6. Bijlage 5 Bestemmingsplan Ferd. Huycklaan 20a,b, c. Toelichting
Tekst van het document
Toelichting Ontwerp bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 20a, 20b en 20c NL.IMRO.0342.BPSOE0080-0201 December 2023 1
Bestemmingsplan Ferdinand Huycklaan 20a, 20b en 20c
Gemeente: Soest Plannaam: Ferdinand Huycklaan 20a, 20b en 20c IMRO-nr: NL.IMRO.0342.BPSOE0080-0201 Plantype: Bestemmingsplan Status: Ontwerp Datum: December 2023
2
Toelichting HOOFDSTUK 1
INLEIDING .............................................................................................. 5
1.1 Aanleiding.................................................................................................................. 5 1.2 Ligging van het plangebied .......................................................................................... 5 1.3 Vigerende plannen ...................................................................................................... 5 1.4 Leeswijzer ................................................................................................................. 7 HOOFDSTUK 2
BESTAANDE SITUATIE .............................................................................. 8
2.1 Inleiding .................................................................................................................... 8 2.2 Ontstaansgeschiedenis Soest ....................................................................................... 8 2.3 Ruimtelijk-functionele structuur .................................................................................... 8 2.4 Verkeersstructuur ....................................................................................................... 9 2.5 Groen........................................................................................................................ 9 2.6 Water ........................................................................................................................ 9 HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING ............................................................................... 10
3.1 Inleiding .................................................................................................................. 10 3.2 Gewenste situatie ..................................................................................................... 10 3.3 Verkeer en parkeren ................................................................................................. 11 HOOFDSTUK 4
BELEIDSKADERS ................................................................................... 14
4.1 Rijksbeleid ............................................................................................................... 14 4.2 Provinciaal beleid ...................................................................................................... 17 4.3 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 20 HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN .......................................................... 26
5.1 Inleiding .................................................................................................................. 26 5.2 Milieuaspecten.......................................................................................................... 26 5.3 Water ...................................................................................................................... 37 5.4 Ecologie................................................................................................................... 39 5.5 Archeologie .............................................................................................................. 42 5.6 Cultuurhistorie ......................................................................................................... 43 5.7 Kabels en leidingen ................................................................................................... 44 5.8 Klimaatadaptatie ...................................................................................................... 44 HOOFDSTUK 6
JURIDISCHE PLANOPZET ........................................................................ 45
6.1 Inleiding .................................................................................................................. 45 6.2 De regels ................................................................................................................. 45 6.3 De verbeelding ......................................................................................................... 47 HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ......................................................... 48
7.1 Algemeen ................................................................................................................ 48
3
HOOFDSTUK 8
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .................................................. 49
8.1 Procedure en fase bestemmingsplan ........................................................................... 49 Bijlagen ........................................................................................................................... 50 Bijlage 1 Schetsplan ....................................................................................................... 51 Bijlage 2 Bodemonderzoek .............................................................................................. 52 Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ............................................................. 53 Bijlage 4 Watertoetsresultaat ........................................................................................... 54 Bijlage 5 AERIUS-berekeningen ....................................................................................... 55 Bijlage 6 Quickscan flora en fauna .................................................................................... 56 Bijlage 7 Nader onderzoek vleermuizen ............................................................................. 57 Bijlage 8 Archeologisch onderzoek .................................................................................... 58 Bijlage 9
Gesprekverslag bewonersbijeenkomst 13 juli 2022 ........................................... 59
Bijlage 10
Gesprekverslag bewonersbijeenkomst 22 september 2022................................. 60
4
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
1.1 Aanleiding
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een locatie aan de Ferdinand Huycklaan 20a, 20b en 20c te Soest. Ter plaatse zijn enkele bedrijfsopstallen aanwezig welke de afgelopen jaren onder meer zijn gebruikt door een aantal kantoren, voor opslag en voor industriefuncties. Initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing ter plaatse te slopen en de locatie te ontwikkelen met woningbouw. Concreet gaat het om de bouw van twee appartementencomplexen met in totaal 31 appartementen en 5 grondgebonden woningen. Tevens wordt de buitenruimte opnieuw ingericht. Op basis van het geldende bestemmingsplan “Soest Midden en Zuid” is de ontwikkeling niet mogelijk, aangezien de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het plan ontbreken. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Er zal worden aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.
1.2 Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Ferdinand Huycklaan, aan de oostzijde van de kern Soest. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Soest, sectie C, nummers 4138, 4193, 4385, 4441, 4891 en 4892. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied in de kern Soest en ten opzichte van de directe omgeving weergegeven.
Afbeelding 1.1 Ligging plangebied (Bron: PDOK)
1.3 Vigerende plannen 1.3.1 Algemeen In het plangebied gelden het bestemmingsplan ‘Soest Midden en Zuid’ (vastgesteld d.d. 15 december 2011), het paraplubestemmingsplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets’ (vastgesteld d.d. 28 september 2017) en het paraplubestemmingsplan ‘Omissies en Nota parkeernormen auto en fiets, 4e herziening’ (vastgesteld d.d. 14 oktober 2021). Ten aanzien van de planologische situatie is voornamelijk het bestemmingsplan ‘Soest Midden en Zuid’ van belang. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. De rode lijn omvat het plangebied.
5
Afbeelding 1.2 Uitsnede van het bestemmingsplan ‘Soest Midden en Zuid’ (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3.2 Bestemmingen Op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Soest Midden en Zuid’ kent het plangebied de enkelbestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoge verwachting (AWV2)’. Tevens is binnen de bedrijfsbestemming een bouwvlak opgenomen. Voor het bouwvlak geldt een maximum bebouwingspercentage van 60% en ter plaatse van het plangebied een maximum bouwhoogte van 7 meter en een maximum goothoogte van 7 meter. Hierna worden de bestemmingen verder toegelicht. ‘Bedrijf’ De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven tot en met categorie 2 van de bij de regels behorende bijlage ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’ met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, ontsluitingsverhardingen, tuinen, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, technische installaties, luifels, overkappingen, reclametekens, pergola’s en vlaggen- en andere masten. Voor de gronden binnen deze bestemming gelden een aantal bouwregels, zoals dat de gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd en de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen maximaal de op de verbeelding aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte mogen bedragen. Tevens mag het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal het ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’ aangegeven bebouwingspercentage bedragen.
6
‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een beroep aan huis. Een en ander met bijbehorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen, ontsluitingsverhardingen, bijbehorende bouwwerken, andere bouwwerken en overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Hoofdgebouwen (woningen) mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Ter plaatse van het plangebied is geen bouwvlak opgenomen. ‘Waarde – Archeologie middelhoge verwachting (AWV2)’ De voor ‘Waarde - Archeologie middelhoge verwachting (AWV2)’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Op grond van deze bestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien daarvoor dieper dan 0,30 meter, te rekenen vanaf maaiveld, in de bodem zal worden geroerd en de oppervlakte van het nieuwe bouwwerk of uitbreiding van het bestaande bouwwerk meer dan 500 m 2 bedraagt. 1.3.3 Paraplubestemmingsplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets’ Op basis van het paraplubestemmingsplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets’ en het paraplubestemmingsplan ‘Omissies en Nota parkeernormen auto en fiets, 4e herziening’ is de actuele parkeernorm, de 'Nota parkeernormen auto en fiets (4e herziening)’ d.d.
14 oktober 2021, van toepassing verklaard. De parkeernormering is overgenomen in voorliggend plan. 1.3.4 Strijdigheid met het bestemmingsplan ‘Soest Midden en Zuid’ De voorgenomen bouw van 5 grondgebonden woningen en 2 appartementencomplexen met in totaal 31 appartementen is op basis van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan, aangezien hiervoor de benodigde bouw- en gebruiksregels ontbreken. Om het voornemen mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan benodigd. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in passende bouw- en gebruiksmogelijkheden om het initiatief te realiseren.
1.4 Leeswijzer
De toelichting is opgesteld aan de hand van het Handboek Digitale Ruimtelijke Plannen. Allereerst wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie van het plangebied beschreven. Hier komen onderwerpen aan bod als ruimtelijke en functionele structuur van het gebied. In hoofdstuk 3 wordt een planbeschrijving gegeven. De beschrijving van deze elementen zijn als uitgangspunt gebruikt bij het verdere ontwerp van het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hoofdstuk 5 verwoordt de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek naar milieu- en overige aspecten. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de planregels en geeft aan waarom voor een bepaalde regeling is gekozen. Vervolgens wordt per bestemming kort ingegaan op de (on)mogelijkheden binnen de betreffende bestemming. Tot slot beschrijft hoofdstuk 7 de economische en hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ook de resultaten van de inspraak en het overleg worden in dit laatste hoofdstuk opgenomen.
7
HOOFDSTUK 2
BESTAANDE SITUATIE
2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de bestaande situatie van het plangebied beschreven. Alvorens wordt ingezoomd op de planlocatie zelf, wordt in eerste instantie kort de bestaande structuur van het omliggende gebied beschreven. Daarbij wordt allereerst ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van het gebied, waarna vervolgens de ruimtelijke en functionele structuur aan de orde komen.
2.2 Ontstaansgeschiedenis Soest
Op de overgang van hoog naar laag is al voor 1300 een esvormige nederzetting met een langgerekte vorm ontstaan, een zogenaamd flank-esdorp. Ten tijde van het ontstaan van de nederzetting was de Eemvallei moerasachtig en bestonden de enggronden uit woeste grond en heide. De omgeving van de Oude Kerk is hiervan de kern, van waaruit de wegen de Eemvallei en in de richting Baarn en Amersfoort uitwaaieren. Het Kerkpad vormde de verbinding tussen deze twee nederzettingen (Amersfoort en Baarn). De Soesterbergsestraat vormde de verbinding naar Soesterberg. In de periode tot 1800 is geleidelijk aan de Eemvallei in een slagenverkaveling ontgonnen en werd weiland als bodemgebruik mogelijk. De verkaveling van de Eemvallei, de boerenerven, de Oude kerk, de Lange Brinkweg, de Soesterbergsestraat en de Birkstraat zijn nog als herkenbare elementen aanwezig. De periode tussen 1800 en 1930 kenmerkt zich als een periode waarin een aantal structurele veranderingen plaatsvond. Deze veranderingen hebben geleid tot de huidige ruimtelijke situatie. De geleidelijke overgang weiland-erven en agrarische bebouwing-akkerbouw verdween en ter plaatse van de zone met erven, agrarische bebouwing en akkerland ontstond eind vorige eeuw een losse villa-achtige bebouwing langs de Rijksstraatweg (tracé SoesterbergsestraatKerkstraat-Torenstraat-Middelwijkstraat-Steenhoffstraat).
Inmiddels is het gebied vrijwel geheel verstedelijkt en hebben slechts nog enkele boerderijen een agrarische functie. In afbeelding 2.1 is de ontwikkeling van Soest weergegeven rondom het plangebied. Het plangebied is aangegeven met de rode cirkel.
Afbeelding 2.1 Topografisch kaarten van 1900, 1955 en 2020 (Bron: topotijdreis.nl)
2.3 Ruimtelijk-functionele structuur De ruimtelijke structuur van de directe omgeving van het plangebied wordt met name bepaald door de Kerkstraat en de Ferdinand Huycklaan, waartussen het plangebied is ingeklemd. De bebouwing is veelal op deze wegen georiënteerd, wat zorgt dat de historische uitstraling van de lintbebouwingsstructuur herkenbaar is. De functionele structuur van de omgeving bestaat in hoofdzaak uit eengezinswoningen. Dit betreffen veelal (half)vrijstaande woningen. Naast woningen komen diverse andere functies, zoals horeca, kantoren en bedrijven voor. Het plangebied zelf maakt deel uit van een kleinschalig bedrijventerrein, waar bedrijven tot en met milieucategorie 2 zich mogen vestigen. Een gedeelte 8
van dit bedrijventerrein wordt inmiddels al ontwikkeld met woningbouw. Voorliggende ontwikkeling betreft in feite de laatste fase van de woningbouwontwikkeling.
2.4 Verkeersstructuur
De wegen rondom het plangebied betreffen, op de Kerkstraat na, woonstraten voor langzaam verkeer (30 km/uur-zone). De Kerkstraat betreft een 50 km/uur weg en behoort tot de hoofdwegenstructuur van Soest (Steenhoffstraat-Middelwijkstraat-Torenstraat-KerkstraatSoestenbergsestraat). In de omgeving van het plangebied lopen daarnaast zowel buslijnen als een spoorverbinding. Het plangebied heeft een in-/uitrit welke aansluit op de Ferdinand Huycklaan.
2.5 Groen
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of van het Natuurnetwerk Nederland. De groenstructuur in de omgeving bestaat met name uit begeleidende beplanting langs wegen en beplanting op erven. Het plangebied zelf is bijna geheel bebouwd en verhard, met uitzondering van wat opgaande beplanting langs de inrit en langs de perceelranden.
2.6 Water
Op en rondom het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het grondwater bevindt zich daarnaast op circa 5,3 meter onder maaiveld. Er is geen sprake van grondwateroverlast. 2.7 Monumenten en beschermd dorpsgezicht Binnen het plangebied komen geen rijks- of gemeentelijke monumenten voor. Tevens is het plangebied niet gelegen in een beschermd dorps- of stadsgezicht. In afbeelding 2.2 is de huidige situatie van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 2.2 Luchtfoto plangebied en omgeving (Bron: Google maps)
9
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING
3.1 Inleiding
In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie van het plangebied en de (directe) omgeving beschreven. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de gewenste situatie.
3.2 Gewenste situatie
Initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing binnen het plangebied te slopen en daarvoor in de plaats twee appartementengebouwen en vijf rijwoningen te realiseren. Het geheel krijgt een parkachtige groene uitstraling. In afbeelding 3.1 is een plattegrond van de gewenste situatie opgenomen. In bijlage 1 bij deze toelichting is het gehele schetsplan opgenomen. Na de afbeelding wordt ingegaan op de invulling van het plangebied.
Afbeelding 3.1 Plattegrond gewenste situatie (Bron: RV&O) De rijwoningen worden gerealiseerd in het centrale deel van het plangebied (aangeduid met A). Dit betreffen koopwoningen uit het middensegment, welke met name geschikt zijn voor jonge doorstromers. De woningen bestaan uit drie bouwlagen en hebben een gebruiksoppervlakte van circa 147 m2. De woningen worden op een afstand van minimaal 3 meter van de zijdelingse perceelgrens geplaatst en een berging bij de woning is op het achtererf toegestaan. De appartementengebouwen zijn aan de noord- en zuidzijde van het plangebied beoogd. Het appartementengebouw in het noordelijke deel van het plangebied (aangeduid met B) bestaat uit twee bouwlagen, het appartementengebouw in het zuidelijke deel van het plangebied (aangeduid met C) uit drie bouwlagen. In totaal worden maximaal 31 appartementen in de gebouwen gerealiseerd. Binnen het appartementengebouw B zijn 19 appartementen beoogd. Het betreffen 11 sociale huurappartementen met een gebruiksoppervlakte tussen 40 m2 en 50 m2 en 8 huurappartementen met een gebruiksoppervlakte tussen 60 m2 en 70 m2. Gezien de oppervlakte zijn deze appartementen bij uitstek geschikt voor starters. Deze appartementen hebben nabijgelegen 10
parkeerplaatsen op maaiveld. De appartementen op de verdieping zijn bereikbaar via een trappenhuis. Binnen appartementengebouwen C zijn maximaal 12 appartementen beoogd. Het appartementengebouw wordt voorzien van een trappenhuis. Daarnaast is onder dit appartementengebouw een volledig verdiepte parkeergarage beoogd met in totaal ruimte voor 19 parkeerplaatsen. Initiatiefnemer heeft de intentie appartementengebouw om de appartementen te verhuren, maar houdt de mogelijkheid wel open om er koopappartementen van te maken. Deze afweging en de daarbij behorende grootte van de appartementen wordt later uitgewerkt, maar zal uiteraard passen binnen de parkeercapaciteit in het plangebied.
3.3 Verkeer en parkeren 3.3.1 Algemeen Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd. In dit geval worden deze berekeningen gedaan op basis van de gemeentelijke ‘Nota Parkeernormen auto en fiets' (4e herziening, 14 oktober 2021). 3.3.2 Situatie plangebied Parkeren Op basis van de gemeentelijke parkeernormering gelden voor woningen de parkeernormen zoals in volgende tabel is opgenomen. Achter elke functie staat eerst de reguliere parkeernorm. In de kolom daarna staat aangegeven aan welke parkeernorm moet worden voldaan als ook wordt voldaan aan de fietsparkeernorm.
Tabel 3.1 Parkeernorm (Bron: gemeente Soest) Parkeernorm gewenste situatie Het plan gaat uit van de realisatie van 31 appartementen tussen de 40 m2 en 71 m2 en 5 rijwoningen van ca. 147 m2. De 31 appartementen betreffen huurwoningen, waarbij initiatiefnemer wel de mogelijkheid open houdt om van het zuidelijke appartementengebouw koopappartementen te maken, waarbij dit zal passen in de parkeercapaciteit. De 5 rijwoningen betreffen koopwoningen. In tabel 3.2 is de parkeerbehoefte bepaald, waarbij deels is gerekend met de reguliere parkeernorm en deels met de fietsparkeernorm (aangegeven met *). Daarnaast wordt opgemerkt dat in de tabel 8 extra parkeerplaatsen zijn opgenomen, welke dienen te worden gerealiseerd in het kader van het aangrenzende bestemmingsplan ‘Kerkstraat 85-87’.
11
Woningtype
Aantal
Parkeernorm auto per woning 0,65*
Woning tot 40 m2 11 GO Woning va 41 tot 11 0,8* 55 m2 GO Woning van 56 tot 9 1,2 70 m2 GO Woning van 131 5 2,2 m2 GO of groter Kerkstraat 85-87 Totale parkeerbehoefte Tabel 3.2 Berekening parkeerbehoefte
Fietsparkeernorm per woning
Totaal auto
Totaal fiets
1,0
7,15
11
2,0
8,8
22
10,8 11 8 45,75
33
In totaal betreft de parkeerbehoefte in de gewenste situatie 45,75 parkeerplaatsen voor auto’s en 33 parkeerplaatsen voor fietsen. In dit geval worden binnen het plangebied 46 parkeerplaatsen voor auto’s gerealiseerd, bestaande uit 19 ondergrondse parkeerplaatsen en 27 groen aangeklede parkeerplaatsen op 3 locaties binnen het plangebied. Daarmee zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig. Het overschot van 0,25 parkeerplaatsen kan worden benut indien het ontwerp van het zuidelijke appartementengebouw nog enigszins wordt aangepast bij de uitwerking. Van de te realiseren parkeerplaatsen worden 4 parkeerplaatsen van laadpunten voor elektrische auto’s voorzien. Daarnaast worden bij de appartementengebouwen bergingen gerealiseerd waarin de fietsparkeerbehoefte kan worden ondervangen. Voor de sociale (huur)woningen betreft dit een gezamenlijke berging en voor de resterende appartementen aparte bergingen behorende bij de appartementen. Bij de varianten met de grotere appartementen wordt deze berging als nodig vergroot om het benodigd aantal fietsen te kunnen plaatsen, het bestemmingsplan voorziet hierin. Verkeersgeneratie De gemeentelijke parkeernota noemt geen cijfers ten aanzien van verkeersgeneratie. Hiertoe worden berekeningen gemaakt op basis van de CROW-publicatie ‘toekomstbestendig parkeren’ (december 2018).
In de CROW-publicatie wordt uitgegaan van een minimum en maximum generatie. Dit is de bandbreedte. In dit geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie weergegeven. Hierbij is uitgegaan van een ligging in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. Qua verstedelijkingsgraad wordt de gemeente Soest aangemerkt als een matig stedelijke gemeente. Huidige functie
Verkeersgeneratie per etmaal 4,8 per 100 m2
Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief Kantoor (zonder baliefunctie) 7,2 per 100 m2 Totaal huidige situatie Tabel 3.3 Verkeersgeneratie bestaande situatie
Oppervlakte
Totaal
1.611 m2
77,3
353 m2
25,4 102,7
12
Functie
Verkeersgeneratie per etmaal 7,1 per woning
Koop, huis, tussen/hoek Huur, appartement, 3,6 per woning midden/goedkoop Totaal gewenste situatie Tabel 3.4 Verkeersgeneratie gewenste situatie
Aantal
Totaal
5
35,5
31
111,6 147,1
Zoals blijkt uit bovenstaande tabellen is er in de nieuwe situatie sprake van een toename aan verkeersbewegingen van afgerond (147,1 – 102,7 =) 45 verkeersbewegingen per etmaal. Het plangebied wordt middels twee overzichtelijke in- en uitritten ontsloten op de Ferdinand Huycklaan. Dit betreft een 30 km/uur erftoegangsweg (type A en/of B). Dergelijke wegen beschikken over een capaciteit van 4.000 tot 6.000 verkeersbewegingen per etmaal. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt deze capaciteit niet overschreden. Daarnaast zal het aandeel vrachtverkeer vrijwel geheel verdwijnen, door het vervallen van de bedrijfsbestemming binnen het plangebied. Gezien het vorenstaande wordt de toename van de verkeersbewegingen op het omliggende wegennet aanvaardbaar geacht.
13
HOOFDSTUK 4
BELEIDSKADERS
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid voor dit bestemmingsplan op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beschreven beleidskader is daarmee één van de belangrijkste bouwstenen voor de visie op het plangebied en de opzet van de juridische regelingen.
4.1 Rijksbeleid 4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1
Algemeen
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2
Vier prioriteiten
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3.
Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
14
4.1.1.3
Afwegingsprincipes
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties 4.1.2
Toetsing van het initiatief aan de NOVI
De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke relatief kleinschalige ontwikkelingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
In de voorloper van de NOVI, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 4.1.4
Toetsing van initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking
Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’ (3.1.6 Bro). Op het realiseren van woningen is ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 van belang. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van respectievelijk 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro.
15
In voorliggend geval is er sprake van de realisatie van 36 woningen. Er is dus sprake van een stedelijke ontwikkeling. Hierna wordt nader op de ladder ingegaan. Wat is het ruimtelijke verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de toelichting van het bestemmingsplan of de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving van de behoefte aan de woningen die mogelijk worden gemaakt bevatten. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van 31 appartementen en 5 grondgebonden woningen. De appartementen en grondgebonden woningen zullen met name bedoeld zijn voor de lokale behoefte. Gelet op de aard en omvang van de hiervoor genoemde functies kan het ruimtelijk verzorgingsgebied worden beperkt tot de kern Soest en haar directe omgeving. Kwantitatieve en kwalitatieve behoefte De te realiseren woningen zijn bedoeld voor de lokale markt. De behoefte wordt dan ook op lokaal niveau getoetst. In paragraaf 4.4.2 wordt aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief passend is binnen het actuele gemeentelijke woonbeleid.
Op basis van het gemeentelijke woonbeleid blijkt er tot 2025 behoefte te zijn aan 770 extra woningen in de kern Soest. De behoefte naar huur- en koopappartementen en grondgebonden koopwoningen uit het goedkopere segment is daarbij het grootst. Daarnaast is het van belang het woningaanbod gevarieerd te houden voor een verbeterde doorstroom. De realisatie van 31 appartementen (waarvan een groot deel zich in het goedkopere segment bevindt) en 5 rijwoningen sluit aan bij deze behoefte. Op deze plaats wordt dan ook geconcludeerd dat voldoende is aangetoond dat er sprake is van een actuele behoefte naar de voorgenomen woningbouw. Bestaand stedelijk gebied Gelet op de definitie uit de Bro kan worden geconcludeerd dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is onderdeel van de kern Soest. In de omgeving komen diverse (stedelijke) functies voor, waaronder maatschappelijke functies, bedrijven en woonpercelen. Daarnaast laat het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied bedrijfsfuncties toe. Het plangebied kan dan ook worden aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
4.1.5 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Met het vastgestelde Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (30 december 2011), ook wel Barro genoemd, geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen en wordt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen uit de voormalige Nota Ruimte en voormalige PKB’s in regelgeving geborgd. Doel van dit Besluit is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) te verwezenlijken, danwel te beschermen. Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen: • • • • • • •
Rijksvaarwegen; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur); Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).
Het plangebied maakt geen deel uit van een van de bovengenoemde gebieden. Daarmee is het plan niet strijdig met het nationaal ruimtelijk belang, zoals neergelegd in het Barro. 16
4.1.6 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
4.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid behelst een doorvertaling van het rijksbeleid en is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste betreffen de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht. 4.2.1
Omgevingsvisie Provincie Utrecht
4.2.1.1
Algemeen
Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld. De Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de ‘Omgevingsvisie provincie Utrecht’ vastgesteld. De Omgevingsvisie vervangt de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie, het Mobiliteitsplan en het Afwegingskader Uitbreidingslocaties voor wonen. De ‘Omgevingsvisie provincie Utrecht’ is op 1 april 2021 in werking getreden. In de Omgevingsvisie beschrijft de provincie hoe zij zich wil voorbereiden op de toekomst, gezien alle ontwikkelingen die op de provincie afkomen en ruimte vragen. Denk daarbij aan de groeiende behoefte aan woningen en bereikbaarheid, de aantrekkende economie, de energietransitie, de klimaatadaptatie en het tegengaan van bodemdaling. Slimme combinaties van functies en maatwerk per gebied zijn nodig om het mooie diverse landschap te behouden en versterken. De Omgevingsvisie laat zien hoe de provincie het fijne woon- en leefklimaat van de provincie Utrecht wil behouden en versterken. De Omgevingsvisie gaat over de hele provincie en is alleen bindend voor de provincie zelf. 4.2.1.2
Zeven thema’s
Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. De provincie streeft ernaar in 2050 een inclusieve en circulaire provincie te zijn: • • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Deze zeven thema’s vragen om een brede blik. Ze staan niet op zichzelf, maar kennen samenhang en relaties in boven- en ondergrond. Deze worden bezien vanuit het algemene belang, de integrale aanpak en de lange termijn. De zeven thema’s zorgen gezamenlijk voor integrale, toekomstgerichte oplossingen voor de opgaven waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo worden behouden of versterkt. Dit wordt bereikt door nieuwe ontwikkelingen te combineren en te concentreren, zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. In het kader van voorliggend plan zijn op basis van de bij de omgevingsvisie behorende interactieve kaart is met name het thema ‘Vitale steden en dorpen’ van belang. Hierna wordt in verband met de aard (verstedelijking t.b.v. wonen) en omvang van de ontwikkeling nader ingegaan op het thema ‘Vitale steden en dorpen’.
17
4.2.1.3
Basisprincipes voor verstedelijking
Prognoses wijzen uit dat de provincie de komende decennia nog fors gaat groeien, en dat er extra ruimte nodig is om deze groei op te vangen. De provincie beziet de toekomstige ontwikkeling van woon- en werklocaties in samenhang met bereikbaarheid, en in samenhang met de overige opgaven en kwaliteiten zoals in de visie verwoord. Daarom worden bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking de volgende basisprincipes gehanteerd: • • •
zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; daarnaast in overig stedelijk gebied; eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors.
In aanvulling hierop wil de provincie onder voorwaarden ruimte bieden aan kernen voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied om de lokale vitaliteit of ruimtelijke kwaliteit te vergroten (lokaal maatwerk). Om volledig te voldoen aan de woningbehoefte in de provincie Utrecht, is het nodig om tot 2040 in totaal nog ongeveer 165.000 woningen te bouwen. Dit is een grote opgave, die alleen kan worden gerealiseerd als overheden onderling en met andere partners in de bouwwereld samenwerken. Voor deze opgave is al veel plancapaciteit in beeld, maar veel daarvan heeft nog de status ‘zacht’ en ‘potentieel’ en het is dus zaak hierin keuzes te maken en te werken aan ‘harde’, uitvoerbare, plannen. Deze woningen kunnen voor een groot deel binnen het bestaande stedelijke gebied (van steden en dorpen) via inbreiding en transformatie worden gerealiseerd, maar niettemin verwacht de provincie dat er op de langere termijn een of meer nieuwe grootschalige woningbouwlocaties nodig zijn. 4.2.1.4
Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie provincie Utrecht
De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van een woningbouwontwikkeling op een transformatielocatie binnen de bestaande bebouwingsgrenzen van Soest met 36 woningen. Daarmee wordt aangesloten op het uitgangspunt van de provincie om in te zetten op binnenstedelijke ontwikkeling. Verder is de ontwikkeling in overeenstemming met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De beoogde ontwikkeling gaat namelijk uit van het slopen van bebouwing zonder duurzame vervolgfunctie en herontwikkeling naar woningbouw. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie provincie Utrecht. 4.2.2
Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht
4.2.2.1
Algemeen
Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Interim Omgevingsverordening vastgesteld. Deze is op 1 april 2021 in werking getreden. De interim omgevingsverordening is een tijdelijke verordening die een looptijd zal hebben totdat de Omgevingswet van kracht is en de omgevingsverordening in werking treedt. De interim omgevingsverordening vervangt bestaande verordeningen zoals de ruimtelijke verordening, de milieuverordening, de natuur en landschapsverordening. De interim omgevingsverordening is gebaseerd op een aantal wetten en AMvB’s, en bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de interim omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten. Regels over bijvoorbeeld een vergunningplicht gelden ook voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers. In relatie tot dit bestemmingsplan zijn met name de thema’s ‘Wonen, 18
werken, recreëren ’en ‘Ondergrond en bodem’ relevant. Hierna wordt nader op deze thema’s ingegaan. 4.2.2.2
Thema ‘Wonen, werken, recreëren’
Er gelden specifieke regels voor woonontwikkelingen in landelijk en stedelijk gebied. In het kader van dit plan zijn de regels behorend bij het thema ‘Stedelijke functies in stedelijk gebied’ relevant. Hieronder is in afbeelding 4.1 de bijbehorende themakaart weergegeven in relatie tot het plangebied. Het plangebied is indicatief weergegeven met de rode belijning. In het kader van dit plan is artikel 9.15 (stedelijk gebied) relevant. Artikel 9.15 Instructieregel verstedelijking 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking; 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken;
b.
de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling;
3. Een motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Afbeelding 4.1 Themakaart ‘Wonen, werken, recreëren’ (Bron: Provincie Utrecht) 4.2.2.3
Toetsing van het initiatief aan de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht
In voorliggend geval worden woonbestemmingen toegekend binnen het stedelijk gebied van Soest. Door het realiseren van woningen op deze locatie wordt een bijdrage geleverd aan een nieuwe binnenstedelijke ontwikkeling die voorziet in een behoefte. De woningen passen binnen zowel de 19
provinciale als de gemeentelijke kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte. In de uiteindelijke bouwplannen wordt in voldoende mate rekening gehouden met het voorkomen van (de effecten) van bodemdaling. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de Interim Omgevingsverordening. 4.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met het provinciale beleid.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Soest 4.3.1.1
Algemeen
Op 21 december 2021 heeft de gemeente Soest de omgevingsvisie 'Stap voor stap ver komen, Omgevingsvisie Soest en Soesterberg' vastgesteld. De visie laat zien waar de gemeente wil staan in 2040 en wat de gewenste situatie voor de fysieke leefomgeving is. De bestaande kwaliteiten van de gemeente moeten behouden en versterkt worden. In de visie worden trends en ontwikkelingen die verwacht worden voor 2040 beschreven; daarnaast komen strategisch duurzame ontwikkelingsdoelen aan de orde. Deze zijn: Ontspannen woon- en werkmilieu, Soest in beweging, Waardevol groen, Ruimte voor recreatie en toerisme, Een groene, bruikbare polder, Adequaat reageren op klimaatverandering, mitigatie, Klimaatbestendige omgeving en toekomstgerichte watersystemen. Deze thema’s worden verder uitgewerkt en in visiekaarten gevisualiseerd voor de deelgebieden in de gemeente. In afbeelding 4.2 is een uitsnede opgenomen van de visiekaart. De ligging van het plangebied is hierop weergegeven met de rode cirkel. Het plangebied heeft de aanduiding ‘optimalisatie door verdichting’.
Afbeelding 4.2 Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie Soest (Bron: gemeente Soest)
20
4.3.1.2
Ontspannen woon- en werkmilieu
Met betrekking tot de in voorliggend bestemmingsplan besloten woningbouwontwikkeling is het thema ‘ontspannen woon- en werkmilieu’ van belang. De gemeente Soest is aantrekkelijke woonen werkgemeente. Het wonen in de Randstad, de ondernemersgeest, de groene omgevingen binnen en buiten de kernen, de goede autobereikbaarheid, de relatief rustige en schone omgeving, de sociale samenhang, en de maatschappelijke, commerciële en culturele voorzieningen dragen daar allemaal aan bij. In de omgevingsvisie worden de thema's die met de bebouwde leefomgeving en het gebruik daarvan te maken hebben. De volgende thema's worden in de visie bij het thema ‘ontspannen woon- en werkmilieu’ behandeld: • • • • • •
Woningen (bestaand en nieuw) Bedrijventerreinen en werken Ontmoeten en ontmoetingsplekken (waaronder winkelgebieden, cultuur en samenleven) Voorzieningen (zorg, scholen etc.) Mobiliteit Omgevingskwaliteit (milieu/gezondheid)
In dit geval id met name het thema ‘Woningen (bestaand en nieuw)’ van belang. Woningen (bestaand en nieuw) De spanning tussen het bouwen van nieuwe woningen en het behouden van het groen is het belangrijkste vraagstuk in de gemeente. De landelijke druk op de woningmarkt is de gemeente Soest zeer merkbaar. Met name voor starters en voor ouderen die kleiner willen gaan wonen is het lastig een passende woning te vinden. Een langdurig gebrek aan woningen heeft effecten op de bevolkingsopbouw en de voorzieningen. Soest heeft een bevolkingsprofiel met veel ouderen en redelijk veel gezinnen met kinderen. Dat vindt de gemeente een kernkwaliteit en de opgave voor de omgevingsvisie is hoe je met woningbouw die opbouw in stand kunt houden en of het wenselijk zou zijn deze nog wat te verjongen. De behoefte lokaal en regionaal is groter dan wat de gemeente kan bouwen. In de kern Soest gaat het mondjesmaat met woningbouw. Er is een programma van een redelijke omvang maar dat kijkt slechts zo’n 5 jaar vooruit en de uitvoerbaarheid zal geen 100% zijn. 4.3.1.3
Toetsing
Het voorgenomen plan betreft de transformatie van een kleinschalig bedrijventerrein naar een woongebied. De verouderde voormalige bedrijfspanden hebben geen duurzame vervolgfunctie. Een vervolgfunctie is tevens, zonder zware investeringen, niet realistisch. Herontwikkeling naar een woonfunctie draagt bij aan het levendig en aantrekkelijk houden van het dorp. Daarbij vindt de ontwikkeling plaats op een locatie die in de visie is aangewezen als ‘optimalisatie door verdichting’ en Het plan houdt daarbij zorgvuldig rekening met het groene en dorpse karakter. De maat en schaal van de nieuwe bebouwing sluit aan bij de omliggende woonbebouwing. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats binnen de kern Soest, waar 75% van de woningbouwopgave volgens de gemeentelijke structuurvisie moet worden gebouwd. 4.3.2 Masterplan Wonen Soest 4.3.2.1
Algemeen
Het doel van het Masterplan Wonen is om als gemeente grip te houden op het voorzien in de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte voor de kern Soest. De afgelopen jaren is de druk op
21
de woningmarkt sterk toegenomen. De prijzen in de koopsector zijn sterk gestegen, waardoor voor mensen met een lager- of middeninkomen de mogelijkheden op de woningmarkt kleiner zijn geworden. Dit geldt zeker voor een centraal gelegen regio waarin de gemeente Soest zich bevindt. De nabijheid van veel werkgelegenheid in combinatie met een aantrekkelijke, groene woonomgeving maakt dat het aantal woningzoekenden aanzienlijk groter is dan het aanbod. Daarom is het van groot belang om de komende jaren woningen te bouwen die voorzien in de kwantitatieve behoefte. Minstens zo belangrijk is dat de juiste woningen worden gebouwd, die aansluiten op de kwalitatieve vraag van woningzoekenden. 4.3.2.2
Kwantitatieve vraagontwikkeling
In 2019 is de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Soest onderzocht. Uit dit onderzoek kwam een woningbehoefte voor de periode tot en met 2025 naar voren van 770 woningen voor de kern Soest. Daarbij wordt rekening gehouden met de verwachte huishoudensgroei en het terugdringen van een bestaand tekort aan sociale huurwoningen. Voor een deel wordt deze behoefte al ingevuld met reeds bestaande harde plannen. De feitelijke restopgave voor de periode tot en met 2025 ligt daarom op 637 woningen. 4.3.2.3
Kwalitatieve vraagontwikkeling
In afbeelding 4.3 is een overzicht te zien van de verwachte vraag en het verwachte aanbod van diverse woningtypen in Soest. Uit het overzicht blijkt dat de kwalitatieve woningbehoefte in Soest zich in de komende jaren vooral richt op: 1. Huurappartementen; een vraag die afkomstig is van senioren die willen verhuizen naar een levensloopgeschikte woning 2. Betaalbare koopwoningen voor starters, jonge doorstromers en (in beperkte mate) senioren die een koopappartement zoeken.
Afbeelding 4.3 Verwachte vraag en aanbod naar woningen o.b.v. Woningbehoefteonderzoek Gemeente Soest (Bron: gemeente Soest) Op basis van de woningbehoefte zoals beschreven in het Masterplan Wonen in Soest is een zogenaamd no regret-woningbouwscenario opgesteld (zie tabel 4.1), bestaande uit een woningbouwprogramma dat het meest tegemoet komt aan de kwantitatieve en kwalitatieve ambities voor de kern Soest en voldoende realistisch is gezien de korte termijn.
22
De sterke nadruk op appartementen (zowel huur als koop) is mede ingegeven door de grote kwantitatieve opgave in combinatie met de beperkte fysieke ruimte. De Ladder voor Duurzame verstedelijking maakt dat woningbouw in de eerste plaats op inbreidingslocaties moet plaatsvinden, om daarmee het groene buitengebied te sparen en zorgvuldig ruimtegebruik na te streven. In Soest zijn de beschikbare inbreidingslocaties echter beperkt. Zeker omdat de wens is om voldoende groene en/of karakteristieke open plekken te behouden. Teveel verdichting gaat namelijk ten koste van het aantrekkelijke woonmilieu. De consequentie is dat het woningbouwprogramma zich moet inzetten op efficiënt ruimtegebruik.
Tabel 4.1 Restopgave woningbouw (2020-2025) op basis van behoefte minus harde plannen (Bron: gemeente Soest) 4.3.2.4
Toetsing
Met voorliggend plan wordt een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het realiseren van de kwantitatieve woningbouwopgave voor de kern Soest. Het betreft tevens een type woningen – appartementen en rijwoningen – waar veel vraag naar is. De appartementen in het noordelijke appartementencomplex (19 appartementen) zullen verhuurd worden, de appartementen in het zuidelijke complex (12 appartementen) zullen ook verhuurd worden waarbij de initiatiefnemer de mogelijkheid open houdt om er koopappartementen van te maken, de rijwoningen betreffen koopwoningen. De appartementen met een gebruiksoppervlakte tussen de 40 m2 en 62 m2 in het noordelijke appartementengebouw zijn met name geschikt voor starters en doorstromers. De appartementen in het zuidelijke blok ook, waar bij initiatiefnemer de mogelijkheid open houdt hier koopappartementen van te maken met een andere grootte waarbij deze dienen te passen binnen de parkeercapaciteit van het plangebied. Het plan sluit daarmee naadloos aan op de kwantitatieve opgave welke voort komt uit het Masterplan Wonen Soest. Verder is de ontwikkeling in overeenstemming met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De beoogde ontwikkeling gaat namelijk uit van het slopen van bebouwing zonder duurzame vervolgfunctie en ontwikkeling van woningbouw binnen de kern. 4.3.3 Welstandsnota 4.3.3.1
Algemeen
Op 13 februari 2014 heeft de gemeenteraad van Soest de nieuwe Welstandsnota vastgesteld om transparant welstandsbeleid te kunnen voeren. Het welstandsbeleid is bedoeld om te zorgen dat bij bouwen en verbouwen de omgeving niet visueel wordt aangetast. De nota staat vol 23
inspirerende voorbeelden, kaartmateriaal en gebiedsbeschrijvingen. Om mensen die een vergunning aanvragen te ondersteunen bij het indienen van een kwalitatief goed plan, zijn proces en inhoud van de welstandsbeoordeling duidelijk beschreven. Door middel van een welstandskaart is voor alle gronden in Soest aangegeven wat het welstandsniveau is. Per welstandsniveau horen een aantal beoordelingsaspecten. 4.3.3.2
Situatie plangebied
Op basis van de welstandsnota valt het plangebied binnen het deelgebied ‘Soest Zuid’, waarvoor het welstandsniveau ‘gewoon’ geldt. Voor dit niveau gelden de hoofdaspecten. Het bouwplan moet aan deze aspecten voldoen. Hierna zijn de hoofdaspecten weergegeven.
4.3.3.3
Toetsing
Het bouwplan is ter toetsing voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. De commissie heeft goedkeuring gegeven op het plan. De gewenste ontwikkeling is passend binnen het welstandsbeleid van de gemeente Soest. 4.3.4 Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan (2008)
4.3.4.1
Algemeen
In 2008 heeft de gemeente het Gemeentelijke verkeer- en vervoersplan vastgesteld. Verkeer- en vervoerstromen zijn de laatste decennia sterk aan verandering onderhevig. Ruimtelijke en economische ontwikkelingen en de hiermee samenhangende, groeiende vraag naar mobiliteit zijn daarvan de oorzaken. Alle verkeer- en vervoerstromen moeten in goede banen worden geleid. Er moet tijdig ingespeeld kunnen worden op ontwikkelingen en de overlast van verkeer moet zoveel mogelijk worden ingeperkt. De bereikbaarheid van de gemeente Soest is van groot belang voor de ruimtelijke en economische ambities. Om de bereikbaarheid ook in de toekomst te kunnen waarborgen wordt ingezet op de regionale pakketstudies. In regionaal verband wordt bekeken hoe de doorstroming op het hoofdwegennet (de rijkswegen) en het onderliggende wegennet kan worden verbeterd. Binnen de gemeente zal de verkeersveiligheid en de doorstroming verbeterd worden door functionele weginrichting. De inrichting van de weg dient aan te sluiten bij de functie van de weg. De belangrijkste knelpunten op het gebied van de verkeersveiligheid zullen de komende jaren worden aangepakt. In het uitvoeringsprogramma wordt een aantal projecten aangewezen die in de komende jaren uitgevoerd gaan worden. Het gaat hier om het herinrichten van parkeerterreinen en de reconstructie van diverse kruispunten in Soest Zuid. 4.3.4.2
Toetsing
Onderhavig plangebied wordt niet specifiek genoemd in het Gemeentelijke verkeer- en vervoersplan. Een nadere toetsing kan daarom achterwege blijven. 4.3.5 Bomenkaart Soest 4.3.5.1
Algemeen
24
De Bomenkaart maakt onderdeel uit van de nota ‘Bescherming en kap van bomen’ (2012). Op de Bomenkaart is te zien dat binnen het plangebied geen bijzondere bomenstructuren of monumentale/waardevolle bomen aanwezig zijn. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de bomenkaart opgenomen.
Afbeelding 4.4 Uitsnede bomenstructuurkaart Soest (Bron: gemeente Soest) Monumentale/waardevolle bomen vallen binnen het beleid ‘bescherming en kap van bomen’. Uitgangspunt is dat alle bomen duurzaam worden ingepast. Voor overige bomen geldt dat sprake kan zijn van waardevolle bomen die in de toekomst kunnen uitgroeien tot monumentale bomen. Daarom moeten ook deze bomen worden ingepast. 4.3.5.2
Toetsing
Binnen het plangebied zijn geen monumentale of waardevolle bomen aanwezig. De bestaande bomen in het plangebied blijven zoveel als mogelijk behouden. Daarnaast wordt het plangebied groen aangekleed met nieuwe beplanting. Het plan is hiermee in overeenstemming met de bomenkaart van Soest.
25
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
5.1 Inleiding
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuen omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema’s Besluit milieueffectrapportage, bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, water, ecologie, archeologie & cultuurhistorie.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Besluit milieueffectrapportage 5.2.1.1 Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r.
neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Hierna wordt er verder op de vormvrije m.e.r. ingegaan.
26
5.2.1.2 Situatie plangebied Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit temeer omdat het plangebied op circa 8,9 kilometer afstand is gelegen van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (zie afbeelding 5.4) en de ontwikkeling relatief beperkt van aard is. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 5.4. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.rbeoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.