CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

4a. Toelichting BP Somerdaal fase 2

Commissie Ruimte 6 april 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Somerdaal fase 218.433 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De verwachte toename aan verhard oppervlak door daken bedraagt circa 2.635 m². Daarnaast vindt er een toename aan harding plaats van circa 1.800 m² ten behoeve van verkeer en parkeren en een omvang van circa 930 m² ten behoeve van verharding rondom de chalets. De totale toename aan verhard oppervlak bedraagt hiermee circa 5.365 m². De beoogde ontwikkeling heeft hiermee categorie B, een toename van het verhard oppervlak tot gevolg tussen de 500 en 10.000 m².

Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters. Deze omvang dient te worden vermenigvuldigd met de gevoeligheidsfactor voor het gebied. Er zijn drie gevoeligheidsfactoren opgenomen (1, ½ en ¼). Wanneer de vereiste compensatie berekend is, kan een voorziening ontworpen en nader uitgewerkt worden. De mate van detaillering is mede afhankelijk van de omvang van de toename van verhard oppervlak en locatie specifieke omstandigheden. Voor het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van ½. Navolgende figuur geeft een kaartbeeld van ligging van het plangebied ten opzichte van de diverse gevoeligheidsfactoren van het waterschap.

Plangebied

Figuur 18: Gevoeligheidsfactor voor de omgeving van het plangebied

Voor het plangebied dient derhalve bij een verwachte toename van het verhard oppervlak van 5.365 m² zorggedragen te worden voor (5.365 m² x 0,06 mm) x ½ = 160,95 m³ aan berging ten behoeve van regenwater.

5.2.2 5.2.2.1

Toets Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie

Binnen het plangebied is een hoge zwarte enkeerdgrond gelegen, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). De maaiveldhoogte binnen het plangebied bedraagt circa NAP + 25,1 meter. De GHG bedraagt 80-100 cm-mv aan de zuidwestzijde van het perceel tot 60-80 cm–mv aan de noordoostzijde van het perceel. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de wateratlas van de provincie Noord-Brabant betreffende de GHG, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Figuur 19: Uitsnede van de GHG uit de wateratlas provincie Noord-Brabant waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

5.2.2.2

Hydrologisch neutraal bouwen

Inleiding Binnen het plangebied worden 31 chalets toegevoegd en vindt verharding ten behoeve van parkeren en de ontsluiting plaats. Infiltratie van hemelwater van de verharding voor ontsluiting en parkeren Binnen het plangebied vindt een toename aan erfharding plaats ten behoeve van ontsluiting van het plangebied middels een toegangsweg met een omvang van circa 1.800 m². Ten behoeve van de verharding van de toegangsweg dient een waterberging met een capaciteit van ((1.800 m² x 0,06 mm) x ½ =) 54 m³ te worden gerealiseerd. Parkeren vindt daarnaast plaats op parkeerplaatsen die worden uitgevoerd met een half-verharding. Ter plaatse van deze parkeerplaatsen infiltreert het hemelwater direct ter plaatse. De bodem is hiervoor geschikt. De wadi’s die worden gerealiseerd ten behoeve van het hemelwater dat afkomstig is van de ontsluitingsweg worden gerealiseerd aan de achterzijde van het perceel, binnen de te realiseren natuur en binnen de infiltratiewadi die centraal op het perceel gelegen is. Bij inrichting van deze wadi’s is rekening gehouden met de grondwaterstand aan de achterzijde van het perceel (diepte 60-80-mv) en een aan te houden waking van 20 cm. Het perceel biedt hiervoor de ruimte. Ten behoeve van het voorkomen van wateroverlast bij extreme regenoverlast wordt een noodoverloop naar de naastgelegen watergang van het waterschap gerealiseerd.

Deze maatregelen zijn geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Infiltratie van hemelwater voor verharding voor recreatiechalets Ten behoeve van de realisatie van de chalets vindt een toename van verharding plaats met een omvang van gemiddeld 120 m² per kavel. Hiermee dient een wadi met een omvang van tenminste (120 m² x 0,5 x 0,06) 3,6 m³, per kavel te worden gerealiseerd. De zanderige grondsoort en redelijke diepe grondwaterstanden zijn hiervoor geschikt.

Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

De omvang en vormgeving van de wadi’s voor zowel de recreatiechalets als de ontsluitingsweg sluit aan bij de vormgeving hiervan in fase 1. Dit is toen besproken met het waterschap. 5.2.2.3

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 5.2.2.4

Afvalwater

Het afvalwater afkomstig van het plangebied afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel, dat aanwezig is aan de Heikantstraat. Indien het rioolstelsel wordt hiervoor dient te worden aangepast, worden deze kosten verhaald op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt eveneens zorg voor de aansluitingskosten.

5.3

Cultuurhistorie

5.3.1

Beleidskader

Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historisch- bouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing.

5.3.2

Toets

Het plangebied is niet gelegen binnen een cultuurhistorisch waardevol vlak of -gebied. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen bebouwing gesloopt. Tevens worden er geen cultuurhistorische landschappen of kenmerken verstoord. De beoogde herontwikkeling van het plangebied heeft dan ook geen gevolgen voor de cultuurhistorie.

5.4

Archeologie

5.4.1

Beleidskader

5.4.1.1

Inleiding

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven.

Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

5.4.1.2

Gemeentelijk archeologiebeleid

De gemeente Someren heeft een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur en dergelijke, en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Hierna is een uitsnede van de beleidskaart weergegeven waarop het plangebied is aangeduid.

Figuur 20: Uitsnede Archeologiekaart gemeente Someren waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Het plangebied is op de Archeologiekaart van Someren gedeeltelijk aangeduid als een locatie in een categorie 4 gebied. Dit is een categorie die een hoge archeologische waarde kent. De vrijstellingsdrempel bij deze categorie is een bodemingreep met een oppervlakte van 250 m² en/of een diepte van 0,4 m.

5.4.2 5.4.2.1

Toets Archeologische onderzoek

Ten behoeve van de beoogde herbestemming is door Archeopro een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd bestaande uit een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), bureauonderzoek, oppervlaktekartering en verkennend booronderzoek. Het onderzoeksrapport met datum 21 mei 2021 en rapportnummer 20-095 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek zijn hierna samengevat opgenomen. “het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied in verband met de ligging buiten een echte gradiëntzone, hooguit een middelhoge verwachting en voor resten uit het paleolithicum tot en met het mesolithicum. Resten uit het neolithicum tot en met de vroege-middeleeuwen zullen eerder hebben gelegen op aaneengesloten hogere zandgronden dan op de geïsoleerde dekzandrug waarop het plangebied ligt. Wel ligt het plangebied van oudsher al aan de Maarheezerweg die al in de prehistorie een verbindingsroute zal hebben gevormd. Voor resten uit het neolithicum tot en met de vroege-middeleeuwen geldt derhalve een middelhoge- tot hoge verwachting.

Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Door de ligging buiten de historische bebouwing van Vaarsel, heeft het plangebied een lage verwachting voor resten van bewoning uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied 25 boringen gezet met behulp van een zandguts. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat het grootste deel van het plangebied in het verleden deel bedekt is geweest met veen. Met name op het oostelijke, binnen de uitloper van een dalvormige laagte gelegen deel van het plangebied is dit veen deels nog bewaard gebleven. Op de meeste overige delen van het plangebied is een dikke ontginningsbodem ontstaan door de vermenging van zand met veen. De aanwezigheid van het hierdoor ontstane moerige zandpakket maskeert de oorspronkelijke hoogteverschillen. Hiertoe heeft ook het afvlakken van het oorspronkelijk op het centrale deel van het plangebied gelegen dekzandkop bijgedragen. Deze dekzandkop vormde de noordelijke voortzetting van de dekzandkop die ten zuiden van het plangebied nog altijd aanwezig is.

-Kunnen binnen het plangebied (nog) archeologische resten verwacht worden? Doordat alleen dit deel van het plangebied in het verleden droog genoeg was voor bewoning kunnen resten van bewoning hooguit verwacht worden op het centrale deel van het plangebied dat oorspronkelijk de voortzetting vormde van de ten zuiden van het plangebied gelegen dekzandkop. -Zo ja, in welke zones en op welke diepten is dit het geval? De in het verleden voor bewoning geschikte zone ligt rond de boorpunten 7, 18 en 19. Hier kunnen behoudenswaardige resten van grondsporen aanwezig zijn vanaf ongeveer dertig centimeter beneden het maaiveld. De ligging van deze boorpunten in relatie tot de voorgenomen inrichtingswerkzaamheden is weergegeven in figuur 24 van het rapport. -Wat zijn de verwachte prospectieve kenmerken van dergelijke archeologische resten? Door het aftoppen van de dekzandkop waarop eventueel archeologische resten aanwezig zijn, kunnen eventueel losse artefacten al vanaf het maaiveld aanwezig zijn. Opgevulde sporen zullen zichtbaar zijn onder de geroerde toplagen op ongeveer dertig centimeter beneden het maaiveld. Grondsporen kunnen door de aftopping van de dekzandkop volledig verloren zijn gegaan.

-Welke vorm van veldonderzoek is geschikt om de verwachte resten op te sporen? De uitvoering van een oppervlaktekartering nadat de graszoden van het oppervlak zijn verwijderd kan artefacten opleveren die mogelijk wijzen op de aanwezigheid van archeologische sporen in de ondergrond. Op het westelijke en het oostelijke deel van het plangebied lijken geen voor bewoning geschikte omstandigheden te hebben geheerst en geven de resultaten van het onderzoek derhalve geen aanleiding tot het adviseren van nader onderzoek. Op het centrale deel zal het afvlakken van de hier gelegen dekzandkop tot ernstige aantasting van eventueel aanwezige archeologische sporen hebben geleid. Niettemin kan vooralsnog niet worden uitgesloten dat hier (rond de boorpunten 7, 18 en 19), nog diepere delen van archeologische sporen bewaard gebleven zijn. De uitvoering van de voorgenomen inrichtingswerkzaamheden leidt slechts tot roering van gronden voor realisering van de infrastructuur. Per kavel wordt in het totaal 30 meter sleuf ge-

Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

graven met een diepte van 1,6 meter en een breedte van 0,6 meter. Hierdoor wordt van elke, 375 vierkante meter grote kavel, 18 vierkante meter vergraven. Dit komt overeen met iets minder dan vijf procent van de bodem. De voorgenomen bodemingrepen lijken derhalve onvoldoende om een proefsleuvenonderzoek te rechtvaardigen. Zonder nader onderzoek dient de archeologische dubbelbestemming voor het deel van het plangebied rond de boorpunten 7, 18 en 19, echter gehandhaafd te blijven. Het is aan het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Someren, om te beoordelen of zij hiermee akkoord gaat. “ 5.4.2.2

Conclusies

De in het verleden geschikte zone voor bewoning ligt rond de boorpunten 7, 18 en 19. In deze zone kunnen behoudenswaardige resten van grondsporen aanwezig zijn vanaf ongeveer dertig centimeter beneden maaiveld. Navolgende figuur geeft een beeld van deze punten.

Figuur 21: kaart met boorpunten uit het archeologisch onderzoek

De uitvoering van de voorgenomen inrichtingswerkzaamheden binnen het plangebied leidt slechts tot roering van gronden voor realisering van de infrastructuur. Per kavel wordt in het totaal 30 meter sleuf gegraven met een diepte van 1,6 meter en een breedte van 0,6 meter. Hierdoor wordt van elke, 375 vierkante meter grote kavel, maximaal 18 vierkante meter vergraven. Dit komt overeen met iets minder dan vijf procent van de bodem. Ter plaatse van de boorpunten 7, 18 en 19 blijft de dubbelbestemming voor archeologische verwachtingswaarden behouden. Niet aannemelijk is dat de drempelwaarden voor bodemroering wordt overschreden. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11.

5.5

Natuur

5.5.1

Beleidskader

5.5.1.1

Inleiding

Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefge-

Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

bieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. 5.5.1.2

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000 gebieden. Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming dienen plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied.

Plangebied

Figuur 22: Natura2000 gebied 'Strabrechtse Heiden & Beuven' ten opzichte van de ligging van het plangebied

5.5.1.3

Soortenbescherming

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.

5.5.2 5.5.2.1

Toets Gebiedsbescherming

Het meest dichtstbij gelegen Natura 2000 gebied betreft het natuurgebied ‘Strabrechtse Heide en Beuven’. Dit Natura 2000 gebied is gelegen op een afstand van circa 1.000 meter ten noordoosten

Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

van het plangebied. De Strabrechtse Heide bestaat grotendeels uit glooiend dekzandlandschap, met daarnaast een deel stuifzandlandschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van droge stukken met heide (deels op voormalig stuifzand), kleine stuifzanden en laagtes met natte heide en vennen. In het oosten van het gebied ligt het Beuven, het grootste ven van Nederland. De omringende bossen van het gebied bestaan vooral uit grove dennen. Aan de noordwestkant van het gebied ligt het beekdal van de Kleine Dommel, met alluviale bossen, wilgenstruweel, moerasruigten en vochtige schraallanden. Het gebied Strabrechtse Heide & Beuven is primair als Habitatrichtlijngebied begrensd vanwege de aanwezigheid van de navolgende habitattypen: 

2310: Psammofiele heide met Struikhei (Calluna) en Stekelbrem (Genista);

3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Noord-Atlantische zandvlakten met oeverkruidvegetatie (Littorelletalia uniflorae);

3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Oeverkruid-orde (Littorelletalia uniflorae) en/of Dwergbiezen-klasse (Isoëto-Nanojuncetea).

Daarnaast is het gebied aangemeld voor de volgende habitattypen en -soorten: 

2330: Open grasland met Buntgras en Struisgrassoorten (Corynephorusen Agrostis-soorten) op landduinen;

4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei (Erica tetralix);

91E0: Alluviale bossen met Zwarte els (Alnus

glutinosa) en Es (Fraxinus

excelsior) (Alno-

Padion, Alnion incanae, Salicion albae); 

1831: Drijvende waterweegbree.

Vanuit de Vogelrichtlijn is het gebied Strabrechtse Heide & Beuven voor drie soorten nietbroedvogels aangewezen als beschermd gebied, te weten:  A021: Roerdomp; 

A022: Woudaap;

A127: Kraanvogel.

Ten behoeve van het bestemmingsplan ‘Recreatieve Zone De Heihorsten’, gelegen tussen het Natura 2000 gebied Strabrechtse Heide en het plangebied zijn de effecten van de relatief grootschalige ontwikkeling binnen Recreatieve Zone De Heihorsten ten opzichte van het Natura 2000 gebied in beeld gebracht. De conclusie van deze inschatting is hierna opgenomen: “Er is een inschatting gemaakt van de effecten die naar verwachting zullen optreden op de in concept geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen en gebiedsbegrenzing. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van de effecttypen oppervlakteverlies, verontreiniging, optische verstoringen, geluids-en lichtverstoring of mechanische effecten geen effecten optreden op de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven. Het optreden van significant negatieve effecten kan dan ook op voorhand worden uitgesloten.

Voor de effecttypen 'vermesting' en 'verzuring' veroorzaakt door de uitstoot van geoxideerd stikstof vanuit bestemmingsverkeer en de daarmee samenhangende negatieve effecten op de gevoelige habitattypen van het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven, geldt dat significant negatieve effecten evenals negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.” Het plangebied is met een afstand van tenminste 1.000 meter verder van het Natura 2000 gebied gelegen dan de omschreven ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan Recreatieve Zone De Heihorsten Bovendien zijn de beoogde ontwikkeling vele malen kleinschaliger. De chalets die het dichtst

Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

bij het gebied Strabrechtse Heide zijn gelegen, liggen op een afstand van circa 1.000 meter tot dit Natura 2000 gebied. De verkeersbewegingen binnen het plangebied zijn intensiever aan de voorzijde van het plangebied, waar de ontsluiting van de locatie plaatsvindt. Deze ontsluiting is gelegen op een afstand van circa 1.260 meter tot het Natura-2000 gebied Strabrechtse Heide. 5.5.2.2

Stikstofdepositie

Door M&A Omgeving BV is de bepaling van de stikstofdepositie bepaald ten opzichte van Natura 2000 gebied om te bepalen of de ontwikkeling leidt tot een effect op het Natura 2000 gebied. Dit rapport met datum 25 februari 2022 en rapportnummer 222-SHe2-sd-v1 behoort als bijlage bij deze toelichting. Uit de resultaten blijkt dat de toename van stikstofdepositie op de natuurgebieden 0,00 mol per hectare per jaar bedraagt. Met de beoogde ontwikkeling vindt geen significant negatief effect op het Natura 2000 gebied plaats. 5.5.2.3 Soortenbescherming Het plangebied wordt in de huidige situatie beheerd als grasland. Het grasland wordt met regelmaat kort gemaaid ten behoeve van de verkoop van graszoden. Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 14 juli 2020 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. “Soorten Habitatrichtlijn Wnb §3.2 De enige soort die onder strikte beschermingsregiem van de Habitatrichtlijn (Wnb §3.2) vallen en met enige waarschijnlijkheid nabij het plangebied verwacht kunnen worden zijn vleermuizen en in het bijzonder de gewone dwergvleermuis. Binnen het plangebied en de directe invloedsfeer daarvan ontbreken geschikt verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen en andere soorten waarvoor een strikte bescherming geldt.

Negatieve effecten op verblijfplekken en functioneel leefgebied voor soorten waarvoor een strikt beschermingsregime geldt kunnen uitgesloten worden. Soorten nationaal beschermd (geen vrijstelling) Wnb §3.3 Negatieve effecten van jaarrond beschermde verblijfplekken van soorten die beschermd zijn middels Wbn § 3.3, het middelzware beschermingsregime van ‘andere soorten’, kunnen binnen het plangebied en invloedsfeer daarvan uitgesloten worden. Jaarrond beschermde verblijfplekken van zoogdieren en vogels Wnb § 3.1, §3.2 en §3.3 Binnen het plangebied en de invloedssfeer daarvan kunnen verblijfplaatsen die als jaarrond beschermde vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren kunnen worden aangemerkt en beschermd zijn middels Wnb § 3.1, §3.2 en §3.3 uitgesloten worden. Als gevolg van de ontwikkeling worden ook geen negatieve effecten verwacht op elementen die van essentieel belang kunnen zijn voor de instandhouding van het functioneel leefgebied van soorten waarvoor een strikte bescherming geldt. Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot aantasting van flora en fauna waarden en dat nader vervolgonderzoek of een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk is. De algemene zorgplicht is van toepassing.

Bij uitvoering van ingrepen dient het broedseizoen in acht genomen te worden indien niet voldoende gegarandeerd kan worden dat nesten van broedende vogels niet beschadigd of vernietigd kunnen worden. Als aanbeveling geldt, om bij wijze van voorzorgs-

Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

maatregel elke schade aan broedgevallen uit te sluiten, ingrepen geheel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Als broedseizoen wordt de periode half maart-half juli aangemerkt. Ook als na die periode nog broedende vogels of nestjongen worden waargenomen dan geldt dat het broedseizoen nog niet is afgelopen is. Als men binnen het broedseizoen wil werken geldt de aanbeveling om de locatie voorafgaande het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedende vogels en vervolgens voorafgaande de werkzaamheden het plangebied te controleren op broedende vogels. Hierbij bestaat het risico dat de werkzaamheden uitgesteld dienen te worden als een broedgeval geconstateerd wordt. Voor aanwezigheid onbeschermde en vrijgestelde zoogdieren en amfibieën dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Dat wil zeggen dat men verstoring, verwonding en doden van deze diersoorten zoveel mogelijk tracht te voorkomen. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd. Als aanbeveling geldt het inbouwen van verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen en huismussen in nieuwbouw.

Hiervoor zijn inbouwkasten in alle maten en van verschillend soorten materialen in de handel. Ook kan rekening gehouden worden met het beperken van lichthinder. Enkele veel gebruikte methoden hiervoor zijn: niet uitstralende armaturen, lagere armaturen, verlichting met een lagere lichtintensiteit, tijdelijke verlichting en alleen op plekken waar het echt nodig is, het gebruik van sensoren die in werking treden als verlichting nodig is of de verlichting afschermen met struiken zodat het licht niet verstrooid wordt naar plekken waar het niet nodig is. Verder wordt aanbevolen om natuur inclusief te bouwen. Natuur inclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van neststenen of vogelvides voor huismussen en vleermuiskasten in de gevel van de nieuwe woning. natuur inclusief bouwen bevorderd de biodiversiteit en ons leefklimaat. Binnen het plangebied is sprake van prefab-bouw, waarbij de chalets op het terrein worden geplaatst.

5.6

Geluid

5.6.1

Beleidskader

5.6.1.1

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. 4.7.1.2

Industrielawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.

Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

5.6.2 5.6.2.1

Toets Wegverkeerslawaai

De Provinciale weg is gelegen op een afstand van meer dan 250 meter tot het plangebied. Deze weg heeft twee rijbanen en is gelegen buiten de bebouwde kom. Daarom hoeft deze weg niet bij de beoordeling te worden meengenomen. Het plangebied wordt ontsloten aan de Heikantstraat. De voertuigintensiteit over de Heikantstraat bedraagt minder dan 500 voertuigen. Deze weg is daarom niet relevant. Er is geen sprake van de realisatie van een gevoelig object in het kader van wegverkeerslawaai. 5.6.2.2

Industrielawaai

Er is geen sprake van vestiging van een activiteit waar sprake is van industrielawaai. Er is geen sprake van vestiging van een ‘grote lawaaimaker’.

5.7

Geur

5.7.1

Beleidskader

5.7.1.1

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. Dit geldt voor alle veehouderijen waar niet meer dieren worden gehouden dan: 1.200 vleesrunderen, 2.000 schapen of geiten, 3.750 gespeende biggen, 200 stuks melkrundvee (exclusief vrouwelijk jongvee), 340 stuks vrouwelijk jongvee (inclusief overig melkvee), 100 paarden, 50 overige landbouwhuisdieren, 750 zeugen, 2.000 vleesvarkens, 40.000 stuks pluimvee. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. 5.7.1.2 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom.

Het is middels een verordening mogelijk maatwerk per gebied, waarmee oplossingen worden gezocht voor de spanning tussen het voortbestaan/de ontwikkeling van veehouderijen en de ontwikkeling van dorpskernen of recreatie. De gemeente kan zo een balans vinden tussen de gewenste ruimte voor de veehouderijen enerzijds en de bescherming van gevoelige objecten anderzijds. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden), dienen op grond van de wet vaste afstanden aangehou-

Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

den te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gelegen is, minimaal 50 meter te bedragen en indien het binnen de bebouwde kom is gelegen minimaal 100 meter. 5.7.1.3 Verordening Geurhinder en veehouderij 2010 De gemeente Someren heeft in het kader van dit maatwerk een geurverordening opgesteld. De Verordening Geurhinder en Veehouderij 2010 stelt een norm van 14 oue/m³ als maximale voorgrondbelasting voor het buitengebied en hiermee voor het plangebied. Er zijn geen andere afstanden opgenomen die als vaste afstand dienen te worden gehanteerd bij dieren waarvoor geen emissiefactor geldt. 5.7.1.4

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. 5.7.1.5

Achtergrondbelasting

Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn.

5.7.2

Toets

5.7.2.1 Voorgrondbelasting In de omgeving van het plangebied is één agrarisch bedrijf gelegen. Dit betreft het rundveebedrijf aan Heikantstraat 3, gelegen op een afstand van circa 215 meter tot het plangebied. Navolgende figuur geeft een beeld van de te houden dieren en aantallen op de veehouderijlocatie aan Heikantstraat 3.

Figuur 23: Vergunning voor het houden van dieren op de locatie Heikantstraat 3

Voor de aan te houden diersoorten geldt een aan te houden vaste afstand van 100 meter van het veehouderijbedrijf tot het plangebied. Met een afstand van 215 meter tot het plangebied is de veehouderij gelegen buiten de aan te houden vaste afstand van 100 meter. 5.7.2.2

Achtergrondbelasting

Als bijlage bij de geurverordening van de gemeente Someren is een kaart opgenomen waarop de indicatieve achtergrondbelasting binnen de gemeente Someren is weergegeven. Navolgende figuur is een uitsnede van deze kaart waarop de ligging van het plangebied op deze kaart is aangeduid.

Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Plangebied

Figuur 24: Achtergrondbelasting voor de omgeving van het plangebied, kaart ‘Achtergrondbelasting geur 2018 (correctie luchtwassers)’ van de gemeente Someren

Binnen het plangebied is volgens de gemeentelijke geurverordening sprake van een achtergrondbelasting van 3-7 oue/m³. Hiermee is er binnen het plangebied sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. De herbestemming van het plangebied is in het kader van de achtergrondbelasting dan ook geen bezwaar. 5.7.2.3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De toevoeging van de beoogde recreatiechalets mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. In de omgeving van het plangebied is slechts één veehouderij gelegen. Deze veehouderij is gelegen op een afstand van 215 meter tot het plangebied. Hiermee is het plangebied ruim buiten de aan te houden vaste afstand van 100 meter tot de veehouderij gelegen. De veehouderij wordt al belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door burgerwoningen die dichter bij deze bedrijven gelegen zijn dan de recreatiechalets. De herbestemming van het plangebied belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven dus niet.

5.8

Gezondheid

5.8.1

Beleidskader

5.8.1.1

Endotoxinen

Inleiding De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksge-

Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

zondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Gemeentelijk beleidskader endotoxinen De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van aanwezige endotoxine contouren. Op deze kaart zijn endotoxinen contouren binnen de gemeente aangeduid. 5.8.1.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot 2 kilometer is er sprake van een vergroot risico. 5.8.1.3

Spuiten

ln het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.

5.8.2 5.8.2.1

Toets Endotoxinen

Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid. Het plangebied ligt niet binnen de aangeduide endotoxinencontouren.

Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Plangebied

Figuur 25: Endotoxinecontouren in de omgeving van het plangebied

5.8.2.2

Geitenhouderijen

Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van twee kilometer tot een geitenbedrijf. Hiermee is er geen vergroot gezondheidsrisico ten aanzien van endotoxinencontouren. 5.8.2.3

Spuiten

In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van teelt van gewassen waarop gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden toegepast. Dit aspect is niet aan de orde bij deze herbestemming.

5.9

Bedrijven en milieuzonering

5.9.1

Beleidskader

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. De (indicatieve) lijst Bedrijven en Milieuzonering geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied, gelegen binnen recreatiegebied ‘De Heihorsten’, kan getypeerd worden als gelegen binnen een ‘gemengd gebied’. Het kan in een gemengd gebied gaan om bestaande gebieden met functiemenging of gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt onder een gemengd gebied verstaan. De richtafstanden in

Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

de VNG-publicatie kunnen in gemengd gebied, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

5.9.2 5.9.2.1

Toets Bedrijven in de omgeving van het plangebied

Binnen het plangebied vindt uitbreiding van een recreatiepark plaats. Direct aansluitend aan het plangebied is aan de westzijde eveneens een recreatiegebied met vakantiewoningen gelegen. De activiteit ‘verblijfrecreatie’ is zowel milieubelastend als milieugevoelig. Binnen een afstand van 15 meter tot het plangebied zullen slechts andere vakantiewoningen gelegen zijn. De ligging van de chalets binnen het plangebied past bij deze functie en sluit hierbij aan. Deze ontwikkelingen zorgen niet tot een milieubelasting ten opzichte van elkaar. De belangen van activiteiten in de omgeving worden niet geschaad met deze herbestemming. 5.9.2.2

Bedrijf binnen het plangebied

Binnen het plangebied wordt een recreatiepark (zonder voorzieningen) uitgebreid. Op grond van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ is er alleen ten aanzien van kampeerterreinen en vakantiecentra met keuken sprake van een categorie 3.1 inrichting. De grootste hinder bij deze activiteiten wordt daarbij veroorzaakt door continu geluid, waardoor de grootste afstand binnen een gemengd gebied 30 meter bedraagt. Binnen het plangebied is geen sprake van een terrein met een eigen keuken of andere voorzieningen, dus kan worden gesteld dat er geen continu geluid wordt veroorzaakt. Er is dan ook geen sprake van een categorie 3.1-inrichting, maar ten hoogste van een categorie 2-inrichting. De activiteit is niet milieubelastend en te vergelijken met wonen. De aan te houden richtlijnafstand bedraagt hiermee binnen een gemengd gebied 10 meter. Binnen een afstand van 10 meter zijn geen andere woningen of andere vakantiewoningen gelegen. Er is binnen het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig.

5.10

Externe veiligheid

5.10.1 Beleidskader 5.10.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: 

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;

Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);

Structuurvisie buisleidingen;

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 5.10.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.

Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;

2.

Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.

5.10.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Dit is opgenomen in navolgende tabel. Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan

(Bevb)

met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Weg, spoorweg of Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan binnenwater (Bevt) met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Tabel 1: Tabel met verantwoordingsplicht groepsrisico's

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 5.10.1.4 Overige wet- en regelgeving Ook wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

5.10.2 Toets 5.10.2.1 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen waarvoor een risico-contour geldt in het kader van de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Plangebied

Figuur 26: Uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied

5.10.2.2 Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. In de omgeving van het plangebied kunnen gevaarlijke stoffen vervoerd worden over de provinciale weg (de N609). Dit betreft het vervoer van brandbare en toxische gassen (GF3) en vloeistoffen (LF1 en LF2). Onderzocht dient te worden wat het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is voor wat betreft externe veiligheid. Dit betreft het volgende: 

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats (langs een inrichting, een transportroute of een buisleiding) verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen.

Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de inrichting, transportroute of buisleiding, in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

De Provinciale weg (N609) heeft geen PR 10-6 contour. Het aantal transporten van gevaarlijke stoffen is dermate laag dat deze weg geen invloed heeft voor het aspect externe veiligheid. 5.10.2.3 Transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Hogedruk aardgasleidingen A-585 en A-521 Op een afstand van circa 200 meter ten oosten van het plangebied is een buisleiding gelegen. Dit betreft buisleidingen van N.V. Nederlandse Gasunie. Dit betreft hoge druk aardgastransportleidingen met een ontwerpdruk van 66,2 bar. De 100% lethaliteitsafstand ligt op circa 190 meter van de aardgasleidingen. Het plangebied is buiten deze afstand gelegen. Het groepsrisico hoeft niet te worden berekend. Aangesloten kan worden bij het standaardadvies ruimtelijke ontwikkelingen van de veiligheidsregio. 5.10.2.4 Vervoer van gevaarlijke stoffen via andere kanalen Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Daarbij is er in de wijde omgeving van het plangebied geen waterweg aanwezig. Deze aspecten zijn niet van toepassing. Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Aan de zuidoostzijde van de gemeente Someren, parallel aan de gemeentegrens met Asten, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een dermate grote afstand dat er geen risico voor de beoogde herontwikkeling aanwezig is.

5.10.2.5 Advies Veiligheidsregio Brabant zuidoost In de nabijheid van het plangebied zijn twee risicovolle bronnen gelegen die impact kunnen hebben op het plangebied wanneer een incident zich voordoet. Dit betreft de Provinciale weg (N609) en de hogedrukaardgasleidingen (A-585 en A-521). Ten behoeve van de vestiging van het recreatiepark is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Niet uitgesloten is dat verminderd zelfredzame personen binnen het recreatiepark zullen verblijven. Het verblijf in de chalets is echter in gezins- of familieverband. De chalets zijn geschikt voor verblijf van vier tot zes personen met chalet, waarmee aannemelijk is dat er binnen zo’n verband sprake is van hulp aan elkaar bij een calamiteit. Er is geen sprake van verblijf van groepen verminderd kwetsbare personen binnen het park. Voor de verantwoording wordt aangesloten bij het standaardadvies ruimtelijke ontwikkelingen van de veiligheidsregio. Deze verantwoording is hierna opgenomen. Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties.

Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Op grond van de ‘beleidsregels Bereikbaarheid’ en het advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost dient is het plangebied een bluswaterwatervoorziening gerealiseerd worden. Deze voorziening levert binnen 15 minuten zestig kuub water. De bluswatervoorziening is conform advies aangelegd en wordt duurzaam in stand gehouden.

5.11

Luchtkwaliteit

5.11.1 Beleidskader 5.11.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. 5.11.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 5.11.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd.

Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

5.11.1.4 Besluit gevoelige bestemmingen Sinds 2009 beperkt het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn

Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Deze zone betreft een breedte van 300 meter breed bij Rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen, aan weerszijde van deze wegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.

5.11.2 Toets 5.11.2.1 Uitstoot schadelijke stoffen Met dit plan worden 31 recreatiechalets toegevoegd. Dit plan valt onder het begrip ‘niet in betekenende mate’, waardoor de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een substantiële verkeersaantrekkende werking door deze ontwikkeling. Het verkeer dat toeneemt door realisatie van de chalets betreft overigens ook slechts personenautoverkeer. 5.11.2.2 Uitstoot van gevaarlijke stoffen Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer.

Plangebied

Figuur 27: Fijnstof PM10 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Plangebied

Figuur 28: Fijnstof PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

Voor het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 20-21 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 12-13 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

Plangebied

Figuur 29: Stikstofdioxide (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 16-18 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is. 5.11.2.3 Besluit gevoelige bestemmingen De beoogde recreatie chalets zijn geen gevoelige bestemming in het kader van de luchtkwaliteit.

5.12

Besluit m.e.r.

5.12.1

Beleidskader

De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de

Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen. In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling wordt voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling uitgevoerd. De criteria zijn hierna aangegeven. “Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling 1. Kenmerken van het project: a. Omvang van het project; b. Cumulatie met andere projecten; c. Gebruik van natuurlijke grondstoffen; d. Productie van afvalstoffen; e. Verontreiniging en hinder; f.

2.

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën.

Plaats van het project: a. Bestaand grondgebruik; b. Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (Wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitiat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van cultuurhistorisch, cultureel of archeologisch belang.

3.

Kenmerken van potentiële effect: a. Bereik van het effect (geografische onze en grootte van de getroffen bevolking); b. Grensoverschrijdend karakter van het effect; c. Waarschijnlijkheid van het effect; d. Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.”

5.12.2 Toets 5.12.2.1 Toets aan drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan met een omvang van 125

Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Somerdaal fase 2’ - Toelichting

hectare of meer. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet. 5.12.2.2 Vormvrije m.e.r. beoordeling Kenmerken van het project Recreatiepark Somerdaal wordt uitgebreid met een omvang van 1,76 hectare. Binnen het recreatiepark worden 31 recreatiechalets toegevoegd. In de huidige situatie is binnen fase 2 van het recreatiepark geen bebouwing aanwezig. Er is geen sprake van cumulatie van de beoogde uitbreiding met andere projecten. De realisatie van de recreatiewoningen wordt duurzaam uitgevoerd. Hiermee worden de chalets gerealiseerd met ‘0’ op de meter. De realisatie van de recreatiechalets leidt per definitie tot de productie van bouw- en vervolgens huisafvalstoffen. De gemeente Someren kent afvalbeleid om deze afvalstoffen zo optimaal mogelijk weer te hergebruiken. In deze toelichting is middels een geuronderzoek, akoestisch onderzoek en een stikstofberekening aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot verontreiniging en hinder. Het risico op ongevallen is niet aanwezig. De realisatie van de beoogde recreatiechalets leidt niet tot een waarneembare toename van geur, gevaar, stof of geluid. Plaats van het project De gronden in fase 2 van het recreatiepark zijn in de huidige situatie in gebruik als graszoden die worden geteeld. Binnen het plangebied zijn thans geen natuurlijke waarden aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11334408/1