7. Bijlage 6 Startnotitie Groen en Landschap
Tekst van het document
3.5 Strategie en afwegingskader Bij de keuze voor een te nemen maatregel moet over de grenzen van het programma Groen en landschap heen gekeken worden. Daarbij zullen maatregelen die ook bijdragen aan andere programma’s meer voor de hand liggen. Daarbij zal tevens blijken dat niet op elke plek alle doelstellingen optimaal behaald kunnen worden en niet elke maatregel bijdraagt aan andere beleidsdoelstellingen buiten het programma Groen en landschap. Het koppelen van kansen verhoogd de effectiviteit van te nemen maatregelen. Op dit moment sluiten we nog geen maatregelen of oplossingsrichtingen uit, maar gaan (en staan) voor de gestelde doelstellingen en de hierbij behorende optimale aanpak. In de uitwerking van het omgevingsprogramma maken we vervolgens keuzes, dan wel zullen we er voor kiezen sommige uitwerkingen of maatregelen te temporiseren / faseren / achtereenvolgens te realiseren. Daar waar belangen tussen de verschillende programma’s tegenstrijdig zijn, zullen bestuurlijk keuzes gemaakt moeten worden. Vooralsnog is het beeld van mogelijk tegengestelde belangen niet concreet, zo ook het afwegingskader niet. Op grond van de Global Goals is in 2016 een model ontwikkeld dat zou kunnen dienen als afwegingskader, de zogenaamde ‘Wedding cake’. In dit model wordt uitgegaan van de randvoorwaardelijkheid van de biosfeer voor de maatschappij en economische activiteiten.
Simpel gesteld: zonder aandacht voor de biosfeer is er eenvoudig geen maatschappij of economie meer mogelijk.
Wedding Cake bij de Global Goals
24
Met het omgevingsprogramma Groen en landschap willen we een aantal doelen bereiken (zie paragraaf 1.3). We onderscheiden in het programma straks meerdere strategieën om uitvoering te geven aan onze doelen, namelijk: 1. Reguleren, bijvoorbeeld met het beleid rondom het beschermen en kappen van bomen. 2. Faciliteren, bijvoorbeeld door het aanleggen van groen en planten van bomen. 3. Stimuleren, bijvoorbeeld voor het aanleggen van kleine landschapselementen langs landbouwgronden of het vergroenen van particuliere tuinen. 4. Zelf uitvoeren, bijvoorbeeld door als werkgever het goede voorbeeld te geven. We zetten daarbij ook verschillende instrumenten in. Een uitvoeringsprogramma bestaat waarschijnlijk uit fysieke maatregelen in de openbare ruimte. Daarnaast zetten we ook juridische instrumenten in, zoals de regels rondom het kappen van houtopstanden in het omgevingsplan, en (mogelijk) ook financiële instrumenten, zoals subsidie voor het aanleggen van kleine landschapselementen. We verwachten dat tijdens het proces een groot aantal maatregelen naar voren komt. Bij het samenstellen van het uitvoeringsprogramma maken we daarin keuzes, leggen we prioriteiten (fasering) en scoren we de maatregelen op de volgende criteria: •
•
•
•
• •
25
Oplossend vermogen: Draagt de maatregel bij aan één of meerdere doelen van het omgevingsprogramma Groen en landschap? Daarbij wegen ook negatieve effecten voor andere doelen van het omgevingsprogramma Groen en landschap of voor de doelen van andere omgevingsprogramma's mee. Draagvlak: Is er maatschappelijk (bij verschillende doelgroepen) en politiek draagvlak voor de maatregel? Zijn direct betrokkenen bereid om aan de maatregel mee te werken? Haalbaarheid: Is de maatregel voldoende concreet? Als dit niet het geval is, is de maatregel te vervangen door een vervolgonderzoek waarin de maatregel concreet gemaakt kan worden? Uitvoerbaarheid: Is de maatregel vanuit het perspectief van de gemeente uitvoerbaar? Voor het planten van andere soorten beplanting of bomen in het openbaar gebied staan we zelf aan de lat, maar voor het vergroenen van particuliere tuinen niet. Kosten: Hoe duur is de maatregel en wie moet daarvoor betalen? Is de maatregel door de gemeente te financieren en is de maatregel kosteneffectief? Planning: Op welke termijn is de maatregel uitvoerbaar? We onderscheiden maatregelen in perioden van 6 jaar, namelijk 2024 t/m 2029, 2030 t/m 2035 en na 2035.
3.6 Eindresultaat In het omgevingsprogramma Groen en landschap gaan we in op het hoe. “Hoe behouden we het groene en dorpse karakter van de gemeente en hoe versterken we de kwaliteit van de groene leefomgeving?” Daarbij stellen we onder meer waardenkaarten op en brengen we ‘De Natuurlijke Aard’ van Soest in beeld. Dit leidt tot samenhangende keuzes in beleid en in te nemen maatregelen en projecten. Het omgevingsprogramma Groen en landschap vormt de kapstok voor de verder uitwerking van thema’s onder stedelijke groen, landschap en natuur en geeft de samenhang en het totaalkader weer. Het omgevingsprogramma Groen en landschap wordt een compact, positief en inspirerend geschreven document. We zorgen voor een fris en visueel aantrekkelijk stuk door inzet van een grafisch vormgever en professionele fotografie. In het document krijgen een visiekaart en overzichtskaarten een centrale plek. Deze kaarten moeten lange lappen tekst helpen vervangen. In het stuk komen geen uitgebreide verantwoordingen en vakjargon proberen we zoveel mogelijk te vermijden. Onderzoeksresultaten en verantwoording van onze werkwijze komen waar mogelijk in bijlagen. In het omgevingsprogramma Groen en landschap staan de maatschappelijke doelen die we willen bereiken centraal en wordt aangegeven hoe we dit willen bereiken.
Kostenverhaal De programma’s Wonen en Werken leiden uiteindelijk tot initiatieven en projecten, waarvoor allerlei maatregelen binnen het fysieke domein (vanuit de programma’s Groen, Water, Mobiliteit en Energietransitie) nodig zijn en waar dus kosten aan hangen. De gemeente is verplicht om deze kosten te verhalen op (woning)bouwprojecten. Lukt dat niet privaatrechtelijk (via een anterieure overeenkomst met bijvoorbeeld een ontwikkelaar) dan moet dat publiekrechtelijk. Indien gebruik wordt gemaakt van de publiekrechtelijke regeling zal het bevoegde bestuursorgaan in het besluit dat de activiteit mogelijk maakt regels of voorschriften opnemen over het verhaal van kosten. We onderscheiden hierbij twee typen gebiedsoverstijgende kosten: − Kosten voor bovenwijkse voorzieningen waarvoor een PTP toets nodig is. PTP staat voor profijt, toerekenbaar, en proportionaliteit: heeft de ontwikkeling profijt van de investering, doe je de investering vanwege de ontwikkeling, en in hoeverre heeft de ontwikkeling profijt van de investering. Per ontwikkeling bepalen we het bedrag aan bovenwijkse voorzieningen in de zogenaamde kostenverhaalsbeschikking; − Financiële bijdrage. Naast het kostenverhaal kunnen we ook een financiële bijdrage vragen. Daar is niet per se een PTP toets nodig.
Wel de functionele samenhang tussen de investering en de ontwikkeling die we vastleggen in de omgevingsvisie, (via het programma) richting een uiteindelijke vergunning of wijziging van het omgevingsplan. Ook rekenen we met de proportionaliteit van de investering. Per ontwikkeling is dit een vaste bijdrage per woning.
26
Voorgaande tekst vloeit voort uit de (nieuwe) Nota Kostenverhaal, waarin uitgebreid wordt aangegeven hoe wij in onze gemeente om willen gaan met kostenverhaal en waarin een relatie wordt gelegd met de omgevingsprogramma's. De Nota Kostenverhaal wordt in dezelfde raadscyclus als de startnotities ter besluitvorming voorgelegd. Via kostenverhaal kan vaak slechts een deel van de kosten verhaald worden. In de uitvoeringsparagraaf van het programma wordt tevens aangegeven hoe wij voornemens zijn om de resterende kosten te dekken.
27
4 Plan van Aanpak Dit hoofdstuk geeft antwoord op de organisatorische vraag hoe het programma tot stand komt. De vaststelling van dit hoofdstuk is in principe aan het college van B&W en ter kennisgeving voor de gemeenteraad.
4.1 Globale aanpak Om tot het programma te komen onderscheiden we globaal vier fasen: Analysefase In de eerste fase na vaststelling van deze startnotitie doen we nader onderzoek op basis van de opdrachten voor dit programma in hoofdstuk 3. We onderzoeken hoe het staat met het groen, de natuur en het landschap in Soest en hoe zich dit verhoudt tot de doelstellingen van het programma. Welke trends en ontwikkelingen zien we op het gebied van groen en landschap, welke ontwikkelingen we daarnaast zien in de regio en in de nauw verbonden beleidsterreinen, zoals werken, mobiliteit, woningbouw en duurzaamheid? Dit brengen we in beeld en een samenvatting hiervan vormt straks het eerste inhoudelijke hoofdstuk voor het programma. Welke onderzoeken we precies doen in de analysefase staat uitgewerkt in paragraaf 4.2. Participatiefase Als tweede stap en deels parallel aan de analysefase brengen we in beeld wat inwoners, ondernemers, belangenverenigingen en andere belangrijke stakeholders vinden van het groen, de natuur en het landschap in Soest. Hoe waarderen zij hun groene leefomgeving, de natuur in de stad en daarbuiten? En wat vinden zijn belangrijke aspecten die een plek moeten krijgen in het programma? Daarnaast inventariseren we in de participatiefase alle mogelijke ideeën die er in de samenleving bestaan voor het uitvoeringsprogramma.
De participatie staat verder uitgewerkt in paragraaf 4.4. Ontwerpfase In de ontwerpfase stellen we een conceptprogramma Groen en landschap op. Dat doen we op basis van de kaderstelling en de opdracht uit deze startnotitie, aangevuld met de informatie die we verzamelen in de analyse en uit de participatie. Op welke trends en ontwikkelingen willen we inspelen en welke beleidskeuzes maken wij daarbij? We vertalen de zes hoofddoelen uit deze startnotitie in een strategie, meetbare subdoelen of indicatoren en wat we daarin willen bereiken en onder welke randvoorwaarden. We kijken bovendien nadrukkelijk naar de andere omgevingsprogramma’s, waar ze elkaar raken en waar een integrale aanpak nodig is. Veel doelstellingen hangen immers met elkaar samen. Dat betekent dat in de uitvoering ook gezamenlijk opgetrokken zal worden om deze te bereiken. Besluitvormingsfase Het omgevingsprogramma en het uitvoeringsprogramma vormen uiteindelijk één geheel en kunnen niet zonder elkaar. We stellen ze daarom ook tegelijk vast. Voordat we dat kunnen doen volgt eerst een zienswijzeprocedure. In die periode kan iedereen nog aandachtspunten meegeven. In de zienswijzennota geven we aan hoe we de input die we in deze fase krijgen meenemen in het definitieve programma. Dat programma leggen we ter besluitvorming voor.
28
4.2 Onderzoek, informatie en kwaliteit Onderzoek aanwezige natuurwaarden en natuurpotenties We gaan onderzoeken waar de aanwezige natuurwaarden zich bevinden. Hierbij richten we ons zowel op het landelijke als stedelijk gebied. Daarnaast onderzoeken we waar mogelijke potenties liggen om natuur te ontwikkelen. Is het mogelijk om steppingstones te realiseren om zo natuur met elkaar te verbinden. Dit onderzoek wordt uitvoert aan de hand van beschikbare nationale data. We verwachten dat deze beschikbare data niet Soest dekkend is en van bepaalde gebieden geen of onvoldoende gegevens beschikbaar over aanwezige natuur dan wel; natuurpotenties. Ontbrekende data wordt aangevuld met aanvullend onderzoek. Opstellen waardenkaart voor de ruimtevragers Het programma Groen en landschap moet input leveren voor de programma's wonen en werken. Mede op basis van de uitkomsten van het onderzoek naar natuurwaarden en potenties maken we op kaart inzichtelijk waar kansen liggen voor natuurontwikkeling. Daarnaast maken we een ambitiekaart. Daarin geven we aan welke locaties, op basis van (het ontbreken van) natuur of potenties, het meest geschikt zijn om bijvoorbeeld woningen te bouwen. Dat betekent concreet: waar in Soest is er ruimte voor (woning)bouw rekening houdend met de natuur.
Voor het maken van deze themakaarten wordt een GIS-specialist ingeschakeld, die ook vergelijkbare kaarten voor andere programma's gaat maken. Opstellen van De Natuurlijk Aard van Soest Om ruimtelijk richting te kunnen gaan geven aan wat belangrijk is voor de gemeente (wat we willen) en hoe dat past in het ruimtelijk karakter van de Soest en Soesterberg, onderzoeken we wat ‘De Natuurlijke Aard’ van Soest is. Het is een algeheel ruimtelijk onderzoek die van kwantitatieve en kwalitatieve aard is en de ruimtelijke capaciteit definieert. Onderzoek naar groene structuren De groene structuren, zoals lanenstructuren en houtwallen, zijn belangrijke elementen met een visueel ruimtelijke functie. Zowel in het stedelijk gebied, maar ook in het landschap. In de verouderde nota ‘De groene kernkwaliteit van Soest’ is de groenstructuur vastgelegd. Deze structuren moeten herijkt worden. Evaluatie landschaps- en natuurontwikkelingsplan (LOP) Er dient een evaluatie van het LOP plaats te vinden. Op basis van een evaluatie wordt duidelijk wat er bijvoorbeeld ontbreekt qua beleid. Ook kan de evaluatie van het uitvoeringsprogramma LOP aanleiding geven om op beleid/visie aan te scherpen of aan te passen. Onderzoek naar stationsomgevingen en belangrijke OV-knooppunten De Regio Amersfoort is sinds het BO MIRT in oktober 2022 volwaardig partij in het rijk-regio programma U Ned.
In het onderzoeksprogramma U Ned werken rijk, provincie en gemeenten samen aan maatregelen op het gebied van wonen, werken en bereikbaarheid. Het Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort Centraal! vormt samen met Utrecht Nabij (van de U10) één verstedelijkingsstrategie. Daarin zijn metropoolpoorten opgenomen (Amersfoort en Utrecht)
29
waar grootschalige verstedelijking plaatsvindt. Daarnaast zijn regiopoorten gedefinieerd. Dit zijn openbaar vervoer knopen in de regio waar tevens een deel van de groei wordt geaccommodeerd, maar waar ook kansen liggen als verbinding van de metropoolpoorten met vitale kernen, het buitengebied en de groenblauwe netwerken. Binnen de U Ned programmalijn Regiopoorten is afgelopen jaar een ruimtelijk programmatische verkenning uitgevoerd naar de potentie van de 8 regiopoorten uit “Utrecht Nabij” (U10). De bevindingen geven inzicht in de kansen en potenties van regiopoorten. In de uitwerking is ook een doorkijk gemaakt voor de periode na 2030 en de verbinding met de Regio Amersfoort. Hierbij kwam onder andere de potentie van Soest en/of Soesterberg als mogelijke regiopoort naar voren. Omdat dit aansluit bij de opdracht voor de omgevingsprogramma’s wonen, werken en mobiliteit, willen we dit graag samen met U Ned en Regio Amersfoort verkennen.
Onderzoeksvragen die hier aan de orde komen zijn bijvoorbeeld: - hoe we wonen en werken nabij OV-knopen kunnen versterken, waarbij verstedelijking wordt gecombineerd met een mobiliteitsprofiel gericht op lopen, fietsen en openbaar vervoer; - hoe knooppuntontwikkeling bijdraagt aan een betere HOV-ontsluiting van Soest/Soesterberg en het versterken van de Soesterlijn; - hoe OV-knopen in Soest (Soesterlijn, maar ook P+R Soesterberg of eventuele nieuwe knopen) bijdragen aan de bereikbaarheid van de Metropoolregio Utrecht, inclusief de toegankelijkheid van groene/blauwe gebieden.
4.3 Programma-organisatie De vier wethouders treden gezamenlijk op als bestuurlijk opdrachtgever. De ambtelijk opdrachtgever is de manager ‘fysieke leefomgeving’. Het programma Groen en landschap wordt opgesteld onder leiding van een regievoerder. In dit geval een medewerker uit het cluster groen en landschap. Daarbij zijn er de volgende overlegvormen: Stuurgroep De vier wethouders vormen een stuurgroep samen met een compact ambtelijk kernteam bestaande uit de ambtelijk opdrachtgever en de regievoerder van het programma en de integrale regievoerder. Zij bespreken op regelmatige basis de belangrijkste issues die bij de totstandkoming van het programma naar voren komen. Programmateam In het programmateam zitten collega's van het cluster groen en landschap en als agenda-lid een communicatieadviseur en een financieel adviseur. Zij verdelen de werkzaamheden en voeren individueel of gezamenlijk deelopdrachten uit. Interdisciplinair team omgevingsprogramma's De regievoerders van de zes programma's wonen, werken, mobiliteit, water, energietransitie en groen-landschap vormen samen met een integrale regievoerder, eventuele adviseurs vanuit andere vakdisciplines en een ondersteuner een interdisciplinair team. In dit team wordt de integraliteit tussen de programma's geborgd.
30
Bijeenkomsten interne organisatie Tijdens het opstellen van de omgevingsprogramma’s vindt op een aantal momenten een terugkoppeling en uitwisseling plaats met de interne organisatie. Dus niet alleen met de collega’s die zich bezighouden met de fysieke leefomgeving. Ook de collega’s uit het sociaal domein worden hierbij betrokken. Daarmee bereiken we een nog grotere samenhang tussen de verschillende programma’s, de andere thema’s uit het fysiek domein, de projecten van het projectbureau en de thema’s van het sociaal domein. Wij informeren de organisatie over waar we staan in het proces. Daarnaast halen we relevante informatie op om tot integrale afwegingen te kunnen komen.
4.4 Participatie Omgevingsvisie Soest en Soesterberg Met het omgevingsprogramma dat volgt op deze startnotitie gaan wij gericht aan de slag met de doelen, ambities en kwaliteiten zoals opgenomen in onze omgevingsvisie. Voor die omgevingsvisie heeft tussen 2019-2021 ook al een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden, waarbij vanaf het begin is gekozen voor een aanpak die uitging van het zo vroeg mogelijk betrekken van de samenleving en het bereiken van een zo divers en representatief mogelijke groep. De vraag die destijds voor lag is echter anders dan de vraag die nu voor ligt. In het visieproces was de vraag aan de samenleving: ‘wat voor Soest en Soesterberg willen we zijn (in 2040)?’. De uitkomsten van dat proces zijn uiteindelijk vertaald naar onze omgevingsvisie (met onze doelen, ambities en kwaliteiten). Rond de programma’s stellen wij straks verdiepende vragen op die visie. Wij gaan (opnieuw) met de samenleving in gesprek, maar nu over de vraag hoe we die gestelde ambities en doelen willen bereiken? Ondanks dat de vraag aan de samenleving nu anders is, kunnen wij veel van de informatie en inzichten die in het traject van de omgevingsvisie zijn opgehaald ook gebruiken in de uitwerking naar de programma’s. Het gaat dan om input die is verkregen in zowel de ophaalfase (441 straatinterviews, 25 groepsinterviews met in totaal ca.
60 maatschappelijke partijen, aparte interviews met jongeren, vlogs en gesprekken met leerlingen van het Griftland en de Carolusschool en ca. 15 ambtelijke interviews) als in de vervolgfase, waarin samen met de samenleving is nagedacht over ideeën en oplossingen voor de opgaven uit de ophaalfase. De vervolgfase startte destijds met de week van de Omgeving waarin fysieke en digitale workshops werden gehouden rondom allerlei verschillende thema’s (ca. 250 deelnemers, waaronder 50 jongeren) en die gevolgd werd door een (laagdrempelige) internetconsultatie met ruim 30 polls over verschillende onderwerpen (1965 uitgebrachte stemmen en 225 geschreven reacties). Omgevingsprogramma We willen met het omgevingsprogramma Groen en landschap een bijdrage leveren aan de opgaven die in de Soester samenleving spelen. Van inwoners, belangenverenigingen en andere belangrijke stakeholders horen we graag welke knelpunten zij zien en welke oplossingen daarbij horen. We maken het beleid ten slotte niet voor onszelf. Daarnaast maken we ook graag gebruik van de ideeën van de mensen voor en met wie we dit allemaal doen.
31
Integrale aanpak De participatie zetten we integraal op, voor alle zes de omgevingsprogramma’s tegelijk, omdat het traject tegelijk loopt en we deze zo optimaal mogelijk met elkaar willen verweven. Neemt niet weg dat de stakeholders per programma deels zullen verschillen, waardoor er voor diverse specifieke doelgroepen aparte bijeenkomsten nodig zullen zijn. Het voorstel is om een extern bureau in te schakelen voor het uitwerken en uitvoeren van de participatie. Vanuit de gemeente begeleidt de afdeling communicatie het traject, in nauwe afstemming met de regievoerder. Stakeholderanalyse: voor en met wie? We hebben helder wie onze stakeholders zijn. Specifieke groepen voor groen en landschap zijn bijvoorbeeld stichting Vrienden van de Eng, Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (IVN / Vlinderstichting en paddenwerkgroep. Ook hebben we inzichtelijk waar een overlap zit met stakeholders van andere programma’s. Bij groen en landschap zijn dat naast inwoners (waaronder ook jongeren) en omwonenden bijvoorbeeld (agrarische) ondernemers en scholen. Wat gaan we ophalen en hoe? We weten wie we welke vragen willen stellen. In onze participatie zoeken we ook naar de raakvlakken met de andere programma’s. Waar thema’s elkaar raken, bundelen we de vragen zodat we onze stakeholders maar één keer bevragen en niet apart voor de verschillende thema’s gaan overvragen.
Participatieplan met nadere uitwerking van de volgende instrumenten maken we in de analysefase. Bewoners - enquête Van bewoners willen we graag weten wat ze belangrijker vinden. Daarbij krijgen ze dan steeds een keus voorgelegd die aansluit bij de belevingswereld. Hierbij worden ze gevraagd een afweging te maken over wat belangrijker is, bijvoorbeeld meer parkeerplekken in de straat of meer groen? Minder hoogbouw of minder wateroverlast? Dergelijke keuzes helpen ons bij de beleidsafwegingen die we in de programma's maken. Als eerste stap in de participatiefase vragen we het inwonerpanel om hun mening. Daarmee kunnen we een representatief beeld geven van de mening van onze inwoners. We vullen dit aan met een participatie-instrument dat specifiek gericht is op jongeren. We voorkomen daarmee dat we in de participatie alleen de mening van belangengroepen en inwoners met een bovenmatige interesse in het gemeentelijk beleid horen. De vragenlijst bevat niet alleen vragen over groen en landschap, maar ook over wonen, mobiliteit, werken, energie en water. Omdat de participatie van deze omgevingsprogramma's op hetzelfde moment in de tijd loopt, bundelen we dit in één enquête. Dat geeft ons ook de kans om integrale afwegingen voor te leggen. Trede op de participatieladder: raadplegen.
Bewoners - de markt op We willen de samenleving breed vragen om ons te voeden, zodat iedereen de mogelijkheid heeft om inbreng te leveren. Ook op de thema’s biodiversiteit, natuur en leefomgeving. Voor
32
veel inwoners is beleid abstract. Het staat soms ver van het bed. Daarom maken we het zo concreet mogelijk. We vragen ook om maatregelen aan te leveren voor onze uitvoeringsprogramma’s. Dat zegt ook veel over de thema's die inwoners belangrijk vinden. Het idee is om concreet op de markt dan wel in de centrumgebieden en bij de supermarkten met een kraam te gaan staan. Zo bereiken we ook de mensen die niet zo snel naar een avond in het gemeentehuis komen. Inwoners leggen we keuzes voor en vragen we om een uitspraak. Hoe we dit precies gaan doen is ter uitwerking, we zullen zoeken naar een ludieke manier. Doel is in elk geval om op een laagdrempelige manier inwoners zich te laten uitspreken wat zij het belangrijkste vinden. Daarnaast willen we ook inwoners de mogelijkheid geven met concrete maatregelen en ideeën te komen. Dit zullen we faciliteren. Trede op de participatieladder: raadplegen Bewoners – participatieplatform Denk mee over Naast het digitale inwonerpanel kunnen we ook ons digitale platform Denkmeeover.nl inzetten. Hier kunnen inwoners zelf informatie vinden over de programma’s, hun mening achterlaten en die van anderen zien. Deze participatietool zetten we regelmatig succesvol in.
Waar in het inwonerspanel gezocht wordt naar gedeelde waarden en de vraagstelling een meer gesloten (meerkeuze) karakter heeft, biedt Denk mee over alle ruimte voor creatieve en deskundige inbreng van inwoners. Op die manier combineren we de inbreng van mensen die géén bovenmatige interesse hebben in gemeentelijk beleid met de inbreng van specialisten, liefhebbers en andere belanghebbenden bij beleid. Ook draagt de tool bij aan de communicatie over het omgevingsprogramma Groen en landschap. Trede op de participatieladder: raadplegen Belangenverenigingen –themasessies Gezien de breedte van het omgevingsprogramma Groen en landschap, de twee deelprogramma’s die hier onderdeel van uitmaken en de raakvlakken met de andere omgevingsprogramma’s, verwachten we dat er een aantal themasessies georganiseerd worden met stakeholders, zoals ondernemers, verenigingen en andere belangstellenden. Tijdens deze sessies verkennen wij wat er in het omgevingsprogramma zou moeten staan en mogelijke maatregelen die daarbij horen. Bij de themasessies zijn raadsleden welkom als toehoorder. Trede op de participatieladder: raadplegen Adviesorganen – aansluiten bij vergadering Binnen de gemeente kennen we een tweetal ruimtelijke adviesorganen die advies geven over een breed scala van ruimtelijke aspecten bij vergunningen, bestemmingsplannen en beleid.
Dit zijn de commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de adviescommissie Milieu en Ruimte. Vanuit de zes programma’s sluiten we aan bij een bijeenkomst van beide adviescommissies om hun advies in te winnen. Trede op de participatieladder: adviseren
33
Andere overheden - bestuurlijke gesprekken Ook voeren we bestuurlijke gesprekken rondom ons buitengebied met de gedeputeerde van de Provincie Utrecht, de wethouders van de gemeenten Amersfoort, Baarn en Zeist en met een selectie van andere essentiële stakeholders op bestuurlijk niveau. Uiteindelijk moeten we ervoor zorgen dat het beleid goed aansluit op de keuzes die door andere overheden en beleidsmakers worden gemaakt. Trede op de participatieladder: adviseren
4.5 Procedures Vaststelling In lijn met de Omgevingswet stellen burgemeester en wethouders omgevingsprogramma’s vast (Omgevingswet artikel 3.4). De gemeenteraad stelt de omgevingsvisie vast, zoals zij dat hebben gedaan in december 2021. Als op 1 januari 2024 (naar verwachting) de Omgevingswet in werking treedt, is er dus geen rol voor de raad bij de vaststelling van het programma. Indien de Omgevingswet niet in werking is getreden ten tijde van de vaststelling van het programma, dan stelt de raad het programma vast. Als het omgevingsprogramma aanleiding geeft tot het aanpassen van kaders uit de omgevingsvisie, dan vragen wij de raad dit vast te stellen. Tegelijk met het omgevingsprogramma wordt ook het uitvoeringsprogramma vastgesteld. Ook dat is aan het college. Als voor de uitvoering meer geld nodig is dan nu beschikbaar, dan vragen wij de raad om meer budget. De gemeenteraad blijft gaan over de financiële kaders voor het uitvoeringsprogramma (het budgetrecht). Participatie Onder de Omgevingswet is participatie niet vrijblijvend. In het programma moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. En wat de resultaten daarvan zijn. Deze motiveringsplicht is geregeld in artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit.
Afstemmings- en consultatieverplichtingen In artikel 2.2 van de Omgevingswet staat: “Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.” Dat betekent dat we bij het vaststellen van het programma met andere partijen in overleg moeten. Hoe we dat moeten doen wordt vrijgelaten. Bepalingen over mededelingen, toezendverplichtingen en overlegverplichtingen zijn geschrapt. Het Omgevingsbesluit vermindert het aantal procedurele bepalingen, waardoor procedures inzichtelijker worden. De procedurele bepalingen gaan uit van het vertrouwen tussen overheden.
34
Publicatie Het programma zelf moeten we publiceren in het Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Om dat te kunnen doen moeten we bij het maken van het programma gebruik maken van een nieuwe standaard, de Standaard officiële publicaties met Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten (STOP/TPOD). We moeten het programma publiceren via de ‘Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen’ (LVBB). Zienswijzen Bij het opstellen van een programma geldt de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat staat in artikel 16.27 lid 1 Omgevingswet. Dat betekent dat iedereen zienswijzen kan indienen, dus niet alleen belanghebbenden. Deze procedure duurt zes weken na publicatie van het ontwerpprogramma. Bezwaar en beroep Een omgevingsprogramma bindt alleen de gemeente zelf. Vanwege het zelfbindende karakter staat er geen beroep open tegen het besluit tot vaststelling van een programma (artikel 1 van bijlage 2 van de Awb).
4.6 Budget Voor het opstellen van het omgevingsprogramma Groen en landschap is geen beschikbaar. Dit is nog niet eerder aangevraagd, in tegenstelling tot andere omgevingsprogramma’s. Als onderdeel van het totaal aan te vragen budget is een aantal posten voor gezamenlijke doeleinden: participatie, communicatie, het laten opstellen van kaarten en uitvoering van het onderzoek voor de regiopoort (in totaal € 20.000,- per programma). Daarnaast wordt voor het opstellen van het omgevingsprogramma Groen en landschap (waaronder onderzoeken) een budget van € 120.000,- aangevraagd. In totaal gaat het om € 140.000,- aan incidentele kosten. Dit budget besteden we ongeveer als volgt. € 30.000 € 40.000 € 10.000 € 10.000 € 30.000 € 20.000
Onderzoek naar het DNA van Soest Onderzoek natuurwaarden en potenties Onderzoek groene structuren Evaluatie landschaps- en natuurontwikkelingsplan (LOP) Inzet bureau ondersteuning opstellen programma Participatietraject, communicatie, grafische vormgeving rapportages, professionele fotograaf etc.
Het budget wordt per onderdeel hierboven bewaakt. Daarmee proberen we overschrijding van het budget te voorkomen. Let wel, dit betreft alleen budget voor het opstellen van het omgevingsprogramma. In paragraaf 2.5 is ingegaan op onder meer de financiële middelen die nodig zijn voor de uitvoering.
35
4.7 Planning In de onderstaande figuur is de planning op hoofdlijnen samengevat. Dit betreft een ambitieuze planning waarbij de analyse- en participatiefase voor de zomer worden afgerond. Zodra hierin vertraging optreedt betekent dit dat de participatiefase vanwege de zomervakantie direct een aantal maanden opschuift. Dat heeft ook gevolgen voor het vervolg van de planning. We zetten erop in om dat te voorkomen. Ervan uitgaande dat we de onderstaande planning volgen, starten we direct na de zomer met het opstellen van het inhoudelijke programma en vervolgens de vaststelling van een conceptprogramma dat gedurende zes weken voor zienswijzen wordt vrijgegeven. Na het maken van een zienswijzennota kan in februari 2024 de besluitvorming in het college worden afgerond. Eventuele besluitvorming in de gemeenteraad volgt daarna in maart 2024. Deze planning loopt parallel aan de planning van andere omgevingsprogramma’s die we tegelijkertijd opstellen. Vertraging in één van de andere programma’s kan daarom ook gevolgen hebben voor deze planning.
Zie over het proces met de gemeenteraad ook de volgende paragraaf.
4.8 Communicatie Het doel van communicatie is: - informeren over het proces van totstandkoming - informeren over de inhoudelijke uitgangspunten van het programma - informeren over de inhoudelijke opbrengst vanuit de participatie Vorm: mensen in beweging in beeld Een omgevingsprogramma Groen en landschap wordt al snel een vaktechnisch document met ingewikkelde termen. Dat willen we voorkomen. We willen de mens en zijn/haar verplaatsingen in het stuk centraal stellen. Dat is waar we het voor doen. We hebben daarbij het idee om een aantal inspirerende personen in beeld (foto) en tekst (quote) een plek te geven in het beleidsstuk en ook in de communicatie hier omheen. We vragen daarom een aantal mensen die we in het participatietraject tegenkomen of ze mee willen doen. We vragen een professionele fotograaf om hen in beeld te brengen in de natuur of tijdens het ontmoeten of bewegen in hun (groene) leefomgeving. En we vragen een quote waarom zij
36
voor een groene leefomgeving kiezen. Zo krijgen we een beleidsstuk met bijbehorende communicatie waarin onze inwoners centraal staan. Communicatieplan In de analysefase wordt een communicatieplan opgesteld, waarin ook de momenten waarop we communiceren worden bepaald. Gemeenteraad Met de omgevingsprogramma's wonen, werken, mobiliteit, energietransitie, water en groen wordt een groot deel van de ruimtelijke koers die de gemeenteraad heeft vastgesteld richting 2040 geconcretiseerd. We kunnen ons voorstellen dat er vanuit de gemeenteraad behoefte bestaat om dit proces op de voet te volgen om ook haar controlerende taak uit te kunnen voeren. Tijdens een informatiebijeenkomst in september 2023 presenteren we de uitkomsten van de analysefase en de participatiefase aan de gemeenteraad. Parallel aan de zienswijzenprocedure consulteren we de gemeenteraad in december 2023 over de ontwerpprogramma's, voordat het college van burgemeester en wethouders deze vaststelt. In maart 2024 komen we indien nodig terug bij de gemeenteraad voor vaststelling van onderdelen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het niet lukt om een programma binnen de nu voorgelegde kaders te ontwikkelen en daarop aanpassingen nodig zijn. Waar dat nodig is komen we ook via de P&C cyclus terug voor het beschikbaar stellen van aanvullend budget voor de uitvoering van de omgevingsprogramma's.
4.9 Uitvoering van het programma Het programma wordt na vaststelling uitgevoerd door de gemeente. Daarvoor maken we uitvoeringsprogramma’s. Een uitvoeringsprogramma wordt een actieplan met concrete maatregelen om de doelstellingen die in het omgevingsprogramma Groen en landschap staan te realiseren. We brengen in beeld welke acties, plannen, welke fasering, en welke budgetten hiervoor nodig zijn Ook in de uitvoeringsprogramma’s voor groen en landschap trekken we integraal op met de uitvoeringsprogramma’s van de andere omgevingsprogramma’s. Dat betekent daar waar overlap is, wordt afgestemd welk omgevingsprogramma wat gaat doen. Waar mogelijk nemen we maatregelen op gezamenlijk met andere publieke of private organisaties. Financiering Voor het uitvoeringsprogramma is waarschijnlijk aanvullend budget nodig. Het uitvoeringsprogramma wordt tegelijk met het omgevingsprogramma vastgesteld en is daar onlosmakelijk mee verbonden. Besluitvorming over de financiering van het programma vindt echter plaats via de P&C cyclus. Doorwerking in (onderliggend) beleid Bij het vaststellen van het omgevingsprogramma Groen en landschap wordt de beleidsnota ‘De groene kernkwaliteit van Soest)’ ingetrokken. Dit geldt ook voor het visie deel van het Landschaps- en natuurontwikkelingsplan (LOP). Nieuwe kaders hiervoor staan straks in het omgevingsprogramma Groen en landschap.
37
Na vaststelling van het omgevingsprogramma volgt een doorwerking in andere beleidsstukken. Mogelijk volgen er ruimtelijke maatregelen die moeten worden vertaald in het omgevingsplan. Ook de Bosnota, het beheerplan voor onze bossen en natuurgebieden wordt herzien. Mogelijke heeft het omgevingsprogramma Groen en landschap ook gevolgen voor het Groenenovatieplan / -beheerplan. Tot slot volgen waarschijnlijk ook aanpassingen aan de groeninrichtingen. De uitgangspunten daarvoor vertalen we in de Leidraad Fysieke Leefomgeving. Deze processen volgen in 2024 of later, na vaststelling van het programma. Andere beleidsstukken die gebaseerd zijn op het beleid voor groen en landschap zijn: − Nota ‘bescherming en kap van bomen’ incl. bomenkaart (2012/2014). − Bomenplan, richtlijnen voor ontwerp, onderhoud en beheer.
38