Schriftelijke bijdrage inwoner over tijdelijke huisvesting en vluchtelingenopvang
Tekst van het document
verantwoorden (in de zogeheten SiSa-bijlage), waarna ook het definitieve bedrag door de Minister van Justitie en Veiligheid vastgesteld wordt. In overleg met de VNG zal de regeling voor de
specifieke uitkering opgesteld worden, waarbij het streven gerichtis op zo laag mogelijke administratieve en controlekosten. Op grond van de wet wordt voorts een financiële uitkering toegekend aan de provincie
na
ommekomst van de in artikel 2 bedoelde periode van twee jaar voor iedere opvangplaats waarmee
75% van het in artikel 3, eerste IId, bedoelde aantal minimaal vereiste opvangplaatsen in de betreffende provincle Is overschreden. De opvangplaatsen waarvoor op verzoek van een gemeente een specifieke uitkering Is verstrekt, zijn daarvan uitgesloten. Deze uitkering wordt verdeeld
tussen de provincie en, naarrato van het aantal geboden plaatsen, de gemeenten die
opvangplaatsen hebben geboden. Provincie en gemeente kunnen de uitkering besteden
ander doel dan de bij of krachtens deze wet gevorderde uitvoering.
aan een
5. Verhouding Rijk - decentrale overheden Van belang is dat Nederland een gedecentraliseerde eenheidsstaat is, waarin naast het Rijk, op
landelijk niveau, gemeenten en provincies met regeling en bestuur binnen hun eigen gemeente c.q. provincie zijn belast (beginsel van gemeentelijke/provinclale autonomie, artikel 124, eerste
lid, Grondwet). Dit betekent dat gemeenten en provincies binnen de lokale c.q. provinciale
democratie voortdurend eigen afwegingen maken ten aanzien van sturing en begeleiding van
maatschappelijke ontwikkelingen, en rechtsposities bepalen, voor zover hun bevoegdheden tot regeling en bestuur van ‘hun huishouding’ reiken. Hun bevoegdheden kunnen zijn beperkt door regelgeving van de Europese Unie of door rijksregelgeving. Ook kunnen de gemeentelijke en
provinciale bestuursorganen In wetgeving van de centrale overheid bepaalde taken toebedeeld krijgen, waaraan zij uitvoering dienen te geven (medebewind). Dit berust op artikel 124, tweede lid, Grondwet en de artikelen 108 Gemeentewet en 105 Provinciewet. Dit wetsvoorstel beoogt alle gemeenten een taak toe te delen om, in samenwerking met het COA, asielopvang mogelijk te maken. Invulling vindt plaats op basis van een taak, die is toegedeeld aan bepaalde gemeenten op basis van het tweejaarlijkse verdeelbesluit. Voor provincies wordt in het nieuwe stelsel, in samenwerking met alle partijen aan de PRT's een bestendiging en doorontwikkeling van de huidige rol van de PRT's voorzien, met daarbij een rol voor de commissaris van de Koning, als rijksorgaan, om verslag uit te brengen aan de Minister van Justitie
en Veiligheid over de consultaties van gemeenten om de provinciale aslelopgave en de indicatieve gemeentelijke asielopgave te vertalen in een taak voor bepaalde gemeenten. Daarnaast hebben gedeputeerde staten van de provincies vier jaar na inwerkingtreding van deze wet een rol indien de gemeente de taak om asielopvang mogelijk te maken niet nakomt, Zij kunnen dan hun
bevoegdheden van het interbestuurlijk toezicht uit de Gemeentewet inzetten. Voor de eerste vier jaar na inwerkingtreding zal Onze Minister, in de praktijk de staatssecretaris van JenV, op grond
van artikel 124b Gemeentewet en de bijbehorende bijlage bij de Gemeentewettoezichthouder zijn.
6. Verhouding tot andere wet- en regelgeving Hiervoor kwamen de Grondwet, de Gemeentewet, de Provinciewet en de Wet COA al kort aan de
orde, Daarnaast is ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van belang als het gaat om de algemeneregels die van toepassing zijn op het nemen van besluiten door de Minister van Justitie en Veiligheld (verdeelbesluit) of de door gerneenten of provincies te nemen besluiten (lokale
vergunningen, aanpassing bestemmingsplan of indeplaatsstellingsbesluit) en het beroep daartegen bij de bestuursrechter.
Daarnaast heeft dit wetsvoorstel ook raakvlakken met de Wet inburgering 2021. Op grond van
deze wet hebben gemeenten de regie over het Inburgeringstraject van alle inburgeringsplichtigen . Dit geldt ook voor Inburgeringsplichtigen die nog in de opvang verblijven in afwachting van definitieve huisvesting In een gemeente, Verder is het COA door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid op grond van deze wet aangewezen als de instelling die aan
Inburgeringsplichtigen die, In afwachting van huisvesting in een gemeente In een opvangvoorziening verblijven, een aanbod tot voorbereiding op de inburgering doet. Bij de verdere
uitwerking van dit wetsvoorstel zal derhalve worden bezien wat dit betekent voor de uitvoering
van deze specifieke taken. Dit geldt In het bijzonder voorde uitwerking van het nieuwe artikel 3b in de Wet COA (artikel 9 van het wetsvoorstel), dat het mogelijk maakt dat het college In overleg met het COA, kan besluiten dat een opvangvoorziening door of onder verantwoordelijkheid van
college wordt geëxploiteerd.
het
Het Is daarnaast goed om de context te benoemen waarbinnen de in dit wetsvoorstel aan
gemeenten toebedeelde wettelijke taak wordt uitgevoerd. Die taak - het in samenwerking met het
COA realiseren van opvangvoorzieningen in de fysieke leefwereld - krijgt vorm In de domeinen van het omgevingsrecht, het bouw- en aanbestedingsrecht en het natuur- en milieurecht. Deze
rechtsgebleden kenmerken zich door gedetailleerde regels, veelal van Europese herkomst, Naast regelgeving op rijksniveau hebben ook provincies, gemeenten en waterschappen bevoegdheden
tot regeling en bestuur (autonomie) en kunnenzij eigen regelgeving hebben vastgesteld waarmee
In voorkomend geval bij de vestiging van een opvangvoorziening rekening moet worden gehouden.
Voor zover bekend hebben gemeenten op dit moment geen verordeningen vastgesteld waarvan het onderwerp “asielopvang” is en die daarmee op grond van artikel 122 van de Gemeentewet automatisch zouden vervallen na inwerkingtreding van onderhavige wet.
7. Verhouding tot internationaal recht De Staat heeft de verplichting om asielzoekers menswaardig op te vangen. Dit volgt uit het
Vluchtelingenverdrag, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM), het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het : kind (IVRK), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de Unierechtelijke Opvangrichtlijn, die minimumnormen voor de opvang van asielzoekers bevat, en de Unierechtelijke Procedurerichtlijn. Asielzoekers hebben recht op materiële en immateriële opvangvoorzieningen,
De Opvangrichtlijn Is van toepassing op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een verzoek om internationale bescherming op het grondgebied van een EU-lidstaat hebben ingediend. Materiële opvangvoorzieningen
Artikel 2, onder g, Opvangrichtlijn omschrijft wat onder materiële opvangvoorzieningen wordt
verstaan. Het gaat om opvangvoorzieningen die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt (of een combinatie van deze drie). Daarnaast kan het ook gaan om een dagvergoeding. Huisvesting, voedsel en kleding vallen ook onder het begrip materiële opvangvoorzieningen.
In de artikelen 17 en 18 van de Opvangrichtlijn zijn nadere regels neergelegd omtrent de materiële opvangvoorzieningen. Zo schrijft artikel 18, zesde lid, van de Opvangrichtlijn bijvoorbeeld voor dat een verzoeker om internationale bescherming alleen mag worden overgeplaatst wanneerdit strikt noodzakelijk is. Artikel 18, negende, lid van de Opvangrichtlijn biedt de lidstaten in uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid om af te wijken van de
materiële opvangvoorzieningen van artikel 18 Opvangrichtlijn. Deze afwijking mag niet zover gaan dat de basisbehoeften van de verzoeker niet worden gegarandeerd. Artikel 20 van de Opvangrichtlijn geeft een regeling voor de beperking of de intrekking van
materiële opvangvoorzieningen. Eenlidstaat kan de voorzieningen onder meer intrekken indien de verzoekerzijn vastgestelde verblijfplaats zonder toestemming heeft verlaten of wanneer de verzoeker niet voldoet aan een meldingsplicht (zie verder artikel 20, eerste lid, onder at/m c, van de Opvangrichtlijn). Het niet bleden van opvang in geen enkel geval acceptabel is (C-233/18,
Hagbin).
Op grond van artikel 20, vierde lid, Opvangrichtlijn kunnen de autoriteiten van een lidstaat een sanctie aan de verzoeker opleggen indien hij de regels van het opvangcentra overtreedt of zich schuldig maakt aan ernstige vormen van geweld. Dat artikel Is ook van toepassing op ernstige
vormen van geweld die buiten het opvangcentrum plaatsvinden (C-442/21, Ministero dell'Interno). Het intrekken van materiële opvangvoorzieningen die betrekking hebben op huisvesting, voedsel of kleding mag niet als sanctie doorde lidstaat worden toegepast. Zelfs niet indien deze intrekking van tijdelijke aard is (C-233/18, Hagbin).
Andere opvangvoorzieningen Artikel 2, onder f‚ van de Procedurerichtlijn bepaalt dat onder opvangvoorzieningen alle
maatregelen vallen die in de richtlijn worden beschreven. De Procedurerichtlijn schrijft de volgende
opvangvoorzieningen voor:
= Onderwijs aan minderjarigen (artikel 14 van de Procedurerichtiijn).
- Toegang tot de arbeidsmarkt (artikel 15 van de Procedurerichtlijn), ook al kunnen lidstaten voorrang geven aan EU- of EER-onderdanen.
= Toegang tot beroepsopleidingen (artikel 16 van de Procedurerichtlijn). - Het recht om de nodige medische zorg te ontvangen (artikel 19 van de Procedurerichtlijn).
De positie van kwetsbare personen Bij de toepassing van de Opvangrichtlijn moeten de autoriteiten van een lidstaat rekening houden met de specifieke situatie van minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen,
slachtoffers van mensenhandel, personen met ernstige ziekten en personen met mentale stoornissen.
Daarnaast moeten de autoriteiten van een lidstaat rekening houden met personen die foltering hebben ondergaan,zijn verkracht of aan andere vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld (artikel 21 van de Opvangrichtlijn). De nationale autoriteiten van de lidstaat moeten beoordelen welke bijzondere opvangbehoeften een dergelijke verzoeker in zo'n geval heeft (artikel 22, eerste lid, eerste alinea, van de Opvangrichtlijn). Aangenomen moet worden dat met dit wetsvoorstel naar behoren kan worden voorzien in de opvang van kwetsbare personen. Zoals toegelichtin paragraaf 4.2 kan bij de verdeling van het aantal opvangplaatsen dat beschikbaar moet worden gesteld worden bepaald dat een gedeelte van de opvangplaatsen van bijzondere aard moet zijn. Zo kan worden gewaarborgd dat voldoende opvangplaatsen beschikbaar worden gesteld voor - bijvoorbeeld -— alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Voorts is In paragraaf 4.8 toegelicht dat het mogelijk is specifieke uitkeringen te
verstrekken voor deze opvangplaatsen van bijzondere aard. Indien het benodigde aantal
opvangplaatsen van bijzonder aard onverhoopt niet wordt ingevuld, kan Onze Minister daar bij de
vaststelling van het verdeelbesluit bovendien rekening mee houden (zie paragraaf 4.5).
8. Uitvoeringsgevolgen Voor alle bestuursorganen op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau die er nieuwe taken bij krijgen geldt dat de gevolgen van de uitvoering van die taken goed in kaart worden gebracht. Dit heeft in de consultatieversie van het wetsvoorstel nog niet kunnen gebeuren. Parallel aan hettraject van advisering door de medeoverheden en internetconsultatie worden de
benodigde uitvoeringstoetsen gedaan.
9, Financiële gevolgen
Op basis van Gemeentewetartikel 108, derde lid, en de Provinciewet artikel 105, derde lid, is het uitgangspunt reële compensatie van de extra kosten als gevolg van de activiteiten ten behoeve van het mogelijk maken van aslelopvangvoorzieningen, overeenkomstig deze wet.
De hoogte en omvang vraagt om een politiek bestuurlijke afweging, met als uitgangspunt dat gemeenten en provincies er als gevolg van het mogelijk maken van de opvang van asielzoekers niet slechter voor komen te staan dan daarvoor. Daarom zullen ingevolge artikel 2 Financiële-verhoudingswet de financiële gevolgen van de nieuwe beleidsvoornemens van het Rijk worden onderzocht. Dit zal parallel gebeuren aan het traject van advisering door de medeoverheden en internetconsultatie.
Bij dit nadere onderzoek zal onder andere aandacht zijn voorde financiële gevolgen met betrekking tot: =
De afbakening van welke kosten ten laste komen van gemeenten en welke ten laste komen van het COA voor onder andere de oplevering en ingebruikneming van opvanglocaties. De kosten die voor gemeenten én provincie (cdK) voortvloeien uit deelname aan en
organiseren van de PRT's
10
-
= =
__De kosten voor gemeenten die voortvloeien uit de taak; dus de daadwerkelijke wijziging
van bestemmingsplannen en vergunningverlening. Opletpunt hier Is dat dit niet voor alle
gemeenten geldt en dat dit sterk wisselt in de tijd. Daar moet ais een passende financieringsvorm voor worden gevonden.
De kosten voor de toezichthouder. (NB: de indeplaatsstelling zelf geschiedt op kosten van
de gemeente)
Een hele scherpe afbakening waar de inspanningen van de gemeente eindigen en de
Inspanningen van het COA starten. Het gaat hier dan om de daadwerkelijke kosten voor de
oplevering en ingebruikneming van opvangvoorzieningen. Het zou hier ook nog zo kunnen
zijn dat gemeenten kosten maken die door COA worden vergoed (en waarvoorhetrijk dus zelf geen uitkering hoeft te verstrekken op grond van artikel 108 Gemeentewet).
Ook dit gebeurt parallel aan het traject van advisering door de medeoverheden en internetconsultatie.
Op voorhand wordt benadrukt dat, zoals gebruikelijk, niet of niet rechtmatig bestede middelen die ter compensatie van door de gemeente gemaakte kosten voor het uitvoeren van de wet zijn uitgekeerd zullen worden teruggevorderd. Het gaat dan uitsluitend om het terugvorderen of verminderen van budgetten die het Rijk voor asielopvang aan gemeenten heeft overgemaakt
wanneer een gemeente dat geld daar niet aan heeft besteed of de wet anderszins niet ae uitvoert.
Hoewel kleinere locaties per opvangplaats duurderzullen zijn, wordt wel ingezet op volledige
vergoeding van de gemaakte kosten. Daarbij geldt wel dat steeds In het oog moet worden gehouden dat doelmatige exploitatie mogelijk moet zijn. In dit verband is van belang dat het voorgestelde nieuwe artikel 3b van de Wet COA mogelijk maakt dat het COA en het college
overeenkomen dat een opvangvoorziening door of onder verantwoordelijkheid van het college
wordt geëxploiteerd, In plaats van door het COA (zie nader de artikelsgewijze toelichting bij artikel
10).
10. Advies en internetconsultatie PM II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel 1. Definitiebepaling
Er zijn drie definitiebepalingen die voor de werking van het nieuwe stelsel van belang zijn: het begrip opvang (de materiële en immateriële opvang als bedoeld In artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Wet COA), opvangplaats (een plaats in een opvangvoorziening) en het begrip
opvangvoorziening (een accommodatie waarin door of onder verantwoordelijkheid van het COA of door of onder verantwoordelijkheid van het college opvang wordt geboden aan asielzoekers). Het begrip opvangplaats komt materieel overeen met het begrip capaciteitsplaats In het Faciliteitenbesluit opvangcentra. Het begrip asielzoeker is uit de Regeling verstrekking asielzoekers
en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) overgenomen. Het namens een asielzoeker indienen van een asielaanvraag kan alleen aan de orde zijn indien sprake is van een wettelijk vertegenwoordiger (artikel 3.108, eerste lid, Vb 2000).
Artikel 2, Capaciteitsraming
Met dit artikel start de tweejaarlijkse ramings- en verdeelcyclus. Het eerste lid van dit artikel regelt dat eens in de twee jaar — voor 1 februari van het kalenderjaar - een capaciteltsramingsbesluit wordt genomen waarin twee jaren vooruit wordt gekeken. Deze vormgeving komt tot stand op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen * wijze. De raming kan tussentijds worden gewijzigd (tweede lid). Het capaciteitsbesluit geeft inzicht In de behoefte aan asielopvang, waarbij voldoendeflexibiliteit en stabiliteit in ogenschouw
genomen wordt. Het capaciteitsbesluit is in beginsel gebaseerd op de Meerjaren Productie Prognose (MPP) die het ministerie van Justitie en Veiligheid samen met ketenpartners maakt. De MPP neemtde cijfers, trends en ervaring uit de achterliggende periode en op verwachtingen en
scenario’s op basis van onder meer geopolitieke ontwikkelingen, beleidsontwikkelingen en trends. Op basis daarvan ontstaat een beeld van: ii
- het mogelijke aantal asielzoekers dat Nederland binnenkomt, “de doorrekening van de effecten op het ketenproces van Politie, IND, COA, DT&V, Raad voor de rechtspraak en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en - de uitstroom van vergunninghouders die een woning krijgen in de gemeenten en van
asielzoekers die terug moeten naar het land van herkomst.
Het capaciteltsramingsbesluit wordt In de Staatscourant gepubliceerd (artikel 5, onder f, Bekendmakingswet). Tussentijdse bijstelling van de raming is mogelijk. Het wetsvoorstel voorziet
daar expliciet In. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn na tussentijdse wijziging van de capaciteltsraming in het geval van uitzonderlijke omstandigheden, zoals een oorlog of natuurramp. Zoals reeds is toegelicht In paragraaf 4.2 is het aantal opvangplaatsen dat beschikbaar moet worden gesteld volgens de systematiek van deze wet het benodigde aantal waarop het aantal plaatsen dat voor vijf jaar of langer beschikbaar is of In de daaropvolgende 12 maanden voor die
periode beschikbaar zal komen in mindering wordt gebracht. Daarbij wordt wel uitgegaan van
locaties of accommodaties van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen minimale omvang. Het aantal opvangplaatsen dat beschikbaar moet worden gesteld wordt voor 1 mei bekendgemaakt en wordt eveneens gepubliceerd In de Staatscourant. Het resterende
benodigde aantal opvangplaatsen wordt onderdeel van de In artikel 3 bedoelde provinciale opvangopgave,
Artikel 3, Provinciale opvangopgave Het eerste lid van dit artikel regelt dat de verdeelsystematiek van de vereiste opvangplaatsen over alle provincies bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald en dat In de algemene maatregel van bestuur tevens een indicatieve verdeelsystematiek over alle gemeenten wordt
bepaald. Bij de verdeling kan worden bepaald dat een gedeelte van de opvangplaatsen van
bijzondere aard moetzijn. Zo kan worden gewaarborgd dat voldoende opvangplaatsen
beschikbaar worden gesteld voor — bijvoorbeeld - alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Het tweede |id bepaalt dat de Minister van Justitie en Veiligheid uiterlijk voor 4 mei van het
kalenderjaar waarin de capaciteitsraming bekend wordt gemaakt, de verdeling van de provinciale
opvangopgave en een indicatieve opgave per gemeente bekend maakt. De verdeling van de provinciale opvangopgave volgtrechtstreeks uit de algemene maatregel van bestuur (zijnde een
algemeen verbindend voorschrift) en is dus geen appellabel besluit, maar louter een
bekendmaking. Ook de indicatieve verdeling volgt rechtstreeks uit de algemene maatregel van
bestuur. Deze verdeling is naar zijn aard geen appellabel besluit (geen rechtsgevolg, louter indicatief). Op provinciaal niveau wordt vervolgens aan de PRT’s door elke provincie een plan
gemaakt waarin de behoefte aan opvangvoorzieningen over een aantal aan te wijzen gemeenten wordt verdeeld, Om in een groeiende behoefte aan opvangplaatsen te voorzien, en een stabiel en wendbaar stelsel te realiseren, met een gelijkmatige verdeling van de opvangplaatsen over Nederland, wordt met name ook aandacht gevraagd voor de bijzondere opvangmodaliteiten, zoals de intensief begeleide
opvang, de handhaving en toelichtlocatie en de gezinslocaties. Voor deze locaties zijn momenteel
veelal langlopende bestuursovereenkomsten afgesloten.
Dit fase van overleg aan de PRT is het moment waarop doorelke gemeente wordt
geïnventariseerd welke geschikte opvangvoorzieningen aan het COA kunnen worden aangedrage n: Geschikte opvangvoorzieningen zijn:
1) Opvangvoorzieningen die reeds voldoen aan de eventuele wettelijke vereisten op grond van de Wet COA voor opvangvoorzieningen, de wettelijke verelsten die voor gebouwen met een woonfunctie gelden zoals het Bouwbesluit 2012, het Drinkwaterbesluit en andere milieu- en volksgezondheidseisen, en voorzien zijn of voorzien kunnen worden van de benodigde
vergunningen op het moment van ingebruikneming.
.
2) Opvangvoorzieningen die door middel van aanpassingen door het COA en/of de gemeente kunnen voldoen aan de vereisten en voorzien zijn of voorzien kunnen worden van benodigde vergunningen op het moment van ingebruikneming.
12
3) Locaties waar de gemeente en/of het COA een opvangvoorziening kan bouwen/plaatsen die aan de vereisten voldoet en voorzien is of voorzien kunnen worden van benodigde vergunningen op het moment van ingebruikneming.
Opzichzelf Is er geen ondergrens in het aantal plekken op een locatie. Daarbij geldt wel dat steeds
in het oog moet worden gehouden dat doelmatige exploitatie mogelijk moet zijn. In dit verband is van belang dat het voorgestelde nieuwe artikel 3b van de Wet COA mogelijk maakt dat het COA en hetcollege overeenkomen dat een opvangvoorziening door of onder verantwoordelijkheid van het
college wordt geëxploiteerd, In plaats van door het COA (zie nader de artikelsgewijze toelichting bij artikel 10). In deze fase kunnen gemeenten ook onderling tot afspraken komen over uitwisseling van woonruimte ten behoeve van huisvesting van vergunninghouders en opvangplaatsen voor asielzoekers.
Het proces aan de PRT's vindt zijn afronding in een verslag van de commissaris van de Koning aan
de Minister van Justitie en Veiligheid. In dat verslag zullen ook de afspraken over uitwisseling van woonruimte ten behoeve van vergunninghouders en asielopvangplaatsen voor asielzoekers worden vermeld. Artikel 4, Overleg en verslag Het eerste lid van dit artikel regelt dat de colleges van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het COA samenwerken bij de uitvoering van taken op grond vän deze wet
en dat zij overleggen over de verdeling van opvangplaatsen als bedoeld in artikel 3 voor de daarop
volgende twee jaren. Het overleg vindt plaats onder voorzitterschap van de commissaris van de
Koning. Het tweede lid bepaalt dat de commissaris van de Koning voor 1 juli van het in de artikelen 2 en 3 bedoelde kalenderjaar aan Onze Minister een verslag uitbrengt van het overleg.
Het derde lid verduidelijkt dat de commissaris van de Koning de werkzaamheden als rijksorgaan verricht (vgl. artikel 182, eerste lid, onderdeel a, Provinciewet). Er kunnen daartoe in de ambtsinstructie aan de commissaris van de Koning regels worden gesteld.
Artikel 5. Verdeelbesluit per provincie
Het eerste lid regelt dat de Minister van Justitie en Veiligheid voor 1 september van het in de artikelen 2 en 3 bedoelde kalenderjaar, een besluit neemt, per provincie, waarin het aantal
vereiste opvangplaatsen voor de duur van twee daarop volgende kalenderjaren voorasielzoekers over de in het besluit aangewezen gemeenten worden verdeeld. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat deze tweejaarlijkse frequentie van het verdeelbesluit niet betekent dat de opvangvoorzieningen een looptijd van (slechts) twee jaar hebben; er wordt gestreefd naar duurzame opvangvoorzieningen. De Minister kan ofwel twaalf verdeelbesluiten nemen, ofwel één
gebundeld verdeelbesluit waarin de verdeling voor alle twaalf provincies worden opgenomen.
Het tweede lid geeft aan dat de Ministerbij het nemen van het verdeelbesluit acht slaat op het verslag van de commissaris van de Koning en streeft naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling
van opvangplaatsen over het grondgebied van Nederland. De verdeling over de in het besluit
aangewezen gemeenten - om opvang voor asielzoekers mogelijk te maken voor het in het besluit vastgesteld aantal opvangplaatsen - is juridisch afdwingbaar door middel van het Interbestuurlijk
toezicht,
:
Het derde lid bepaalt dat het verdeelbesluit bij bijzondere omstandigheden tussentijds kan worden
gewijzigd. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn na tussentijdse wijziging van de capaciteitsraming in het geval van uitzonderlijke omstandigheden, zoals een oorlog of natuurramp. Indien de wijziging van het verdeelbesluit ingrijpend is, zijn de artikelen 3 en 4 van toepassing (d.w.z. eerst verdeling van het extra aantal benodigde plaatsen over alle provincies volgens de verdeelsystematiek van artikel 3 en vervolgens overleg aan de PRT met een verslag van de commissaris van de Koning van artikel 4).
Artikel 6, Taak Dit artikel is het kernartikel van dit wetsvoorstel. Het eerste lid roept alle gemeentenin medebewind om opvangvoorzieningen voor asielzoekers mogelijk te maken. Tegelijkertijd zullen _ niet alle gemeenten worden verplicht om opvangvoorzieningen mogelijk te maken. Of en zo ja,
13
hoe groot de taak van een individuele gemeente is, wordt
door de Minister
van Justitie en Veiligheid In het verdeelbesluit bepaald, en wordt uitged rukt in een aantal opvangplaatsen. Er is voor gekozen om de taak te beleggen bij het college (het dagelijks bestuur van de gemeente), en de raad, voor zover hetrealiseren van een opvangvoor zlening voor asielzoekers op een bepaalde plaats een wijziging van het bestemmingsplan vergt.
Het tweede lid bepaalt dat opvangvoorzieningen op het moment
van ingebruiknem
ing aan de (eventuele) wettelijke vereisten op grond van de Wet COA en de overige wettelijke vereisten (Bouwbesluit 2012, Drinkwaterbesluit en andere milieuen volksgezondheidseisen) moeten voldoen. Ter ondersteuning van gemeenten worden de progra mma’s van eisen van het COA beschikbaar gesteld.
Artikel 7. Invulling taak Dit artikel regelt zo specifiek mogelijk waarde verantwoordelijke organen verdeelbesluit aangewezen gemeente voor zorg dienen
van een in het
te dragen om een asielopvangvoorziening
op het grondgebied van de gemeente mogelijk te maken, Hetcollege
van de desbetreffende
gemeente dient de taak binnen de gestelde termijn uit te voeren. Die termijn bedraagt zes maanden, tenzij In het verdeelbesluit voor de betreffende gemeente een langere termijn is vastgesteld. Het proces van (op aanvraag van het COA) verlenen van voor de opvangvoorziening
noodzakelijke gemeentelijke vergunningen omvat ook het afhandelen van eventuele bezwaren en beroepen tegen de genomen besluiten. Het tweede Iid bepaalt dat de raad zorg dientte dragen voor aanpassing van het bestemmingsplan
of de beheersverordening indien dat noodzakelijk is voor ingebruikneming van de opvangvoorziening. Een bestemmingsplanwijziging wordt vaak vla een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (UOV) voorbereid. Na het doorlopen van de UOV staat geen bezwaar, maar direct beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open.
Met accommodaties wordt gedoeld op (leegstand) vastgoed (bijv. hotels, vakantieparken) of andere registergoederen (zoals cruiseschepen) en metlocaties worden (bij voorkeur bouwrijpe) gronden bedoeld.
Artikel 8. Melding onvoorziene omstandigheden Meldplicht gemeente
Dit artikel regelt datindien zich felten of omstandigheden voordoen die maken
dat de tijdige
terbeschikkingstelling van locaties of accommodaties naar verwachting nlet kan worden gerealiseerd, het college hier onverwijld melding van maakt aan gedeputeerde staten en, indien van toepassing, onze Minister, als toezichthouder. Daarnaast geldt een bestuurlijk afgesproken meldplicht aan de PRT. Artikel 9, Specifieke uitkering Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4,8 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Artikel 10. Wijzigingen Wet COA Â
Aan de wet COA wordt een begripsbepaling toegevoegd. In het nieuwe onderdeel begrip opvangvoorziening gedefinieerd (een accommodatie waarin
door of onder
e wordt het
verantwoordelijkheid van het COA of door of onder verantwoordelijkheid van het college opvang wordt geboden aan asielzoekers). B
Dit artikel bepaalt dat artikel 3, eerste lid, onderdeel c‚, van de Wet COA
vervalt. Dit
artikelonderdeel Is verouderd. Het verwijst naar de zogeheten ROA-woningen opvangplaatsen) en de financlering ervan.
(gemeentelijke
C
Dit artikel voegt vier nieuwe artikelen aan de Wet COA toe, De artikelen 3a
bevoegdheidsverdeling tussen het COA en het college van de gemeente
opvangvoorziening Is gevestigd.
14
en 3b regelen de
waarin een
atsing) van het COA van Het nieuwe artikel 3a regelt de bevoegdheid tot plaatsing (en overpla dheid Is nu opgenomen bevoeg Deze Ild). tweede en (eerste ing asielzoekers In een opvangvoorzien atsing van een asielzoeker naar in artikel 11 van de Rva 2005. Het derde lid bepaalt dat na overpla opvangvoorzlening worden een andere opvangvoorziening de verstrekkingen In deze andere aangeboden.
nt(artikel 11, eerste lid, Rva 2005) is De verwijzing naar het Gemeentelijk Versnellingsarrangeme is uitgewerkt. Datzelfde geldt voor ement arrang dit niet overgenomen In het eerste lid aangezien vings- en toezichtlocatie. Er Is handha de naar 2005 Rva de van de verwijzing In genoemd artikellid
geen reden voor het noemen van één specifieke opvangmodalite op ervoor te zorgen dat bij de uitoefening van de plaats
it. Het vierde lid draagt het COA
ingsbevoegdheid de eenheid van het
ekers wordt gerespecteerd gezien in de mate van het mogelijke en met instemming van de asielzo 2005). Rva (vgl. artikel 12 van de Opvangrichtlijn en artikel 11, vierde lid, ven, zal het COA bij het zoals in de brief aan de Tweede Kamer van 8 juli 2022 is aangege zoals bijvoorbeeld bij ligt, rede de in dat Indien , uitoefenen van de plaatsingsbevoegdheld die het betreft. ten gemeen de met voeren overleg categorale opvangvoorzieningen,
Het nieuwe artikel 3b maakt het mogelijk dat een opvangvoorzlening
door of onder
e wordt ingespeeld op de verantwoordelijkheid van het college wordt geëxploiteerd. Hierme
eninge behoefte aan een combinatie van opvang/woonvormen. Opvangvoorzi
n worden zo mogelijk
de huisvesting van andere ingericht als flexibele opvangvorm die aangewend kan worden voor
mogelijk dat het COA en, aandachtsgroepen. Om daarbij aan te sluiten maakt artikel 3b, eerste lid, verantwoordelijkheid het college kunnen overeenkomen dat een opvangvoorziening, door of onder lid bevat een van het college wordt geëxploiteerd, in plaats van het COA. Het tweede
regels te stellen delegatiegrondslag om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
over de
exploitatie door het college.
Het nieuwe artikel 3c creëert een facultatieve grondslag voor het stellen van
regels bij ministeriële
van regeling over de eisen waaraan opvangvoorzleningen voor reguliere opvang en opvang voldoen. moeten ingen alleenstaande minderjarige vreemdel
Artikelen 11 en 12. Wijziging Gemeentewet
Artikel 11 regelt dat het Interbestuurlijk toezicht op de exploitatie van een opvangvoorziening door of onder verantwoordelijkheid van het college wordt belegd bij de Minister van Justitie en
Veiligheid. Dit In afwijking van het generieke systeem. Zoals eerder opgemerkt gaat het hier om de kwaliteit van de asielopvang. De expertise op dat terrein ligt bij de centrale overheld, Om die reden wordt voorgesteld om de Wet COA op bijlage bij artikel 124b van de Gemeentewet te plaatsen. Indien het college de gegeven taak nlet naar behoren verricht kan de Minister van
Justitie en Velligheid in de plaats treden.
Uit de artikelen 11 en 12, In samenhang met artikel 15, tweede en derde lid, vloeit voort dat de eerste vier jaar na inwerkingtreding van de wetniet de provincie maar de Minister van Justitie en. Veiligheid in de plaats treedt indien het college de gegeven taak niet naar behoren verricht. Dit
heeft te maken met de actuele situatie die is geschetst In paragraaf 3 van deze toelichting. Na vier jaar wordt teruggevallen op de normale situatie op grond van de Gemeentewet. Gedeputeerde staten van de provincie is dan in eerste instantie de toezichthouder als het gaat om de uitvoering van de wettelijke taak van gemeenten om asielopvang mogelijk te maken.
Artikel 13. Invoeringstoets en evaluatie
Het eerste artikel van dit artikel regelt dat een invoeringstoets binnen 2 jaar na inwerkingtreding van de wet plaats heeft. Daarbij worden de effecten van de wet in de praktijk In kaart gebracht,
waaronder de financiële gevolgen voor COA en medeoverheden. Het tweede lid bepaalt dat binnen 4 jaar na inwerkingtreding van de wet een evaluatie plaatsvindt naar doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk. Dit zal een brede evaluatie zijn waarbij de werking van een
aantal onderdelen van de wetuitdrukkelijk tegen hetlicht zal worden gehouden. Daarbij moet in
ieder geval worden gedacht aan: - het toezicht op de uitvoering van de op basis van deze wet te verrichten taak, het - de wijze waarop het aantal benodigde opvangplaatsen wordt vastgesteld en de verdeling van , deel daarvan dat beschikbaar moet worden gesteld over de provincies - het functioneren van de provinciale regietafels, en 15
BIJLAGE 3
_ STAATSCOURANT '= Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Capaciteitsraming, provinciale opvangopgave en indicatieve verdeling per gemeente 2024 31 januari 2024 Nr. 5191969 Directoraat-Generaal Migratie
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, ngvoorzieningen Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopva ningen; ngvoorzie asielopva maken mogelijk taak ijke gemeentel en artikelen 2.1 en 2.2 van het Besluit Maakt bekend:
Capaciteitsraming verwachting Het aantal opvangplaatsen voor asielzoekers waaraan in de volgende tweejaren naar maken mogelijk ijke gemeentel Wet de van lid eerste 2, artikel in bedoeld als behoefte zal zijn, asielopvangvoorzieningen, bedraagt in totaal 96.000 opvangplaatsen.
Provinciale opgave bedoeld in artikel 5, De verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen over alle provincies, zoals artikel 2.1, tweede jo. ningen ngvoorzie asielopva maken mogelijk ijke tweede lid van de Wet gemeentel bedraagt het aantal lid van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen, opvangplaatsen per provincie zoals opgenomen in tabel 1. Tabel 1 - Verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen per provincie
(provinciale opgave) Aantal opvangplaatsen
denten
Flevoland
2.691
:
‘
Drenthe
2.441 “3.391
;
Fryslân
11.704
Gelderland
2.715
Groningen
5.662
Limburg
14.689
Noord-Brabant Noord-Holland
„16.290 6,325
Overijssel
8.207
Utrecht
;
Zeeland
2.109
_
19.776
Zuid-Holland
Indicatieve verdeling per gemeente bedoeld in Deindicatieve verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen per gemeente, zoals ningen jo. ngvoorzie asielopva maken artikel 3, tweede lid van de Wet gemeentelijke taak mogelijk ningen, ngvoorzie asielopva maken mogelijk taak ijke gemeentel Besluit het van lid artikel 2.2, eerste 2. tabel in n bedraagt het aantal opvangplaatsen zoals opgenome Tabel 2 — Indicatieve verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen per gemeente Aantal opvangplaatsen
(ERIKA
Aalten /
Albrandswaard
Staatscourant 2024 nr. 3320
,
ò
31 januari 2024
13 18
157
13
140
12
9
110 170 603
Alkmaar
3
opvang van amv's
211
Aalsmeer
Alblasserdam
Waarvan geschikt ten behoeve van de
156
Aa en Hunze
Achtkarspelen
Í
14 ê
51
Gemeente
Aantal opvangplaatsen
|
Waarvan geschikt ten behoeve van de opvang van amvs
Almelo
323
27
Almere
1.233
105
Alphen aan den Rijn
686
Alphen-Chaam
70
Altena
29
Ameland Amersfoort
961
Amstelveen
561
Amsterdam
4,479
380
Apeldoorn
909
17
Arnhem
720
Assen
82
61 31
Asten
101
Baarle-Nassau
42
Baarn
152
Barendrecht
316
Barneveld
382
Beek (L.)
90
Beekdaelen
204
Beesel
72
13 32 17
Berg en Dal
192
16
Bergeijk
123
10
Bergen (L.)
73
Bergen (NH.)
185
Bergen op Zoom
352
Berkelland
255
Bernheze
201
Best
192
Beuningen
160
Beverwijk
226
Bladel
134
Blaricum
16 30 22 17 16 14 19 u
Bloemendaal
169
14
Bodegraven-Reeuwijk
232
20
Boekel
71
Borger-Odoorn
140
Borne
148
13
Borsele
139
12
12
Boxtel
192
16
Breda
1.016 221
86 19
Brummen
119
10
Brunssum
122
10
Bunnik
111
Bunschoten
141
Buren
174
15
Capelle aan den IJssel
344
29
Castricum
240
20
Coevorden
188
16
Cranendonck
125
1
Culemborg
176
15
Dalfsen
188
16
Bronckhorst
12
96
De Bilt
277
De Fryske Marren
301
De Ronde Venen
290
De Wolden
152
13
Delft
434
37
Staatscourant 2024nr.3320
31 januari 2024
oo
Dantumadiel
25
Aantal opvangplaatsen |
KET land hnkd
opvang van amv's
22
Deurne Deventer
191
16
529
45
175 526 172 51 307 162 611 125 171 246 114 144 178 236 719 62 206 131 167 1.198 138 495 97 638 189 160 257 125 231 181 100 153
Diemen Dijk en Waard Dinkelland Doesburg Doetinchem Dongen
Dordrecht Drechterland Drimmelen Dronten
Druten Duiven Echt-Susteren Edam-Volendam Ede Eemnes Eemsdelta Eersel Eijsden-Margraten
Eindhoven Elburg
Emmen Enkhuizen Enschede Epe Ermelo Etten-Leur Geertruidenberg Geldrop-Mierlo Gemert-Bakel Gennep Gilze en Rijen
298
Goeree-Overflakkee
210 151 385 199 407 969 81 143 963 1015 173
Goes Goirle Gooise Meren Gorinchem Gouda Groningen Gulpen-Wittem Haaksbergen Haarlem Haarlemmermeer Halderberge
355
Hardenberg
273 110 74 77 224 191 116 277
Harderwijk Hardinxveld-Glessendam Harlingen
Hattem Heemskerk Heemstede Heerde Heerenveen
15 15 26 14 52 11 15 21 10 12 15 20 61 17 11 14
102 12 42 54 16 14 1
20 15 13 25 18 13 33 17
dd
Den Helder
12 82 15 30 23
19 16 10
111
Heeze-Leende
31 januari 2024
0
321
Heerlen
Staatscourant 2024 nr. 3320
Waarvan geschikt ten behoeve van de
Aantal opvangplaatsen
Gemeente
Heiloo
155
Hellendoorn
215 452
Helmond
204
Hendrik-ido-Ambacht
415
Hengelo (O.)
251
Het Hogeland Heumen
105
Heusden
272
Hillegom
135
Hilvarenbeek
106
Hilversum
536
Hoeksche Waard
209 279 280 399 267 344 239 154 205 179 308 81 398 177 149 164 341 139 536 172 76 446 79 563 619 173 448 405 216 207 284 140 211 139 93 130 154 142 341 181 493 263 u 507 193 262
Hof van Twente Hollands Kroon Hoogeveen Hoorn Horst aan de Maas Houten Huizen Hulst IJsselstein Kaag en Braassem Kampen Kapelle
Katwijk Kerkrade Koggenland
Krimpen aan denIJssel Krimpenerwaard Laarbeek Land van Cuiijk Landgraaf Landsmeer Lansingerland
Laren (NH.) Leeuwarden Leiden Leiderdorp Leidschendam-Voorburg Lelystad Leudal Leusden Lingewaard Lisse Lechem Loon op Zand Lopik Losser Maasdriel Maasgouw Maashorst Maassluis Maastricht Medemblik Meerssen Meierijstad Meppel Middelburg (Z.}
Staatscourant 2024 nr. 3320
31 januari 2024
Waarvan geschikt ten behoeve van de opvang van amvws
j Aantal opvangplaatsen |
erase
|
ofer late Ela EL
Midden-Delfland
133
1
Midden-Drenthe
198
17
289
24
Midden-Groningen Moerdijk :
Molenlanden Montferland
214
18
280
24
201
17 8
92
Montfoort
Î
51
Mook en Middelaar
4 12
145
°
Neder-Betuwe Nederweert
105
9
Nieuwegein Nieuwkoop
364
31
188
16
Nijkerk
278
24 69 38
Nijmegen
817
Nissewaard
445
Noardeast-Fryslân
234
4
44
Noord-Beveland
,
186
3
Noordenveld
20 4
16
k
277
23
Noordwijk
215
23
Nuenen c.a,
159
13
167
14
Noordoostpolder
Nunspeet
:
Oegstgeest
179
15
Oirschot
126
11
Oisterwijk
205
17
170
14
Oldambt Î
Oldebroek Oldenzaal Olst-Wijhe Ommen
141
12
175 12
15 9
112
Oost Gelre
182
10 15
Oosterhout
320
27
Ooststellingwerf
136
12
Oostzaan
62
5
Opmeer
4
6
173
15
507
43
211
18
a
Opsterland Oss
Oude IJsselstreek
'
Ouder-Amstel
91
Oudewater
65
297
Overbetuwe
5
25
Papendrecht
183
16
Peel en Maas
271
23
51
Pekela Pijnacker-Nootdorp
:
û
Purmerend
397
515
Î
4 34
44
152
13
Reimerswaal
233 129
20 |
Renkum Renswoude
185
16
39
Reusel-De Mierden
87
3 7
215
18
Putten Raalte
Rheden
120
10
Ridderkerk
250
21
Rijssen-Holten
230
19
306
26
116
10
5
Rhenen
Rijswijk (ZH.) Roerdalen
5
} Waarvan geschikt ten behoeve van de
Staatscourant 2024nr.3320
-
31 januari 2024
EET
Aantal opvangplaatsen |
Roermond
290
25
401
34
2.667
226
Waarvan geschikt ten behoeve van de
opvang van amws
Roosendaal Rotterdam Rozendaal
14
Rucphen Schagen
126
u
276
23
Scherpenzeel
84
Schiedam
378
32
197 2.513 879
213
Schiermonnikoog Schouwen-Duiveland ‘s-Gravenhage ‘s-Hertogenbosch Simpelveld
17 75
55
Sint-Michielsgeste! Sittard-Geleen Sliedrecht Sluis Smallingerland Soest Someren Son en Breugel Stadskanaal Staphorst Stede Broec Steenbergen Steenwijkerland Stein (L.) Stichtse Vecht Súdwest-Fryslân
196 434 139 126 278 286 121 119 140 112 123 134 245 136 410
35
488
41
277 26 82 252 147 212 1.076 137 183 224 184 88 190 136 1.885 313
Terneuzen Terschelling Texel Teylingen Tholen Tiel Tilburg Tubbergen Twenterand Tynaarlo Tytsjerksteradiel Uitgeest Uithoorn Urk Utrecht Utrechtse Heuvelrug Vaals
17 37 12 un 24 24 10 10 12 10 10 u 21 1
24
21 12 18 91 12 16 19 16 16 12 169 27
Valkenburg aan de Geul Valkenswaard
176
Veendam
127
Veenendaal
11
380
32
15
Veere
139
Veldhoven
12
288
Velsen
24
377
Venlo
32
Venray
489
41
245
21
Vijfheerenlanden
346
29
351
30
Vlaardingen Vlieland
Staatscourant 2024 nr. 3320
31 januari 2024
Waarvan geschikt ten behoeve van de opvang van amv’s
Gemeente
Aantal opvangplaatsen
Vlissingen
204 714
Voerendaal
431
Voorne aan Zee
167
Voorschoten
156
Voorst
206
Vught
245
Waadhoeke
119
Waalre
269
Waalwijk
185
Waddinxveen
165
Wageningen
“158
Wassenaar
113
Waterland
277
Weert
331
West Betuwe
121
West Maas en Waal
381
Westerkwartier
119
Westerveld
80
Westervoort
131
Westerwolde
702
Westland
142
Weststellingwerf
157
Wierden
243
Wijchen
157
Wijdemeren
152
Wijk bij Duurstede
157
Winterswijk
124
Woensdrecht
337
Woerden
98
Wormerland
94 818
Woudenberg Zaanstad
179
Zaltbommel
94
Zandvoort
144
Zeewolde
378
Zeist
238
Zevenaar
703
Zoetermeer
B4
Zoeterwoude
296 138 246
Zuidplas
Zundert Zutphen
139
Zwartewaterland
230
Zwijndrecht
717
Zwolle
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E,‚ van der Burg
Staatscourant 2024 nr. 3320
31 januari 2024