6. Bijlage 5 Bestemmingsplan Ferd. Huycklaan 20a,b, c. Toelichting
Tekst van het document
Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In de nota van toelichting op het Besluit m.e.r wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook dorpen hieronder vallen. Wat stedelijke ontwikkeling inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” In een uitspraak uit 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een (standaard) beoordelingskader voor de kwalificatie van stedelijke ontwikkelingsprojecten gegeven.
De Afdeling stelt voorop dat het begrip “stedelijk ontwikkelingsproject” ruimte voor interpretatie laat. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Op basis van jurisprudentie is gebleken dat deze concrete omstandigheden van het geval kunnen worden beoordeeld aan de hand van verschillende aspecten. Concreet gaat het onder andere om aspecten zoals: • • • • • •
de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen (functie)wijziging, en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.
Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In deze situatie vindt geen transformatie plaats. Wel is sprake van een ‘rood voor rood’ project. De bestaande bebouwing in de vorm van bedrijfsopstallen maakt plaats voor de beoogde woningbouwontwikkeling. De vigerende bedrijfsbestemming is niet vergelijkbaar met de woonfunctie. Wel is de woonfunctie al aanwezig in de nabije omgeving, de ontwikkeling is dan ook 27
passend in de omgeving. De impact van de twee appartementencomplexen en 5 grondgebonden woningen op de omgeving is lager of vergelijkbaar met de impact van de bedrijfsopstallen (verkeersbewegingen, geluiduitstraling, ontsluiting e.d.). In dit geval is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft er geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. Deze paragraaf kan worden beschouwd als de vormvrije m.e.r. beoordeling van deze ruimtelijke ontwikkeling. 5.2.1.3 Conclusie Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. 5.2.2 Bodem Besluit ruimtelijke ordening Volgens het Besluit ruimtelijke ordening zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming bevat de voorwaarden, die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod.
De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden. De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarde is de waarde, waarboven er risico’s zijn voor mens, flora en fauna. De urgentie, de noodzaak om te saneren, hangt hiervan af maar ook van de mate van verspreiding van de bodemverontreiniging. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn, ook voor de gemeente Soest, door de Provincie Utrecht in beeld gebracht. In enkele gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met het geval van ernstige bodemverontreiniging zou moeten gebeuren. Situatie in het plangebied Door Van Dijk Geo- en Milieutechniek B.V. is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd. Hierna worden de resultaten en conclusies beschreven. De complete rapportage is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting.
Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond ter plaatse als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met PCB. Voor een nadere toelichting inzake de licht verhoogde gehalten wordt verwezen naar paragraaf 4.4 van het rapport. Er zijn in de boven- en onderlaag geen andere verontreinigingen aangetroffen. In de bovenlaag is géén verhoogd gehalte aan PFAS aangetoond.
28
Het grondwater ter plaatse is licht verontreinigd met koper. Een licht verhoogd gehalte aan koper wordt vaker in het grondwater vastgesteld en wordt doorgaans veroorzaakt door natuurlijke ophoping. Daarnaast is het grondwater als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met som dichlooretheen. Voor een nadere toelichting inzake het licht verhoogde gehalte wordt verwezen naar paragraaf 4.4 van het rapport. Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er, gezien de geringe mate aan verontreiniging, milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige herontwikkeling. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstig gebruik. 5.2.3 Milieuzonering 5.2.3.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds.
De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Soest de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke (indicatieve) richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming, die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie, die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. De richtafstanden zijn uitsluitend van toepassing voor nieuwe situaties (nieuwe ontwikkelingen) en niet voor bestaande situaties, waarbij het zo kan zijn, dat gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op een kleinere afstand van elkaar gesitueerd zijn. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering" kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden.
Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de gewenste ontwikkelingen.
29
5.2.3.2 Gebiedstypen Rustige woonwijk Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Om een goede milieu-zonering op te stellen is een analyse en beschrijving van de omgeving nodig. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden standaard ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Gemengd gebied Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, voor met name het aspect geluid, met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied.
Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden per milieucategorie bij de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied weergegeven. milieucategorie
richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk
richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6.1 1.500 m 1.000 m Tabel: relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype 5.2.3.3 Situatie plangebied Algemeen De omgeving waarin het plangebied zich bevindt kan geclassificeerd worden als een gemengd gebied. Naast woningen komen maatschappelijke en bedrijfsmatige functies op korte afstand van elkaar voor. Hierdoor zijn de bovengenoemde richtafstanden voor een gemengd gebied van toepassing. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. 30
Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en omgekeerd of omliggende bedrijven in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. De milieubelastende functies binnen een straal van circa 50 meter van het plangebied betreffen een aantal bedrijfspercelen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn binnen de bedrijfspercelen in de omgeving van het plangebied bedrijven uit maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Voor bedrijven uit milieucategorie 2 geldt op basis van een gemengd gebied een maximale richtafstand van 10 meter ten opzichte van milieugevoelige objecten.
Aan deze richtafstand wordt in alle gevallen voldaan, behalve voor het bedrijfsperceel aan de Kerkstraat 83 en 83a en het resterende stuk bedrijfsbestemming ten noorden van het plangebied. Ter plaatse is in de huidige situatie een woning (Kerkstraat 83) en een kantoor (Kerkstraat 83a) aanwezig. Voor beide functies geldt op basis een gemengd gebied een richtafstand van 0 meter. Een herinvulling van het bedrijfsperceel met een bedrijf uit categorie 2 is niet aannemelijk, aangezien binnen 10 meter al woningen aanwezig zijn. Voor de resterende bedrijfsbestemming ten noorden van het plangebied geldt dat ter plaatse in de huidige situatie geen sprake is van bedrijfsmatige activiteiten. Planologisch gezien zijn bedrijfsactiviteiten uit ten hoogste milieucategorie 2 toegestaan. Gezien de dichtstbijzijnde woningen met vergunningsvrije uitbouwmogelijkheden op korte afstand zijn gelegen, zijn functies uit milieucategorie 2 echter niet aannemelijk. Omdat er in dit geval sprake is van een inbreidingslocatie, is uit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik er voor gekozen de woningen op deze locatie te projecteren. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste woningen. Omgekeerd worden bedrijven in de omgeving niet belemmerd in de bedrijfsvoering.
5.2.3.4 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.2.4 Geluid 5.2.4.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een 31
geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.2.4.2 Situatie plangebied In het plangebied is sprake van toevoeging van geluidsgevoelige objecten, namelijk de woningen. Van nieuwe wegen, anders dan een nieuwe in- en uitrit, is geen sprake. Railverkeerslawaai Op circa 120 meter ten westen van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Utrecht-Baarn. Daarnaast bevindt de spoorlijn Baarn-Amersfoort op circa 1,2 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Op basis van de Geluidskaart spoorwegen is het plangebied op voldoende afstand van de spoorwegen gelegen. Op basis van het geluidproductieplafond van beide spoorwegen ligt het plangebied buiten de wettelijke geluidszone van de spoorwegen. Aanvullend blijkt uit de geluidkaart spoorwegen dat ter plaats van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat valt te verwachten ten aanzien van spoorweglawaai. Eén en ander is weergegeven in afbeelding 5.1.
Afbeelding 5.1 Ligging van het plangebied t.o.v. nabijgelegen spoorwegen (Bron: Geluidskaart spoorwegen PDOK) Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in een zone van een gezoneerd bedrijventerreinen. Het aspect industrielawaai als bedoeld in de Wgh vormt daarom geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.2.3.
32
Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (artikel 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (artikel 74.2).
Het plangebied is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone c.q. de invloedsfeer van de Kerkstraat en de Birkstraat. De woningen en appartementen zijn niet gelegen binnen de zone van andere wegen. Het plangebied ligt wel binnen de invloedsfeer van de 30 km/uur-wegen de Ferdinand Huycklaan, Van Lenneplaan en de Kerkdwarsstraat. In het kader van het aspect wegverkeerslawaai is door Kragten een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de geluidsbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen en appartementen vanwege omliggende wegen. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 bij de toelichting. Wet geluidhinder Uit de rekenresultaten volgt dat, ten gevolge van verkeer op de Kerkstraat en Birkstraat ter plaatse van het gehele plangebied wordt voldaan aan de voorkeurswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder. Verdere maatregelen hoeven niet te worden onderzocht en een hogere waarde hoeft niet te worden aangevraagd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een geode ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting ten gevolge van de nabij het plangebied gelegen 30 km/uur wegen en de ongecorrigeerde cumulatieve geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen (inclusief 30 km/uur wegen) berekent.
Ten gevolge van het wegverkeer op de 30 km/uur wegen voldoet de geluidsbelasting ter plaatse van alle woningen in het plangebied aan de voorkeurswaarde. De geluidsbelasting inclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder bedraagt minder dan 48 dB. De gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelasting door wegverkeer (inclusief 30 km/uur wegen) bedraagt maximaal 52 dB ter plaatse van de zuidgevel van het meest noordelijk gelegen appartementengebouw. Een vervolgonderzoek naar de gevel is akoestisch gezien niet noodzakelijk. 5.2.4.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 5.2.5 Luchtkwaliteit 5.2.4.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving voor luchtkwaliteitseisen beschreven in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Het verkeer langs drukke wegen bewerkstelligt overschrijdingen van grenswaarden (concentraties) voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Aspecten van de nieuwe regelgeving op grond van de Wm worden in afzonderlijke uitvoeringsregelingen uitgewerkt. De belangrijkste zijn: • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Besluit NIBM; • Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Regeling NIBM; 33
•
Besluit gevoelige bestemmingen.
Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project met ruimtelijke gevolgen niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Hiervan is sprake als aannemelijk is, dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De 3 %-grens is van toepassing sinds 1 augustus 2009 toen het Nationaal Samenwerkingprogramma Lucht in werking trad. In de Regeling NIBM is onder andere voor kantoren en woningen aangegeven bij welke eenheden/aantallen de 3%-grens wordt overschreden en er luchtkwaliteitberekeningen dan wel luchtkwaliteitonderzoek nodig is. Voor woningen is in de Regeling NIBM is het maximale aantal van 1.500 nieuwe woningen gesteld uitgaande van de 3%-grens. Als de 3%-grens niet wordt overschreden dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden en hoeft er geen onderzoek (berekeningen) te worden uitgevoerd. Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken.
Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen, dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het besluit ziet zowel op nieuwbouw als uitbreiding van gevoelige bestemmingen alsmede op de functiewijziging van bestaande gebouwen naar een gevoelige bestemming. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. 5.2.4.2 Situatie in het plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot het hierboven beschreven aantal van 1.500 nieuwe woningen wordt gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Tevens wordt opgemerkt dat de functie wonen niet aangemerkt is als gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Op basis van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke zijn gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op een schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. Voor het plangebied geldt een achtergrond concentratie stikstofdioxide (NO2) van 9,87 µg/m3 voor het meetjaar 2030. Dit is ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2 op basis van de Wet milieubeheer. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) voor het plangebied is voor het meetjaar 2030 15,29 µg/m3. Dit is tevens ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 op basis van de Wet milieubeheer bijlage 2, voorschrift 4.1. Tenslotte is de achtergrondconcentratie fijnstof (PM 2,5) voor het plangebied in het meetjaar 2030 8,63 µg/m3. Dit bevindt zich onder de WHO-advieswaarde. 5.2.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
34
5.2.5 Externe veiligheid 5.2.5.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht.
De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.2.5.2 Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe belijning) en omgeving weergegeven.
35
Afbeelding 5.2 Uitsnede Risicokaart (Bron: Signaleringskaart) Op de kaart is te zien dat op circa 1,25 kilometer afstand ten westen de spoorlijn BaarnAmersfoort ligt, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Het plangebied bevindt zich buiten het brand- en explosieaandachtsgebied. Er worden meerdere typen gevaarlijke stoffen over dit spoor vervoerd. In onderstaande tabel wordt het invloedsgebied (1% letaliteitsafstand) per stofcategorie en modaliteit weergegeven. Stofcategorie A B2 C3 D3 D4
Invloedsgebied (m) 460 995 35 375 >4.000
In dit geval reikt het invloedsgebied van stofcategorie D4 tot over het plangebied. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de spoorlijn ligt is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico niet benodigd. Wel dient conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes inzicht te worden gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. D4 stoffen betreffen zeer toxische vloeistoffen. De te realiseren bebouwing zal geschikt zijn om te schuilen in het geval van een toxische wolk scenario. Zo zullen deuren en ramen afsluitbaar zijn. Daarnaast ligt het plangebied binnen de dekking van een Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie zodat de aanwezigen tijdig op de hoogte kunnen zijn. Verder is het plangebied goed bereikbaar vanaf diverse wegen. Verwacht wordt ook dat de brandweer vanaf de omliggende brandweerkazernes binnen de opkomsttijd van circa 8 minuten ter plaatse kan zijn in geval van een calamiteit. Zo bevindt de brandweerkazerne Soest zich op minder dan 2 kilometer afstand van
36
het plangebied. Bij het realiseren van de woningen zal ten slotte rekening worden gehouden met de geldende eisen omtrent brandveiligheid zoals het realiseren van voldoende blusvoorzieningen. Voor wat betreft de zelfredzaamheid wordt opgemerkt dat het gaat om de realisatie van reguliere woningen. Hierbij kan er vanuit gegaan worden dat de zelfredzaamheid over het algemeen voldoende is. 5.2.5.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.3 Water 5.3.1 Beleid 5.3.1.1 De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. 5.3.1.2 Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-) problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt.
5.3.1.3 Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. 5.3.1.4 Beleid provincie De provincie Utrecht ziet zich bij het waterbeleid geconfronteerd met een sterk toenemende dynamiek. De provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en de korte termijn. •
Een maatschappelijk acceptabel overstromingsrisico: Hoogwater zal vaker voorkomen en de rivierafvoer wordt op termijn bemoeilijkt door een stijgende zeespiegel. Bodemdaling is een voortgaand proces in het westelijk deel van de provincie en in het Eemland.
37
•
Omgaan met wateroverlast èn waterschaarste: Meer neerslag zal vallen in hevigere buien. Afvoer- en bergingsmogelijkheden in het stedelijke en landelijk gebied worden zwaarder belast. Tegelijkertijd vergroten warmere en drogere perioden de vraag naar drink-, irrigatie- en koelwater. Natuurgebieden mogen niet verdrogen en moeten soortmigratie als gevolg van klimaatverandering kunnen faciliteren.
•
Een sterkere bijdrage van water aan het leefklimaat: De behoefte aan vaar- en recreatiewater neemt toe. Water is de drager van veel van de Utrechtse landschappen. Daarom moet water zichtbaarder gemaakt worden.
De provincie Utrecht ziet de ontwikkeling naar duurzame, robuuste systemen als een belangrijke maatschappelijke investering. Een geïntegreerde benadering van de watersystemen is daarvoor essentieel. Daarbij wordt gestreefd naar voldoende water van de gewenste kwaliteit, beperkte (maatschappelijk acceptabele) overlast, beperking van het energiegebruik, beperking van functieconflicten rondom water en een hoge belevingswaarde. Naast ingrijpen in het watersysteem zelf kan dit echter ook betekenen dat functies, de locatie daarvan en de wijze waarop die worden ingevuld ter discussie komen te staan. 5.3.1.5 Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Dit waterplan valt onder het regime van de nieuwe waterwet (22 dec. 2009). 5.3.1.6 Beleid waterschap Vallei en Veluwe Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 30 september 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: 1. We beschermen het gebied tegen overstromingen 2. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water 3. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit 4.
Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden 5. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water 6. We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners 5.3.1.7 Gemeentelijk Rioleringsplan Soest 2018-2022 Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak die zijn wettelijke basis vindt in de Wet milieubeheer. Het gemeentelijk plan beschrijft hoe de gemeente in de genoemde periode haar rioleringstaak vorm wil gaan geven en hoe goede beleidsafwegingen op het terrein van bescherming van de waterkwaliteit en de rioleringszorg gemaakt zullen worden. De bestaande riolering heeft hiervoor voldoende capaciteit. Tijdens de realisatie van het plan zal hierop nog een extra controle plaatsvinden. 5.3.2 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen.
Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). 38
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De watertoets is opgenomen in bijlage 4. De reactie van het waterschap is hierna opgenomen. “Er ligt geen oppervlaktewater binnen of nabij de locatie omdat de ondergrond geschikt is voor infiltratie van hemelwater. Er is bovendien geen substantiële toename van het verhard oppervlak dus zijn er vanuit het waterschap geen aanvullende maatregelen van toepassing. Houd er wel rekening mee dat het hemelwater naar groene zones of wadi’s wordt gestuurd zodat het water de kans krijg om te infiltreren en niet bijvoorbeeld op de openbare weg blijft staan.” 5.3.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.4 Ecologie 5.4.1 Algemeen Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 5.4.2 Gebiedsbescherming 5.4.2.1 Natura 2000 In afbeelding 5.4 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de Natura 2000 gebieden weergegeven. Het plangebied ligt niet binnen of op korte afstand van een Natura 2000gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ‘Arkemheen’ en ‘Oostelijke Vechtplassen’ liggen op een afstand van respectievelijk 8,9 en 11,5 kilometer van het plangebied.
39
Afbeelding 5.4 Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (Bron: Atlas Leefomgeving) Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebied, is geen sprake van directe invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een ontwikkeling kan echter ook indirect invloed hebben op Natura 2000gebied door een toename van stikstofdepositie. In voorliggend geval is een stikstofonderzoek uitgevoerd. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 5. Op basis van de berekeningen kan het volgende worden geconcludeerd. Onderzoeksresultaten Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.4.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
In afbeelding 5.5 wordt ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN weergegeven.
40
Afbeelding 5.5 Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving) Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gronden die tot NNN behoren liggen op circa 1,2 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden (er is bijvoorbeeld geen sprake van areaalvermindering en het doorsnijden van structuren). 5.4.3 Soortenbescherming 5.4.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige soorten (flora en fauna). Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Om te beoordelen of de ontwikkeling in het kader van flora en fauna uitvoerbaar is, heeft Els & Linde B.V. een quickscan ecologie uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd in bijlage 6. Naar aanleiding van dit onderzoek is een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, welke is opgenomen in bijlage 7. Hierna wordt samengevat ingegaan op de conclusies uit dit onderzoek. 5.4.3.2 Situatie plangebied Resultaten quickscan ecologie Door een ecoloog van bureau Els & Linde B.V.
is op 2 februari 2022 beoordeeld of er beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn binnen de planlocatie en of deze soorten schade kunnen ondervinden van de gewenste ontwikkelingen. Hieruit blijkt dat de aanwezigheid van vleermuizen in pand op nummer 20b op voorhand niet kan worden uitgesloten. Aangezien het pand wordt gesloopt wordt een aanvullend onderzoek naar vleermuizen geadviseerd. 41
Verder dient rekening te worden gehouden met algemeen broedende vogels in de eiken en struiken en op de platte daken. Er wordt geadviseerd te werken buiten het broedseizoen. Resultaten nader onderzoek vleermuizen Uit de resultaten van het nader onderzoek blijkt dat binnen de planlocatie één paarverblijf van de gewone dwergvleermuis in het pand op nummer 20b aanwezig is. Gezien de sloop wordt het paarverblijf niet behouden. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is daarom noodzakelijk. Deze ontheffing is aangevraagd en ook al verleend door de provincie Utrecht. 5.4.4 Conclusie Indien de kapwerkzaamheden buiten de broedperiode worden uitgevoerd en aan de voorwaarden van de ontheffing voor de gewone dwergvleermuis wordt voldaan, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.5 Archeologie 5.5.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.5.2 Situatie plangebied De gemeente heeft een beleidsadvieskaart archeologie voor het gehele grondgebied opgesteld. Dit beleid is middels dubbelbestemmingen vertaald in de bestemmingsplannen. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologiehoge verwachting (AWV2)’. In dit gebied moeten ingrepen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 0,3 meter beneden maaiveld worden voorafgegaan door een archeologisch onderzoek.
In voorliggend geval wordt deze oppervlakte overschreden en is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Transect b.v.. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 8 van de toelichting. Hierna wordt ingegaan op de resultaten. Resultaten Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op de flank van een stuwwal ligt, op de overgang naar een lager gelegen vallei. De stuwwalafzettingen of hellingspoelingsafzettingen zijn vermoedelijk afgedekt met dekzand, dat vervolgens is afgedekt door een enkeerdgrond. Dergelijke overgangszones vormden vanaf het Paleolithicum aantrekkelijke plaatsen voor bewoning. Op basis hiervan heeft het plangebied een hoge verwachting voor de periode Paleolithicum – Late Middeleeuwen. Vanwege het ontbreken van bebouwing op historische kaarten is er een lage verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd, met uitzondering van sporen van landgebruik. Vrijwel direct ten zuiden van het plangebied is sprake van een vindplaats uit de Late Middeleeuwen vanaf een diepte van 4,5 m +NAP, maar deze bleek ook grotendeels verstoord te zijn geraakt. Uit het veldonderzoek is echter gebleken dat sprake is van verstoringen van het dekzand tot een diepte van 100-155 cm -Mv (4,0-4,5 m +NAP), waar direct de C-horizont van is aangetroffen.
Deze verstoringen reiken tot een grotere diepte dan waar ten zuiden van het plangebied reeds een vindplaats is aangetroffen. Gezien de aanwezigheid van plastic en beton in de aangetroffen ophoog- en verstoringslagen moet de oorzaak van deze verstoringen in de tweede helft van de 20e 42
eeuw gezocht worden. Waarschijnlijk is dit te relateren aan de bouw van bestaande panden in het plangebied. Daarom is de hoge verwachting uit het bureauonderzoek naar een lage verwachting bij te stellen naar een lage verwachting voor alle periodes. Transect b.v. adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingrepen. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt de wettelijke plicht dergelijke resten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Soest (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10). 5.5.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.
5.6 Cultuurhistorie 5.6.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.6.2 Situatie plangebied Analyse van het gebied De Ferdinand Huycklaan is het historische dorpslint van Soest met een van oorsprong agrarisch karakter. De Kerkstraat was vanaf 1815-1817 de Rijksstraatweg richting Amersfoort waaraan nieuwe bebouwing ontstond. In de 20ste eeuw is bebouwing in het binnengebied gekomen. De bebouwing aan de Ferdinand Huycklaan en de Kerkstraat was van oorsprong kleinschalig. Aan de Ferdinand Huycklaan overheersen agrarische percelen met bebouwing van maximaal 1 bouwlaag onder een kap. In de 20ste eeuw is een blokje van 2 bouwlagen onder een kap toegevoegd. Aan de Kerkstraat komt veel bebouwing voor van maximaal 2 bouwlagen onder een kap. De waarden van het gebied betreffen: • • •
het agrarische karakter van de Ferdinand Huycklaan met bebouwing op een ruim perceel en overheersend maximaal 1 bouwlaag onder een kap; het begin 20ste eeuwse karakter van de Kerkstraat met bebouwing van maximaal 2 bouwlagen onder een kap; van oorsprong veel onbebouwde ruimte tussen de bebouwde straten met veel groen.
Inpassing van het voorgenomen plan in het gebied Het plangebied, op dit moment voornamelijk bestaand uit bestrating en loodsen, ligt tussen de recentelijke nieuwbouw van 2-kappers aan de Ferdinand Huycklaan en de in aanbouw zijnde nieuwbouw van een wat stedelijkere appartementen bebouwing aan de Kerkstraat. Het voorgestelde plan vormt een weldoordachte overgang tussen deze twee werelden. De van oorsprong onbebouwde delen met veel groen worden met zorg weer ingepast in het plan. Met één robuuste groenstructuur en groene uitlopers naar zowel de oost- als de westzijde wordt de overgang tussen deze twee werelden begeleid. De toegevoegde groenstructuur wordt omarmd door drie massa’s. Een appartementengebouw met drie lagen sluit mooi aan bij de nieuwe en eigentijdse invulling van twee gebouwen aan de Kerkstraat. Het meest noordelijke appartementengebouw is twee laags hoog en heeft, zeker door 43
de beperkte verspringing, qua volume en vorm al meer weg van een landelijker korrel. De overgang wordt gecompleteerd door de eengezinswoningen aan de oostzijde te plaatsen en met de tuinen te schakelen met de twee-onder-een kapwoningen welke aan de Ferdinand Huycklaan recent nieuw zijn gebouwd. Ook qua materialisatie is aansluiting gezocht bij beide werelden. De drie blokken maken elk op een unieke wijze gebruik van de combinatie metselwerk en hout. Het drie-laagse blok in lijn met het tegenoverliggende bestaande blok, in hout. Het twee-laags blok, in lijn met de tweekappers in metselwerk en de grondgebonden woningen in een combinatie van de twee materialen. Met groen op het parkeerdek, hout in de gevels en sedum op de bergingdaken wordt zowel in de gevel als op verdiepingsniveau aandacht besteed aan een natuurlijke uitstraling. 5.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.7 Kabels en leidingen
Voor planologisch relevante leidingen gelden verschillende beschermings- en veiligheidsafstanden waar in de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden. Op het perceel zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ook in de nabijheid van de plangebieden zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig (zie hiervoor ook paragraaf 5.2.5). Kabels en leidingen vormen derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.8 Klimaatadaptatie
Het bergingsblok behorende bij het zuidelijke appartementengebouw zal worden voorzien van een sedumdak. De bergingen bij de eengezinswoningen worden eveneens voorzien van een sedumdak. Verder wordt op het parkeerdek, op plaatsen waar geen buitenruimten behorend bij de begane grond van appartementen komen, groen aangebracht. Ten slotte is veel ruimte voor een groene invulling met ruimte voor water om te infiltreren.
44
HOOFDSTUK 6
JURIDISCHE PLANOPZET
6.1 Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2 De regels
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) is vanaf deze datum verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. 6.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 van de regels geeft de inleidende regels.
Het betreft de begripsbepalingen, waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd, en de wijze van meten. 6.2.2 Bestemmingsregels Hieronder wordt per bestemming een toelichting gegeven op de regels. ‘Groen-Wijkgroen’ (Artikel 3) De gronden rondom de rijwoningen en rondom de appartementencomplexen is bestemd tot ‘Groen-Wijkgroen’. Deze gronden zijn voornamelijk bestemd voor openbaar toegankelijk groen. Op deze gronden zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. Ook is één gebouw in de vorm van een nutsgebouw met een maximaal bebouwd oppervlak van 15 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 meter toegestaan. Dit betreft een bestaand transformatorhuisje binnen het plangebied. Een omgevingsvergunningstelsel beschermt het groene karakter van het gebied. ‘Tuin’ (Artikel 4) De gronden bij het appartementencomplex waar een buitenruimte voor de appartementen op de begane grond is gepland, zijn bestemd als ‘Tuin’. Deze gronden zijn voornamelijk bestemd voor
45
tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. Op deze gronden zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. Ook is een ondergrondse parkeergarage toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ met een maximale bouwdiepte van 4 meter. ‘Verkeer’ (Artikel 5) De toegangsweg en parkeerplaatsen hebben de bestemming “Verkeer” gekregen. Ook de in- en uitrit voor de ondergrondse parkeergarage valt binnen deze bestemming, aangeduid met ‘specifieke bouwaanduiding – in – en uitrit parkeerkelder’. Binnen deze bestemming zijn tenslotte nog bermen, trottoirs, fiets- en voetpaden opgenomen. ‘Wonen’ (Artikel 6) De gronden waar grondgebonden woningen worden gerealiseerd en de gronden ter plaatse van het achtererfgebied zijn bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet met een beroep of bedrijf aan huis. Daarnaast zijn hier tuinen en erven, parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken en overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan. De woningen moeten in de vorm van een rijwoning en binnen het aanwezige bouwvlak worden gerealiseerd. De maximale bouwhoogte voor de woningen is 9,5 meter, vanwege de maatvoeringsaanduiding.
Bijbehorende bouwwerken moeten ook aan bepaalde maatvoeringen voldoen en mogen buiten het bouwvlak worden gebouwd. ‘Wonen – Gestapeld’ (Artikel 7) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de beoogde appartementengebouwen. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor wonen, beroep of bedrijf aan huis, tuinen en erven, waterhuishouding, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, andere bouwwerken en ontsluitingsvoorzieningen. Tevens is een ondergrondse parkeergarage toegestaan, ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’. In de bouwregels is onderscheid gemaakt in regels voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. De hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Voor hoofdgebouwen is bepaald dat uitsluitend gestapelde woningen toegestaan zijn. De bouwhoogte is via een aanduiding op de verbeelding in het bouwvlak vastgelegd. Bijbehorende bouwwerken zijn zowel binnen het bouwvlak als ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ toegestaan. De aanduiding ‘bijgebouwen’ is opgenomen om zodoende de beoogde bergingen bij het appartementencomplex aan de zuidzijde van het plangebied mogelijk te maken. Ten slotte geldt dat balkons, galerijen en trappenhuizen zowel binnen als buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd.
6.2.3 Algemene regels Antidubbeltelbepaling In de regels is een bepaling opgenomen om te voorkomen, dat gronden die bij een eerder bouwplan reeds in aanmerking zijn genomen voor het toestaan van het bouwplan, nogmaals meegeteld worden. Algemene bouwregels In deze regel zijn algemene bouwregels opgenomen, die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Er is een regeling voor onderkeldering van gebouwen. Daarnaast is er een regel, die bepaalt, dat van het plan afwijkende maatvoering, die in het verleden is vergund ook mag worden aangehouden en dus niet onder het overgangsrecht komt.
46
Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling wordt voor een aantal zaken expliciet aangegeven, dat deze als strijdig gebruik worden aangemerkt en daarmee onder het verbod vallen zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wabo. Indien in een bepaald geval gebruik in strijd met bijvoorbeeld de doeleindenomschrijving van een bestemming of met een verleende vrijstelling wordt geconstateerd, dan is er sprake van een overtreding, waartegen kan worden opgetreden. Algemene afwijkingsregels Het plan bevat een algemene afwijkingsbevoegdheid om een aantal nodige zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken. Het betreft met name: afwijkingen van de ligging van bestemmings- en bouwgrenzen en andere grenzen, voorzover die nodig zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein; - afwijkingen van bepalingen, gesteld ten aanzien van maten en percentages. Algemene wijzigingsregels Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarmee kunnen bestemmings- en bouwgrenzen en grenzen van aanduidingen op de verbeelding in beperkte mate worden verschoven. Verder kan de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten actueel worden gehouden.
6.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw bestemmingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke bepalingen zijn bindend voorgeschreven in art. 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Deze overgangsrechtelijke bepalingen dienen om te waarborgen, dat een bestaand bouwwerken of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd, totdat in de loop van de planperiode wordt beslist over sloop respectievelijk beëindiging. Bouwwerken en gebruiksvormen, die al in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft een optie. Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
6.3 De verbeelding Het plangebied is getekend op gekleurde verbeeldingen, schaal 1:1000. De verbeelding is IMROgecodeerd, conform IMRO2012. Voor de verbeelding is aangesloten bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012, welke bindend is voorgeschreven in de ministeriële regeling standaarden ruimtelijke ordening.
47
HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
7.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, onder meer voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient vast te worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor die ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten worden gesloten. Conform artikel 6.12. lid 2 Wro kan de gemeenteraad besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluiten begrepen gronden anderszins verzekerd is. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel een nieuw planologisch juridisch kader te creëren om een 5 rijwoningen en 31 appartementen op te richten. Het betreft een particulier initiatief.
De financiering van alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het bestemmingsplan komen dan ook voor rekening van de initiatiefnemer(s). In dit kader zal de gemeente Soest met de initiatiefnemer(s) een overeenkomst sluiten waarin afspraken zijn vastgelegd inzake het kostenverhaal. Het plan heeft daarom geen financiële gevolgen voor de gemeente Soest. Concluderend kan gesteld worden dat er zijn geen kosten voor de gemeente verbonden zijn aan de uitvoering van het bestemmingsplan en het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Er kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan ex artikel 6.12 Wro, omdat dekking van het kostenverhaal anderszins verzekerd is.
48
HOOFDSTUK 8
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
8.1 Procedure en fase bestemmingsplan 8.1.1 Vooroverleg Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), toegestuurd aan de gebruikelijke diensten en instanties. 8.1.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is er geen voorontwerp ter inzage gelegd. Wel zijn op 13 juli 2022 en 22 september 2022 bewonersbijeenkomsten georganiseerd. De verslagen van deze bijeenkomsten zijn bijgevoegd in bijlage 9 en bijlage 10. Naar aanleiding van de bijeenkomsten zijn ten opzichte van het originele ontwerp enkele wijzigingen doorgevoerd. Op 25 oktober 2023 is een inloopavond georganiseerd. Omwonenden waren positief over de wijzigingen. Met name de geringere bouwhoogte maar ook de andere positionering van bouwblokken kon op veel instelling rekenen. Op één punt van het plan, dit betreft het blok met ondermeer de sociale huurappartementen, was een eensluidende opmerking. Dit betrof de afstand van dit nieuwe blok ten opzichte van de westelijke erfgrens. Initiatiefnemer heeft ervoor gekozen de rooilijn van het appartementengebouw op dezelfde lijn te leggen als de westelijke rooilijn van de huidige loods door het blok smaller te maken.