratie; j.
verhardingen, parkeerplaatsen en parkeervoorzieningen;
k.
landschapselementen;
l.
groenvoorzieningen;
m.
tuinen en erven;
n.
erfbeplanting;
o.
verkoop van ter plaatse geproduceerde producten is als
ondergeschikte functie toegestaan met dien verstande dat de bruto vloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m²; p.
extensief recreatief medegebruik.
20
3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen
a.
Op of in de voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden
mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de in artikel 3.1 genoemde bestemming; b.
ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen -
landschappelijke inpassing’ is het oprichten van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde en het aanleggen van verhardingen niet toegestaan. Perceelsgedeelten met deze functieaanduidingen worden niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht; c.
De ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit
artikel 9.2; d.
De voorwaardelijke verplichting wat betreft waterberging wordt
gewaarborgd conform de bepalingen in artikel 6.2; e.
De oppervlakte voor bebouwing, verharding en andere voorzieningen
mag maximaal 90% van het bestemmingsvlak bedragen zodat er 10% overblijft voor de groene erfinrichting/landschappelijke inpassing. 3.2.2 Algemene bouwregels bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen: a.
de maximaal toegestane goothoogte is 4,5 m¹;
b.
de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m¹;
c.
de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn;
d.
de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹;
e.
de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m¹;
f.
een toename van de oppervlakte dierenverblijven is niet toegestaan.
3.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de agrarische doeleinden Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van agrarische doeleinden gelden de volgende bepalingen:
a.
reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden
naamsaanduiding; b.
de bouwhoogte van torensilo's is maximaal 15 m¹ met een afstand tot
de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; c.
de bouwhoogte van luchtwassers en combi-wassers is maximaal 10
m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹;
21
d.
de goot- en bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van
mestbewerking en mestverwerking ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf mag niet meer bedragen dan respectievelijk 6 m¹ en 10 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; e.
de bouwhoogte van mestsilo's mag niet meer bedragen dan 6 m¹ met
een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹ en een afstand van ten minste 20 m¹ tot de as van de weg; f.
de bouwhoogte van sleufsilo's mag niet meer bedragen dan 2,5 m¹
met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹ en een afstand van ten minste 20 m¹ tot de as van de weg; g.
de bouwhoogte van antenne- en lichtmasten mag niet meer
bedragen dan 8 m¹ met een afstand van ten minste 5 m¹ tot de bestemmingsgrens en een afstand van ten minste 20 m¹ tot de as van de weg; h.
de bouwhoogte van andere bouwwerken, met uitzondering van
erfafscheidingen, is maximaal 2,5 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; i.
de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag
maximaal 1 m¹ zijn en voor het overige maximaal 2 m¹; j.
de bouwhoogte van constructies voor het leiden van bomen mag niet
meer bedragen dan 5 m¹, met dien verstande dat constructies voor het leiden van bomen op niet minder dan 0,5 m¹ uit de perceelsgrens mogen worden gebouwd, waarbij de bomen vanaf het eigen perceel gesnoeid moeten kunnen worden en er geen sprake mag zijn van overhangende takken over de perceelsgrens. 3.2.5 Bedrijfswoningen/plattelandswoningen Ten aanzien van bedrijfswoningen en plattelandswoningen gelden de volgende bepalingen:
a.
per bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan;
b.
bij herbouw mag de bedrijfswoning of plattelandswoning uitsluitend
gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande fundering en als er sprake is van uitbreiding daar direct op aansluitend; c.
bij bouw en herbouw dient te worden aangetoond dat de
bedrijfswoning noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, door middel van een advies van de AAB, waarbij de noodzaak van (her)bouw niet het gevolg mag zijn van een eerder aanwezige maar inmiddels afgestoten bedrijfswoning; d.
de bedrijfswoning of plattelandswoning mag een inhoud hebben van
maximaal 750 m³. De inhoud van een kelder wordt niet meegeteld;
22
e.
indien de inhoud van de bestaande bedrijfswoning of
plattelandswoning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan op basis van een eerder verleende vergunning al meer bedraagt of mag bedragen, dan geldt deze inhoud, als maximaal toegestaan. Bij herbouw geldt dat de woning tot maximaal de vergunde inhoud mag worden teruggebouwd; f.
de maximaal toegestane goothoogte is 6 m¹;
g.
de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m¹;
h.
de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn;
i.
de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹;
j.
de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹.
3.2.6 Bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning/plattelandswoning Ten aanzien van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:
a.
per bedrijfswoning of plattelandswoning is een bijgebouw toegestaan
met een oppervlakte van maximaal 100 m²; b.
de maximaal toegestane goothoogte is 3 m¹;
c.
de maximaal toegestane bouwhoogte is 5,5 m¹;
d.
de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn;
e.
bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 1 m¹ achter de
voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd; f.
de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹;
g.
de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹;
h.
de maximale afstand tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning
bedraagt 20 m¹; i.
het bepaalde in sub h geldt niet indien de bestaande afstand van een
vergund of krachtens overgangsrecht toegelaten bijgebouw tot de woning al meer bedraagt, dan geldt deze afstand voor dit gebouw als maximaal toegestaan; j.
bij volledige sloop en herbouw van een bijgebouw geldt 20 m¹ als
maximale afstand tussen het bijgebouw en de woning, ongeacht de (afwijkende) situering van de te slopen bebouwing als bedoeld in sub i. 3.2.7 Bouwwerken geen gebouwen zijnde behorende bij bedrijfswoning/plattelandswoning Ten aanzien van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
a.
per bedrijfswoning of plattelandswoning mag één overkapping
worden gebouwd met de volgende maatvoering:
23
1.
oppervlakte niet meer dan 20 m²;
2.
bouwhoogte niet meer dan 3 m¹;
3.
de overkapping dient op een afstand van ten minste 1 m¹ achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd;
4.
afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹;
5.
de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹;
6.
de maximale afstand tussen de overkapping en de woning bedraagt 20 m¹;
b.
de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag
maximaal 1 m¹ zijn en voor het overige maximaal 2 m¹; c.
de bouwhoogte van constructies voor het leiden van bomen mag niet
meer bedragen dan 5 m¹, met dien verstande dat constructies voor het leiden van bomen op niet minder dan 0,5 m¹ uit de perceelsgrens mogen worden gebouwd, waarbij de bomen vanaf het eigen perceel gesnoeid moeten kunnen worden en er geen sprake mag zijn van overhangende takken over de perceelsgrens; d.
in afwijking van het bepaalde onder sub a tot en met sub c mag de
bouwhoogte van overige bouwwerken maximaal 2,5 m¹ bedragen en moet de afstand tot de bestemmingsgrens van deze bouwwerken ten minste 5 m¹ bedragen. 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afwijking voor de toename van de oppervlakte dierenverblijven bij veehouderijen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 sub f voor de uitbreiding van een veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch veehouderij’ bestaande uit de toename van de bestaande oppervlakte van de dierenverblijven, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a.
er sprake is van een zorgvuldige veehouderij die voldoet aan de
Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij en de nadere regels zoals die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld in de Interim omgevingsverordening, waarbij de maatregelen die worden getroffen vervolgens in stand worden gehouden; b.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van
belangen van omwonenden en de omgeving bij de planontwikkeling; c.
de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de
aspecten als benoemd in de Interim omgevingsverordening, inpasbaar is in de omgeving;
24
d.
mestbewerking ter plaatse alleen is toegestaan ten behoeve van de
binnen het bouwvlak geproduceerde mest; e.
is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder,
(achtergrondbelasting) in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; f.
is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de
bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³; g.
is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van
stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); h.
binnen de dierenverblijven mogen dieren - al dan niet in hokken -
alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; i.
de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt
gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 9.2. 3.3.2 Afwijkende dakhelling Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 sub c voor een afwijkende dakhelling. Een bedrijfsgebouw mag worden uitgevoerd met een plat dak indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a.
er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige
bedrijfsvoering; b.
de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving mogen niet
onevenredig worden aangetast; c.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen
van artikel 9.2. 3.3.3 Afwijkende goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 a en/of 3.2.2 b ten behoeve van een afwijkende goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat de goothoogte maximaal 10 m¹ mag bedragen en de