6. Bijlage 5 Startnotitie Energietransitie
Tekst van het document
Omgevingsprogramma Energietransitie Startnotitie voor de actualisatie van het programma
Versie 1.1 – 23 februari 2023
Inhoudsopgave 1
2
3
4
Aanleiding
3
1.1
Achtergrond
4
1.2
Probleem
5
1.3
Doelstelling
5
1.4
Rol van de gemeente
7
1.5
Rol van het omgevingsprogramma
8
Kaderstelling
10
2.1
Europese en landelijke kaders
10
2.2
Provinciale en regionale kaders
11
2.3
Omgevingsvisie en lokale kaders
11
2.4
Kaders van partners
12
2.5
Financiële en organisatorische kaders
12
2.6
Aandachtspunten bij kaderstelling
12
Opdracht
13
3.1
Opdrachtformulering
13
3.2
Raakvlakken en samenhang met andere programma’s
13
3.3
Afbakening van het programma
15
3.4
Randvoorwaarden en vereisten voor het opstellen van het programma
15
3.5
Strategie en afwegingskader
16
3.6
Eindresultaat
17
Plan van Aanpak
19
4.1
Globale aanpak
19
4.2
Onderzoek, informatie en kwaliteit
20
4.3
Programma-organisatie
20
4.4
Participatie
21
4.5
Procedures
23
4.6
Budget
24
4.7
Planning
25
4.8
Communicatie
25
4.9
Uitvoering van het programma
26
Bijlage 1 - Consequenties verhogen doelstelling
28
Bijlage 2 – Eerste opzet evaluatie programma per pijler
33
1 Aanleiding Eind 2021 is de Omgevingsvisie Soest en Soesterberg ‘Stap voor Stap ver komen’ door de gemeenteraad vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de ambities, doelen en uitdagingen van de gemeente in voor de komende jaren. De Omgevingsvisie geeft een beeld van waar de gemeente naartoe werkt in de periode tot 2040. Alle instrumenten van de Omgevingswet sturen, zoals de wetgever dat zegt, op ‘beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving’. Bijna alle beleidsvelden waar we als gemeente mee te maken hebben, hebben wel een raakvlak met de fysieke leefomgeving. De bedoeling is om de ruimtelijke component van al die beleidsvelden in samenhang te benaderen. Twee instrumenten, de omgevingsvisie en de omgevingsprogramma’s sturen in samenhang op de overgang van de bestaande situatie naar de gewenste situatie. • In de omgevingsvisie geven we als gemeente aan wat de gewenste situatie voor de fysieke leefomgeving is. • In omgevingsprogramma’s geven we aan hoe we van de bestaande situatie naar de gewenste situatie willen komen en welk beleid en welke gebiedsprojecten daarvoor nodig zijn. De omgevingsprogramma’s waar we nu aan werken (Wonen, Mobiliteit, Werken, Energietransitie, Groen en Water) dekken, samen de belangrijkste ruimtevragers in onze gemeente af en zullen de hoofdlijnen uit de Omgevingsvisie de komende jaren verder in moeten kleuren.
Voor alle programma’s geldt dat er in meer of minder mate een samenhang en/of (in)directe afhankelijkheid is met andere programma’s. Bij de vaststelling van de Omgevingsvisie is de afspraak gemaakt om bij het uitwerken van een omgevingsprogramma te beginnen met het opstellen van een startnotitie. In de startnotitie staat op welke wijze de opdracht concreet uitgewerkt wordt. De kern van die startnotitie wordt later verwerkt in de inleiding van het programma, zodat iedereen weet wat het verband is tussen dat programma en de opdrachten die naar aanleiding van de visie zijn vastgesteld. De startnotities voor de omgevingsprogramma’s zijn kaderstellend (bedoeld voor een nadere beleidsmatige inkadering). Doel van de kaderstellende startnotitie is immers dat de raad aan de voorkant het (door college voorgestelde) nadere kader toetst. Het college geeft daarna het betreffende programma verder invulling en gaat daadwerkelijk aan de slag met het behalen van de strategische doelen zoals door de raad vastgelegd in de omgevingsvisie. Het Omgevingsprogramma Energietransitie is een sectoraal (thematisch) programma. In dat programma staat in grote lijnen hoe de gemeente Soest haar doelstellingen op het gebied van energietransitie wil bereiken. Het huidige programma Energietransitie 2020-2025 is vastgesteld in februari 2020.
Het programma Energietransitie richt zich op concrete doelstellingen en projecten. Midden in deze uitvoeringsperiode is een aantal ontwikkelingen aanleiding voor een evaluatie en actualisatie van het programma: •
3
Verhoogde Europese en nationale klimaatdoelstelling van 49% naar 55% CO2 reductie in 2030.
• • •
•
1.1
De oplopende energiekosten zorgen ervoor dat veel huishoudens de rekening niet meer kunnen betalen. Soest wil zorgen voor energierechtvaardigheid. De Rijksoverheid legt extra nadruk op de thema’s energiebesparing en isolatie in de gebouwde omgeving. Netcongestie is thema dat nog tijdens het ontwikkelen van het huidige programma Energietransitie in 2019/2020 nog minder urgent was. Dit is dus een relatief nieuw thema dat extra aandacht en een integrale blik op het energiesysteem vraagt. De beperkingen van het net hebben immers impact op alle omgevingsprogramma’s. Algemene evaluatie en actualisatie van projecten.
Achtergrond
Een duurzame leefomgeving is een vitale leefomgeving met behoud van omgevingskwaliteit. Om deze leefomgeving leefbaar te houden is het noodzakelijk om ons bestaande energiesysteem te verduurzamen. Het programma Energietransitie zet in op een duurzaam energiesysteem in de gemeente Soest. Op die manier houden we de Soest en Soesterberg leefbaar voor onze (klein)kinderen. De energietransitie betekent een stevige energiebesparing binnen alle thema’s en bijbehorende beleidsterreinen van de leefomgeving, een grote hoeveelheid duurzame energie opwekken met behoud van kwaliteiten en het ontwikkelen van een robuust en toekomstbestendig energiesysteem. Deze transitie raakt iedereen in de gemeente Soest. Energietransitie gaat een grotere rol spelen in onze leefomgeving en heeft grote samenhang met de andere omgevingsprogramma’s. Voor deze opgave is samenwerking met alle andere ruimtelijke beleidsterreinen nodig zoals mobiliteit, wonen, werken en water en sociaal domein. Dit geldt voor zowel nieuwbouw als verbouw binnen de fysieke leefomgeving: •
•
Alle nieuw te bouwen ontwikkelingen gaan volgens de principes van een CO2 vrije samenleving en de ambities van het Convenant Duurzame Woningbouw dat mede door de gemeente Soest op 29 september 2022 is ondertekend. Nieuwe woon- en werklocaties worden ingericht met maximale duurzame energieopwekking, zijn volledig aardgasvrij en gaan zuinig met energie om. Alle renovaties, revitaliseringen en herontwikkelingen gaan volgens een CO2 vrije samenleving. Dit betekent een stevige verbouwing in het grootste deel van de gebouwen, de openbare ruimte en ondergrond in de gemeente Soest.
Dit gaat over het afsluiten van aardgas in alle woningen in de gemeente Soest, het realiseren van nieuwe kabels en leidingen voor warmtenetten, elektriciteitsnetwerken en slimme energiesystemen, het stevig isoleren van vele gebouwen, het uitvoeren van vele maatregelen achter de voordeur van de inwoners, het overschakelen naar elektrisch vervoer en stadslogistiek en vele andere stappen in deze transitie. Daarmee nemen we afscheid van fossiele gewoonten en bouwen we nieuwe trots op voor een duurzame Soester samenleving. Er is op veel vlakken behoefte aan vernieuwing of vorming van beleid. Door het formuleren van beleid zetten we een duidelijke stip op de horizon. Daarnaast biedt beleid de
4
mogelijkheid goed te sturen op particuliere initiatieven; het biedt een toetsingskader en bewaakt op deze manier de wijze waarop Soest zich ontwikkelt op langere termijn. Zie Figuur 1 hieronder voor een schematische weergave van de samenhang van deze startnotitie met de omgevingsvingsvisie.
Figuur 1: Samenhang omgevingsvisie en omgevingsprogramma. Dit document vormt één van de startnotities, zoals in het gele kader is weergegeven.
1.2
Probleem
Ons huidige fossiele systeem is vervuilend, niet circulair en brengt vele negatieve gevolgen voor ons klimaat en dus ook voor onze leefomgeving in de gemeente Soest. Het probleem is dat we de afgelopen tientallen jaren een grootindustriële en globale samenleving hebben opgebouwd met alle welvaart van dien, maar wel met afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Als we het gebruik van fossiele brandstoffen niet drastisch weten te verminderen, zullen er temperatuurschommelingen nog sneller en extremer voorkomen. IJskappen smelten, steeds meer landen krijgen te maken met onder nadere een tekort aan zoet water en een stijgende zeespiegel. Een grote stroom klimaatvluchtelingen komt al op gang. Een groot zichzelf versterkend effect ligt op de loer. Dit is de noodzaak voor stevige ambities binnen de gemeente Soest om de energietransitie te versnellen. Dit doen we als gemeente samen met alle andere overheden, inwoners en klimaatpartners. Want de energietransitie is ook een grote sociale transitie.
1.3
Doelstelling
(Inter)nationaal zijn afspraken gemaakt over het verminderen en uitbannen van CO2 uitstoot en andere broeikasgassen. Wereldwijd is in 2015 in Parijs een VN-klimaatakkoord gesloten met als doel om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius. Europa heeft in het voorjaar van 2022 ambitieuze doelen vastgelegd in een nieuwe klimaatwet met daarin de doelstelling van 55% CO2 reductie in 2030. De Rijksoverheid roept in haar nieuwe coalitieakkoord op tot een beleidsmatige inzet van 60% CO2 reductie in 2030. Op dit moment hebben we in de gemeente Soest een stapje voorwaarts gezet en is het nodig om een stevige sprong te nemen. Het huidige programma Energietransitie Soest richt zich op 49% CO2 reductie in 2030 en sluit daarmee niet meer aan bij de huidige Europese en nationale doelstellingen. Daarom richt deze startnotitie zich op het verhogen van de Soester doelstelling naar 55% CO2 reductie in
5
2030. De doelstelling voor 2050 blijft gelijk; een nagenoeg CO2 vrije samenleving in Soest en Soesterberg. De doelstelling voor 2030 wordt uitgewerkt in zes pijlers: • Wonen • Werken • Mobiliteit • Gemeente als voorbeeld • Energieopwekking • Energiesysteem (nieuw) Voor elke pijler worden in het programma concrete en meetbare doelstellingen berekend waarmee we gezamenlijk de 55% CO2 reductie in 2030 bereiken. De pijlers raken direct aan vijf andere omgevingsprogramma’s en zijn daarin geïntegreerd (zie Figuur 2 hieronder).
Figuur 2: Schematische weergave van de scope van het programma Energietransitie.
Gemeente Soest is een Global Goals gemeente. Dat betekent dat wij ons committeren aan het bijdragen aan die door de Verenigde Naties gestelde doelen. Het programma Energietransitie sluiten aan bij onderstaande Global Goals op het lokale niveau van de gemeente:
6
In alle pijlers wordt onderstaand drieledige aanpak toegepast: Energie besparen Een grote winst is te verwachten van het isoleren van woningen en andere gebouwen. Door meer lopen, fietsen en openbaar vervoer vindt besparing plaatst. Bedrijven en consumenten passen steeds meer energiezuinige apparaten en productieprocessen toe. De gemeente zet in op besparing binnen haar maatschappelijk vastgoed. Energiebesparing kan binnen elk thema op elk moment toegepast worden. De lopende projecten, om dit te coördineren en collectief te organiseren, worden voortgezet. Energie duurzaam opwekken De resterende energie die na alle besparing nodig is gaan we steeds meer duurzaam opwekken. Dat kan op meerdere manieren. Ten eerste kunnen de onderzoekslocaties voor windturbines en een zonnenveld een groot deel bijdragen. Daarnaast is het logisch om zoveel mogelijk ruimte op alle daken en gevels in de gemeente Soest te benutten voor zonnepanelen. Deze bronnen leveren duurzame elektriciteit. Aanvullend lijken op kleine schaal warmtebronnen interessant voor de gemeente Soest. Denk aan warmte uit oppervlaktewater (TEO) en warmte uit afvalwater (TEA). Netcongestie aanpakken door in te zetten op een toekomstbestendig energiesysteem De energietransitie betekent automatisch de omslag van een Europees centraal systeem naar een lokaal en decentraal systeem.
Lokaal in de zin van lokaal eigendom en decentraal in de zin van kleine netwerken binnen de gemeente Soest die gezamenlijk een robuust energiesysteem vormen en aangesloten zijn op de regionale en nationale netwerken. Slim omgaan met de beperkingen van het stroomnet en daarmee het aanpakken van netcongestie horen hierbij. Er moeten oplossingen gevonden worden voor netcongestie door combineren van vraag en aanbod van energie en het toepassen van diverse vormen van energieopslag zoals met accu’s, waterstof of warmte. Door strategisch vraag en aanbod van energie op de juiste momenten te koppelen, leggen we de verbindingen voor een duurzaam energiesysteem.
1.4
Rol van de gemeente
De gemeente Soest heeft verschillende rollen gedurende de energietransitie. Bij de warmtetransitie moeten we bijvoorbeeld samenwerken met andere partijen, terwijl wij met het actualiseren van het beleid direct invloed kunnen uitoefenen, door drempels voor (groepen) inwoners en bedrijven weg te nemen. Drempels die hen nu nog tegenhouden om mee te kunnen in de energietransitie. In deze paragraaf onderscheiden wij de vier verschillende rollen, die de gemeente in neemt in de energietransitie: Kaderstellend De gemeente heeft een kaderstellende rol in de energietransitie, denk aan de regelwetgeving rondom aanpassingen aan de woning of op het gebied van energie- en warmtevoorziening. Ook door het actualiseren van bestaand beleid, zoals het welstandsbeleid, speelt de gemeente een kaderstellende rol. Kaderstellend zijn wij ook als het gaat ook over het stellen van grenzen aan wat inwoners en ondernemers wel en niet mogen ten aanzien van bijvoorbeeld CO2-emissies.
7
Samenwerkend Dit programma kan alleen slagen met structurele en duurzame samenwerking tussen vele stakeholders en belanghebbenden in de gemeente Soest. Zo is samenwerking met de provincie Utrecht en de Regionale Energiestrategie (RES-) regio Amersfoort belangrijk. Ook is er, om de lokale samenwerking rondom de energietransitie te bevorderen en stimuleren, een Taskforce Energietransitie. Daarnaast zijn lokaal ook inwoners en ondernemers belangrijke samenwerkingspartners. Samenwerken met hen is onze werkwijze. Het gaat tenslotte over hun woning en directe leefomgeving. Ook het ondersteunen van de bestaande en nieuwe initiatieven vanuit onze inwoners zijn belangrijk. Bijvoorbeeld in de samenwerking met de energiecoöperaties Energie Actief Soest en Soester Energiecoöperatie en Stichting Balans, maar ook met (groepen) inwoners en bedrijven. Tot slot is interne samenwerking tussen de diverse ruimtelijke omgevingsprogramma's (bijv. ten aanzien van duurzame mobiliteit, klimaatadaptatie en duurzaam wonen) en met het sociaal domein (bijv. ten aanzien van energiearmoede) erg belangrijk. Toetsend De gemeente heeft een toetsende rol als het gaat om het toetsen van plannen aan de gestelde kaders. Als subsidieaanvragen voor regelingen voor energiebesparing of opwekking binnenkomen worden deze getoetst.
Ook toetsen de vergunningverleners op gestelde milieu- en duurzaamheidseisen, energie is onderdeel van deze toetsing. Tot slot toetst de commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) of verduurzaming in de gebouwde omgeving volgens de welstandsregels verloopt. Uitvoerend De vierde en laatste rol die we onderscheiden is de uitvoerende. Aangezien bij deze opgave het bestaande vastgestelde Programma Energietransitie 2020-2025 wordt geactualiseerd, zijn we vanaf 2020 al bezig met de uitvoering van alle vastgestelde projecten in alle pijlers. Op onze eigen gronden en bij onze eigen objecten hebben wij hier op dit moment nog meer directe invloed op, dan op de particuliere woningvoorraad en particulier terrein. Daarom is de hierboven genoemde, samenwerkende, rol zo belangrijk voor het bereiken van de doelen van de energietransitie. Bij deze rol gebruiken we middelen zoals communicatie/participatie, subsidies en financiering (zowel gemeentelijke, provinciale als Rijkssubsidies en regelingen) en realiseren wij objecten (bijv. zonnepanelen en laadpalen).
1.5
Rol van het omgevingsprogramma
Zoals al aangegeven is een omgevings- of beleidsprogramma een uitwerking van de Omgevingsvisie. In deze programma’s werken we uit hoe we van de bestaande situatie naar de gewenst situatie willen komen. We formuleren beleid en maatregelen die leiden tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het programma bevat de volgende onderdelen: • de uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving (artikel 3.5, onder a, Omgevingswet) • maatregelen om aan omgevingswaarden te voldoen of maatregelen om 1 of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken (artikel 3.5, onder b, Omgevingswet).
8
Het omgevingsprogramma Energietransitie is een vrijwillig programma onder de Omgevingswet. Een vrijwillig programma wil zeggen dat dit type programma uit eigen initiatief en behoefte inzetbaar is. De Omgevingswet (Ow) noemt dit onverplicht programma. Onder de Omgevingswet vormen onze programma’s straks een belangrijke schakel tussen (de strategische beleidsdoelen uit) de Omgevingsvisie en (de juridische doorvertaling in de regels van) het Omgevingsplan. Een van de doelen van(uit) de programma's is dan ook om (zo mogelijk) (nieuwe) regels voor het toekomstig Omgevingsplan op te leveren. De regels in het Omgevingsplan bepalen immers uiteindelijk welke ontwikkelingen/ initiatieven we willen toestaan. De Omgevingswet vraagt om een integrale visie van de ambities voor de fysieke leefomgeving. Mede in verband met de totstandkoming van onze Omgevingsvisie en onze ambities op het gebied van duurzaamheid (waaronder gemeente Soest klimaatneutraal), mobiliteit, wonen en werken is er nu behoefte aan een meer integrale overkoepelende aanpak. Daarom worden de diverse programma’s zo veel mogelijk gelijktijdig opgesteld.
9
2 Kaderstelling In dit hoofdstuk beschrijven we de kaders die vanuit het bestaande beleid aan het programma Energietransitie gesteld worden. Het gaat daarbij om zowel de Europese, landelijke, provinciale, regionale als lokale ‘Soester’ en financiële kaders. Ook is gekeken naar mogelijke relevante kaders van onze partners. We hebben een vertaling gemaakt naar wat deze kaders voor ons programma betekenen. We hebben daarbij aangegeven welke beleidsruimte is er, of dat deze mogelijk gecreëerd moet worden. Ook kijken we naar relevante kaders die vanuit ander beleid, andere omgevingsprogramma’s of andere documenten zijn vastgesteld. Tot slot is gekeken of er naast een inkadering van de opdracht in paragraaf 3.1 Opdrachtformulering ook inhoudelijke kaders voor de uitwerking zijn meegegeven in het coalitieakkoord, in de begroting (bijvoorbeeld financiële kaders) of in toezeggingen aan de gemeenteraad. In paragraaf 2.6 Aandachtspunten bij Kaderstelling, is aangegeven of er kaders ontbreken of dat juist kaders in tegenspraak met elkaar zijn. Wat dit mogelijk betekent, of bestaand beleid wellicht moet worden aangepast en wat daarvoor nodig is, wordt hierbij aangegeven.
2.1
Europese en landelijke kaders
Klimaatakkoord Parijs De nieuwe klimaatwet uit het voorjaar van 2022 zet in op 55% CO2 reductie in 2030 en 95% CO2 reductie in 2050. De Rijksoverheid heeft deze doelstelling overgenomen in het coalitieakkoord en roept op om beleidsmatig in te zetten op 60% CO2 reductie om de beoogde 55% CO2 reductie te halen. Hiermee wordt verder invulling gegeven aan het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 waarin afgesproken is om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot 2°C met inspanningen om het te beperken tot 1,5°C. In Nederland is met vele klimaatpartners een klimaatakkoord gesloten met de volgende doelstellingen CO2-reductie per thema: • • • • •
Elektriciteit: 20,2 Mton Industrie: 14,3 Mton Gebouwde omgeving 3,4 Mton Mobiliteit 7,3 Mton Landbouw en landgebruik 3,5 Mton
De NOVI De nationale omgevingsvisie (NOVI) heeft één nationaal belang op het gebied van energietransitie geformuleerd; het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2 arm is en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. (4.2.1. prioriteit 1; ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.) Daarbij worden een aantal beleidskeuzes gemaakt: • •
10
1.2: De grootse bijdrage in elektriciteitsproductie komt van windturbines op zee. 1.3: Energie-infrastructuur geschikt maken voor duurzame bronnen en daarvoor ruimte reserveren. Denk aan de uitrol van waterstof, groen gas en laadinfrastructuur.
•
1.4: Windturbines, zonnevelden en zon op daken realiseren met oog voor de kwaliteit van de omgeving en het combineren met andere functies. De 30 RES-regio’s hebben gezamenlijk 55 TWh aan ambities geformuleerd. Aandacht voor de ondergrond met bodemenergie en geothermie maar ook opslag van energie en kabels en leidingen. Maatregelen voor duurzame mobiliteit en het benutten van kansen voor het landelijk gebied en grote wateren bijvoorbeeld voor aquathermie.
Regionale Energiestrategie (RES) Aan de RES wordt de volgende richting meegeven: 1. Voorkeur voor grootschalige clustering 2. Toepassen van de voorkeursvolgorde zon-PV (daken/gevels, onbenutte terreinen in bebouwd gebied, overige locaties om de doelen te halen). Zoveel mogelijk functiecombinaties. 3. Energiebesparing, warmtenetten en ander gebruik van bestaande gasleidingen
2.2
Provinciale en regionale kaders
De doelstelling van de provincie Utrecht is zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2 neutraal en in 2030 55% van het elektriciteitsverbruik duurzaam opwekken (omgevingsvisie maart 2021). Daarin worden diverse activiteiten op onderdelen van de energietransitie benoemd die aansluiten bij het programma Energietransitie van de gemeente Soest. Gemeenten in de regio hebben allemaal te maken met dezelfde doelstellingen op Europees, nationaal en provinciaal niveau. Een aantal gemeenten wil sneller tot resultaten komen. Er vindt samenwerking op dit thema plaats via de RES. Tot slot stelt het coalitieakkoord om alle benodigde energie duurzaam binnen de provincie op te wekken in uiterlijk 2040. De jaarlijkse besparing van het energieverbruik moet tenminste 1,5% per jaar zijn en 16% van de energievraag moet in 2023 duurzaam opgewekt zijn.
2.3
Omgevingsvisie en lokale kaders
Coalitieakkoord Het coalitieakkoord van de gemeente Soest zet in op het versterken van de energietransitie op basis van uitvoeringsmiddelen van het Rijk. De prioriteit ligt bij: • Uitvoering van het programma Energietransitie • Vaststelling van de transitievisie warmte en de opvolgende wijkuitvoeringsplannen • Stimuleren van isolatie van woningen • Stimuleren zonnepanelen op daken • Opstellen en uitvoeren beleidsplan laadpalen • Uitvoering routeplan verduurzaming gemeentelijke gebouwen Het college staat terughoudend tegenover de plaatsing van windturbines en zonnevelden en wil de uitkomsten van onderzoeken kritisch beoordelen op consequenties voor gezondheid en leefbaarheid. Vanuit tussentijdse evaluatie wordt bezien of de gemeente Soest haar ambitieniveau kan verhogen.
11
Omgevingsvisie Soest De omgevingsvisie bevat dezelfde doelstellingen als het huidige programma Energietransitie.
2.4
Kaders van partners
Er zijn ook een heel aantal stakeholders, die partner zijn van het programma Energietransitie. Denk aan de Soester zakenkring, Energie Actief Soest, Soester Energiecoöperatie en de Bedrijven Management Organisatie Soest. Zij werken mee om de doelstelling van het programma Energietransitie te bereiken. Deze organisaties werken vanuit hun eigen kaders, en hun eigen doelstellingen.
2.5
Financiële en organisatorische kaders
Het huidige programma kent de volgende begroting voor komende jaren (zie Tabel 1): Tabel 1: Budget en formatie voor programma Energietransitie voor 2023 t/m 2025.
2023
2024
2025
Budget (€)
€ 303.000,-
€ 328.000,-
€ 328.000,-
Formatie (fte)
5,3
5,3
5,3
Vanuit de Rijksoverheid zijn in november 2022 aanvullende rijkmiddelen toegezegd voor de uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord. Voor de gemeente Soest gaat dit om circa €860.000,- extra middelen per jaar tot en met 2030. Deze middelen zijn bedoeld voor extra capaciteit. Begin 2023 worden de exacte voorwaarden en bedragen uitgewerkt in een nationale verordening. Deze middelen kunnen ingezet worden binnen het programma Energietransitie of binnen andere programma’s voor het bereiken van de doelstellingen van energietransitie.
2.6
Aandachtspunten bij kaderstelling
We nemen de in dit hoofdstuk omschreven kaders mee bij het schrijven van het omgevingsprogramma Energietransitie. We beschouwen dit als richtinggevende kaders. Daarmee bedoelen we dat deze kaders wel het uitgangspunt vormen voor het programma, maar dat ze niet bindend zijn. Waar nodig kunnen we bij het schrijven van het programma gemotiveerd van deze kaders afwijken. Dat betekent dat we bij afwijkingen van kaders terugkomen bij de gemeenteraad voor aanpassing van de kaders. Het huidige programma Energietransitie 2020 – 2025 gaat uit van de doelstelling 49% CO2 reductie in 2030 en nagenoeg CO2 neutraal in 2050. In het programma staat: "De gemeente Soest sluit met haar doelstelling voor de energietransitie aan bij de landelijke lijn". Zoals eerder benoemd heeft Europa in het voorjaar 2022 de nieuwe klimaatwet aangenomen met doelstelling 55% CO2 reductie in 2030, het nieuwe coalitieakkoord van het Rijk sluit hierbij aan. De voorwaarde van de VNG is inmiddels ingevuld door toezegging van forse rijksmiddelen voor aanvullende capaciteit tot en met 2030. Het verlengen van de looptijd van het programma Energietransitie naar 2023-2030 sluit hierbij aan. Daarmee kan de gemeente Soest sturen op de langere termijn voor 2030 met concrete doelstellingen voor de korte termijn.
12
3 Opdracht In dit hoofdstuk staat de opdracht om te komen tot een omgevingsprogramma centraal. Wat doet het programma wel en niet? Wat is nodig om tot een programma te komen? En wat verwachten we van het eindresultaat?
3.1
Opdrachtformulering
De opdracht voor een omgevingsprogramma Energietransitie is niet opgenomen in het document ‘stap voor stap ver komen’ behorend bij de omgevingsvisie. Daardoor is er nog geen uitgewerkt opdracht beschikbaar. Met deze startnotitie wordt wel ingezet op een omgevingsprogramma Energietransitie. In hoofdstuk 1 van deze startnotitie is de hoofddoelstelling uitgewerkt en zijn de onderliggende pijlers van het programma benoemd. Het herijken van het programma Energietransitie en het toevoegen van een nieuwe pijler energiesysteem is primaire opdracht. Belangrijk hierbij is dat alle invloed en impact van de energietransitie op de andere programma’s, integraal wordt meegenomen in die programma’s. Na opstellen van deze startnotitie vindt een onderzoeksfase plaats waarin de doelstellingen voor de verschillende pijlers wordt uitgewerkt. Vervolgens worden in het programma projecten opgenomen waarmee we de doelstelling willen realiseren. Deze worden ter besluitvorming voorgelegd aan het college.
3.2
Raakvlakken en samenhang met andere programma’s
Eén van de doelen van de Omgevingswet is het in samenhang benaderen van de fysieke leefomgeving, om zo een balans te bereiken tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Het omgevingsprogramma Energietransitie kan dan ook niet los worden gezien van andere ruimtevragers in de fysieke leefomgeving. Het gaat hierbij niet alleen over de thema’s Mobiliteit, Wonen, Werken en Water waarvoor nu de omgevingsprogramma’s worden opgesteld. Ook andere ruimtevragers, zoals groen, natuur en sporten hangen nauw samen met het programma Energietransitie. Evenals op te stellen gebiedsvisies. De ruimtevragers zijn allen onlosmakelijke verbonden met elkaar (zie Figuur 3 op de volgende pagina). Radars waarbij het draaien aan een radar direct invloed heeft op een ander radar. Dit betekent dat het opstellen van het omgevingsprogramma vanuit deze integrale benadering bezien wordt. Ook in de uitvoering van het programma krijgen we te maken met een integrale aanpak. Doelstellingen die een integrale aanpak vergen, buiten de kaders van het eigen beleidsprogramma, worden integraal aangepakt. Deze integrale ‘projecten’ komen dan ook terug in de verschillende (uitvoerings-)programma’s. De vijf andere omgevingsprogramma’s wonen, werken, mobiliteit en water dragen bij aan het bereiken van de 55% CO2 reductie in 2030.
Deze doelstelling wordt dus integraal meegenomen tussen de andere doelstellingen van de programma’s. De primaire kennisontwikkelingen, uitwerking van doelstellingen, samenwerking met stakeholders en monitoren op de voortgang gebeurt vanuit het programma Energietransitie. De uitvoering gebeurt in gezamenlijkheid met de andere programma’s. Vanuit het programma
13
Energietransitie wordt kwantitatief en kwalitatief uitgewerkt wat de bijdrage is in de CO2reductie van de onderdelen wonen, werken en mobiliteit. In de praktijk betekent dit dat er integrale samenwerking nodig is op het niveau van de omgevingsprogramma’s of het niveau van diverse onderliggende projecten. Dit wordt uitgewerkt bij het opstellen van de omgevingsprogramma’s.
Figuur 3: Visualisatie van de samenhang van de beleidsthema's
Integrale ontwikkelingen Een aantal ontwikkelingen zorgt ervoor dat energietransitie een integraal onderdeel is van de andere omgevingsprogramma’s: • Alle woningen en gebouwen in de gemeente Soest stappen van het aardgas af (klaar in 2050). En nieuwbouwwoningen zijn per definitie aardgasvrij en voorbereid op de toekomst. Dit vergt een integrale aanpak met vooral het programma Wonen voor woningen en het programma Werken om ondernemers te stimuleren en faciliteren in het aardgasvrijmaken. • Het gebruik van fossiele brandstoffen zoals benzine en diesel wordt afgebouwd. Elektrisch rijden wordt de standaard met bronnen zoals accu’s en waterstof. Hier zit een groot raakvlak met programma Mobiliteit. • Alle bedrijfsgebouwen en utiliteitsgebouwen in de gemeente Soest bieden veel ruimte voor de toepassing van zonnepanelen. • Benodigde installaties zoals windturbines, zonnevelden, onderstations en transformatorkastjes hebben een groot ruimtebeslag. Dit moet afgewogen worden
14
•
3.3
met andere ruimtevragers omdat er ruimtelijke conflicten kunnen ontstaan. Windturbines maken bijvoorbeeld het bouwen van woningen op die locaties onmogelijk en de Rijksoverheid werkt aan nieuwe afstandsnormen tot woningen. En er zijn bijvoorbeeld vele transformatorkastjes nodig in de gebouwde omgeving van de gemeente Soest. Hierin zit dus veel afstemming met de ruimtevragers van de andere zes programma’s. Denk bijvoorbeeld aan schaarse onverharde ruimte wat men wilt benutten voor de programma’s Water en Groen. Netcongestie: Het huidige elektriciteitsnetwerk loopt tegen haar grenzen terwijl we pas aan de vooravond staan van grote elektrificatie op alle terreinen. Elektrisch rijden, verwarmen en bedrijfsprocessen veroorzaken een grote vraag naar extra capaciteit. Op dit moment is de situatie zo dat er circa 5-7 jaar geen nieuwe aansluiting door netbeheerder Stedin geleverd kan worden. Alles wat met het elektriciteitsnet maar ook het uitfaseren van het aardgaswerk te maken heeft, raakt de ondergrond. Samenwerking met de programma’s Water en Groen zijn daarom van belang voor een vitale ondergrond.
Afbakening van het programma
Het programma gaat over het volledige grondgebied van de gemeente Soest. Daarbinnen gaat het om de ‘grondgebonden’ (oftewel binnen gemeentegrenzen) energie gerelateerde CO2 uitstoot. Grondgebonden betekent dat er niet naar verplaatsingen of duurzame opwekking buiten de gemeente wordt gekeken. De gemeente Soest heeft als ambitie om zelfstandig energieneutraal te worden. Voor de periode tot en met 2030 ligt de focus op energie-gerelateerde CO2 uitstoot. Er wordt niet gekeken naar CO2 equivalenten van alle andere broeikasgassen zoals stikstof, methaan, of ozon. Uitnodigingskader zon en wind (Grootschalige opwek van duurzame elektriciteit) In het uitnodigingskader zon en wind staan drie onderzoekslocaties voor windturbines en een voor zon in de gemeente Soest. Op deze locaties is mogelijk ruimte voor zeven windturbines van 5,6 MW. Daarmee haalt de gemeente Soest 75% van de benodigde grootschalige energie in 2030 (0,12 TWh van de benodigde 0,16 TWh). Deze locaties worden momenteel vanuit de RES onderzocht op haalbaarheid. Voor alle locaties geldt een sterke afhankelijkheid en samenwerking met buurgemeenten. De opgenomen locatie voor een zonneveld bij ‘de Spoordriehoek’ is middels een amendement van de raad uitgesloten van het uitnodigingskader. Dus blijft alleen zonlocatie over tegen de grens met Amersfoort, tevens windlocatie.
3.4
Randvoorwaarden en vereisten voor het opstellen van het programma
De verwachting is dat het actualiseren van het programma mogelijk is op basis van het beschikbare budget. Er is wel een belangrijke afhankelijkheid van de beschikbaarheid van collega’s binnen de gemeente. Op dit moment is er een tekort aan capaciteit binnen het cluster energietransitie en worden vacatures zeer moeizaam ingevuld. Recentelijk zijn de Rijksmiddelen toegezegd en dat biedt mogelijkheden. In de praktijk breiden vrijwel alle overheden hun capaciteit de komende tijd met een factor 2-5 uit en zijn er beperkt mensen
15
op de arbeidsmarkt beschikbaar. Omdat er al een basis ligt in het huidige programma Energietransitie is de verwachting dat de actualisatie gedekt wordt vanuit de huidige capaciteit.
3.5
Strategie en afwegingskader
Verschillende onderdelen van de energietransitie vragen om verschillende strategieën in de uitvoering. Dit zijn de belangrijkste: •
•
•
•
•
Reguleren: op basis van de nieuwe energiewet en nieuwe warmtenet krijgen gemeenten diverse bevoegdheden. Het wettelijk vastleggen van een jaartal waarop een wijk of gebied van het aardgas afgesloten wordt is belangrijk. Faciliteren: de gemeente is een betrouwbare partner in de energietransitie voor haar inwoners en ondernemers. Een faciliterende strategie past hier veelal bij. Faciliteren door middel van goede informatievoorziening is een goed voorbeeld. We faciliteren bewoners en ondernemers zodat zij maatregelen kunnen treffen om te verduurzamen. We willen het zo laagdrempelig mogelijk maken om hulp te vragen. Ook faciliteren we door duidelijk beleid voor windturbines en zonnevelden om vervolgens ruimte te laten aan de markt. Stimuleren: een aantal onderwerpen vraagt actief stimuleren, bijvoorbeeld door middel van een subsidie. Voor windturbines en zonnepanelen zijn landelijke subsidies beschikbaar. Deelmobiliteit is een onderwerp wat een actieve stimulans van de gemeente vraagt. Ook de isolatieaanpak voor woningen en het treffen van maatregelen om energiearmoede tegen te gaan, vragen om een stimulerende rol. Dit gaat hand in hand met een vruchtbare samenwerking met diverse stakeholders zoals we dat al gewend zijn in het programma. Zelf uitvoeren: Deze strategie sluit aan bij een pijler in het programma; de gemeente als voorbeeld.
We gaan als gemeente zelf aan de slag met het verduurzamen van ons maatschappelijk vastgoed. Dit gaat niet alleen over de gebouwen zelf, maar ook over ons duurzame gedrag binnen de gebouwen en verplaatsingen naar en tussen gebouwen. Koppelkansen: Deze strategie geldt voor ieder beleidsveld in de gemeentelijke organisatie. Werk opgave- of gebiedsgericht en kijk daarbij dus buiten je eigen thema- of beleidsveld.
Alle projecten die na de herijking worden opgenomen in het programma Energietransitie, worden gewogen op: • Bijdrage aan de doelstelling van CO2-reductie. • Draagvlak; vanuit een samenwerkende houding van de gemeente met stakeholders en participatie met de inwoners. • Uitvoerbaarheid van het project in de praktijk. • Kosten; is het passend binnen het beschikbare budget en wie financiert het? • Planning en haalbaarheid binnen uitvoeringsperiode van het programma.
16
•
Oplossend vermogen. Draagt de maatregel bij aan één of meerdere doelen van het programma Energietransitie of de andere omgevingsprogramma’s. Daarbij wegen ook negatieve effecten voor andere doelen van andere omgevingsprogramma’s mee.
Bij de keuze voor een te nemen maatregel moet over de grenzen van het programma Energietransitie heen gekeken worden. Daarbij zullen maatregelen die ook bijdragen aan andere programma’s meer voor de hand liggen. Daarbij zal tevens blijken dat niet op elke plek alle doelstellingen optimaal behaald kunnen worden en niet elke maatregel bijdraagt aan andere beleidsdoelstellingen buiten het programma Energietransitie. Het koppelen van kansen verhoogd de effectiviteit van te nemen maatregelen. Daar waar belangen tussen de verschillende programma’s tegenstrijdig zijn, zullen bestuurlijk keuzes gemaakt moeten worden. Vooralsnog is het beeld van mogelijk tegengestelde belangen niet concreet, zo ook het afwegingskader niet. Op grond van de Global Goals is in 2016 een model ontwikkeld dat zou kunnen dienen als afwegingskader, de zogenaamde ‘Wedding cake’. In dit model wordt uitgegaan van de randvoorwaardelijkheid van de biosfeer voor de maatschappij en economische activiteiten. Simpel gesteld: zonder aandacht voor de biosfeer is er eenvoudig geen maatschappij of economie meer mogelijk.
Wedding Cake bij de Global Goals
3.6
Eindresultaat
In 2023 is het geactualiseerde programma Energietransitie 2023 – 2030 gereed. Het is een compact en visueel document waarin de doelstelling van 55% CO2 reductie concreet is uitgewerkt per pijler. De pijlers zijn uitgewerkt in een reeks projecten om de doelstelling te halen. Het programma is tot stand gekomen in samenwerking met belangrijke stakeholders
17
van het programma. Zij werken al jaren samen met de gemeente in de uitvoering en het halen van de doelen. Zij zijn vanaf de voorkant, de start van dit startnotitie-proces, betrokken. Kostenverhaal De programma’s Wonen en Werken leiden uiteindelijk tot initiatieven en projecten, waarvoor allerlei maatregelen binnen het fysieke domein (vanuit de programma’s Groen, Water, Mobiliteit en Energietransitie) nodig zijn en waar dus kosten aan hangen. De gemeente is verplicht om deze kosten te verhalen op (woning)bouwprojecten. Lukt dat niet privaatrechtelijk (via een anterieure overeenkomst met bijvoorbeeld een ontwikkelaar) dan moet dat publiekrechtelijk. Indien gebruik wordt gemaakt van de publiekrechtelijke regeling zal het bevoegde bestuursorgaan in het besluit dat de activiteit mogelijk maakt regels of voorschriften opnemen over het verhaal van kosten. We onderscheiden hierbij twee typen gebiedsoverstijgende kosten: • Kosten voor bovenwijkse voorzieningen waarvoor een PTP toets nodig is. PTP staat voor profijt, toerekenbaar, en proportionaliteit: heeft de ontwikkeling profijt van de investering, doe je de investering vanwege de ontwikkeling, en in hoeverre heeft de ontwikkeling profijt van de investering. Per ontwikkeling bepalen we het bedrag aan bovenwijkse voorzieningen in de zogenaamde kostenverhaalsbeschikking; • Financiële bijdrage.
Naast het kostenverhaal kunnen we ook een financiële bijdrage vragen. Daar is niet per se een PTP toets nodig. Wel de functionele samenhang tussen de investering en de ontwikkeling die we vastleggen in de omgevingsvisie, (via het programma) richting een uiteindelijke vergunning of wijziging van het omgevingsplan. Ook rekenen we met de proportionaliteit van de investering. Per ontwikkeling is dit een vaste bijdrage per woning. Voorgaande tekst vloeit voort uit de (nieuwe) Nota Kostenverhaal, waarin uitgebreid wordt aangegeven hoe wij in onze gemeente om willen gaan met kostenverhaal en waarin een relatie wordt gelegd met de omgevingsprogramma's. De Nota Kostenverhaal wordt in dezelfde raadscyclus als de startnotities ter besluitvorming voorgelegd. Via kostenverhaal kan vaak slechts een deel van de kosten verhaald worden. In de uitvoeringsparagraaf van het programma wordt tevens aangegeven hoe wij voornemens zijn om de resterende kosten te dekken.
18
4 Plan van Aanpak Dit hoofdstuk geeft antwoord op de organisatorische vraag hoe het programma tot stand komt. De vaststelling van dit hoofdstuk is in principe aan het college van B&W en ter kennisgeving voor de gemeenteraad.
4.1
Globale aanpak
De aanpak om te komen tot een geactualiseerd programma Energietransitie bestaat globaal uit vier fasen: Analysefase Deze stap bevat een evaluatie van het programma die aansluit bij een eerste interne evaluatie van voor de zomer 2022 (zie bijlage 2). Daarnaast worden de belangrijkste actuele ontwikkelingen naast elkaar gezet en worden de consequenties voor het programma Energietransitie concreet gemaakt. Het resultaat is een set concrete doelstellingen per pijler. Participatiefase Al tijdens de analysefase betrekken we inwoners, ondernemers, belangenverenigingen en andere belangrijke stakeholders. Hoe beoordelen zij de resultaten van het programma Energietransitie van 2020 en nu? En wat vinden zij belangrijke aspecten die een plek moeten krijgen in het vervolg van het programma Energietransitie? De participatie staat verder uitgewerkt in paragraaf 4.4. Ontwerpfase In deze stap worden de doelstellingen per pijler uitgewerkt in projecten. De centrale vraag is welke en hoeveel projecten er nodig zijn om de doelstellingen te bereiken. Dat zijn doelstellingen in CO2-reductie aangevuld met KPI’s zoals aantal woningen transitiegereed en aantal openbare laadpalen. Om deze doelstellingen te bereiken is een structurele samenwerking nodig met een groot aantal stakeholders en is het van belang dat inwoners op hun eigen manier betrokken raken om hun leefomgeving te verduurzamen.
Daarom krijgen de organisatie en communicatie aspecten in het programma een centrale rol naast de inhoud van projecten. Het doel is dat de energietransitie iets van alle inwoners en ondernemers van Soest en Soesterberg wordt. Ook de interne organisatie en inbedding van energietransitie tussen andere thema’s is daarbij belangrijk. Dit geheel wordt uitgewerkt in het nieuwe programma Energietransitie 2023 – 2030. Besluitvormingsfase Na inhoudelijke afronding van het programma wordt deze zorgvuldig besproken met de Taskforce Energietransitie. Als zij hun goedkeuring geven wordt het programma mede namens hen aangeboden aan het college van B&W. De raad wordt geïnformeerd over het genomen besluit.
19
4.2
Onderzoek, informatie en kwaliteit
De volgende analyses worden uitgevoerd: • Nadere evaluatie van het programma Energietransitie 2020 – 2025 (zie een eerste opzet van de zomer 2022 in Bijlage 2). • Analyse actuele landelijke, regionale en lokale ontwikkelingen en de consequenties voor de pijlers binnen het programma. • Nadere analyse van de doelstelling 55% CO2 reductie en de benodigde bijdrage van de pijlers en daarmee ook de andere omgevingsprogramma’s.
4.3
Programma-organisatie
De vier wethouders treden gezamenlijk op als bestuurlijk opdrachtgever. De ambtelijk opdrachtgever is de manager ‘fysieke leefomgeving’. Het programma wordt opgesteld onder regie van een programmamanager. Daarbij zijn er de volgende overlegvormen: Taskforce Energietransitie De Taskforce Energietransitie is van begin (2020) tot nu betrokken. Dat wil zeggen dat de Taskforce ook betrokken is bij het opstellen van de startnotitie, samen met ambtenaren het kernteam vormt voor structureel overleg en uiteindelijk een akkoord geeft op de afronding van het programma. Vervolgens blijven zij betrokken in de uitvoering van de diverse pijlers. Wij waarderen deze Taskforce zeer. De Taskforce bevat per pijler van het programma minstens een aanspreekpunt voor de samenwerkende achterban van stakeholders. De Taskforce wordt voorgezeten door de bestuurlijk opdrachtgever, de portefeuillehouder Duurzaamheid. In 2022 is de samenwerking in de Taskforce geëvalueerd en aangescherpt en het voornemen is om in 2023 meer ervaringen op te doen met deze manier van samenwerken. Programmateam In het programmateam zitten alle collega's van het cluster energietransitie, inclusief de communicatieadviseur en als agendalid een financieel adviseur. Zij verdelen de werkzaamheden per pijler en voeren individueel of gezamenlijk deelopdrachten uit. De programmamanager energietransitie coördineert het programma.
Via de structuur van de interne organisatie vindt afstemming plaats met andere teams en afdelingen. Interdisciplinair team omgevingsprogramma's De regievoerders van de zes programma's wonen, werken, mobiliteit, water, energietransitie en groen-landschap vormen samen met een integrale regievoerder, eventuele adviseurs vanuit andere vakdisciplines en een ondersteuner een interdisciplinair team. In dit team wordt de integraliteit tussen de programma's geborgd. Bijeenkomsten interne organisatie Tijdens het opstellen van de omgevingsprogramma’s vindt op een aantal momenten een terugkoppeling en uitwisseling plaats met de interne organisatie. Dus niet alleen met de collega’s die zich bezighouden met de fysieke leefomgeving. Ook de collega’s uit het sociaal domein worden hierbij betrokken. Daarmee bereiken we een nog grotere samenhang tussen de verschillende programma’s, de andere thema’s uit het fysiek domein, de projecten van het projectbureau en de thema’s van het sociaal domein. Wij informeren de organisatie over
20
waar we staan in het proces. Daarnaast halen we relevante informatie op om tot integrale afwegingen te kunnen komen. NB. Verwachting benodigde organisatie programma Energietransitie 2023 – 2030 De energietransitie staat aan het begin van een enorme opschaling. Na ondertekening van het Klimaatakkoord is de weg van opschaling ingeslagen. De RES en de transitievisie warmte (TVW) zijn opgestart. Door deze grote trajecten en lokale initiatieven is voor heel Nederland duidelijk geworden welke enorme klus ons te wachten staat en wat oplossingsrichtingen zijn. Dit gaat over technieken voor gasvrij maken van huizen, het ontwikkelen van zonneparken en windturbines, stevige energiebesparing op alle fronten en het maximaal benutten van daken voor zonnepanelen. Vrijwel al deze plannen zijn in beleid geland, ook in de gemeente Soest, en vragen om uitvoeringskracht. Het is aan de gemeente om haar inwoners en ondernemers daarin te stimuleren en aan te zetten tot initiatief en te ondersteunen met kennis, toegang tot financieringsinstrumenten, meeliften op collectiviteit en informeren vanuit haar publieke taak. Deze ontwikkelingen vragen om een stevige opschaling van de ambtelijke organisatie.
Aangezien de gebouwde omgeving het grootste aandeel is voor de energietransitie in de gemeente Soest en energiebesparing en warmte de meest complexe onderdelen zijn, ligt daar de prioriteit voor komende jaren en dit zal zich moeten vertalen in ambtelijke capaciteit. Als gevolg van onvoldoende capaciteit hebben we de transitievisie warmte nog niet af kunnen ronden en structureel te kunnen borgen. en dus in een inhaalslag nodig. Daarnaast moet de gemeente betrouwbare partner zijn in de vele projecten die gaan volgen op dit thema. Met nieuwe capaciteit voor de pijler warmte kan de transitievisie warmte worden afgerond, maar voor de opvolging is alsnog een versterking nodig. De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft in 2022 onderzoek gedaan naar de uitvoeringslasten van het klimaatakkoord. De conclusie is dat een middelgrote gemeente zoals Soest 17 – 19 fte extra nodig heeft (Dit is voor G40 gemeenten overigens 39 – 43 fte). Naast de huidige vacatures betekent dit een opschaling van minimaal 10 fte in 2023 en 2024 gezamenlijk. Deze valt deels binnen het programma Energietransitie, maar ook deel binnen de verschillende afdelingen die ook allemaal met deze opgave in aanraking komen.
4.4
Participatie
Participatie energietransitie in vergelijking met andere startnotities Voor het programma Energietransitie heeft er bij het vaststellen van het programma in 2020 al uitvoerig participatie plaatsgevonden. Voor het programma Energietransitie is participatie niet een eenmalige activiteit om het programma te definiëren, maar een manier van werken. Een manier van werken om het programma te actualiseren en vooral ook om het programma uit te voeren. Bij het actualiseren van het programma, waar deze startnotitie zich op richt, speelt participatie zich af op het niveau van ‘raadplegen' van de participatieladder. Het meer operationele deel van het uitvoeringsprogramma gebeurt vanuit de bestaande samenwerking met de belangrijkste stakeholders. Tijdens de uitvoering van het programma speelt participatie zich juist voornamelijk af op het niveau van ‘co-produceren’ en ‘zelf organiseren’.
21
Integrale aanpak De participatie zetten we integraal op, voor alle zes de beleidsprogramma’s tegelijk, omdat het traject tegelijk loopt en we deze zo optimaal mogelijk met elkaar willen verweven. Neemt niet weg dat de stakeholders per programma deels zullen verschillen, waardoor er voor diverse specifieke doelgroepen aparte bijeenkomsten nodig zullen zijn. Het voorstel is om een extern bureau in te schakelen bij het uitwerken en uitvoeren van de participatie. Vanuit de gemeente begeleidt de afdeling communicatie het traject, in nauwe afstemming met de regievoerder. Stakeholderanalyse: voor en met wie? Vanuit de Rijksoverheid is de opdracht meegegeven dat de energietransitie met inwoners samen wordt doorlopen. De lokale overheid heeft de regie. Ook als de gemeente Soest haar doelstellingen van het programma wil halen, dan is intensieve samenwerking nodig met vele stakeholders. Dit zijn betrokkenen met inhoudelijke expertise en/of belangen en invloed. Aan de basis ligt een stakeholder analyse. We beschouwen deze stakeholders als samenwerkingspartners. Ook hebben we inzichtelijk waar de overlap zit met stakeholders van andere programma’s. Voor het actualiseren van het programma wordt deze groep stakeholders betrokken. Wij doen dat al in 2023, omdat we ook in 2023 de actualisatie van programma Energietransitie willen afronden.
Naast de stakeholders is er voor de uitvoering van het programma een grote groep inwoners en ondernemers die we mede verantwoordelijk maken en die enthousiast aan de energietransitie bij willen dragen. Dit gaat vooral om een werkwijze, een structureel gesprek met de inwoners en ondernemers zelf en zorg dragen voor goede informatievoorziening. Thema’s als aardgasvrij en netcongestie maken we toegankelijk en laagdrempelig. Het doel is om inwoners te ondersteunen bij hun acties en initiatieven en hen te stimuleren tot acties op diverse fronten. Dit gebeurt vanuit standaard bij de uitvoering van het programma. Wat gaan we ophalen en hoe? We weten wie we welke vragen willen stellen. In onze participatie zoeken we ook naar de eventuele raakvlakken met de andere programma’s. Voor de actualisatie van het programma worden concreet de volgende stappen gezet: • Centrale bijeenkomst van een avond met een plenair gedeelte en verdieping per thema. Brede groep van stakeholders en reeds betrokkenen uitnodigen. Trede op de participatieladder: raadplegen •
Verdiepende gesprekken met stakeholders en interne organisatie. Trede op de participatieladder: raadplegen
Parallel en na deze actualisatie loopt de uitvoering van het programma waarin continu participatie plaatsvindt voor de wijkaanpak van o.a. warmtetransitie, plankaart openbare laadpalen, pilot netcongestie op twee bedrijventerreinen, et cetera. Participatie is bij de uitvoering van het programma Energietransitie dus niet enkel het middel dat we op
22
momenten inzetten om de doelen te behalen of om vinkjes te kunnen zetten. Het is onze structurele manier van werken om de energietransitie te kunnen realiseren. Participatieplatform denkmeeover.nl Op een nieuw in te richten pagina op denkmeeover.nl kan de totstandkoming van de verschillende startnotities inzichtelijk worden gemaakt en dus ook die van de energietransitie. Hier kunnen inwoners zelf informatie vinden over de programma’s. Voor de energietransitie zetten we het platform in dat geval alleen in als informatiemiddel en niet als participatiemiddel. Participatie speelt zich door de fase waarin het programma zich bevindt (herijking/actualisering) vooral af tijdens persoonlijke ontmoeting zoals de genoemde bijeenkomst en de verdiepende gesprekken. Adviesorganen Binnen de gemeente kennen we een tweetal ruimtelijke adviesorganen die advies geven over een breed scala van ruimtelijke aspecten bij vergunningen, bestemmingsplannen en beleid. Dit zijn de commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de adviescommissie Milieu en Ruimte. Vanuit de programma’s Wonen, Werken, Water, Groen en Mobiliteit wordt aangesloten bij een bijeenkomst van beide adviescommissies om hun advies in te winnen. Voor de energietransitie als programma is dit niet het geval, maar uiteraard wordt het thema energietransitie er als onderdeel van deze andere programma’s wel besproken.
4.5
Procedures
Vaststelling In lijn met de Omgevingswet stellen burgemeester en wethouders omgevingsprogramma’s vast (Omgevingswet artikel 3.4). De gemeenteraad stelt de omgevingsvisie vast, zoals zij dat hebben gedaan in december 2021. Als op 1 januari 2024 (naar verwachting) de Omgevingswet in werking treedt, is er dus geen rol voor de raad bij de vaststelling van het programma. Indien de Omgevingswet niet in werking is getreden ten tijde van de vaststelling van het programma, dan stelt de raad het programma vast. Omgevingsvisie Als het omgevingsprogramma aanleiding geeft tot het aanpassen van kaders uit de omgevingsvisie, dan vragen wij de raad dit vaststellen. Tegelijk met het omgevingsprogramma wordt ook het uitvoeringsprogramma vastgesteld. Ook dat is aan het college. Als voor de uitvoering meer geld nodig is dan nu beschikbaar, dan vragen wij de raad om meer budget. De gemeenteraad blijft gaan over de financiële kaders voor het uitvoeringsprogramma (het budgetrecht). Participatie Onder de Omgevingswet is participatie niet vrijblijvend. In het programma moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. En wat de resultaten daarvan zijn. Deze motiveringsplicht is geregeld in artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit.
23
Afstemmings- en consultatieverplichtingen In artikel 2.2 van de Omgevingswet staat: “Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.” Dat betekent dat we bij het vaststellen van het programma met andere partijen in overleg moeten. Hoe we dat moeten doen wordt vrijgelaten. Bepalingen over mededelingen, toezendverplichtingen en overlegverplichtingen zijn geschrapt. Het Omgevingsbesluit vermindert het aantal procedurele bepalingen, waardoor procedures inzichtelijker worden. De procedurele bepalingen gaan uit van het vertrouwen tussen overheden. MER-beoordelingsplicht Op het omgevingsprogramma Energietransitie is een MER-beoordelingsplicht van toepassing. Die beoordeling moet plaatsvinden als het programma een kader biedt voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van wegen. Waarschijnlijk komt uit die beoordeling dat geen plan-MER-plicht geldt omdat het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én dat voor het programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Een planMER-plicht geldt bijvoorbeeld wel als het plan een kader biedt voor de aanleg van autowegen, autosnelwegen of wegen die langer zijn dan 10 km.
Publicatie Het programma zelf moeten we publiceren in het Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Om dat te kunnen doen moeten we bij het maken van het programma gebruik maken van een nieuwe standaard, de Standaard officiële publicaties met Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten (STOP/TPOD). We moeten het programma publiceren via de ‘Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen’ (LVBB). Zienswijzen Bij het opstellen van een programma geldt de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat staat in artikel 16.27 lid 1 Omgevingswet. Dat betekent dat iedereen zienswijzen kan indienen, dus niet alleen belanghebbenden. Deze procedure duurt zes weken na publicatie van het ontwerpprogramma. Bezwaar en beroep Een omgevingsprogramma bindt alleen de gemeente zelf. Vanwege het zelfbindende karakter staat er geen beroep open tegen het besluit tot vaststelling van een programma (artikel 1 van bijlage 2 van de Awb).
4.6
Budget
Het bedraagt bestaat uit: • Analyse doelstelling 55% CO2 reductie: €10.000,• Diverse kosten bijeenkomst en materiaal €5.000,Deze en overige kosten worden gedekt vanuit het huidige budget van het programma.
24
4.7
Planning
In deze paragraaf staat de generieke planning van de omgevingsprogramma’s. De planning van de actualisatie van het programma energietransitie kan hiervan afwijken omdat het een actualisatie van een bestaand programma betreft. Dit betreft een ambitieuze planning waarbij de analyse- en participatiefase voor de zomer worden afgerond. Zodra hierin vertraging optreedt betekent dit dat de participatiefase vanwege de zomervakantie direct een aantal maanden opschuift. Dat heeft ook gevolgen voor het vervolg van de planning. We zetten erop in om dat te voorkomen. Ervan uitgaande dat we de onderstaande planning volgen, starten we direct na de zomer met het opstellen van het inhoudelijke programma en vervolgens de vaststelling van een conceptprogramma dat gedurende zes weken voor zienswijzen wordt vrijgegeven. Na het maken van een zienswijzennota kan in februari 2024 de besluitvorming in het college worden afgerond. Eventuele besluitvorming in de gemeenteraad volgt daarna in maart 2024.
Figuur 4: Generieke planning omgevingsprogramma’s
Een belangrijke kanttekening is dat dit programma voor energietransitie een actualisatie betreft. Dat betekent dus dat de uitvoering van de projecten van het vastgestelde programma gewoon doorlopen. Zie over het proces met de gemeenteraad ook de volgende paragraaf.
4.8
Communicatie
Het doel van communicatie is: • Informeren over het proces van totstandkoming • Informeren over de inhoudelijke uitgangspunten van het programma • Informeren over de inhoudelijke opbrengst vanuit de participatie Vorm: mensen in beweging in beeld Een omgevingsprogramma Energietransitie wordt al snel een vaktechnisch document met ingewikkelde termen. Dat willen we voorkomen. We willen de mens en zijn/haar in relatie tot de energietransitie in het stuk centraal stellen. Dat is waar we het voor doen. We hebben daarbij het idee om een aantal inspirerende personen in beeld (foto) en tekst (quote) een plek te geven in het beleidsstuk en ook in de communicatie hier omheen. We hebben
25
daarvan al meerdere voorbeelden beschikbaar. Zo krijgen we een beleidsstuk met bijbehorende communicatie waarin onze inwoners centraal staan. Communicatieplan In de analysefase wordt een communicatieplan opgesteld, waarin ook de momenten waarop we communiceren en de communicatiemiddelen worden bepaald. Gemeenteraad Met de omgevingsprogramma's wonen, werken, mobiliteit, energietransitie, water en groen wordt een groot deel van de ruimtelijke koers die de gemeenteraad heeft vastgesteld richting 2040 geconcretiseerd. We kunnen ons voorstellen dat er vanuit de gemeenteraad behoefte bestaat om dit proces op de voet te volgen om ook haar controlerende taak uit te kunnen voeren. Tijdens een informatiebijeenkomst in september 2023 presenteren we de uitkomsten van de analysefase en de participatiefase aan de gemeenteraad. Dit gaat om een tussenstand van het proces van alle zes de omgevingsprogramma’s. Dat betekent dus dat de uitvoering van de projecten van het vastgestelde programma Energietransitie gewoon doorlopen . Parallel aan de zienswijzenprocedure consulteren we de gemeenteraad in december 2023 over de ontwerpprogramma's, voordat het college van burgemeester en wethouders deze vaststelt. In maart 2024 komen we indien nodig terug bij de gemeenteraad voor vaststelling van onderdelen.
Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het niet lukt om een programma binnen de nu voorgelegde kaders te ontwikkelen en daarop aanpassingen nodig zijn. Waar dat nodig is komen we ook via de P&C cyclus terug voor het beschikbaar stellen van aanvullend budget voor de uitvoering van de omgevingsprogramma's.
4.9
Uitvoering van het programma
Organisatiestructuur Het huidige programma Energietransitie bevat al een organisatiestructuur, zie Figuur 5 op de volgende pagina. De structuur is niet in beton gegoten omdat men in de praktijk altijd afhankelijk is van de capaciteit die beschikbaar is en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Zo kunnen sommige rollen tijdelijk door meerdere mensen worden uitgevoerd. De structuur bestaat uit een programmateam met daarin leden die de pijlers trekken, geleid door een regievoerder/programmamanager. Zij maken allemaal deel uit van het cluster Energietransitie, onder het team Leefomgeving van de afdeling Ruimte. Het figuur toont daarnaast ook het tweerichtingsverkeer tussen het ambtelijk apparaat en het bestuurlijke apparaat aan de ene kant, en de Taskforce Energietransitie (paars) en de gemeente (groen) aan de andere kant. Tot slot vindt ook binnen de programmaorganisatie integrale samenwerking plaats om bijvoorbeeld koppelkansen tussen de verschillende pijlers te benutten en capaciteit effectief in te zetten.