8 3 Bijlage 2 Ontwerpbestemmingsplan F. Huycklaan 22c-26-26a.pdf
Tekst van het document
De in deze paragraaf beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Er wordt dan ook geconcludeerd dat er in dit geval geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. In afbeelding 10 wordt ingegaan op de beoordelingscriteria van bijlage III bij de "Europese richtlijn beoordeling projecten" weergegeven in relatie tot de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken.
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
27
Afbeelding 10: Beoordelingscriteria. Kenmerken van het project Omvang van het project (re- D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelatie met drempel D-lijst) lingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen: Bestemmingsplan: herontwikkeling/ woningbouwontwikkeling, het gaat om grondgebonden woningen. Cumulatie met andere projecten
Geen, het plan/ de ontwikkeling staat op zichzelf. Wel is aan de naastliggend perceel van het plangebied een woningbouwlocatie geprojecteerd van circa 36 appartementen.
Gebruik natuurlijke hulpbronnen
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen heeft daarom slechts betrekking op het functioneren van de woningen. Daarbij kan worden gedacht aan het gebruik van (fossiele) brandstoffen en water. Omdat de woningen gasloos worden is het gebruik van (fossiele) brandstoffen beperkt tot het eventuele verbruik van elektriciteitscentrales.
Productie afvalstoffen
Niet meer dan in iedere woonwijk het geval is.
Verontreiniging en hinder
Op enkele plekken is een verontreiniging geconstateerd in de bodem. Hiervoor is sprake van een saneringsverplichting. Er zijn geen belemmeringen voor het huidige gebruik en zijn er uit milieuhygiënisch oogpunt geen risico's aanwezig. Er is geen sprake van een spoedeisende sanering. Van belang is dat er voldaan wordt aan Besluit uniforme saneringen.
Risico van zware ongevallen Geen. en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering Risico's voor de menselijke gezondheid.
Geen.
Plaats van het project Bestaand grondgebruik
Bedrijfsgebouw, woning en weiland.
Rijkdom aan en kwaliteit en Niet van toepassing. regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied Opname vermogen milieu Uit de AERIUS-berekening (volgens het model 2019) blijkt dat geen met aandacht voor wetsprake is van toename in depositie (0,00 mol/ha/jaar) op stikstofgevoelands, kustgebieden, berg- lige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen de aanliggende en bosgebieden, reservaten Natura 2000gebieden. en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar Er is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoeksrapport milieunormen worden over- blijkt dat der geen archeologische resten zijn aangetroffen. De trefkans schreden, gebieden met ho- is echter nog wel aanwezig, hiervoor zal voor de omgevingsvergunning ge bevolkingsdichtheid, nader onderzoek worden uitgevoerd. Voorafgaand aan de uitvoering landschappelijk historisch van het onderzoek een Programma van Eisen opgesteld te worden. Dit cultureel of archeologische Programma van Eisen moet door ons worden goedgekeurd, zijnde het gebieden van belang. bevoegd gezag in dezen. Kenmerken van het potentiële effect Orde van grootte en het Het projectgebied bevindt zich in een bestaande wijk. Het woningbouwruimtelijk bereik van de ef- plan bestaat uit 10+13 grondgebieden woningen. Dit betekent dat er fecten (geografisch en geen significante toename van personen en verkeer zal zijn.
Er wordt grootte getroffen bevolking) ter plaatse voldoende parkeergelegenheid gecreëerd, zodat voor de parkeerbehoefte niet behoeft te worden teruggevallen op parkeergele-
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
28
genheid in de bestaande wijken. Het plan staat geen bodem belastende functies toe. Met het plan worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Door de amovering van een milieuhinderlijk bedrijf en het vervangen van de bedrijfsbestemming in een woonbestemming zal er sprake zijn van minder (milieu)belasting vanwege (zwaar) verkeer en werkzaamheden. Grensoverschrijdend karakter van het effect
Niet van toepassing. De effecten zijn beperkt tot de locatie zelf.
Intensiteit en complexiteit van het effect
Niet van toepassing. Uit het voorgaande blijkt dat er niet of nauwelijks sprake is van negatieve effecten ten gevolge van dit project.
Waarschijnlijkheid van het effect
Er worden geen onevenredige effecten voor de omgeving verwacht.
De verwachte aanvang, Er is sprake van de bouw van woningen. De effecten zijn blijvend. Zoals duur, frequentie en omkeer- echter al verwoordt in het voorgaande zijn deze effecten niet van dien baarheid van het effect aard dat sprake is van een onevenredige aantasting. De cumulatie van effecten met de andere projecten
Er kan sprake zijn van cumulatie van verkeerseffecten indien de aan de overzijde geprojecteerde woningbouw daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Dit zal echter niet leiden tot onaanvaardbare effecten.
De mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen
Zoals hiervoor gesteld is er geen sprake van doeltreffend te verminderen aanzienlijke effecten.
Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan. Uit toetsing van de bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn wordt ook voldaan aan de vereisten van een vormvrije m.e.r.-beoordeling en wordt met dit bestemmingsplan ook vastgelegd.
Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Derhalve zijn voor beide percelen bodemonderzoeken uitgevoerd. Ferdinand Huycklaan 22 Uit het vooronderzoek van het bodemonderzoek2 voor Ferdinand Huycklaan 22 blijkt dat op voorhand verwacht werd dat de vaste bodem op de locatie niet of slechts licht verontreinigd is. Op een locatie, direct naast de huidige onderzoekslocatie is in het verleden een tankinstallatie met olieopslag aanwezig geweest. Bij eerder bodemonderzoek is hier lichte verontreiniging in de bodem aangetroffen, die medio 1991, samen met de ondergrondse tank ver-
2
Amos Milieutechniek B.V., Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 in verband met de voorgenomen herontwikkeling van enkele percelen aan de Ferdinand Huycklaan 22c te Soest, 194.087.BR.21.ROS, Utrecht, 21 juni 2019
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
29
wijderd is. De bodem nabij de voormalige tankinstallatie en olieopslag is onderzocht als zijnde verdachte locatie. Het overige deel van de locatie is onderzocht conform een strategie voor een onverdachte locatie. In de boringen nabij de voormalige tankinstallatie en olieopslag, is organoleptisch geen verontreiniging waargenomen en is analytisch geen verontreiniging aangetoond. Uit één grondmengmonster voor het onverdachte deel van de locatie blijkt dat de resten/sporen baksteenhoudende zandlaag op de locatie licht verontreinigd is met lood, zink en PAK. De overige grondmengmonsters van de zintuiglijk schone zandige boven- en ondergrond, blijken te voldoen aan de generieke achtergrondwaarde. In het grondwater uit één peilbuis blijken enkele lichte verontreinigingen met barium en molybdeen voor te komen. De aangetoonde situatie is vergelijkbaar met de situatie zoals aangetoond bij eerdere bodemonderzoeken. Er zijn hoogstens lichte verontreinigingen aangetoond en er bestaan geen aanwijzingen dat op de locatie sterke verontreiniging, noch een geval van ernstige bodemverontreiniging voorkomt. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geeft geen beperkingen voor eventuele herinrichting van/nieuwbouw op de locatie. Wel dient opgemerkt te worden dat inpandig niet geboord is.
De verwachting is dat de situatie onder het bedrijfspand niet afwijkt van de vastgestelde situatie rondom het pand. Inpandig is de bodem immers afgedekt door middel van een gesloten betonvloer en derhalve minder vatbaar voor invloeden van bovenaf. Ter bevestiging van deze hypothese dient na sloop van de opstallen een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Dit zal de gemeente Soest als voorwaarde meennemen in de omgevingsvergunning. In verband met het aantreffen van puin dient in beginsel te worden uitgegaan van een asbestverdachte locatie. Op dergelijke locaties dient onderzoek naar asbest in grond conform NEN 5707 te worden uitgevoerd om één en ander uit te sluiten / te bevestigen tenzij voldoende gemotiveerd kan worden dat deze verdenking onterecht is. De aangetroffen bijmengingen in de bodem bestaan uitsluitend uit stukjes (resten/sporen) baksteen en/of kolengruis. Er zijn geen aanwijzingen dat deze eenduidige bijmenging vermengd is met asbesthoudend materiaal. Er zijn geen cementpuin, betonpuin of andersoortige potentieel verdachte bijmengingen waargenomen. In principe bestaat er op basis van de uitkomsten van het onderzoek geen directe aanleiding om voor de locatie een asbest in grond onderzoek conform NEN 5707 uit te voeren.
Ferdinand Huycklaan 26 Uit het vooronderzoek van het bodemonderzoek3 voor Ferdinand Huycklaan 26 blijkt op basis van de verzamelde historische gegevens dat de locatie als 'verdacht' dient te worden aangemerkt.
3
Hopman en Peters, Verkennend bodem- en asbestonderzoek Ferdinand Huycklaan 26 te Soest, P1700249, Zeist, 31 augustus 2017
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
30
In het onderzoek zijn lokaal in de bovengrond (0-0,5 m-mv) bodemvreemde bijmengingen aangetroffen in de vorm van resten baksteen. Dit betreft met name ter plaatse van het bebouwde perceel. In één inspectiegat, gesitueerd nabij de schuur, zijn stukjes asbestverdacht plaatmateriaal in de bovengrond aangetroffen. In de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) zijn analytisch licht verhoogde gehalten voor enkele zware metalen, PAK en PCB vastgesteld. Daarnaast is lokaal ok een licht verhoogd gehalte aan minerale olie gemeten. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium vastgesteld. In het grondwater uit de peilbuis die ter hoogte van Kerkstraat 85-87 is gezet, is geen verontreiniging met zijn geen verhoogde vluchtige chloorkoolwaterstoffen aangetoond. Het asfalt op de locatie is indicatief als teervrij te beschouwen. Volledige duidelijkheid omtrent het vaststellen of het asfalt teervrij is, kan pas worden verkregen na uitvoering van een onderzoek conform CROW 210. Geconcludeerd wordt, dat gezien het feit dat er gehalten boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond, de onderzoekshypothese 'verdacht' in de zin van de NEN 5740 aangenomen dient te worden. De resultaten van het NEN 5740-onderzoek geven echter geen aanleiding voor uitvoering van een nader bodemonderzoek. Ten aanzien van asbest wordt de in aanvang gestelde hypothese 'verdachte locatie' ook aangenomen.
Omdat de interventiewaarde wordt overschreden is ten aanzien van asbest sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Om meer inzicht in de omvang van de verontreiniging te krijgen wordt aanbevolen een aanvullend onderzoek te verrichten. In het najaar van 2019 is daarom een nader bodemonderzoek asbest en PFAS4 op de locatie Ferdinand Huycklaan 26 te Soest uitgevoerd. Het nader onderzoek is erop gericht aanvullende inzicht te verschaffen in: de omvang van de aangetroffen asbestverontreiniging ter plaatse van het verdachte inspectiegat uit het verkennende bodemonderzoek uit 2017; de kwaliteit te bepalen van de inspoelzone aan de zuidzijde van de aanwezige schuur op het perceel. Door de opdrachtgever is verzocht om aanvullend aan deze onderzoekvragen het volgende te onderzoeken: de concentratie van PFAS ter plaatse van het te saneren gebied rond het verdachte inspectiegat uit het verkennende onderzoek uit 2017. als PM-post mee te nemen de bodemkwaliteit (PFAS) ter plaatse van het gehele perceel in verband met de mogelijke toekomstige afvoer van grond bij de herontwikkeling van het gebied.
4
Hopman en Peters, Verkennend en nader onderzoek asbest NEN 5707, grondwater en PFAS Ferdinand Huycklaan 26 te Soest, P1900482, Zeist, 13 december 2019
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
31
De onderzoeksresultaten kunnen als volgt puntsgewijs worden samengevat: Asbest nader onderzoek rond inspectiegat uit het verkennende bodemonderzoek uit 2017: in één sleuf één soort plaatmateriaal aangetroffen. Het betreft plaatmateriaal dat 12,5% chrysotiel bevat; in diezelfde sleuf is naast plaatmateriaal in de fijne fractie van de grond ook een asbestconcentratie aangetoond van 168 mg/kg d.s. De gewogen concentratie van dit proefgat komt hiermee op 399,69 mg/kg d.s.; in de overige proefgaten/ sleuven is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen; uit de gegraven proefsleuven blijkt dat het niveau van voorkomen van bodemvreemde materialen/ongeroerde bodem zich bevindt op een diepte van 0,5 m -mv; in totaal zijn vijf proefsleuven/ -gaten separaat geanalyseerd. Hieruit blijkt dat ook in een andere proefsleuf een gemiddelde concentratie asbest wordt aangetroffen van 62,6 mg/kg d.s.
Omdat de bovengrens bij analysering boven de interventiewaarde uitvalt (101 mg/kg d.s.), wordt er vanuit gegaan dat ook in dit proefgat gehalten boven de interventiewaarde aanwezig (kunnen) zijn; in drie andere afperkende proefgaten is geen asbest boven de detectielimiet aangetroffen; op grond van de onderzoeksgegevens van het verkennende onderzoek is een afperkingverkregen van het asbestprobleem; op basis van de aanvullende onderzoeksresultaten wordt uitgegaan van een oppervlak van circa 24 m². Uitgaande van een laagdikte van 0,5 meter betreft het volume aan met asbest verontreinigde grond circa 12 m³. Asbest onderzoek inspoelzone Als inspoelzone is gedefinieerd een strook van 1 meter gemeten uit het hart van het overstek van de asbestplaat. Als lengte is aangehouden de lengte van de schuur: 15 meter. Over deze lengte zijn vijf proefgaten gemaakt tot 15 centimeter; tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn geen afwijkende waarnemingen gedaan in de vorm van asbestverdacht materiaal of andere toevoegingen; van het vrij gegraven materiaal is één mengmonster samengesteld en geanalyseerd; analytisch is er een concentratie vastgesteld van 716 mg/kg d.s.
Deze concentratie bevindt zich ruim boven de interventiewaarde; omdat de inspoelzone gedefinieerd is met een vaststaande breedte en lengte kan als oppervlakte van het verontreinigde gebied aangehouden worden 15 m². Rekening houdend met een veiligheidsmarge van 5 à 10 cm, wordt het verontreinigde volume geschat op 3,5-4 m³. Overige onderzoeksvragen In de onderzochte grond zijn verhoogde concentraties aan PFOS en PFOA vastgesteld. De gemeten waarden liggen boven de norm die zijn gesteld voor gebieden met de bodemfunctieklasse landbouw/ natuur; in het grondwatermonster zijn licht verhoogde concentraties aan barium, zink en naftaleen vastgesteld. Conclusies en aanbevelingen Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest ter plaatse van de inspoelzone en rond het inspectiegat van het verkennende onder-
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
32
zoek. De verontreiniging voldoende inzichtelijk. Actuele risico's dan de aanwezige verontreiniging zijn niet te verwachten omdat op beide deellocaties sprake is van grasland. Verwaaiing of direct contact met de aanwezige verontreiniging is niet mogelijk. In relatie met de voorgenomen gebruiksverandering naar woningbouw wordt aanbevolen beide asbestverontreinigingen te verwijderen.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Soest de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke (indicatieve) richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van een bestemmingsplan mogelijk is. Deze lijst ligt ook ten grondslag een de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals die als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan Landelijk Gebied is opgenomen. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering", kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de gewenste ontwikkelingen. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden standaard ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk.
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
33
Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 50 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.1 kan verlaagd worden tot 30 meter. Afbeelding 11: Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. milieucategorie richtafstand tot omgevingstype richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m
Het systeem van richtafstanden gaat dus uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocaties en omgevingstype rustige woonwijk of gemengd gebied. Situatie in het projectgebied Rondom het plangebied blijft nog een aantal bedrijfslocaties aanwezig waar bedrijven in milieucategorie 2 zijn gevestigd. Het perceel Ferdinand Huycklaan 20a wordt gebruikt door Stichting De Paardenkamp en op het perceel Kerkstraat 109 is CarXpert Huigen gevestigd. Daardoor is er sprake van een gemengd gebied en geldt een richtafstand van 10 meter. gehuisvest. De dichtstbijzijnde woningen met de vergunningvrije uitbouwmogelijkheden worden op een kortere afstand van deze bedrijfsactiviteiten gerealiseerd. Deze bedrijven behoren veelal tot milieucategorie 2 vanwege het aspect geluid. Omdat er in dit geval sprake is van een inbreidingslocatie, is uit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik er voor gekozen de woningen op een kortere afstand te situeren dan de richtlijn aangeeft. Bovendien zullen ook deze bedrijfslocaties naar verwachting op termijn worden getransformeerd tot woningbouwlocaties.
Om in de woningen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te komen, is overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai nader akoestisch onderzoek5 uitgevoerd om aan te tonen dat enerzijds de bestaande geluidrechten van de bedrijven in de directe omgeving worden gerespecteerd en dat anderzijds sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen. De geluidbelasting is daarbij bepaald uitgaande van een 'representatieve invulling van de maximale planologische mogelijk-
5
Kragten, Akoestisch onderzoek bedrijven Ferdinand Huycklaan 22c en 26 te Soest, 20191119RVO008-RAP-AKO-IL-3.0, Definitief, 's-Hertogenbosch, 19 november 2019
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
34
heden', waarbij tevens rekening is gehouden met de beperkingen die er al zijn door de aanwezigheid van bestaande woningen. In het onderzoek is ervan uitgegaan dat bedrijven vallen onder de vergunningssfeer van het Activiteitenbesluit met een aantal geluidvoorschriften. Voor wat betreft het Activiteitenbesluit hanteert de gemeente een richtwaarde van LAr;LT =50, 45 en 40 dB(A) voor resp. dag, avond en nacht. Voor de maximale niveaus is het uitgangspunt LAmax =70, 65 en 60 dB(A). Hoewel sprake is van geluidniveaus die, ter plaatse van de maatgevende woningen, meer bedragen dan de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-uitgave, zijn deze in de concrete situatie acceptabel aangezien: voor wat betreft de gevels waarop te hoge geluidniveaus optreden kan worden aangesloten bij de richtwaarden uit stap 3 van de VNG-uitgave: "Bedrijven en milieuzonering"; alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel, waar het geluidniveau niet meer bedraagt dan de grenswaarden voor gebiedstype 'gemengd gebied' uit stap 2 van de VNGpublicatie. de (geluidbelaste) gevels dienen conform het Bouwbesluit uitgevoerd te worden met een geluidwering van minimaal 20 dB(A). De geluidniveaus in de woningen voldoen daardoor aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Hoewel sprake is van geluidniveaus die, ter plaatse van de maatgevende woningen, meer bedragen dan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn deze in de concrete situatie acceptabel aangezien: aangetoond is dat aan de criteria met betrekking tot het stellen van maatwerkvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan en dat aan de ontheffingswaarde van maximaal 55 dB(A) ten aanzien van het optredende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kan worden voldaan. Het bevoegd gezag kan op grond hiervan maatwerkvoorschriften vaststellen voor een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 52 dB(A) etmaalwaarde vanwege de activiteiten op het perceel Ferdinand Huycklaan 20a; de (geluidbelaste) gevels dienen conform het Bouwbesluit uitgevoerd te worden met een geluidwering van minimaal 20 dB(A). De geluidniveaus in de woningen voldoen daardoor aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
door middel van een scherm kunnen de optredende maximale geluidniveaus voldoende verlaagd worden om te voldoen aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer; als maatregelen aan de bron en in de overdracht niet mogelijk dan wel wenselijk zijn kan de noordgevel van de maatgevende woning als zogenaamde 'dove' gevel, een gevel zonder te openen delen, uitgevoerd worden waarop de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn dan wel kunnen maatwerkvoorschriften vastgesteld worden voor een maximaal geluidniveau van 67 dB(A) in de avondperiode. Conclusie Uit het oogpunt van milieuzonering zijn geen belemmeringen voor de bouw van nieuwe woningen in het plangebied.
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
35
In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs een aantal wegen geluidzones, waarbinnen in het geval van nieuwe geluidgevoelige functies onderzoek moet worden gedaan naar de geluidbelasting. De wegen rondom het plangebied zijn onderdeel van een 30 km/uurgebied. Het plangebied ligt echter ook binnen de geluidszone van de Kerkstraat waarvoor een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. Deze weg heeft derhalve een geluidszone. Derhalve is akoestisch onderzoek6 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat, ten gevolge van verkeer op de Kerkstraat, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder ter plaatse van één woning binnen het plangebied wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Vanwege de overige wegen in de omgeving bedraagt de geluidbelasting niet meer dan 48 dB. Ten gevolge van het wegverkeer op 30 km/uur-wegen voldoet de geluidbelasting ter plaatse van alle woningen in het plangebied aan de voorkeursgrenswaarde. De geluidbelasting inclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder bedraagt niet meer dan 48 dB. Er is onderzocht in hoeverre er maatregelen mogelijk zijn om de geluidsbelasting te reduceren. Deze stuiten op overwegende bezwaren van bouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Derhalve dient voor één woning vanwege verkeer op de Kerkstraat een hogere waarde aangevraagd te worden. De aan te vragen hogere waarde bedraagt 50 dB. De woning waarvan een hogere waarde wordt aangevraagd voldoet aan de eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt is er, indien voor één woning een hogere waarde wordt verleend, ten aanzien van wegverkeerslawaai geen belemmering voor het realiseren woningbouw in het plangebied.
Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving voor luchtkwaliteitseisen beschreven in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm). Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens de nieuwe wet niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor fijn stof en NO2. Voor woningbouw ligt de 3%-grens op 1.500 woningen.
6
Kragten, Akoestisch onderzoek wegverkeer Ferdinand Huycklaan 22c en 26 te Soest, 20190405RVO008-RAP-AKO-VL-2.0, Definitief, 's-Hertogenbosch, 17 april 2019
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
36
Omdat in het plangebied het aantal woningen met 22 toeneemt, kan worden geconcludeerd dat uit het oogpunt van het 'Wet luchtkwaliteit' er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit is niet van invloed op de plannen in het projectgebied.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Door de afwezigheid van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen in de directe omgeving (bron: risicokaart) van het bouwplan, voldoet de ontwikkeling aan de eis voor het plaatsgebonden risico (artikel 5 van het BEVI). Afbeelding 12: Fragment risicokaart.
Aan de hand van de landelijke risicoatlas kan worden geconcludeerd dat er geen route gevaarlijke stoffen nabij het plangebied aanwezig is. De locatie ligt op meer dan 500 meter vanaf de dichtstbijzijnde route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie Uit het oogpunt van externe veiligheid is er geen belemmering voor de realisatie van 22 extra woningen in het plangebied.
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
37
4.3.
Water
Watertoets Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Algemeen Op 4 september 2019 is de digitale watertoets doorlopen. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat zo veel mogelijk hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet of niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) worden voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. De gemeente hanteert voor nieuwbouw een ontwateringsnorm van 90 cm (gemeten tussen de GHG en de onderkant van de vloer). Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van het waterschap toe te passen. Daarnaast heeft de gemeente Soest het convenant afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug ondertekend.
Dit betekent dat de leidraad die aan dit convenant ten grondslag ligt bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het werkingsgebied in acht moet worden genomen.
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
38
Proces In het kader van de planontwikkeling is op 4 september 2019 de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) doorlopen. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A-watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan is per e-mail op 7 januari 2020 door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Het waterschap is niet de enige waterbeheerder. Gemeenten hebben een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater in bebouwd gebied. Daarmee is de gemeente ook een waterbeheerder en moet zij ook worden geconsulteerd in het kader van de watertoets. De handreiking watertoets stelt namelijk dat alle relevante waterbeheerders moeten worden geconsulteerd. Omdat dit een uitvoeringsaspect betreft, zal voordat de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, de gemeente over deze onderwerpen worden geconsulteerd. De afspraken die in dat kader worden gemaakt, zullen bij de uitwerking van het bouwplan worden gebruikt.
4.4.
Natuurwaarden
Per 1 januari 2017 is de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de voormalige tabellen 1, 2 en 3 (Flora- en faunawet) waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Voor beide plandelen is afzonderlijk ecologisch onderzoek7,8 uitgevoerd. Gebiedsbescherming Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied is Arkemheen op een afstand van meer dan 9 kilometer. De afstand tot de meest nabijgelegen NNN is ongeveer 1,4 kilometer. Omdat het projectgebied op ruime afstand van beschermde gebieden ligt, heeft het bouwplan uiteraard geen invloed op de natuurwaarden in die beschermde gebieden.
Op basis van landelijk beleid wordt de nieuwbouw gasloos uitgevoerd en daarom wordt voor de verwarming van de nieuwe bebouwing, ter plaatse van het plangebied, geen stikstof uitgestoten. In verband met de planontwikkeling is een stikstofberekening gemaakt met de Ae-
7
8
Dresmé&vanderValk, Quickscan Wet natuurbescherming Ferdinand Huycklaan 22b/c te Soest, IJmuiden, 25 juni 2019 Staro BV, Quickscan flora en fauna Ferdinand Huycklaan 26 te Soest, 18-0346, Gemert, oktober 2018
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
39
riuscalculator. De AERIUS-berekening9,10 voor de aanleg- en gebruiksfase afzonderlijk alsmede gezamenlijk toont aan dat geen sprake is van toename in depositie (0,00 mol/ha/jaar) op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie als het gevolg van het plan vormt daarom geen strijdigheden met de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van stikstofdepositie is het plan daarom uitvoerbaar. Er zijn verder geen vervolgstappen nodig ten aanzien van stikstof. Soortenbescherming In het onderzoek voor de Ferdinand Huycklaan 22b/c wordt geconstateerd dat het plangebied volledig verhard is. Daarom kunnen beschermde plantensoorten, vissen, amfibieën en reptielen, grondgebonden zoogdieren, insecten en ongewervelden op voorhand worden uitgesloten. Omdat het pand met gevels van stalen damwandprofielen en een plat dak ongeschikt is voor vleermuizen, is geen nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig voor vleermuizen. Ook is het te slopen gebouw ongeschikt als broedlocatie voor huismus en gierzwaluw, vanwege het ontbreken van geschikte holtes en openingen in de gevels en daken. Er is evenmin geschikt broedbiotoop voor steenuil en ransuil aanwezig. Een nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming is ook voor huismus en gierzwaluw niet nodig.
In de aanwezige coniferen kunnen mogelijk algemene vogelsoorten tot broeden komen. Indien het groen wordt verwijderd, wordt geadviseerd om dit voor 15 maart of na 15 juli uit te voeren. Met deze planning wordt voorkomen dat nesten worden beschadigd en dat sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming. Uit het onderzoek voor de Ferdinand Huycklaan 26 blijkt dat het plangebied geschikt is als broed- en foerageergebied voor algemene soorten vogels. De voorgenomen plannen hebben geen negatieve effecten ten aanzien van foerageer- en/of broedgebied. Indien vogels aan het broeden zijn, kan het verwijderen van bomen en struiken niet plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Door bomen en struiken buiten het broedseizoen (globaal van half maart tot en met juli) van vogels te verwijderen/snoeien wordt voorkomen dat negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig. Het plangebied vormt mogelijk onderdeel van het grotere foerageergebied van ransuil en/of steenuil. Aangezien het plangebied slechts een klein deel van dit foerageergebied betreft en er voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn in de omgeving, zijn effecten op foerageergebied van ransuil, en steenuil uit te sluiten.
Het plangebied aan de Ferdinand Huycklaan 26 is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Naar aanleiding van deze constatering is nader vleermuisonderzoek11 uitgevoerd om
RVO, Berekening Aeriuscalculator Ferd.Huycklaan 26, 3768HX Soest, Aeriuskenmerk RaoHHdrqpH4i, Soest, 6 december 2019 10 RVO, Berekening Ferd.Huycklaan 22b, 3768HX Soest, 3768HX Soest, Aeriuskenmerk S5Uw45ioqbDX, Soest, 6 december 2019 11 Ecogroen, Vleermuisonderzoek Ferdinand Huycklaan 26, Soest, 19-215, concept, Amersfoort, 15 november 2019 9
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
40
vast te stellen of en zo ja, waar zich vaste verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden en welke functie deze hebben. Tevens is onderzocht of zich in het plangebied foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen bevinden. Uit het onderzoek blijkt dat er geen vaste verblijfplaatsen zijn aangetroffen in het plangebied. Bij uitvoering van voorgenomen werkzaamheden worden geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden ten aanzien van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Vervolgstappen ten aanzien van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aan de orde. Boven het plangebied zijn ook geen vaste vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden geen opgaande structuren verwijderd die van belang kunnen zijn als belangrijke vliegroute voor vleermuizen. In de omgeving zijn bovendien voldoende alternatieve, geleidende elementen aanwezig in de vorm van opgaande beplanting en bebouwing. Ook gaat geen onmisbaar foerageergebied verloren, aangezien alternatief foerageergebied in de vorm van bebouwing, opgaand groen en open ruimte in ruime mate in de omgeving aanwezig is. Vervolgstappen ten aanzien van vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn niet aan de orde.
Mogelijk behoort het plangebied tot het leefgebied van een aantal grondgebonden zoogdieren van §3.3 Wet natuurbescherming: konijn, vos, steenmarter, hermelijn, wezel, egel en algemene (spits)muizensoorten. De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op de leefgebieden van deze soorten. De directe omgeving van het plangebied blijft voor deze soorten geschikt als (onderdeel van) het leefgebied. Soorten die in het plangebied aanwezig zijn kunnen worden verstoord als gevolg van de werkzaamheden. Voor deze soorten geldt in de provincie Utrecht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. De amfibiesoorten gewone pad en bruine kikker (§3.3 Wet natuurbescherming) gebruiken het plangebied mogelijk als leefgebied. De voorgenomen plannen hebben tot gevolg dat het leefgebied van deze soorten kleiner wordt en dat soorten mogelijk worden verstoord. Ook voor deze soorten geldt in provincie Utrecht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen voor deze soorten. Om negatieve effecten op mogelijk overwinterende amfibieën te voorkomen, dienen elementen als stenen en hout opgeruimd te worden buiten de overwinteringsperiode van amfibieën.
Deze periode loopt van november tot en met februari. Conclusie De natuurwaarden vormen geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.5.
Archeologie
Op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Soest is het plangebied aangewezen als archeologisch waardevol verwachtingsgebied 2(AWV2), waarbij onderzoek noodzake-
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
41
lijk is bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm – mv. Derhalve is voor beide plandelen afzonderlijk archeologisch onderzoek12,13 uitgevoerd. Ferdinand Huycklaan 22 Op basis van het bureauonderzoek voor Ferdinand Huycklaan 22 geldt een hoge archeologische verwachting voor een eventueel aanwezig bouwlanddek en de top van de hier onder gelegen pleistocene afzettingen. In een eventueel aanwezig bouwlanddek kunnen archeologische resten worden aangetroffen uit de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd die verband houden met agrarisch grondgebruik. Hierbij kan gedacht worden aan resten van Middeleeuwse boerenerven in de vorm van (paal)gaten, waterputten, greppels, en sporen van landbewerking. Op basis van de historische kaarten en het bouwarchief van Soest worden in het oostelijke deel van deelgebied C resten van twee gebouwen uit de Nieuwe tijd verwacht. In de top van de pleistocene afzettingen kunnen archeologische resten worden aangetroffen vanaf het Paleolithicum tot en met de Nieuw tijd. Het plangebied bevindt zich op een overgangszonde tussen een hoog gelegen top van een stuwwal aan de westelijke zijde en een lager gelegen vallei aan de oostelijke zijde. Dit soort overgangszone blijken al vanaf het Paleolithicum aantrekkelijke plaatsen te zijn geweest voor bewoning.
Archeologische resten uit het Paleolithicum – Mesolithicum kunnen bestaan uit nederzettingsresten die te herkennen zijn aan vuursteenclusters, losse vondsten en (haard)kuilen. Resten uit latere periodes (Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen) kunnen bestaan uit losse vondsten en nederzettingsresten in de vorm van huisplattegronden, (paal)gaten, greppels, (water)kuilen en putten en sporen van landbewerking. Op basis van het bezoek aan het bouwarchief en de historische kaarten is de verwachting dat de huidige bebouwing tot op onbekende diepte de ondergrond verstoord heeft. In het plangebied is een karterend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het karterende booronderzoek bestaat de pleistocene ondergrond uit dekzand. Op de pleistocene ondergrond bevindt zich in een deel van het plangebied een oud bouwlanddek. Op basis van de archeologische indicatoren die zijn aangetroffen kan het bouwlanddek in de Late Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd gedateerd worden. Hoewel het karterende booronderzoek heeft aangetoond dat er sprake is van een archeologisch relevant niveau, een deels intact bouwlanddek, blijkt uit het onderzoek ook dat de ondergrond voor een groot deel verstoord is door (sub)recente bouwwerkzaamheden. Op basis van het bureau- en booronderzoek is de archeologische verwachting voor het grootste deel van het plangebied bijgesteld naar laag.
Er is echter ook een gedeelte van circa 1.300 m² aanwezig waarin een deels intact bouwlanddek is aangetroffen. Voor dit deel geldt dat de hoge archeologische verwachting voor zowel het bouwlanddek als de daaronder gelegen top van het pleistocene dekzand intact blijft. Voor dit
Salisbury Archeologie b.v., Soest, Plan Ferdinand Huycklaan deelgebied B en C (gemeente Soest) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterende fase) (IVO-O), Salisbury Archeologisch Rapport 247, Assen, 24 april 2019 13 ADC ArcheoProjecten, Ferdinand Huycklaan 26 te Soest Een bureauonderzoek, ADC Rapport 4972, Amersfoort, 25 juli 2019 12
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
42
deel van het plangebied wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek-Proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Het verkennend booronderzoek heeft uitgewezen dat er sprake is van twee archeologisch relevante niveaus in het plangebied. Voor beide niveaus geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten. De algemene doelstelling van het proefsleuvenonderzoek is het achterhalen of er een archeologische vindplaats voorkomt binnen het plangebied. Als dit het geval is dient de aard en de begrenzing ervan nader gespecificeerd te worden. Uiteindelijk dient dit te resulteren in een waardering van de vindplaats mocht deze aanwezig zijn. Ook voor het vrij te geven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ferdinand Huycklaan 26 Op basis van het bureauonderzoek voor Ferdinand Huycklaan 26 wordt verwacht dat er in het afgetopte bodemprofiel onder het aanwezige esdek (circa 80 cm –Mv) nog sporen aanwezig kunnen zijn uit de periode Paleolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen.
In de top van het esdek (0-50 cm –mv) kunnen archeologische resten vanaf de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd aangetroffen worden. Daarom wordt geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
4.6.
Kabels en leidingen
Voor planologisch relevante leidingen gelden verschillende beschermings- en veiligheidsafstanden waar in de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden. Op het perceel bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen. Ook in de nabijheid van het perceel zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig. Kabels en leidingen vormen derhalve geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan.
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
43
Hoofdstuk 5. Planologisch juridische regeling 5.1.
Inleiding
Het voorliggende bestemmingsplan sluiten aan op de regels van het bestemmingsplan Buitengebied, met dit verschil dat de bij het voorliggende bestemmingsplan behorende regels en verbeelding zijn opgesteld volgens de SVBP-2012 (en overige standaarden). Dit heeft vooral betrekking op de gebruikte begrippen en de aanduidingen. In de regels worden de bestemmingen Tuin (artikel 3) en Wonen (artikel 4) aan het gebied toegekend. Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, een set regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
5.2. Toelichting De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het plan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
5.3. De regels Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Het bestemmingsplan bevat slechts regels die voor het voorliggende plan van toepassing zijn (inclusief inleidende-, algemene-, overgangs- en slotregels). Artikel 1 en 2 In artikel 1 zijn de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd, en artikel 2 bevat de wijze van meten en berekenen. Artikel 3 - Tuin De onbebouwde gronden en gronden bij een woning hebben de bestemming "Tuin" gekregen. Hier mogen in beginsel geen gebouwen mogen worden gebouwd, met dien verstande, dat een erker aan de voor- en zijgevel van een hoofdgebouw onder voorwaarden is toegestaan. Artikel 4 - Verkeer Het openbaar gebied, de wegen en het openbaar groen, hebben de bestemming "Verkeer". Binnen deze bestemming zijn ook nog bermen, trottoirs, fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen opgenomen. Artikel 5 - Wonen De woning met het daarbij behorende achtererf en in samenhang daarmee de uitoefening van beroepen en( kleinschalige) bedrijven aan huis, zijn bestemd voor "Wonen".
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
44
In de bouwvlakken zijn de bouwaanduidingen 'vrijstaand' en 'twee-aaneen' aangegeven, zodat uitsluitend (half)vrijstaande woningen zijn toegestaan. De maximum goot- en bouwhoogte van de woning is op de verbeelding vastgelegd. Bijbehorende bouwwerken: Aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen deze woonbestemming, zowel binnen als buiten de bouwvlakken worden gebouwd. Beroep aan huis: Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis, zoals dat in de begrippen is omschreven, is als recht toegestaan in de bestemming "Wonen". Om te voorkomen dat de beroepsuitoefening de woonfunctie zou kunnen overheersen, is deze aan een maximale vloeroppervlakte gebonden binnen de woning en de bijbehorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen. Artikel 6 Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2 De dubbelbestemming "Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2" is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Deze dubbelbestemming is erop gericht dat voorafgaand aan het bouwrijp maken, een archeologisch proefsleuvenonderzoek plaatsvindt. Afhankelijk van de resultaten is mogelijk vervolgonderzoek noodzakelijk. Artikel 7 Antidubbeltelbepaling In de regels is een bepaling opgenomen om te voorkomen dat gronden die bij een eerder bouwplan reeds in aanmerking zijn genomen voor het toestaan van het bouwplan nogmaals meegeteld worden.
Artikel 8 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is bepaald dat een bestaande en afwijkende maatvoering en situering mag worden gehandhaafd. Daarnaast zijn regels opgenomen over het overschrijden van de denkbeeldige dakvlakken en met betrekking tot onderkeldering. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling wordt voor een aantal zaken expliciet aangegeven, dat deze als strijdig gebruik worden aangemerkt en daarmee onder het verbod vallen zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wabo. Indien in een bepaald geval gebruik in strijd met bijvoorbeeld de doeleindenomschrijving van een bestemming of met een verleende vrijstelling wordt geconstateerd, dan is er sprake van een overtreding, waartegen kan worden opgetreden. Aangezien seksinrichtingen vanaf 1 oktober 2000 als een normale bedrijfs-/dienstverlenende activiteit worden aangemerkt, dient het bestemmingsplan zich expliciet uit te spreken over het al of niet bieden van mogelijkheden voor vestiging van dergelijke inrichtingen. De gemeente Soest kent de regeling, dat seksinrichtingen in alle bestemmingsplannen zijn uitgesloten, met uitzondering van één bestaande massagesalon aan de Lange Brinkweg. In het onderhavige plangebied worden dergelijke inrichtingen niet gewenst geacht. Ze zijn dan ook expliciet voor alle overige bestemmingen als strijdig gebruik aangemerkt.
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
45
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels Omdat vooralsnog de realisatie van woningbouw op het perceel Ferdinand Huycklaan 20a nog niet vastligt, is langs de noordrand van het plangebied de aanduiding 'verkeer' aangegeven, zodat hier (vooralsnog) een ontsluiting van het gebied kan worden aangelegd. Als die ontsluiting voor de woningbouw op het perceel Ferdinand Huycklaan 20a op termijn wordt gerealiseerd, kunnen de gronden met die aanduiding 'verkeer' overeenkomstig de onderliggende woon- en tuinbestemming worden gebruikt. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Het plan bevat een algemene afwijkingsbevoegdheid om een aantal nodige zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken. Het betreft met name overschrijdingen van maten en percentages. Daarnaast zijn afwijkingsregels voor mantelzorgwoningen en kangoeroewoningen opgenomen. Artikel 13 Algemene wijzigingsregels Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro. Daarmee kunnen bestemmings- en bouwgrenzen en grenzen van aanduidingen op de verbeelding in beperkte mate worden verschoven. Ook na een aanpassing van de beleidsnota parkeren of de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart kan het plan worden gewijzigd.
Artikel 14 Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw bestemmingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke bepalingen zijn bindend voorgeschreven in artikel 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Deze overgangsrechtelijke bepalingen dienen om te waarborgen, dat een bestaand bouwwerken of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd, totdat in de loop van de planperiode wordt beslist over sloop respectievelijk beëindiging. Bouwwerken en gebruiksvormen, die al in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft een optie. Artikel 15 Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
5.4. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. De analoge verbeelding is getekend op schaal 1:1000.
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
46
Hoofdstuk 6. Uitvoerbaarheid 6.1.
Economische uitvoerbaarheid
Conform artikel 6.12, lid 1 Wro dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeenteraad kan afzien van het vaststellen van een exploitatieplan indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De economische uitvoerbaarheid komt volledig voor de rekening van de initiatiefnemers. De gemeente Soest en de initiatiefnemers zullen een overeenkomst afsluiten waarin het planschadeverhaal is opgenomen, waardoor de gemeente planschadeclaims bij de initiatiefnemer kan verhalen. Voor de gemeente Soest zijn er geen financieel-economische gevolgen als gevolg van de realisatie van het bouwplan.
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omwonenden en eigenaren van bedrijven rondom Ferdinand Huycklaan 22B/C zijn -voorafgaand aan de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan uitgenodigd voor een informatieavond op 20 mei 2017. Op die avond waren 21 personen van de ongeveer 60 genodigden aanwezig. Op 24 mei 2018 is er een participatieavond geweest voor de herontwikkeling van Ferdinand Huycklaan 22B/C, 26-A en Kerkstraat 85-87 te Soest. Daar is goede en bruikbare feedback verkregen. Aanvullend daarop zijn de bezoekers in de gelegenheid gesteld om een enquête in te vullen (voor 23 juni 2018). Er zijn ongeveer 80 adressen aangeschreven en er waren 39 personen aanwezig op de avond. Achteraf zijn 5 enquêtes ingevuld. In zijn algemeenheid werd het plan goed ontvangen, omdat op grond van eerdere feedback de plannen waren aangepast (onder ander geen appartementen, integrale afstemming van beide plandelen en minder woningen). Ferdinand Huijcklaan 26a Met betrekking tot de ontwikkeling van Ferdinand Huijcklaan 26a zijn met name opmerkingen gemaakt over de toename van het verkeer en de stedenbouwkundige opzet. Ten aanzien van het verkeer zijn omwonenden bang dat de verkeersintensiteit erg toeneemt. Zoals in paragraaf 3.2.2 is aangetoond is er in absolute aantallen sprake van een beperkte toename van de verkeersintensiteit.
Doordat de bedrijven verdwijnen, zal bovendien het aandeel vrachtverkeer vrijwel tot nul gereduceerd worden. De toename van de verkeersaantrekkende werking kan op het omliggende wegennet goed worden verwerkt en is derhalve aanvaardbaar. Verder vraagt een aantal omwonenden zich af of de bebouwing goed past tussen de bestaande bebouwing. Aan de Ferdinand Huijcklaan is de bebouwing in het lint in de daar verspringende rooilijn geplaatst. De bebouwingstypologie van de woningen sluit aan op bebouwing die in de omgeving aanwezig is. Ook de kavelgrootte is vergelijkbaar met die in de directe omgeving. Doordat vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen worden gebouwd, voegt de nieuwe bebouwing zich naar de bebouwing in de omgeving. Uiteraard betekent de bebouwing van het weiland dat het uitzicht verandert en dat er een bepaalde mate van verstening plaatsvindt. De gemeente heeft hiertoe overigens in 2015 al een principebesluit ge-
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
47
nomen. Op het perceel Ferdinand Huycklaan 22c is er daarentegen sprake van een afname van de bebouwing. Daarnaast is de vraag gesteld of woningbouw mogelijk is binnen de milieucontour van de bedrijven rondom het plangebied. Uit onderzoek (zie paragraaf 4.2.3) is gebleken dat die bedrijven geen belemmering vormen voor die woningbouw. Ten slotte is gevraagd of er vluchtwegen zijn tussen de bedrijfshal en de tuinen? Waar van toepassing zal een achterpad worden aangelegd. De planontwikkeling heeft geen invloed op de huidige vluchtwegen. Ferdinand Huycklaan 22c Voor wat betreft de toename van de verkeersintensiteit, de stedenbouwkundige inpassing, de vluchtwegen en de milieuzonering zijn vergelijkbare opmerkingen gemaakt met de opmerkingen over Ferdinand Huijcklaan 26a. Voor de reactie op die opmerkingen wordt naar de bovenstaande alinea's verwezen. Verzocht is om 2 huizen iets naar achter te schuiven zodat deze verder van de weg staan. In het uiteindelijke stedenbouwkundig ontwerp zijn de betreffende woningen naar achter geschoven. Gevraagd is in hoeverre er sprake is van een verslechterende luchtkwaliteit? In paragraaf 4.2.5 van deze toelichting is aangetoond dat daarvan gene sprake is. Doordat het vrachtverkeer afneemt, is er naar verwachting zelfs sprake van een lichte verbetering ten opzichte van de huidige situatie.
Zolang op het perceel van de Paardenkamp niet in de ontwikkeling participeert, is het geen ideaal plan. Op zich is die constatering terecht. Het is echter niet mogelijk om een andere eigenaar te dwingen te participeren in de ontwikkeling. Wel is de stedenbouwkundige opzet zodanig ingepast dat deze een toekomstige ontwikkeling van dit perceel niet in de weg staat. Zo kan bijvoorbeeld in van de ontsluitingswegen hiervoor worden gebruikt. Als de bedrijfsloods op het perceel van de Paardenkamp gehandhaafd blijft, is een erfafscheiding noodzakelijk. Ook deze constatering is correct. Een oplossing hiervoor zal te zijner tijd met de individuele eigenaren worden besproken. Conclusie Een deel van de gemaakte opmerkingen is gebruikt om het plan verder te verfijnen. De overige opmerkingen vormden geen aanleiding voor aanpassingen van de stedenbouwkundige opzet.
6.3.
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter visie gelegd. Tijdens die periode kan een ieder een zienswijze indienen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Eventuele zienswijzen worden te zijner tijd in deze paragraaf samengevat en beantwoord.
Ontwerp Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
Regels
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
3 3 8
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Bestemmingsregels Tuin Verkeer Wonen Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2
9 9 11 12 15
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
18 18 19 21 22 23 24 25
Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotbepaling
26 26 27
Bijlagen bij regels
29
Bijlage 1
31
Staat van Bedrijfsactiviteiten aan huis
ontwerp gemeente Soest - bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan: het bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 22c en 26/26a met identificatienummer NL.IMRO.0342.BPSOE0055-0201 van de gemeente Soest.
1.2
bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
1.3
aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar -ingevolge de regels- regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.